Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Verkeer en Waterstaat | Staatscourant 1997, 235 pagina 11 | Besluiten van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Verkeer en Waterstaat | Staatscourant 1997, 235 pagina 11 | Besluiten van algemene strekking |
«Wegenverkeerswet 1994»
17 november 1997
DGP/V&V/724900
Directoraat-Generaal Personenvervoer
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op richtlijn nr. 96/96/EG van de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement van 20 december 1996 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lid-staten inzake de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens (PbEG L 46) alsmede op de artikelen 76, derde lid, 83, vierde lid, 84, eerste en tweede lid, 86, vijfde lid en 106, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede de artikelen 5.2.11, negende lid en 5.3.11, achtste lid, van het Voertuigreglement;
Besluit:
De Regeling permanente eisen1 wordt als volgt gewijzigd:
A. Artikel 2.3.9 komt te luiden:
Artikel 2.3.9
1. Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde.
2. Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1992 doch voor 1 januari 1996, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, indien deze van fabriekswege is gemonteerd, hetgeen onder andere kan blijken uit de toevoeging U9 of E2 aan de typeaanduiding op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs. Deze eis geldt niet voor personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 januari 1994, die zijn voorzien van een LPG-installatie en waarvan het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet de toevoeging U9 of E2 bij de typeaanduiding vermeldt.
3. Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde.
4. Bij bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 doch vóór 1 januari 1998, behoeft de in artikel 2.3.10 omschreven controle slechts plaats te vinden als het voertuig is voorzien van een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, voor zover de motor wordt gevoed door benzine.
5. De in artikel 2.3.10 omschreven meting vindt bij personenauto’s en bedrijfsauto’s met een LPG-installatie eerst plaats met ingang van 1 juli 1998; de meting blijft achterwege indien het personenauto’s of bedrijfsauto’s betreft die zijn voorzien van een rotatiemotor of een CNG-installatie.
6. De beoordeling van het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid vindt plaats door visuele controle terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
B. Artikel 2.3.10 komt te luiden:
Artikel 2.3.10
1. De goede werking van het emissiebestrijdingssysteem van de in artikel 2.3.9 bedoelde motorrijtuigen wordt gecontroleerd door meting van de lambdawaarde en het koolmonoxidegehalte van de uitlaatgassen bij verhoogd toerental en door meting van het koolmonoxidegehalte bij stationair draaiende motor.
2. Vóór elke meting wordt gecontroleerd of de motor en het emissiebestrijdingssysteem op bedrijfstemperatuur zijn. Hieraan wordt voldaan indien de motor gedurende 3 minuten op een toerental van ongeveer 3000 omw/min heeft gedraaid en:
a. een proefrit heeft plaatsgevonden, of
b. de motorolietemperatuur minimaal 80∞C bedraagt.
De motorolietemperatuur moet worden gecontroleerd met behulp van een olietemperatuurmeter die is voorzien van een geldig certificaat van eerste keuring dan wel van herkeuring.
3. De uitlaatgassen van de in artikel 2.3.9 bedoelde motorrijtuigen mogen bij een verhoogd toerental gelegen tussen de 2500 omw/min en 3200 omw/min niet meer dan 0,3% vol koolmonoxide bevatten waarbij de lambdawaarde moet liggen tussen 0,97 en 1,03.
4. Indien binnen het toerentalbereik zoals vermeld in het derde lid de betrokken waarden niet worden bereikt, moet de meting worden herhaald bij een verhoogd toerental vanaf 2000 omw/min tot 3200 omw/min waarbij de controle op het koolmonoxidegehalte en de lambdawaarde bij elke stap van ongeveer 100 omw/min moet worden uitgevoerd totdat de betrokken waarden zijn bereikt.
5. In afwijking van het derde en het vierde lid mogen voor de door de Directeur van de Dienst Wegverkeer aangewezen typen motorrijtuigen of motorrijtuigen die zijn voorzien van een bepaalde LPG-installatie, de bijbehorende door de Directeur vastgestelde waarden en condities worden gehanteerd.
6. De uitlaatgassen van de in artikel 2.3.9 bedoelde motorrijtuigen mogen bij stationair toerental niet meer dan 0,5 % vol koolmonoxide bevatten. Indien het uitlaatsysteem meer dan één uitmonding heeft, beperkt de meting zich tot één uitmonding.
