Bekendmaking aan de Rijnscheepvaart nr. 2/1996

Bekendmaking richtlijnen nrs. 7 (nieuw) en 12 voor de Commissie van Deskundigen voor de Rijnvaart te Rotterdam

18 maart 1996

Nr. RV 214964

Hoofddirectie van de Waterstaat

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 4 van het Besluit Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 (Stb. 1996, 127) en op artikel 1.07 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995;

Voorts gelet op de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart aangenomen resoluties (protocollen 1995-II-21 en 22);

Maakt bekend:

I. De Nederlandse tekst van richtlijn nr. 7, opgenomen in de Bekendmaking aan de Rijnscheepvaart nr. 6/1995 (Stcrt. 123), wordt vervangen door de volgende tekst:

Richtlijn nr. 7 voor de Commissies van Deskundigen

ingevolge artikel 1.07 ROSR 1995

Bijzondere ankers met een verminderd gewicht

(Artikel 10.01, vijfde lid)

Deel 1:

Toegelaten bijzondere ankers

De door de bevoegde autoriteiten toegestane ankers met een verminderd gewicht als bedoeld in artikel 10.01, vijfde lid, zijn in de navolgende tabel vermeld:

stcrt-1996-71-p8-SC5652-1.gif

Deel 2:

Controle en toelating van bijzondere ankers met een verminderd gewicht

(Vermindering van de ankermassa vastgesteld overeenkomstig artikel 10.01, eerste tot en met vierde lid, ROSR)

1. Hoofdstuk 1 - Toelatingsprocedure

1.1 Bijzondere ankers met een verminderd gewicht als bedoeld in artikel 10.01, vijfde lid, ROSR worden toegelaten door de bevoegde autoriteit. Deze stelt voor het bijzondere anker de toelaatbare vermindering van het gewicht vast met toepassing van de volgende procedure.

1.2 De toelating als bijzonder anker is slechts mogelijk indien de vastgestelde vermindering van het gewicht gelijk is aan of meer is dan 15 %.

1.3 Aanvragen voor toelating als bijzonder anker overeenkomstig onderdeel 1.1 moeten worden gericht tot de bevoegde autoriteit van één der Rijnoeverstaten of van België. Bij de aanvrage moeten in tienvoud worden gevoegd:

a) een overzicht van de afmetingen en het gewicht van het bijzondere anker waarbij voor iedere leverbare maat de voornaamste afmetingen en de type-aanduiding zijn vermeld.

b) een grafische voorstelling van de diagrammen van de remmende kracht van het standaardanker A, als bedoeld in onderdeel 2.2, en van het bijzondere anker B waarvoor de toelating wordt gevraagd, opgesteld door een instelling aangewezen door de bevoegde autoriteit en vergezeld van een beoordeling van die instelling.

1.4 De bevoegde autoriteit brengt de door haar ontvangen aanvragen van vermindering van het ankergewicht die zij, na afloop van de proeven, denkt in te willigen ter kennis van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR). Vervolgens meldt zij het toegelaten bijzondere anker aan de CCR onder vermelding van de type-aanduiding alsmede van de toegelaten vermindering van het ankergewicht. De toelating wordt de aanvrager niet eerder dan drie maanden na het bericht aan de CCR verleend onder voorbehoud dat deze geen bezwaren naar voren brengt.

2. Hoofdstuk 2 - Procedure van proefnemingen

2.1 De diagrammen van de remmende kracht bedoeld in onderdeel 1.3 moeten de remmende werking van het standaardanker A en van het bijzondere anker B, dat moet worden toegelaten, laten zien in relatie tot de snelheid, een en ander gemeten tijdens proefnemingen overeenkomstig de onderdelen 2.2 tot en met 2.5.

De bijlage I geeft een voorbeeld voor het uitvoeren van de proefnemingen ten aanzien van de remmende kracht.

2.2 Het bij de proefnemingen te gebruiken standaardanker A moet een klipanker van een courant model zijn met een gewicht van tenminste 400 kg en dat overeenkomt met de volgende schets en met de daarbij vermelde gegevens.

stcrt-1996-71-p8-SC5652-2.gifstcrt-1996-71-p8-SC5652-3.gif

Voor de aangegeven afmetingen en het gewicht geldt een tolerantie van ± 5 %; de oppervlakte van iedere vloei moet evenwel tenminste 0,15 m2 bedragen.

