Richtlijn inzake rijden onder invloed gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994

Vastgesteld in de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 20 december 1995

Inwerkingtreding d.d. 1 maart 1996

1. Inleiding

In verband met de indexering van de tarieven voor de politie- en de OM-transacties heeft het college van procureurs-generaal op 20 december 1995 besloten om de ’Richtlijn inzake rijden onder invloed gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994’ aan te passen. De tarieven zijn uit de richtlijn gehaald en ondergebracht in een bijlage bij de richtlijn. Bij een volgende indexering behoeft derhalve slechts de bijlage te worden aangepast.

De aangepaste richtlijn is op 1 maart 1996 in werking getreden en geldt voor alle strafbare feiten gepleegd op of na die datum.

Onder de politie wordt in deze richtlijn mede begrepen de Koninklijke Marechaussee. Bij de toepassing van deze richtlijn dient ten aanzien van vreemde militairen (waaronder begrepen burgerpersoneel en gezinsleden) rekening te worden gehouden met de handleiding ten behoeve van de praktijk inzake delicten begaan door vreemde militairen1.

Deze richtlijn bestaat uit een viertal hoofdstukken.

1. Het eerste hoofdstuk handelt over het strafvorderingsbeleid inzake het rijden onder invloed en het niet medewerken aan ademtest, ademanalyse of bloedproef.

2. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de politietransactie inzake de lichtste gevallen van rijden onder invloed.

3. Het derde hoofdstuk ziet op de vordering tot overgifte, invordering en inhouding van rijbewijzen in geval van rijden onder invloed2.

4. Het vierde hoofdstuk handelt over de tegenonderzoeken op de ademanalyse en de bloedproef.

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a. ademtest: een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht als bedoeld in artikel 160, vijfde lid, WVW 1994;

b. ademanalyse: een onderzoek van de uitgeademde adem als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, WVW 1994.

Hoofdstuk 1 Strafvorderingsbeleid inzake rijden onder invloed en niet medewerken aan ademtest, ademanalyse of bloedproef

1. Objectief vast te stellen factoren voor de straftoemeting

Richtlijnen strekken er primair toe de rechtsgelijkheid op het punt van de straftoemeting te bevorderen. Daartoe is het gewenst dat enerzijds in vergelijkbare gevallen door het OM zoveel mogelijk gelijke straffen worden gevorderd maar dat anderzijds schijnexactheid wordt vermeden. Individualisering in die gevallen waarin daarvoor aanleiding is, moet mogelijk blijven, maar dient wel zoveel mogelijk vanuit een vast uitgangspunt (de richtlijn) plaats te vinden.

Een tweede doel van de richtlijnen is het vergroten van de efficiency bij de afdoening door het OM van de delicten die veelvuldig worden gepleegd en waarbij, naar de ervaring leert, een beperkt aantal factoren doorslaggevend is voor het strafvorderingsbeleid. De objectief vast te stellen factoren die in deze richtlijn de grondslag vormen voor het strafvorderingsbeleid, zijn het adem(/bloed)alcoholgehalte (AAG/BAG), schade en/of letsel toegebracht aan derden, de gevaarzetting, de (speciale) recidive3, de draagkracht en de Alcohol Verkeer Cursus (AVC).

2. Transactie/dagvaarding

Uitgangspunt is dat in de schijven I t/m III volgens een vast tarief4 een transactie kan worden aangeboden. Onder bepaalde voorwaarden kan in schijf I een politietransactie worden aangeboden (zie hoofdstuk 2).

De grens tot waar aan first-offenders bij overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW 1994 een transactie kan worden aangeboden, is bepaald op 570 μg/liter (1,3 □), tenzij het OM aanleiding ziet om ook beneden genoemde waarde (bijvoorbeeld bij samenloop met andere delicten) de zaak voor te leggen aan de rechter. Uit onderzoeken is gebleken dat boven de grens van 570 μg/liter (1,3□) de kans op een verkeersongeval meer dan evenredig stijgt en is toepassing van uitsluitend een vermogenssanctie niet aanvaardbaar.

