Subsidieregeling tolkencentra

«Wet Justitie-subsidies»

22 december 1997

Nr. 669358/DBZ/97

De Staatssecretaris van Justitie;

Gelet op artikel 48b van de Wet Justitie-subsidies;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de wet: de Wet Justitie-subsidies;

b. de minister: de Minister van Justitie.

Artikel 2

1. De subsidie aan een tolkencentrum als bedoeld in artikel 48a, eerste lid, van de wet bestaat uit een bedrag dat ontstaat door vermenigvuldiging van het aantal door de minister subsidiabel gestelde formatieplaatsen ten behoeve van tolkdiensten met de door de minister voor de te onderscheiden categorieën functies vast te stellen normbedragen.

2. Indien minder dan zeventig procent van het aantal subsidiabel gestelde formatieplaatsen is gerealiseerd, kan de subsidie naar evenredigheid- op een lager bedrag worden vastgesteld.

3. De minister kan op aanvraag van de betrokken tolkencentra het ten behoeve van een tolkencentrum verleende bedrag, bedoeld in het eerste lid, verlagen, onder gelijktijdige verhoging van het ten behoeve van een ander tolkencentrum verleende bedrag.

4. De subsidie aan een tolkencentrum als bedoeld in artikel 48a, vierde lid, van de wet bestaat uit een door de minister te bepalen bedrag.

Artikel 3

De minister kan bij verlening van de subsidie bepalen dat het subsidiebedrag van de subsidie door hem wordt bijgesteld in verband met de ontwikkelingen van het loon- en prijspeil.

Artikel 4

1. Een tolkencentrum vormt met andere tolkencentra die op grond van de wet subsidie ontvangen een samenwerkingsverband, waarin afspraken worden gemaakt ter bevordering van een doelmatige dienstverlening door de tolkencentra en ter bevordering van de kwaliteit van tolken. Het samenwerkingsverband stelt een reglement op waarin de werkwijze, waaronder de besluitvorming, en de toerekening van de kosten van het samenwerkingsverband aan de tolkencentra worden geregeld.

2. Het reglement van het samenwerkingsverband behoeft de instemming van de minister.

3. Het samenwerkingsverband dient eenmaal in de vier jaren een beleidsplan in.

Artikel 5

Een tolkencentrum verleent de volgende tolkdiensten:

a. telefonische tolkdiensten;

b. persoonlijke tolkdiensten;

c. vertaalwerk.

Artikel 6

1. Persoonlijke en telefonische tolkdiensten worden slechts verleend binnen het door de minister, gehoord het tolkencentrum, voor het centrum vastgestelde werkgebied.

2. Persoonlijke tolkdiensten worden slechts verleend indien het verlenen van telefonische tolkdiensten naar het oordeel van de directeur van het tolkencentum niet mogelijk of, gelet op de aard van de dienstverlening, niet aangewezen is te achten.

3. Persoonlijke tolkdiensten worden zoveel mogelijk verleend tijdens een daarvoor vastgesteld spreekuur.

4. Vertaalwerk wordt slechts verricht ten aanzien van aan een natuurlijke persoon gericht of van een natuurlijke persoon afkomstige geschreven of gedrukte teksten, behoudens indien voor ander vertaalwerk een kostendekkende vergoeding in rekening wordt gebracht.

Artikel 7

Tolkdiensten worden slechts verleend:

a. op aanvraag van gemeenten, provincies, gemeentelijke en provinciale instellingen of instellingen, instanties en personen op de terreinen, vallend onder de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Binnenlandse Zaken, van Justitie, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van belastingen, met uitzondering van de burgerlijke, administratieve en militaire gerechten en het openbaar ministerie;

b. ten behoeve van cliënten van de aanvrager van de tolkdienst die naar zijn oordeel de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheersen.

Artikel 8

Aan de aanvrager van de tolkdienst en aan zijn cliënt ten wiens behoeve de tolkdiensten worden verleend, worden geen kosten in rekening gebracht.

