Instelling Commissie Vogelaanvaringen Luchtvaartuigen

1 september 1997

nr. DGRLD/LI/97.800370

Directoraat-generaal Rijksluchtvaartdienst

De Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Defensie;

Besluiten:

Artikel 1

1. Er is een Commissie Vogelaanvaringen Luchtvaartuigen, afgekort CVL, hierna te noemen de Commissie.

2. De Commissie wordt voor onbepaalde tijd ingesteld en is een gewijzigde voortzetting van de ’Werkgroep ter Voorkoming van Aanvaringen tussen Vogels en Civiele Luchtvaartuigen’.

3. De engelse werktitel van de Commissie is ’Bird Strike Committee Netherlands’, afgekort BSC-NL.

Artikel 2

1. De Commissie heeft tot doel de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Defensie gevraagd en ongevraagd te adviseren aangaande maatregelen ter beperking van de risico’s van aanvaringen tussen vogels en luchtvaartuigen (vogelaanvaringen).

2. De Commissie heeft ondermeer tot taak:

a. Het analyseren en bekendmaken van gegevens over vogelaanvaringen;

b. Het bevorderen en coördineren van activiteiten en het (doen) verrichten van studies ter vermindering van de risico’s van vogelaanvaringen;

c. Het onderhouden van nationale en internationale contacten;

d. Het desgevraagd of uit eigen beweging doen van aanbevelingen aan en informeren van de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst respectievelijk de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten en de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten omtrent te nemen maatregelen en voorzieningen ter voorkoming, dan wel beperking van vogelaanvaringen met luchtvaartuigen en de daarmee verband houdende risico’s;

e. Het uitbrengen van voortgangsrapporten omtrent de werkzaamheden.

Artikel 3

1. De Commissie is samengesteld uit:

stcrt-1997-183-p8-SC10693-1.gif

2. Het voorzitterschap van de Commissie berust bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst.

3. Het secretariaat van de Commissie berust bij het Ministerie van Defensie, Directie Operatiën, Koninklijke Luchtmacht.

4. De huidige leden van de Werkgroep ter Voorkoming van Aanvaringen tussen Vogels en Civiele Luchtvaartuigen worden als vertegenwoordiger van de betreffende organisatie als lid van de Commissie aangewezen.

5. Indien de Commissie zulks noodzakelijk acht, kan uitbreiding van de Commissie worden voorgesteld aan de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Defensie.

6. Nieuwe leden dan wel vervangende leden worden door de leden van de Commissie, voorgedragen aan de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten van het Ministerie van Defensie.

7. De Commissie kan zich bedienen van adviseurs.

Artikel 4

De Commissie komt tenminste drie maal per jaar bijeen en tussentijds, zo vaak als daar aanleiding toe bestaat.

Artikel 5

Besluitvorming binnen de Commissie vindt bij voorkeur plaats op basis van consensus. Mocht dit niet bereikt worden dan is een meerderheid van stemmen de basis voor de besluitvorming, waarbij elke deelnemende organisatie één stem mag uitbrengen.

Artikel 6

Het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 mei 1990, nr. LI 3513 wordt hierbij ingetrokken.

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Den Haag, 1 september 1997.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,A. Jorritsma-Lebbink.
De Minister van Defensie,J.J.C. Voorhoeve.

Toelichting

De Werkgroep ter Voorkoming van Aanvaringen tussen Vogels en Civiele Luchtvaartuigen (WVAVCL) is, na in een andere hoedanigheid al enige jaren actief te zijn geweest, formeel ingesteld op 30 juni 1978 (besluit nr. LT/L 23017). Op 7 mei 1990 (besluit LI 3513) is de samenstelling van de werkgroep enigzins gewijzigd.