In geval van ’enkelvoudige recidive’ (binnen een tijdsverloop van vijf jaren is de verdachte eenmaal eerder terzake van een soortgelijk delict veroordeeld of heeft hij eenmaal eerder terzake hiervan getransigeerd) kan de verdachte een transactie worden aangeboden indien het AAG/BAG lager is dan 436 μg/liter resp. 1,01□ (schijf I en II). Vanaf schijf III dient hij in een dergelijk geval te worden gedagvaard.

Indien de verdachte binnen een tijdsverloop van vijf jaren reeds twee maal eerder (het gaat hier dus om de derde zaak binnen vijf jaar) terzake van een soortgelijk delict is veroordeeld of terzake heeft getransigeerd (’meervoudige recidive’), dient hij in principe altijd te worden gedagvaard.

3. Schijvensysteem en strafverzwarende omstandigheden

De hoogte van de aan te bieden transactie, respectievelijk de soort en de hoogte van de te vorderen straffen, worden op de eerste plaats bepaald door de hoogte van het AAG/BAG. Per schijf zijn richtstraffen vastgesteld voor het gemiddelde geval in de desbetreffende schijf. Afwijking naar boven en naar beneden blijft mogelijk.

Zoals gemeld, hangt de kans op verkeersongevallen en derhalve de mate van gevaarzetting samen met de hoogte van het AAG/BAG. Of zich in concreto een verkeersongeval voordoet met voor derden nadelige gevolgen, is daarentegen van allerlei toevallige omstandigheden afhankelijk. Hoewel in het schijvenssysteem, waarbij naarmate het AAG/BAG hoger is een hogere straf in aanmerking komt, de statistisch bepaalde mate van gevaarzetting in beginsel reeds is verdisconteerd, lijkt het juist om wanneer derden schade en/of letsel van enige betekenis hebben opgelopen zonder dat terzake van artikel 6 WVW 1994 een vervolging wordt ingesteld, daarmee als strafverzwarende omstandigheid rekening te houden. Een dergelijk gevolg is van zodanig maatschappelijk gewicht dat het bezwaarlijk buiten beschouwing kan blijven. Indien schade en/of letsel voor derden is ontstaan zal daarom ook nimmer een transactie dienen te worden aangeboden. Indien de verkeersveiligheid in concreto in ernstige mate in gevaar is gebracht dient dit, ook zonder dat dit tot een verkeersongeval heeft geleid, als strafverzwarende omstandigheid te worden aangemerkt5.

Als strafverzwarende omstandigheden gelden derhalve:

a. recidive binnen 5 jaar na OM- of politietransactie danwel veroordeling terzake van rijden onder invloed (artikelen 8, 163 of 6 jo. 175, tweede lid, WVW 1994);

b. een verkeersongeval waarbij schade en/of letsel van enige betekenis aan derden is toegebracht;

c. wanneer er sprake is van roekeloos of zeer onvoorzichtig rijden, waardoor de verkeersveiligheid in concreto in ernstige mate in gevaar is gebracht of kon worden gebracht.

Indien een strafverzwarende omstandigheid zich voordoet, dient te worden uitgegaan van de voor de naast hogere schijf6 vastgestelde OM-transactie of eis ter zitting.

Bij cumulatie van strafverzwarende omstandigheden dient er ter zitting in principe twee schijven hoger te worden geëist.

Door de aanwezigheid van een of meer strafverzwarende omstandigheden kan de schijfindeling worden overschreden. Het is duidelijk dat voor deze zogenaamde ’VI+ gevallen’ een hogere straf kan worden gevorderd dan de voor schijf VI vastgestelde eis ter zitting.

4. Artikel 8, eerste lid, WVW 1994

Wanneer met inachtneming van de wettelijke voorschriften een ademmonster/bloedproef is genomen, zodat het resultaat van dat onderzoek voor het bewijs kan worden gebruikt, zal een vervolging op basis van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a of b, WVW 1994 dienen te worden ingesteld.

