De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Gelet op artikel 13, eerste lid, van de Destructiewet;
Besluit:
Ontheffing wordt verleend van de in artikel 12, tweede lid, van de Destruc-tiewet bedoelde verplichting tot het onschadelijkmaken van destructiemateriaal door het te verwerken tot nuttige producten, onder bepaling dat nadat verwerking tot een halfproduct in een verwerkingsbedrijf voor hoog-risico-materiaal heeft plaatsgevonden, dit halfproduct onschadelijk wordt gemaakt door verbranding, voor:
a. hoog-risico-materiaal als bedoeld in artikel 1, onderdelen h, i en j, van de Regeling aanwijzing hoog-risico-materiaal1,
b. dierlijk afval dat ingevolge artikel 14, onderdelen h, i en j, van het Keuringsregulatief 19942 ongeschikt voor menselijke en dierlijke consumptie wordt verklaard, en
c. kadavers van runderen ouder dan één jaar en kadavers van schapen en geiten die op basis van artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Destructiewet worden aangemerkt als hoog-risico-materiaal.
In dit besluit heb ik het rapport van het Wetenschappelijk Veterinair Comité (WVC) van 21 oktober 1996 inzake de risicobeheersing van Bovine Spongiforme Encephalopathie (BSE) en scrapie besmet materiaal in overweging genomen, waarin de consumptie van hersenen, ogen en ruggenmerg van runderen, schapen en geiten van één jaar en ouder en de consumptie van de milt van schapen en geiten in verband wordt gebracht met het optreden van de dodelijke ziekte van Creutzfeldt-Jacob bij mensen. Volgens dit rapport wordt hoog-risico-materiaal afdoende onschadelijk gemaakt in een verwerkingsbedrijf voor hoog-risico-materiaal. Echter indien het destructieproces zou worden belast met materiaal dat zwaar besmet is met de verwekker van BSE kan niet worden gegarandeerd dat de verwekker van BSE volledig uit het eindproduct van verwerking is verwijderd. Tevens heb ik in overweging genomen beschikking nr. 97/534/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 juli 1997 (PbEG L 216) houdende een verbod, in verband met overdraagbare spongiforme encephalopathieën, op het gebruik van risicomateriaal. Genoemde beschikking bevat onder andere een verbod op het gebruik, voor welk doel dan ook, van de schedel, met inbegrip van de hersenen en de ogen, de tonsillen en het ruggenmerg van runderen ouder dan één jaar, van de schedel, met inbegrip van de hersenen en de ogen, de tonsillen en het ruggenmerg van schapen en geiten ouder dan één jaar en van de milt van schapen en geiten. Gelet op het rapport van het WVC en de beschikking van de Europese Commissie heb ik besloten de risicovolle onderdelen van schapen, geiten en runderen bij de slacht te laten afkeuren, waardoor ze ingevolge artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Destruc-tiewet worden aangemerkt als hoog-risico-materiaal en ze vervolgens te laten verbranden. Kadavers van runderen, schapen en geiten, waaruit deze delen niet zijn verwijderd, dienen in hun geheel te worden vernietigd. Gezien het feit dat vernietiging van voornoemd materiaal om logistieke redenen niet haalbaar is in een verbrandingsinstallatie, zal het ophalen, het vervoer en het separaat verwerken tot een halfproduct door het verwerkingsbedrijf voor hoogrisico-materiaal gebeuren. Het halfproduct zal vervolgens door het verwerkingsbedrijf voor hoog-risico-materiaal worden vervoerd naar de verbrandingsinstallatie om te worden verbrand.
De uitvoering van dit besluit en van andere daarmee samenhangende uitvoeringsmaatregelen vereist ingrijpende aanpassingen van de bedrijfsvoering ven de twee bedrijven die in Nederland een vergunning hebben tot het verwerken van hoog-risico-materiaal. Beide ondernemingen werken momenteel ten gevolge van de varkenspestepidemie op topcapaciteit. Hierdoor vergt de voorbereiding van de uitvoering van dit besluit enkele weken. Dit besluit treedt daarom in werking met ingang van 25 augustus 1997.
Op grond van artikel 7:1 van de Algemene Wet Bestuursrecht kan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken, daartegen binnen zes weken na de dag waarop het desbetreffende besluit bekend is gemaakt, een bezwaarschrift indienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
Een dergelijk bezwaarschrift dient u te adresseren aan: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, Postbus 5406, 2280 HK Rijswijk.