Artikel 9

Het tolkencentrum zendt ieder kwartaal aan de minister een verslag van de verrichte tolkdiensten per taalgebied en per taakveld van de participerende departementen met een uitsplitsing naar het soort tolkdienst en naar diensten ten behoeve van asielzoekers en overige cliënten.

Artikel 10

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1998.

Artikel 11

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling tolkencentra.

Den Haag, 22 december 1997.
De Staatssecretaris van Justitie,E.M.A. Schmitz.

Toelichting

1. Algemeen

Er is in Nederland een zestal gesubsidieerde tolkencentra werkzaam dat tolkdiensten verricht ten behoeve van de cliënten van overheids- en hulpverleningsinstellingen die het Nederlands niet of onvoldoende beheersen. Aanvankelijk waren de tolkencentra vooral actief op medisch en sociaal/maatschappelijk terrein. In de loop van de tijd heeft het werkveld zich aanzienlijk verbreed naar rechtshulp, geestelijke volksgezondheid en asielzoekers. De tolkdiensten worden voor 100% gesubsidieerd door de minister en zijn zowel voor de aanvrager als voor degene ten behoeve van wie de dienst wordt verleend kosteloos. De tolkencentra vormen gezamenlijk een landelijk dekkend netwerk op het gebied van communicatie-ondersteuning en bieden overheids- en hulpverleningsinstellingen de mogelijkheid met niet-Nederlandstaligen te communiceren.

Als gevolg van de overdracht van de verantwoordelijkheid voor de gesubsidieerde landelijke tolkencentra van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Cultuur naar Justitie (Stb. 1996, 224) is een nieuwe ministeriële regeling nodig. Deze door de Minister van Justitie vast te stellen regeling vervangt de paragraaf over de subsidiëring van tolkencentra in de door de Staassecretaris van VWS vastgestelde Subsidieregeling welzijnsbeleid. De nieuwe subsidieregeling is gebaseerd op een nieuw hoofdstuk 4a van de Wet Justitiesubsidies (tolkencentra). In de Wet Justitiesubsidies is de bevoegdheid van de Minister van Justitie om de tolkencentra te subsidiëren geregeld. Daarnaast is de (standaard)subsidieregeling voor instellingssubsidies van afdeling 4.2.8 van de Algemene wet besuursrecht op de subsidie aan de tolkencentra van toepassing verklaard. Hiermee is een jaarlijks stramien van aanvragen, verlenen, verantwoorden en vaststellen van de subsidie geregeld. De subsidie wordt voor aanvang van het subsidiejaar verleend op basis van de door het tolkencentrum voor 1 oktober in te dienen begroting en activiteitenplan. Na afloop van het jaar wordt de subsidie door de minister vastgesteld op basis van een financiële verantwoording (voorzien van accountantsverklaring) en activiteitenverslag. Op grond van art. 48a jo. 13 van de Wet Justitiesubsidies (WJS) controleert de accountant de financiële verantwoording aan de hand van een door de minister op te stellen controleprotocol. Op grond van art. 48a jo. 12 van de WJS geldt voor de egalisatiereserve, onder andere, een maximum van niet meer dan 10% van de laatstelijk verstrekte subsidie.

De onderhavige regeling is gebaseerd op artikel 48b van de WJS en bevat - in aanvullling op hetgeen rechtstreeks uit hoofde van de Awb of de WJS geldt - een regeling van de wijze waarop het subsidiebedrag wordt bepaald alsmede van de overige aan de subsidie verbonden verplichtingen.

In de als bijlage bij deze toelichting gevoegde transponeringstabel is zichtbaar gemaakt met welke artikelen van de Subsidieregeling welzijnsbeleid de onderhavige regeling correspondeert.

2. Artikelsgewijs

Artikel 2

Om de subsidie op een zo efficiënt mogelijke manier in te-zetten kan op verzoek van de tolkencentra en na goedkeuring door de minister een onderlinge herschikking van de subsidie plaatsvinden (derde lid). De desbetreffende tolkencentra ontvangen vervolgens een herziene beschikking van de maximale verleende subsidie.