Een vervolging op basis van artikel 8, eerste lid, WVW 1994 komt in aanmerking in de volgende gevallen:

a. bij een AAG lager dan 235 μg/liter (BAG lager dan 0,54□), terwijl de verdachte verkeerde onder zodanige invloed van de alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht7;

b. wanneer er andere stoffen dan alcohol in het geding zijn, zoals medicijnen en/of drugs;

c. wanneer er sprake is van andere omstandigheden dan het weigeren van de ademanalyse/bloedproef waardoor de adem- analyse/bloedproef achterwege is gebleven;

d. wanneer er sprake is van vormfouten in de procedure betreffende de ademanalyse of de bloedproef, terwijl wel aan alle vereisten voor een vervolging ex artikel 8, eerste lid, WVW 1994 is voldaan.

Indien een telastelegging de bestanddelen van artikel 8, eerste lid, WVW 1994 bevat, zijn voor de strafvordering in de hierboven onder a, b, c en d genoemde gevallen geen nadere uitgangspunten aan te geven wegens het ontbreken van voldoende objectief vast te stellen factoren. De uitgangspunten voor de straftoemeting bij overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW 1994 dienen als algemeen richtsnoer, met dien verstande dat in geval van overtreding van artikel 8, eerste lid, WVW 1994 schijf IVa, IVb, Va of Vb dient te worden toegepast, afhankelijk van de mate van het niet in staat zijn en de gevaarzetting. Indien er sprake is van kennelijke staat van dronkenschap, dient schijf VI te worden toegepast.

Ook hier geldt dat door de aanwezigheid van een of meer strafverzwarende omstandigheden er ter zitting in principe één respectievelijk twee schijven hoger dient te worden geëist en er voor de zogenaamde ’VI+ gevallen’ een hogere straf kan worden gevorderd dan de voor schijf VI vastgestelde eis ter zitting.

5. Artikel 163, tweede en zesde lid, WVW 1994

Indien de ademanalyse/bloedproef wordt geweigerd, zijn er twee situaties te onderscheiden:

a. de verdachte verkeerde naar het oordeel van de politie onder zodanige invloed van de alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

b. de politie heeft geen of onvoldoende bijzonderheden met betrekking tot de wijze van rijden van de verdachte of zijn verdere gedrag geconstateerd, zodat niet kan worden gezegd dat verdachte verkeerde onder zodanige invloed van de alcohol, al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Hoewel ten aanzien van het onder a omschreven geval het theoretisch mogelijk is artikel 163 en artikel 8, eerste lid, WVW 1994 cumulatief te laste te leggen, dient zowel in dit geval als in de situatie genoemd onder b de verdachte te worden vervolgd ter zake van artikel 163 WVW 19948.

Voor de strafvordering dient aansluiting te worden gezocht bij schijf Vb9, indien de ademanalyse of bloedproef wordt geweigerd. Indien er sprake is van kennelijke staat van dronkenschap, dient schijf VI te worden toegepast.

Door de aanwezigheid van een strafverzwarende omstandigheid dient er ter zitting in principe een schijf hoger te worden geëist (i.c. schijf VI). Doen zich meer strafverzwarende omstandigheden voor, dan kan ook hier een hogere straf worden gevorderd dan de voor schijf VI vastgestelde eis ter zitting.

6. Compensatie in verband met het volgen van een Alcohol Verkeer Cursus

Vanaf schijf IVa kan de compensatie worden gezocht hetzij in de geldboete tot maximaal f 500,-, hetzij in de ontzegging van de rijbevoegdheid tot maximaal drie maanden onvoorwaardelijk.

Bij schijf VI kan de compensatie ook worden gezocht in de gevangenisstraf tot maximaal één week onvoorwaardelijk10.

Registratie van de cursusdeelnemers aan de AVC is noodzakelijk, immers één van de criteria voor de toepassing van de AVC is, dat de cursus niet eerder is gevolgd. De registratie bij het rechtersmodel verloopt goed. De woorden ’bijzondere voorwaarde AVC’ maken immers deel uit van het dictum van het vonnis of arrest. Dit dictum wordt opgenomen in de justitiële documentatie. Bij de registratie in de arrondissementen met het officiers-model doen zich echter nog problemen voor11. In die arrondissementen zal te allen tijde dienen te worden gerequireerd tot het opnemen van de woorden ’na AVC’ in het dictum van het vonnis of arrest12.

7. Aanvragen van een voorlichtingsrapport

Uitgangspunt is dat in beginsel steeds een voorlichtingsrapport wordt aangevraagd indien:

a. de verdachte voor de derde maal binnen een termijn van vijf jaren een soortgelijk delict heeft gepleegd;

b. gebleken is van andere bijzondere omstandigheden gelegen in de persoon van de dader.