7. Bij het vaststellen van de lambdawaarde mag het derde cijfer achter de komma buiten beschouwing worden gelaten. Bij het vaststellen van het koolmonoxidegehalte bij verhoogd toerental mag het tweede cijfer achter de komma buiten beschouwing worden gelaten.
C. Artikel 2.3.11 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. het minimum en maximum stationair toerental. Indien het verschil tussen het aangegeven minimum en maximum toerental te klein is, mag ten behoeve van het invoeren in de roetmeter het minimum en maximum stationair toerental zodanig worden verlaagd respectievelijk verhoogd dat het verschil tussen beide maximaal 200 omw/min bedraagt,
2. Het derde lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. stationair toerental:
het werkelijke stationair toerental, waarbij ten behoeve van het invoeren in de roetmeter moet worden aangehouden als:
1∞ minimum: 500 omw/min, en
2∞ maximum: 1000 omw/min;
3. Het derde lid, onderdeel c, komt te luiden:
c. afregeltoerental:
het werkelijke afregeltoerental, waarbij ten behoeve van het invoeren in de roetmeter moet worden aangehouden als:
1∞ minimum: het werkelijke afregeltoerental minus 5%, en
2∞ maximum: het werkelijke afregeltoerental plus 5%;
4. In het vierde lid wordt ’het tweede en derde lid’ vervangen door: het eerste lid.
De Regeling wijze van keuren APK2 wordt als volgt gewijzigd:
A. Bijlage I, behorende bij artikel 3, wordt als volgt gewijzigd:
1. In de linkerkolom onder ’keuringseisen’ wordt bij artikel 5.2.11:
a. de aanduiding ’leden 9 en 10’ vervangen door: lid 9.
b. wordt na de aanduiding ’lid 9’ toegevoegd de aanduiding: lid 10.
2. In de rechterkolom onder ’wijze van keuren’ bij artikel
5.2.11:
a. worden bij lid 9 de volgende punten vermeld:
1. De controle geschiedt door meting aan een stilstaande personenauto met een uitlaatgastester met lambda-bepaling die ten minste gedurende de door de fabrikant van de uitlaatgastester opgegeven opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.
2. Vóór elke meting wordt gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat verkeert, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op beschadigingen van de monsternameslang en de sonde.
3. De sonde wordt op de wijze zoals beschreven in de handleiding van de desbetreffende uitlaatgastester in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht. Eventuele aanwijzingen in de handleiding met betrekking tot de te gebruiken sonde moeten worden gevolgd.
4. Indien het uitlaatsysteem meer dan één uitmonding heeft, beperkt de meting zich tot één uitmonding.
5. Indien de personenauto is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, hoeft de controle alleen te worden uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld op het kentekenbewijs.
6. Het verhoogd toerental moet worden gecontroleerd met behulp van een toerenteller. Eventuele aanwijzingen in de handleiding moeten worden gevolgd.
7. De meting geschiedt op de wijze zoals bepaald in artikel 2.3.10 van de Regeling permanente eisen.
b. wordt bij lid 10 het volgende vermeld:
-
c. komt lid 11, punt 2, te luiden:
2. Vóór elke meting wordt gecontroleerd of het monsternamesysteem en de desbetreffende verbindingskabels in goede staat verkeren, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op beschadigingen.
B. In Bijlage II, behorende bij artikel 4, wordt de rechterkolom onder ’wijze van keuren’ bij artikel 5.3.11, als volgt gewijzigd:
1. De tekst geplaatst bij de aanduiding ’lid 8’ wordt verplaatst naar lid 7;
2. Bij de aanduiding ’lid 8’ wordt de volgende tekst geplaatst:
1. De controle geschiedt door meting aan een stilstaande bedrijfsauto met een uitlaatgastester met lambda-bepaling die ten minste gedurende de door de fabrikant van de uitlaatgastester opgegeven opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.
2. Vóór elke meting wordt gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat verkeert, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op beschadigingen van de monsternameslang en de sonde.
3. De sonde wordt op de wijze zoals beschreven in de handleiding van de desbetreffende uitlaatgastester in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht. Eventuele aanwijzingen in de handleiding met betrekking tot de te gebruiken sonde moeten worden gevolgd.
