Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 1997, 245Algemeenverbindendverklaring van CAO-bepalingen

Metaalnijverheid O&O

Fonds Metaalbewerkingsbedrijf 1998

Bekendmaking in het kader van de algemeen verbindendverklaring van CAO-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

BEKENDMAKING IN HET KADER VAN DE ALGEMEEN VERBINDENDVERKLARING VAN BEPALINGEN VAN DE COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR HET METAALBEWERKINGSBEDRIJF

AI Nr. 8909

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Kennisgenomen hebbende van het besluit van het bestuur van de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbewerkingsbedrijf inzake de vaststelling van de hoogte van de werkgeversbijdrage voor het jaar 1998 aan de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbewerkingsbedrijf;

Overwegende,

dat artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbewerkingsbedrijf bij besluiten van 29 september 1995 (Stcrt. 1995, nr. 192) en 16 april 1996 (Stcrt. 1996, nr. 79) algemeen verbindend is verklaard tot en met 31 december 1999,

dat in genoemd artikel is bepaald dat de werkgever jaarlijks aan de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbewerkingsbedrijf een bijdrage verschuldigd is, waarvan de hoogte wordt vastgesteld overeenkomstig het terzake bepaalde in de statuten en het bijdragereglement van de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbewerkingsbedrijf;

Maakt bekend:

de bijdrage welke de werkgever op grond van de algemeen verbindendverklaring van artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbewerkingsbedrijf is verschuldigd, is voor het jaar 1998 vastgesteld op 0,55% van de loonsom, welke loonsom nader is gedefinieerd in het van de collectieve arbeidsovereenkomst deel uitmakende bijdragereglement (bijlage II).

's-Gravenhage, 17 december 1997

C. J. Meerhof.