8. Bromfietsers13 en fietsers

Ten aanzien van bromfietsers geldt een eenvoudiger schijvensysteem (A, B en C-schijf), dat verder op overeenkomstige wijze als voor de andere motorrijtuigen dient te worden gehanteerd. Ook hier geldt dat bij aanwezigheid van een of meer strafverzwarende omstandigheden er in principe van één respectievelijk twee schijven hoger dient te worden uitgegaan en er voor de zogenaamde ’C+ gevallen’ een hogere straf kan worden gevorderd dan de voor schijf C vastgestelde eis ter zitting. De korting na AVC voor bromfietsers waarop schijf C van toepassing is, is dezelfde als voor bestuurders van andere motorrijtuigen vanaf schijf IVa.

Voor delicten gepleegd door fietsers is een algemeen uitgangspunt voor de te vorderen straf in zaken tegen first-offenders opgenomen.

Ook voor deze categorieën geldt dat, indien uitsluitend een vermogenssanctie in aanmerking komt, een transactie kan worden aangeboden. Ook hier is de politietransactieregeling van toepassing (zie hoofdstuk 2).

9. Overtredingen van de artikelen 162, derde lid, WVW 1994 en 160, vijfde lid, WVW 1994

In het geval iemand alleen het feit rijden tijdens rijverbod (artikel 162, derde lid, WVW 1994) pleegt, kan een transactie worden aangeboden.

In het geval iemand weigert medewerking te verlenen aan een ademtest (artikel 160, vijfde lid, WVW 1994), dient er een administratieve sanctie in de zin van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder) te worden opgelegd. Doen er zich naast dit ’Mulderfeit’ één of meer van de in de artikelen 8, 163 en 6 jo. 175, tweede lid, WVW 1994 genoemde strafbare feiten voor, dan dient er geen beschikking te worden opgelegd ten aanzien van het ’Mulderfeit’. Er dient dan proces-verbaal te worden opgemaakt ter zake van het/de gepleegde strafbare feit(en)14.

Hoofdstuk 2 Politietransactie

1. Inleiding

De politie heeft de bevoegdheid een transactie aan te bieden voor de lichtste gevallen van rijden onder invloed15. Dit hoofdstuk van de richtlijn beoogt een uniforme uitoefening van die bevoegdheid en de controle hierop door het OM te bewerkstelligen.

2. De voorwaarden voor het aanbieden van een politietransactie

De politie kan aan de verdachte een politietransactie aanbieden indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. de verdachte dient op de pleegdatum 18 jaar of ouder te zijn;

b. de verdachte kan worden aangemerkt als (juridisch) bestuurder van een voertuig;

c. de verdachte dient een voltooid onderzoek van uitgeademde lucht, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, WVW 1994, danwel een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, WVW 1994 te hebben ondergaan;

d. De uitslag van een onderzoek als bedoeld onder c. dient binnen de volgende in hoofdstuk 1 genoemde grenzen te liggen:

stcrt-1996-42-p20-SC5326-1.gif

e. de verdachte heeft niet verzocht om een tegenonderzoek (hoofdstuk 4);

f. er is sprake van een afzonderlijk feit of samenloop met ten hoogste twee overtredingen, respectievelijk Mulderfeiten, waarvoor een politietransactie kan worden aangeboden, respectievelijk een administratieve sanctie kan worden opgelegd;16

g. er is geen sprake van schade of letsel;

h. er is geen sprake van inbeslagneming;

i. er mag geen sprake zijn van recidive binnen een periode van vijf jaar na datum van registratie in HKS van een eerder gepleegd alcoholmisdrijf (artikelen 8, 163 en artikel 6 jo. 175, tweede lid, WVW 1994).

Naast HKS dient de behandelende politie-instantie ook de politie van de woonplaats van de verdachte te raadplegen, indien die woonplaats afwijkt van de pleegplaats. Immers, zolang nog geen transactie is betaald, danwel de zaak nog niet is doorgezonden aan het OM, vindt geen registratie in HKS plaats.17 Het spreekt voor zich dat óók van een politietransactie wordt afgezien indien de politie op enigerlei wijze kennis draagt van een eerdere veroordeling of transactie binnen een periode van vijf jaar voorafgaande aan het nieuwe feit.