4. Indien het uitlaatsysteem meer dan één uitmonding heeft, beperkt de meting zich tot één uitmonding.
5. Indien de bedrijfsauto is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, behoeft de controle alleen te worden uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld op het kentekenbewijs.
6. Het verhoogd toerental moet worden gecontroleerd met behulp van een toerenteller. Eventuele aanwijzingen in de handleiding moeten worden gevolgd.
7. De meting geschiedt op de wijze zoals bepaald in artikel 2.3.10 van de Regeling permanente eisen.
3. De tekst achter de aanduiding ’lid 9’ wordt vervangen door een liggend streepje.
4. De tekst achter de aanduiding ’lid 10’ wordt vervangen door:
1. De controle geschiedt door meting aan een stilstaande bedrijfsauto met een roetmeter die ten minste gedurende de door de fabrikant van de roetmeter opgegeven opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.
2. Vóór elke meting wordt gecontroleerd of het monsternamesysteem en de verbindingskabels in goede staat verkeren, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op beschadigingen.
3. De sonde wordt op de wijze zoals beschreven in de handleiding van de desbetreffende roetmeter in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht. Eventuele aanwijzingen in de handleiding met betrekking tot de te gebruiken sonde moeten worden gevolgd.
4. Indien het uitlaatsysteem meer dan één uitmonding heeft, beperkt de meting zich tot één uitmonding.
5. De motorolietemperatuur wordt gemeten met behulp van een temperatuuropnemer welke op de wijze zoals beschreven in de handleiding van de desbetreffende roetmeter in de motor wordt ingebracht. Eventuele aanwijzingen in de handleiding met betrekking tot de te gebruiken temperatuuropnemer moeten worden gevolgd. De temperatuuropnemer behoeft niet te worden ingebracht indien duidelijk is dat de motorolie op de vereiste temperatuur is.
6. Het stationair toerental en afregeltoerental moeten worden gecontroleerd met behulp van een toerenteller. Zo nodig wordt het stationair toerental afgesteld alvorens met de meting wordt begonnen. Eventuele aanwijzingen in de handleiding moeten worden gevolgd.
7. De meting geschiedt op de wijze zoals bepaald in de artikelen 2.3.11 en 2.3.12 van de Regeling permanente eisen.
5. Na de aanduiding ’lid 10’ wordt de aanduiding ’lid 11’ toegevoegd met daarachter geplaatst de tekst ’Visuele controle’.
De Erkenningsregeling APK3 wordt als volgt gewijzigd:
A. In artikel 3, eerste lid, onderdeel a, wordt: ’1 januari 1998’ vervangen door ’1 januari 1999’ en wordt ’5.3.11, negende lid,’ vervangen door: 5.3.11, tiende lid,
B. Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel a, onder 3∞, komt te luiden:
3∞. indien het motorrijtuigen betreft met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, een uitlaatgastester met lambda-bepaling en een toerenteller. Een eventuele koolmonoxidemeter met bijbehorende fles kalibratiegas mag uitsluitend worden gebruikt voor motorrijtuigen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, waarop de uitlaatgasmeting met lambda-bepaling, bedoeld in artikel 5.2.11, negende lid, dan wel artikel 5.3.11, achtste lid, van het Voertuigreglement niet van toepassing is. De fles kalibratiegas moet voldoen aan de eisen, gesteld in artikel 1.3, eerste lid, en artikel 1.6, derde lid, van de Voorschriften meetmiddelen 1996 en moet zich bevinden in een houder die geschikt is in relatie tot de constructie van de koolmonoxidemeter.
2. Onderdeel b, onder 2∞, komt te luiden:
2∞. indien het motorrijtuigen betreft met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, een toerenteller;
3. In onderdeel d wordt ’1 januari 1998’ vervangen door ’1 januari 1999’ en wordt ’5.3.11, negende lid,’ vervangen door: 5.3.11, tiende lid,
C. In artikel 7, eerste lid, wordt ’en koolmonoxydemeters’ vervangen door: , koolmonoxidemeters en uitlaatgastesters met lambda-bepaling.
D. Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:
1. het woord ’koolmonoxydemeter’ wordt telkens vervangen door: koolmonoxidemeter.
2. In onderdeel b wordt ’het controlelijst’ vervangen door: de controlelijst.
E. In artikel 24, eerste lid, wordt ’en koolmonoxydemeters’ vervangen door: , koolmonoxidemeters en uitlaatgastesters met lambda-bepaling.
F. Bijlage 3 behorende bij artikel 27, derde lid, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd:
1. In punt 2, onderdeel d, sub 1:
a. wordt in de tekst achter het derde gedachtenstreepje na ’een rolstoel’ ingevoegd: en waarin een invalide kan worden vervoerd.
b. komt het vierde gedachtenstreepje met de daarachter vermelde tekst te vervallen;
c. wordt in het vijfde gedachtenstreepje ’extraaangebrachte’ vervangen door: gewijzigde.
2. Punt 4, onderdeel c, komt te luiden:
c. breedte, waarbij:
1∞ tot en met een breedte van 250 cm op het kentekenbewijs, deze niet meer dan 50 mm mag afwijken van de waarde die op het kentekenbewijs is vermeld;
2∞ tussen een breedte van 250 cm en 260 cm op het kentekenbewijs, deze niet meer dan 50 mm naar beneden en niet meer dan 100 mm naar boven mag afwijken van de waarde die op het kentekenbewijs is vermeld, en de maximumwaarde zoals vermeld in artikel 5.3.6 respectievelijk 5.12.6 van het Voertuigreglement niet mag worden overschreden.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1998.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
1 Stcrt. 1994, 231 (supplement), laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 21 maart 1997 (Stcrt. 69).
2 Stcrt. 1994, 231 (supplement), laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 26 februari 1997 (Stcrt. 47).
3 Stcrt. 1994, 242, laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 19 december 1996 (Stcrt. 249).
De onderhavige regeling voorziet in wijzigingen van de Regeling permanente eisen, de regeling Wijze van keuren APK en de Erkenningsregeling APK. Deze wijzigingen hebben in hoofdzaak te maken met de invoering van de controle van het geavanceerde emissiebestrijdingssysteem bestaande uit een driewegkatalysator en lambdasonde, de zogenaamde viergasmeting. Deze controle is ingevolge richtlijn nr. 96/96/EG (PbEG L 46) van de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement van 20 december 1996 betreffende de onderlinge aanpassingen van de wetgevingen van de lid-staten inzake de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens verplicht gesteld.
De wijziging van de Regeling permanente eisen is noodzakelijk om exact te kunnen aangeven welke voertuigen moeten worden onderworpen aan de viergasmeting en op welke wijze de meting en onder welke voorwaarden de meting moet worden uitgevoerd. Met ingang van 1 januari 1998 gaat de viergasmeting in ieder geval gelden voor personenauto’s met elektrische ontsteking in gebruik genomen na 31 december 1995 en voor bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1997. Bepaalde personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992 doch vóór 1 januari 1996 alsmede bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1994 doch vóór 1 januari 1998 worden vanaf die datum ook aan de viergasmeting onderworpen (art. 2.3.9, tweede en vierde lid).
Ten aanzien van motorrijtuigen voorzien van een LPG-installatie gaat de viergasmeting pas met ingang van 1 juli 1998 gelden (art. 2.3.9, vijfde lid). Daarnaast worden motorrijtuigen met een aardgas-installatie (CNG) vooralsnog uitgezonderd omdat het rijden op aardgas nog in een experimenteel stadium verkeert en er op dit moment nog weinig voertuigen zijn uitgerust met een dergelijke installatie. In tegenstelling tot LPG-voertuigen golden tot voor kort geen emissie-eisen voor deze voertuigen bij de eerste toelating.
Artikel 2.3.10 van de Regeling permanente eisen beschrijft op welke wijze en onder welke voorwaarden de viergasmeting moet worden uitgevoerd. Tevens biedt het laatstgenoemde artikel de mogelijkheid om voor bepaalde voertuigen af te wijken van de algemeen geldende waarden en condities. Voorts zijn in artikel 2.3.11 enkele wijzigingen aangebracht die noodzakelijk zijn gebleken om de reeds eerder ingevoerde roetmeting op een juiste wijze te kunnen uitvoeren.
