Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 1997, 38 pagina 6Overig

Gedeeltelijke goedkeuring Besluit beleidsregels SVB 1996

6 februari 1997

nr. 97375

Het College van toezicht sociale verzekeringen,

Gelezen het verzoek van 8 november 1996 van de Sociale Verzekeringsbank tot goedkeuring van het Besluit beleidsregels SVB 1996;

Gelet op artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling voorlegging besluiten uitvoeringsinstanties en artikel 104, vijfde lid, Organisatiewet sociale verzekeringen;

Besluit:

goedkeuring te verlenen aan het bijgevoegde Besluit beleidsregels SVB 1996, met uitzondering van Deel II, onderdeel 7.3.2 (Niet spontaan melden van relevante feiten en omstandigheden). De goedkeuring wordt verleend voorzover met het hiervoor genoemde besluit beleidsregels zijn vastgesteld, die vallen onder de reikwijdte van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling voorlegging besluiten uitvoeringsinstanties.


Zoetermeer, 6 februari 1997.
College van toezicht sociale verzekeringen,
W.E. Scherpenhuijsen Rom, voorzitter.

De belanghebbenden, die zich niet kunnen verenigen met het besluit van het College, kunnen daartegen binnen zes weken beroep instellen bij de sector bestuursrecht van de Arrondissementsrechtbank binnen wiens rechtsgebied zij woonachtig of gevestigd zijn. De termijn van zes weken vangt aan op de dag na de dag waarop het besluit bekendgemaakt is.

Toelichting

Het College verleent gedeeltelijke goedkeuring van het Besluit beleidsregels SVB 1996. Van de goedkeuring wordt uitgezonderd Deel II, onderdeel 7.3.2 betreffende de beleidsregels ter zake van het niet spontaan melden van relevante feiten en omstandigheden door verzekerden of andere personen. De vorenbedoelde beleidsregels vormen een weerslag van de bepalingen, die zijn opgenomen in de boetebesluiten die de Sociale Verzekeringsbank heeft getroffen naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid. Aan de desbetreffende bepalingen heeft het College op 23 juli 1996 goedkeuring onthouden. Tegen het besluit van het College bestond voor belanghebbenden de mogelijkheid van beroep, waarvan geen gebruik is gemaakt.

Gelet op het voorgaande behoeft aan het onderhavige onderdeel van de beleidsregels van de Sociale Verzekeringsbank thans niet nogmaals expliciet de goedkeuring te worden onthouden.

Zoetermeer, 6 februari 1997.

College van toezicht sociale verzekeringen,

W.E. Scherpenhuijsen Rom, voorzitter.

Bijlage

Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

Gelet op artikel 28 van de Organisatiewet sociale verzekeringen;

Besluit:

Artikel 1

Bij de uitvoering van de in artikel 28 van de Organisatiewet sociale verzekeringen genoemde wetten past de Sociale Verzekeringsbank het beleid toe dat is neergelegd in de als bijlage bij dit besluit gevoegde publicatie Beleidsregels Sociale Verzekeringsbank 1997.

Artikel 2

1. De beleidsregels AOW, AWW en AKW, zoals vastgesteld door het bestuur van de SVB bij besluiten van 22 september 1995 en 26 april 1996, Stcrt. 1995, 246 en Stcrt. 1996, 58 en 146 worden ingetrokken.

2. De beleidsregels Algemene wet bestuursrecht, zoals vastgesteld door het bestuur van de SVB bij besluit van 22 september 1995, Stcrt. 1996, 58, worden ingetrokken.

Artikel 3

In afwijking van hetgeen bepaald is in artikel 2, eerste lid, blijven de daar bedoelde beleidsregels van kracht voor zover zij betrekking hebben op de Algemene Weduwen- en Wezenwet.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel 5

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beleidsregels SVB 1997.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Aldus door het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank vastgesteld op 25 oktober 1996.

B. de Vries, voorzitter.

P.A.Schaafsma, president-directeur.

Toelichting

Dit besluit heeft betrekking op een integrale herziening en uitbreiding van de eerder door de Sociale Verzekeringsbank gepubliceerde beleidsregels.

Het bevat formele regels met betrekking tot de vaststelling en inwerkingtreding van de bij dit besluit vastgestelde beleidsregels, de intrekking van vorige besluiten inzake beleidsregels en het overgangsrecht.

In verband met de vele noodzakelijke wijzigingen ten opzichte van de vorige publicatie van de beleidsregels, is gekozen voor intrekking van de oude beleidsregels en vaststelling van een integrale herziene versie. Dit brengt met zich mee dat de nieuwe beleidsregels die gevormd zijn naar aanleiding van wetswijzigingen in de periode tussen invoering van die wetgeving en de publicatie van dit besluit de status hebben van interne gedragslijn.