Indien niet aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, wordt van een politietransactie afgezien en dient alsnog een volledig proces-verbaal te worden opgemaakt en aan het parket te worden ingezonden.

3. Procedurele vereisten

Tijdens en na het aanbieden van een politietransactie dienen de volgende vereisten in acht te worden genomen.

a. Iedere verbalisant is met inachtneming van de onder 2. genoemde voorwaarden bevoegd de verdachte een transactie aan te bieden.

b. Bij deze transactie kan eventueel gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid van contante betaling binnen veertien dagen op het politiebureau. Voor girale betalingen bedraagt de termijn zes weken.

c. Indien het transactiebedrag is voldaan, wordt dit - onder vermelding van de hoogte van het transactiebedrag en de datum van betaling - geregistreerd in HKS.

d. De zaken waarin het transactieaanbod niet is betaald, worden op de gebruikelijke wijze verder verwerkt en ingezonden aan het parket met vermelding op het mee te zenden verkorte proces-verbaal dat een politietransactie is aangeboden en niet is voldaan, zoals onder punt 4 verder uitgewerkt, waarna het OM in beginsel een transactie aanbiedt.

4. Het opmaken van proces-verbaal

Ten behoeve van de mogelijkheid van controle door het OM op het gebruik van de verleende bevoegdheid, alsmede ten behoeve van de registratie in HKS (zie hieronder onder 5a en 5b) dient in alle gevallen een verkort proces-verbaal politietransactie artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a en b, WVW 1994 (hierna te noemen het verkort proces-verbaal) te worden opgemaakt. Dit betekent evenwel niet dat kan worden volstaan met het uitsluitend registreren van de gegevens in het verkorte proces-verbaal. Indien de transactie niet wordt betaald, moet een uitgewerkt proces-verbaal worden opgemaakt. Hiervoor zijn de gegevens in het verkorte proces-verbaal onvoldoende. Dit betekent derhalve dat terstond de volledige gegevens, die nodig zijn voor het uitgewerkte proces-verbaal op enigerlei wijze (bijvoorbeeld aan de hand van een checklist) moeten worden vastgelegd.

5. Controle en administratieve verantwoording

Zoals onder 4. reeds aangegeven, betekent invoering van de mogelijkheid van politietransactie niet dat zal kunnen worden afgezien van elke vorm van registratie van gegevens. Gegevens zijn immers nodig ten behoeve van:

a. de mogelijkheid van controle door het OM op het gebruik van de verleende bevoegdheid;

b. de registratie in HKS;

c. de registratie in de justitiële documentatie.

ad a) controle door het OM

Op grond van artikel 10 van het Transactiebesluit 1994 dient de opsporingsambtenaar aantekening te houden van elke zaak waarin een transactie is aangeboden. Daarnaast heeft de officier van justitie, hoofd van het arrondissementsparket, de bevoegdheid periodiek rapport in te winnen. Teneinde aan dit laatste uitvoering te kunnen geven, dient aantekening te worden gehouden van de volgende gegevens:

- het aantal zaken waarin een transactie is aangeboden en waarin de aangeboden transactie is voldaan. Dit is vast te stellen aan de hand van het verkorte proces-verbaal;

- het aantal en de aard van de klachten dat terzake van het gebruik van de transactiebevoegdheid is ontvangen, alsmede de wijze waarop op de klachten is gereageerd;

Een overzicht van deze gegevens dient ter beschikking te worden gesteld voor elk overleg tussen OM en politie over de wijze waarop de transactiebevoegdheid wordt uitgeoefend, en verder zo vaak er om wordt gevraagd.

ad b) registratie in HKS

Registratie in HKS is van belang voor het vaststellen van de recidive van de verdachte. Gegevens kunnen alleen in het HKS worden opgenomen indien een proces-verbaal is opgemaakt. Hiervoor kan het verkorte proces-verbaal dienen. Alvorens registratie kan plaatsvinden, dient de VI-staat te zijn ontvangen.

ad c) registratie in de justitiële documentatie

Op grond van artikel 2 van het Besluit registratie justitiële gegevens dient de politie een zaak waarin een transactie tot stand is gekomen te melden bij de justitiële documentatiedienst te Almelo.