De wijziging van de Erkenningsrege-ling APK bewerkstelligt dat de erkenninghouder met ingang van 1 januari 1998 dient te beschikken over een goedgekeurde uitlaatgastester met lambdabepaling ten behoeve van de viergasmeting.
Wat betekent dit voor de in gebruik zijnde meetmiddelen? Ten aanzien van uitlaatgastesters (viergastesters) die reeds vóór 1 januari 1998 in gebruik waren geldt het volgende. Indien niet door middel van een aanvullend onderzoek is vastgesteld dat het apparaat voldoet aan de eisen aan uitlaatgastesters ingevolge hoofdstuk 3, paragraaf 11, van de Voorschriften meetmiddelen 1996 mag het desbetreffende apparaat slechts tot 1 juli 1998 gebruikt worden voor de viergasmeting. Het apparaat moet dan wel voldoen aan een aantal aanvullende bepalingen zoals opgenomen in artikel 3.11.14 van de betreffende regeling. Na 30 juni 1998 mogen zij alleen nog worden gebruikt voor voertuigen die niet onderworpen moeten worden aan een viergasmeting.
Koolmonoxidemeters in gebruik genomen vóór 1 januari 1998 mogen vanaf die datum ook alleen gebruikt worden voor motorrijtuigen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking waarop de viergasmeting niet van toepassing is.
Meetmiddelen die na 31 december 1997 in gebruik worden genomen, waarmee alleen koolmonoxide kan worden gemeten, moeten voortaan voldoen aan de eisen aan uitlaatgastesters, met uitzondering van de eisen ten aanzien van de meting van de overige gassen (artikel 3.11.4) en mogen uiteraard niet gebruikt worden voor de viergasmeting.
Tevens voorziet de wijziging van de Erkenningsregeling APK (de artikelen 3, derde lid, onderdeel a, en artikel 6, onderdeel d) in het verlengen van de periode waarbinnen de dieselrookmeting onder bepaalde voorwaarden bij een andere erkenninghouder dan de erkenninghouder die het voertuig afmeldt mag plaatsvinden.
Voorts zijn enkele wijzigingen aangebracht in bijlage 3, punt 2 en 4 van de Erkenningsregeling APK. Deze wijzigingen strekken niet tot implementatie van genoemde richtlijn 96/96/EG.
De wijziging in punt 2 geeft een verduidelijking aan welke vastzetinrichtingen zijn bedoeld en dat gewijzigde bevestigingspunten voor autogordels door de Dienst Wegverkeer moeten zijn beoordeeld. De tekst ’extra aangebracht’ kan vervallen aangezien elk bevestigingspunt voor een autogordel bij de toelating moet voldoen aan de desbetreffende eisen. Het gedachtestreepje omtrent de hefinrichting ten behoeve van het in- en uitladen van een rolstoel of de invalide is geschrapt omdat een dergelijke inrichting niet behoeft te worden beoordeeld door de Dienst Wegverkeer. Een eventueel gemonteerde hefinrichting beïnvloedt de verkeersveiligheid namelijk niet nadelig en blijkt in de praktijk niet tot problemen te leiden.
Punt 4 is gewijzigd omdat in relatie tot de toelating van de desbetreffende voertuigen en de vermelding van de breedte op het kentekenbewijs is gebleken dat de geboden tolerantie in sommige situaties onvoldoende is. In deze situatie is het voertuig niet gewijzigd na de toelatingskeuring. In het verleden is bij de afgifte van het kentekenbewijs de werkelijke breedte van het voertuig op het bewijs afgerond.
Aangezien deze wijzigingen niet strekken tot implementatie van genoemde richtlijn, zijn zij getoetst aan de mogelijk relevante, voor Nederland geldende notificatieverplichtingen. Daaruit blijkt dat de desbetreffende wijzigingen niet tevoren behoeven te worden genotificeerd bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen of een ander orgaan van een volkenrechtelijke organisatie.
De regeling wijze van keuren APK wordt aangevuld met de wijze waarop de verplichte uitlaatgastester met lambda-bepaling moet worden gebruikt en geeft aan welke controles en handelingen moeten worden verricht ten behoeve van de uiteindelijke meting.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1997-235-p11-SC11524.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.