De beleidsregels zijn vastgelegd in de als bijlage bij dit besluit gepubliceerde bundel ’Beleidsregels Sociale Verzekeringsbank 1997’.

Het eerste deel daarvan bevat een inleiding, waarin een overzicht wordt gegeven van de inhoud, de status en de werking van de beleidsregels.

In het tweede deel zijn regels opgenomen over de drie volksverzekeringen die door de SVB worden uitgevoerd, namelijk de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Het derde deel bevat regels ter zake van de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het vierde deel ten slotte behelst de toepassing van communautaire regelingen inzake sociale zekerheid, namelijk Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en 574/72 en Richtlijn 79/7/EEG.

Status en werking van de beleidsregels

Bij de ontwikkeling van de beleidsregels heeft de SVB zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de bepalingen die in de derde tranche van de Awb over dit onderwerp zijn opgenomen. Deze bepalingen zullen naar verwachting op 1 juli 1997 in werking treden.

De wetgever is er bij de totstandkoming van de derde tranche van de Awb van uitgegaan dat het uit een oogpunt van algemene kenbaarheid wenselijk is dat bestuursorganen hun bestendige bestuurspraktijk in beleidsregels neerleggen. In afwijking van het voorontwerp van de derde tranche is geen verplichting tot het vaststellen van dergelijke regels opgenomen in de Awb. Niettemin is het wel de bedoeling van de wetgever dat bestuursorganen ertoe overgaan hun beleid zoveel mogelijk te publiceren. Daarbij wordt verwacht dat het nieuwe artikel 4:82 Awb, waarin is bepaald dat, indien een beleidsregel is vastgesteld en bekendgemaakt, bij de motivering van besluiten met een verwijzing naar de beleidsregel kan worden volstaan, bestuursorganen in voldoende mate zal aanmoedigen om beleidsregels vast te stellen en bekend te maken. De SVB hoopt met de vaststelling van de onderhavige regels aan de bedoelingen van de wetgever tegemoet te zijn gekomen.

In het vierde lid van artikel 1:3 Awb zijn beleidsregels gedefinieerd als: ’een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan’.

Bij de ontwikkeling van de onderhavige regels is bij deze definitie aansluiting gezocht. Dit betekent dat de regels niet uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van zuiver discretionaire bepalingen (zogenaamde ’kan-bepalingen’), maar ook op de uitleg van wettelijke bepalingen in situaties waarin deze meerdere interpretaties toestaan. Ook ten behoeve van een uniforme uitleg van jurisprudentie zijn regels geformuleerd.

De beleidsregels zoals die door de SVB worden gehanteerd, zijn ook neergelegd in handleidingen gericht aan de districtskantoren. Deze handleidingen bevatten echter tevens vele administratieve en procedurele instructies. Dergelijke instructies hebben een zuiver intern karakter en worden veelvuldig aangepast, waardoor ze niet geschikt zijn voor bekendmaking aan derden. In deze publicatie worden de beleidsregels weergegeven zonder de interne administratieve en procedurele aspecten.

Hoewel burgers de SVB op de beleidsregels kunnen aanspreken, mogen deze niet op een lijn worden gesteld met algemeen verbindende voorschriften, zelfs niet nu ze formeel aan derden bekend zijn gemaakt en uit dien hoofde moeten worden beschouwd als ’recht’ in de zin van artikel 99 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. Indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval daartoe aanleiding geven, is de SVB op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur bevoegd en soms zelfs verplicht van de beleidsregels af te wijken. Dit volgt overigens ook uit artikel 4:84 Awb waarin is bepaald dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Voor zover zuiver wetsinterpreterende regels aan de orde zijn, zal de bevoegdheid tot afwijking zich overigens sterker manifesteren naarmate de wettelijke norm vager is en meer beoordelingsvrijheid aan de SVB toestaat. Bovendien bevatten de beleidsregels slechts globale lijnen die nimmer volledig recht kunnen doen aan alle individuele belangen waarmee in de praktijk bij het nemen van een beslissing door de SVB rekening wordt gehouden. Afwijking in bijzondere gevallen zal eerder aan de orde zijn, naarmate de wettelijke bepaling meer ruimte biedt tot interpretatie. Ten aanzien van alle in deze publicatie vervatte regels geldt aldus het principe dat hiervan in individuele gevallen op grond van bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken.