In het vierde lid is een afwijkende subsidiemaatstaf opgenomen voor andere activiteiten op het gebied van tolkdiensten.

Artikel 3

Op basis van artikel 3 is een vergoeding voor loon- en/of prijsbijstelling mogelijk, waaronder de zgn. OVA (overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling).

Aangezien de tolkencentra onder de werkingssfeer van de CAO Welzijnswerk vallen wordt het overleg met de werkgeversorganisatie op het punt van de arbeidsvoorwaarden gevoerd door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel 4

Het hier bedoelde samenwerkingsverband is de Stichting Landelijk Overleg Tolkencetra. Het eens in de vier jaar bij de minister in te dienen beleidsplan stelt hem in staat zicht te krijgen op de ontwikkelingen binnen de tolkencentra.

Het bevat een overzicht van de belangrijkste beleidsissues en te verwachten veranderingen. Aan de hand van het beleidsplan kunnen in het periodiek overleg tussen (vertegenwoordigers van) de minister en de tolkencentra beleidsuitgangspunten voor de komende jaren worden geformuleerd.

Artikel 6

Uit een oogpunt van efficiëncy wordt de voorkeur gegeven aan het verrichten van telefonische tolkdiensten. Het kan echter aangewezen zijn persoonlijke tolkdiensten te verlenen, indien het tolkencentrum van mening is dat een telefonische tolkdienst niet doelmatig, dan wel naar het oordeel van de directeur niet mogelijk of, qua aard van de dienstverlening, niet aangewezen is.

Naast telefonische tolkdiensten verrichten de tolkencentra ook vertaalwerkzaamheden van aan een natuurlijke persoon gerichte of van een natuurlijke persoon afkomstige geschreven of gedrukte teksten. In het vierde lid is aangegeven dat daarnaast ook andere vertaalwerkzaamheden verricht kunnen worden mits daar (niet meer en niet minder dan) een kostendekkende vergoeding tegenover staat.

Artikel 7

De tolkencentra mogen uitsluitend op aanvraag van de in dit artikel limitatief opgesomde instellingen, personen en instanties tolkdiensten verrichten ten behoeve van cliënten die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheersen. Hiermee is aangesloten bij de oude regeling.

In de oude regeling werd daarnaast ook een ’doelgroep’ van de regeling benoemd, nl. minderheden, Chinezen en asielzoekers (artikel 31 en 32 lid 1). Onder “minderheden” werd verstaan: verblijfsgerechtigden, zigeuners, Molukkers, Surinamers, Antillianen, Arubanen alsmede de Nederlanders en in Nederland toegelaten vreemdelingen, afkomstig uit Turkije, Marokko, Spanje, Portugal, Griekenland, voormalig Joegoslavië, Italië, Tunesië en Kaap-Verdië en hun nakomelingen. Deze vermelding is in de nieuwe regeling achterwege gelaten. In de eerste plaats omdat hiermee niet een afgrenzing werd beoogd, in die zin dat de omschrijving tot doel zou hebben bepaalde groepen niet-Nederlands-taligen van tolkdiensten uit te sluiten. Afgezien daarvan voorziet de zgn. Koppelingswet (Kamerstukken 25 339) in een strakkere koppeling van de aanspraak van vreemdelingen op voorzieningen en verstrekkingen aan een rechtmatig verblijf in Nederland.

In de tweede plaats heeft de in de oude regeling gebruikte definitie van minderheid aan actualiteit ingeboet, en zou zij om die reden niet geschikt zijn om te worden overgenomen. Nu de afgrenzing van de doelgroep op andere wijze geschiedt (alleen cliënten van nader aangeduide, aanvragende instanties die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheersen), kan vermelding van de doelgroep achterwege blijven.

3. Transponeringstabel

stcrt-1997-247-p19-SC11925-1.gif

De Staatssecretaris van Justitie,

E.M.A. Schmitz.

Naar boven