Ontheffing verbod radiotelefonie tijdens oefenvluchten
16 januari 1997
DGRLD/LI/96.200481
Rijksluchtvaartdienst
De directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst,
Handelende na overleg met de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten en de Directeur van de Luchtverkeersbeveiligingsorganisatie;
Gelet op artikel 8a, vierde lid van de Luchtvaartwet;
Besluit:
Artikel 1
Aan de houder van een geldig oefenbewijs of een geldig beperkt vliegbewijs A, die een vliegopleiding volgt op het luchtvaartterrein Rotterdam, Eelde, Maastricht, De Kooij, Valkenburg, Eindhoven, Gilze-Rijen, Twenthe of Leeuwarden en nog niet in het bezit is van de bevoegdverklaring Radiotelefonie, wordt ontheffing verleend van het verbod, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Luchtvaartwet om, zonder in het bezit te zijn van een geldige bevoegdverklaring Radiotelefonie, tijdens oefenvluchten in het plaatselijke luchtverkeersleidingsgebied van het luchtvaartterrein waar de vliegopleiding wordt gevolgd, radiotelecommunicatie te onderhouden met de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst, onder de in artikel 2 genoemde beperkingen.
Artikel 2
1. Degene die gebruik maakt van deze ontheffing beschikt over een verklaring van het hoofd van de betrokken plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst, waaruit blijkt dat hij of zij over voldoende kennis en bedrevenheid beschikt voor het onderhouden van de in artikel 1 bedoelde radiotelecommunicatie.
2. De in het eerste lid genoemde verklaring is niet ouder dan 12 maanden.
Artikel 3
De beschikking van 3 maart 1988, nr. LI/1735 Rijksluchtvaartdienst (Stcrt. 1988, 54) wordt ingetrokken.
Deze beschikking zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst,
J. W. Weck.
Toelichting
Verplicht onderdeel van de vliegopleiding voor een privévliegbewijs is het uitvoeren van een aantal (solo) oefenvluchten. In het opleidingspatroon van de gemiddelde leerling zullen een aantal van deze oefenvluchten reeds korte tijd na het begin van de opleiding worden uitgevoerd.
Leerlingvliegers beschikken in dit stadium meestal nog niet over een bevoegdverklaring radiotelefonie, aangezien de gemiddelde studietijd die daarvoor nodig is veel groter is dan het benodigde tijdsbestek tot aan de eerste solovlucht.
Ook valt het tijdstip waarop het privé-vliegbewijs wordt behaald meestal niet exact samen met het behalen van de bevoegdverklaring radiotelefonie.
Het uitvoeren van een vlucht van één van de genoemde luchtvaartterreinen is nagenoeg onmogelijk indien geen tweezijdige radioverbinding met de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst wordt onderhouden. Om de genoemde oefenvluchten te kunnen uitvoeren, bestond voor de luchtvaartterreinen Eelde, Maastricht en Rotterdam reeds de mogelijkheid om een verklaring van het hoofd van de betrokken plaatselijke verkeersleidingsdienst tweezijdige radioverbinding te verkrijgen. Daarmee werd de ministeriële ontheffing geldig om zonder bevoegdverklaring radiotelefonie toch via de radio contact te onderhouden met de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst. Op een aantal militaire luchtvaartterreinen zijn inmiddels ook vliegscholen gevestigd en is behoefte aan een soortgelijke faciliteit.
De constructie van een algemene ontheffing is tamelijk gewrongen, maar de huidige wetgeving biedt geen andere mogelijkheden voor een adequate oplossing. In het kader van de herziening van de luchtvaartwetgeving wordt gewerkt aan een betere oplossing.
Deze ontheffing is bedoeld als tijdelijke faciliteit. (Leerling)vliegers kunnen er daarom niet langer dan in totaal 12 maanden gebruik van maken. De plaatselijke luchtverkeersleidingsdiensten zullen de benodigde verklaring per persoon slechts één keer afgeven.
De directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst,
J. W. Weck.