Daarbij zij voorts opgemerkt dat deze beleidsregels, hoewel veelomvattend, niet een uitputtend beeld geven van het beleid van de SVB. Beleid dat nog niet is uitgekristalliseerd, of uitsluitend om strategische redenen wordt gevoerd, bijvoorbeeld om jurisprudentie te ontlokken, is bijvoorbeeld niet opgenomen. Ook de omvang van de beschrijving van de regels verschilt. De reden hiervan is gelegen in het feit dat sommige bepalingen, doordat ze reeds veel langer bestaan of door veelvuldiger toepassing, meer ontwikkeld zijn dan andere.

Ten slotte dient er rekening mee te worden gehouden dat niet is gegarandeerd dat alle in de bundel opgenomen teksten volledig actueel zijn. Er kan sprake zijn van wetswijzigingen of nieuwe jurisprudentie die nog niet zijn verwerkt. Dit is een onvermijdelijk gevolg van het feit dat de besluitvorming en de goedkeuring van nieuwe beleidsregels enige tijd vergen. De tekst van deze publicatie is afgesloten op 15 september 1996. Jaarlijks zal een geactualiseerde versie van de beleidsregels worden gepubliceerd. Tussentijdse wijzigingen worden eventueel afzonderlijk gepubliceerd in de Staatscourant.

Opzet van de beleidsregels

De beleidsregels zijn telkens gegroepeerd onder de relevante wettelijke bepalingen. Deze keuze is mede ingegeven door artikel 4:83 Awb waarin is bepaald dat bij de bekendmaking van de beleidsregels zoveel mogelijk het wettelijk voorschrift wordt vermeld waaruit de bevoegdheid waarop de beleidsregel berust, voortvloeit.

Om redenen van toegankelijkheid zijn de wetsbepalingen veelal voorzien van een summiere toelichting alvorens de beleidsregel wordt geformuleerd. Hierdoor bevat de bundel een combinatie van zowel descriptieve als normatieve teksten. Het onderscheid tussen descriptieve en normatieve tekst is te herkennen aan de formulering van de tekst. In de formulering van een beleidsregel (normatieve tekst) wordt expliciet verwezen naar door de SVB gehanteerde criteria, de door de SVB vastgestelde beleidslijn e.d.

Op grond van de Awb dienen besluiten inhoudende de vaststelling van een beleidsregel, te worden gemotiveerd. Er is voor gekozen om bij de omschrijving van de beleidsregel tevens de essentie van de motivering voor deze regel te omschrijven. Deze handelwijze laat uiteraard onverlet, dat de SVB bijvoorbeeld in beschikkingen op bezwaar of in rechterlijke stukken een uitgebreidere motivering kan geven voor de inhoud van een beleidsregel.

Veelal ligt de motivering overigens besloten in de inhoud van rechterlijke uitspraken. Waar dit het geval is, wordt hiervan gewag gemaakt. Vooral in het kader van de beleidsregels voor de toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 speelt de jurisprudentie een overheersende rol. De op grond van deze verordening gevormde jurisprudentie van het Hof van Justitie EG is dermate omvangrijk en complex, dat de mededeling dat de SVB een specifiek arrest van dit Hof volgt, op zichzelf reeds beleidsmatig relevant is, nog afgezien van de vraag op welke wijze een dergelijke navolging invulling heeft gekregen.

Bij de beleidsregels is telkens een selectie van de meest relevante jurisprudentie toegevoegd. Niet alle rechtspraak waarnaar wordt verwezen, is gepubliceerd. Voor zover dit niet het geval is, kunnen de uitspraken worden opgevraagd bij de districtskantoren van de SVB. Hier kan de burger ook terecht met vragen over concrete situaties.

Bijzondere opmerkingen ten aanzien van de afzonderlijke delen

Deel II: AOW, Anw en AKW ‐ Met vaststelling van dit deel is de eerdere publicatie beleidsregels AOW, AWW en AKW, zoals vastgesteld door het bestuur van de SVB bij besluiten van 22 september 1995 en 26 april 1996, Stcrt. 1995, 246 en Stcrt. 1996, 58 en 146, komen te vervallen (artikel 2). In artikel 3 van het besluit tot vaststelling van de onderhavige regels is echter bepaald dat een aantal specifieke paragrafen van toepassing blijven. Het betreft hier de onderdelen inzake de AWW. Deze beleidsregels blijven gelden in verband met het overgangsrecht van artikel 105, tweede lid van de Anw, waarin is bepaald dat de AWW en de daarop berustende bepalingen van toepassing blijven op de rechten, verplichtingen en bevoegdheden over de tijdvakken gelegen voor de inwerkingtreding van de Anw, tenzij anders bepaald. Deze regels blijven dus relevant met betrekking tot aanvragen voor AWW-pensioen in verband met het overlijden van verzekerden voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Anw per 1 juli 1996.