2.3 Het gewicht van het bijzondere anker B dat tijdens de proefnemingen wordt gebruikt mag ten hoogste 10 % van het gewicht van het standaardanker A afwijken. Bij grotere toleranties moeten de krachten evenredig aan het gewicht worden omgerekend.

2.4 De diagrammen van de remmende kracht moeten worden opgesteld voor de snelheden (v) van 0 tot en met 5 km/u (ten opzichte van de oever) volgens een lineaire schaal. Hiertoe moeten de proeven worden genomen op twee door de bevoegde autoriteit aan te wijzen riviergedeelten, waarvan het ene een bodem heeft van grof grind en het andere van fijn zand, driemaal in opvaart waarbij afwisselend het standaardanker A en het bijzondere anker B worden gebruikt.

Voor proeven met grof grind kan het riviervak van km 401/402 en voor proeven met fijn zand het riviervak van km 480/481 als referentievak dienen.

2.5 Voor iedere proef moet het te onderzoeken anker worden gesleept met een stalen tros waarvan de lengte tussen het anker en het bevestigingspunt op het slepende schip of werktuig gelijk is aan 10 maal de hoogte van het bevestigingspunt boven de ankergrond.

2.6 Het percentage van de gewichtsvermindering van het anker wordt berekend met behulp van de volgende formule:

stcrt-1996-71-p8-SC5652-4.gif

In deze formule betekent:

r: het percentage van de gewichtsvermindering van het bijzondere anker B ten opzichte van het standaardanker A;

PA: het gewicht van het standaardanker A;

PB: het gewicht van het bijzondere anker B;

FA: de houdkracht van het standaard-anker A bij v = 0,5 km/u;

FB: de houdkracht van het bijzondere anker B bij v = 0,5 km/u;

AA: het vlak in het diagram, gevormd door

- de parallel tot de ordinaatas bij een snelheid v = 0

- de parallel tot de ordinaatas bij een snelheid v = 5

- de parallel tot de abscisas bij een houdkracht F = 0

- de remkrachtkromme voor het standaardanker A;

Model van het diagram van remmende kracht (berekening van de vlakken AA en AB)

stcrt-1996-71-p8-SC5652-5.gif

AB: zelfde definitie als AA maar met gebruikmaking van de remkracht-

kromme voor het bijzondere anker B.

2.7 Het toelaatbare percentage is dat berekend en beoordeeld overeenkomstig onderdeel 2.6 uit zes waarden van r.

II. De Nederlandse tekst van richtlijn nr. 12 luidt:

Richtlijn nr. 12 voor de Commissies van Deskundigen ingevolge artikel 1.07 ROSR 1995

Brandstoftanks aan boord van drijvende werktuigen

(Artikelen 8.05, eerste lid, en 17.02, eerste lid onder d)

Ingevolge artikel 8.05, eerste lid, moeten brandstoftanks deel uitmaken van de scheepsromp dan wel vast in het schip zijn ingebouwd.

Aan boord van drijvende werktuigen behoeven de tanks voor de brandstofvoorraad van de aandrijfmachines van de werkinrichtingen geen deel uit te maken van de scheepsromp. Deze tanks kunnen als verplaatsbare tanks zijn uitgevoerd wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

1. De inhoud van de tanks mag niet meer bedragen dan 1000 liter.

2. De tanks moeten goed vastgezet en geaard kunnen worden.

3. De tanks moeten in staal met wanden van voldoende dikte zijn uitgevoerd en in een lekbak zijn opgesteld. Deze moet zo uitgevoerd zijn dat vrijgekomen brandstof niet in de vaarweg kan geraken. De lekbak is niet verplicht indien de tanks dubbelwandig zijn en voorzien van een beveiliging tegen lekken dan wel een alarmsysteem voor het lekken. Het vullen mag voorts slechts mogelijk zijn via een pomp met een automatische afsluiter. Indien typegoedgekeurde tanks worden toegepast, die volgens de voorschriften van één der Rijnoeverstaten of België zijn vervaardigd, worden de in het onderhavige onderdeel 3 genoemde eisen geacht te zijn vervuld.

Een aantekening hieromtrent dient in het certificaat van onderzoek te worden aangebracht.

Deze Bekendmaking aan de Rijn-scheepvaart wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

’s-Gravenhage, 18 maart 1996.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,A. Jorritsma-Lebbink.

Bijlage I bij de bepalingen inzake beproeving en toelating van bijzondere ankers

Voorbeeld voor een methode voor de beproeving van ankers met een duwstel met twee bakken in lange formatie

stcrt-1996-71-p8-SC5652-6.gif
Naar boven