De Werkgroep heeft tot doel de veiligheid van de burgerluchtvaart te bevorderen door vogelaanvaringen met civiele luchtvaartuigen zoveel mogelijk te voorkomen. Taken die hieruit voortvloeien zijn ondermeer het ontwikkelen van beleid, het verzamelen van gegevens, het (laten) verrichten van onderzoek en het adviseren van de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst. De werkgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Ministeries van Verkeer en Waterstaat (Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst, Directie Luchtvaartinspectie), Defensie (Koninklijke Luchtmacht, Directie Operatiën), Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (Directie Natuurbeheer), de N.V. Luchthaven Schiphol en de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij. De werkgroep bestaat voor meer dan de helft uit ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een daaronder ressorterende instelling. Verder nemen zij in verband met hun werkzaamheden zitting in de werkgroep.

Om de hieronder genoemde redenen wordt de WVAVCL herzien:

a. Het doel van de Werkgroep is in de instellingsbeschikking LI-3513, van 7 mei 1990, niet omschreven.

b. Het huidige werkterrein van de werkgroep -de civiele luchtvaart- is te beperkt. Er is met betrekking tot het probleemveld een dusdanige grote overlap tussen civiele en militaire luchtvaart dat deze beperking het nemen van een gezamenlijke verantwoordelijkheid, in de weg staat. Daarnaast komt het belang van het risico van vogelaanvaringen, als veiligheidaspect voor zowel de civiele als de militaire luchtvaart, onvoldoende tot uitdrukking.

c. De in Nederland aanwezige natuurhistorische kennis, de kennis op het gebied van het luchtvaartterreinbeheer alsmede de operationele luchtvaarttechnische kennis wordt niet optimaal benut.

d. De huidige opzet van de WVAVCL is zodanig dat het merendeel van de werkzaamheden bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (Rijksluchtvaart- dienst, Directie Luchtvaartinspectie) zijn ondergebracht. Dit is ongunstig voor de effectiviteit en continuïteit van de Werkgroep.

Bovengenoemde problematiek leidt tot de volgende wijzigingen: de doelstelling wordt omschreven. De Commissie heeft tot doel de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Defensie gevraagd en ongevraagd te adviseren aangaande maatregelen ter beperking van de risico’s van aanvaringen tussen vogels en luchtvaartuigen (vogelaanvaringen).

Het werkterrein wordt uitgebreid. De gehele luchtvaart wordt als taakgebied beschouwd. Om het militaire luchtvaartaspect voldoende basis te geven, wordt het nieuwe instellingsbe- sluit mede ondertekend door de Minister van Defensie. Dit houdt in dat niet alleen aan de Minister van Verkeer en Waterstaat (i.c. de Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst), maar ook aan de Minister van Defensie (i.c. de Bevelhebber der Luchtstijdkrachten en de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten), advies kan worden gegeven. De kennis op het gebied van de vogelaanvaringsproblematiek zoals aanwezig bij het Ministerie van Defensie (Koninklijke Luchtmacht, Directie Operatiën) wordt hierdoor beter benut en de gezamenlijke verantwoordelijk-heid geformaliseerd. Om deze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid te benadrukken en om de werkzaamheden beter te spreiden, wordt het secretariaat over gedragen aan het Ministerie van Defensie (Koninklijke Luchtmacht, Directie Operatiën), het voorzitterschap blijft bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (Directoraat-Generaal Rijksluchtvaartdienst).

De naam van de WVAVCL wordt gewijzigd in Commissie Vogelaanvaringen Luchtvaartuigen (CVL), dit om het belang van een goed functionerend klankbord voor de vogelaanvarings-problematiek voor de gehele luchtvaart in Nederland te benadrukken.

Om de in Nederland aanwezige natuurhistorische kennis, de kennis op het gebied van het luchtvaartterreinbeheer alsmede de operationele luchtvaarttechnische kennis beter tot praktische toepassing te brengen vindt een verbreding plaats door toevoeging van vertegenwoordigers van een non-gouverne-mentele organisatie op het gebied van de natuurbescherming, de Nederlandse Vereniging van Luchthavens en de Vereniging van Nederlandse Verkeers- vliegers.

Naar boven