Ten opzichte van de vorige versie zijn, afgezien van vele technische of ondergeschikte wijzigingen, over enkele onderwerpen geheel nieuwe teksten geformuleerd. In de eerste plaats betreft het hier teksten inzake de Anw. In het kader van deze wet zijn deels oude AWW-regels getransponeerd, maar is er ook nieuw beleid geformuleerd.

Meer ingrijpende wijzigingen of geheel nieuwe beleidsregels zijn voorts ingevoerd ter zake van de onderwerpen:

- leefvormen;

- begrippen met betrekking tot kinderen;

- KB 164;

- de regeling voor gemoedsbezwaarden;

- recht op uitkering AKW;

- hardheid en de mate van terugwerkende kracht (eerder afzonderlijk gepubliceerd in Stcrt. 1996, 146);

- intrekking en herziening van de uitkering;

- handhaving; en

- terugvordering en verrekening.

De laatste drie onderwerpen zijn drastisch aangepast onder invloed van de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid. Op grond van deze wet is door de SVB tevens een groot aantal besluiten genomen die de status hebben van algemeen verbindende voorschriften. Deze besluiten, alsmede de daarbij behorende toelichtingen, zoals eerder afzonderlijk gepubliceerd in de Staatscourant, zijn als bijlage in de bundel opgenomen.

Deel III: Awb ‐ Dit deel vervangt geheel de eerdere beleidsregels Awb zoals die zijn vastgesteld bij bestuursbesluit van 22 september 1995, Stcrt. 1996, 58. De wijzigingen zijn overigens hoofdzakelijk van technische of ondergeschikte aard.

Deel IV: Internationaal ‐ Het vierde, internationale deel van de beleidsregels is nieuw. Eerder zijn nog geen regels gepubliceerd over EG-Verordeningen 1408/71 en 574/72 en Richtlijn 79/7/EEG. Het internationale deel bevat ook beleidsregels over de toepassing van de bilaterale verdragen inzake sociale zekerheid die door Nederland zijn afgesloten. Deze regels gaan echter in de meeste gevallen slechts over de vraag of interpretaties onder Vo. 1408/71 mede worden gevolgd onder het bilaterale verdragsregime, of juist uitdrukkelijk niet worden gevolgd. De vraag in hoeverre communautaire jurisprudentie of aan het communautaire recht gebonden beleidsinterpretaties ’reflexwerking’ hebben voor de toepassing van overeenkomstige niet-communautaire internationale normen, is niet in het algemeen te beantwoorden. Vast staat dat een dergelijke reflexwerking voor jurisprudentie van het Hof van Justitie EG rechtens niet bestaat. Dit is bevestigd door zowel de Centrale Raad van Beroep als de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld CRvB 24 november 1992, RSV 1993/147 en HR 17 april 1996, nr. 258, n.g.). In het algemeen hanteert de SVB voor de toepassing van bilaterale verdragen een eigen interpretatiekader, dat geenszins synchroon hoeft te lopen met het kader zoals dat is ontwikkeld onder het communautaire recht. Ten aanzien van bijzondere onderwerpen kan de SVB echter evenzeer uit beleidsmatige overwegingen ervoor kiezen juist een gelijkvormig interpretatiekader aan te houden. Bij de keuze om wel of niet reflexwerking te geven aan communautaire jurisprudentie of interpretatienormen spelen verschillende factoren een rol, zoals de specifieke formulering van verdragsbepalingen, de bedoelingen van de verdragspartijen, de mate waarin communautaire jurisprudentie gekoppeld is aan specifieke doelstellingen van het EG-Verdrag. Algemene regels hierover kunnen niet worden gegeven. Waar ten aanzien van afzonderlijke onderwerpen bewuste keuzes zijn gemaakt ter zake van reflexwerking, zijn deze keuzes in ieder geval in de beleidsregels tot uitdrukking gebracht.

Terinzagelegging van de beleidsregels ‐ De beleidsregels zijn samen met een aantal door de SVB vastgestelde algemeen verbindende voorschriften op grond van de AOW, Anw en AKW opgenomen in een bundel, die ter inzage ligt bij de kantoren van de SVB.

Tevens zal een handelseditie van deze beleidsregels worden gepubliceerd, die verkrijgbaar is in de boekhandel.