Bij de melding dienen de volgende gegevens te worden opgegeven:

- personalia van de verdachte:

naam

voorna(a)m(en) voluit

geboortedatum

geboorteplaats- en geboortegemeente

arrondissement waarbinnen die gemeente is gelegen

geboorteland;

- gegevens van het korps;

- pleegdatum van het feit;

- nummer van het proces-verbaal;

- aanduiding van het wetsartikel;

- transactiebedrag;

- datum waarop de betaling is ontvangen;

- aanduiding politietransactie.

Indien het schikkingsvoorstel niet wordt geaccepteerd, zendt de politie het uitgewerkte proces-verbaal naar het arrondissementsparket. Het OM verzorgt dan de mededeling aan de justi- tiële documentatiedienst.

Het is van belang dat de politie de meldingen correct doorgeeft; registratie in de justitiële documentatie is immers van belang voor het straftoemetingsbeleid van het OM.

6. Financiële verantwoording

Voor de financiële verantwoording wordt verwezen naar het Transactiebesluit 1994, alsmede de hierop gebaseerde circulaires.

Hoofdstuk 3 Vordering tot overgifte, invordering en inhouding van rijbewijzen in geval van rijden onder invloed

A. Algemeen

1. Inleiding

Hoofdstuk VI van de WVW 1994 (Rijvaardigheid en rijbevoegdheid) is niet op 1 januari 1995 in werking getreden. Dit zal naar verwachting op 1 juni 1996 geschieden. Tot het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk VI van de WVW 1994 dient voor de toepassing van de WVW 1994 onder rijbewijs te worden verstaan een rijbewijs dat is afgegeven op basis van de (oude) Wegenverkeerswet18. Dit heeft onder andere consequenties voor de regeling betreffende de overgifte, invordering en inhouding van rijbewijzen opgenomen in artikel 164 WVW 1994.

2. Vordering krachtens artikel 164 WVW 1994

Door het doen van de vordering krachtens artikel 164, eerste lid, WVW 1994 (vordering tot overgifte) wordt voor de betrokken bestuurder de verplichting in het leven geroepen tot overgifte19 van het hem op basis van de (oude) Wegenverkeerswet afgegeven Nederlandse rijbewijs, van het hem door het daartoe bevoegde gezag in de Nederlandse Antillen, in Aruba of in het buitenland afgegeven rijbewijs dan wel van het hem in het buitenland afgegeven internationaal rijbewijs20. Een in Nederland afgegeven internationaal rijbewijs valt (dus) niet onder deze regeling.

Het is van belang onderscheid te maken tussen ’de vordering tot overgifte’ enerzijds en de ’invordering’ anderzijds. De invordering is namelijk pas voltooid indien na de vordering tot overgifte het rijbewijs in handen is gekomen van, hetzij één van de in artikel 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, hetzij een verkeersschout. Eerst bij een voltooide invordering kan de aftrek ex artikel 179, zevende lid, WVW 1994 worden toegepast.

De enkele vordering tot overgifte heeft echter reeds tot gevolg dat de betrokken bestuurder geen motorrijtuig meer mag besturen (artikel 9, zesde lid, WVW 1994).

Daar de wetgever geen koppeling heeft aangebracht tussen het besturen van een bepaald motorrijtuig en het daarvoor eventueel benodigde rijbewijs, kan de vordering tot overgifte worden gedaan ten aanzien van de bestuurder van elke categorie motorrijtuigen21.

Uiteraard kan de vordering tot overgifte niet worden gedaan ten opzichte van een bestuurder, die in het geheel niet in het bezit is van een rijbewijs. Voorafgaande aan de vordering tot overgifte zal dan ook het Centraal Register Rijbewijzen (CRR) moeten worden geraadpleegd.

3. Gevallen waarin de overgifte van het rijbewijs moet worden gevorderd

De overgifte van het rijbewijs moet worden gevorderd door, hetzij één van de in artikel 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, hetzij een verkeersschout wanneer deze tegen de houder van dat rijbewijs een proces-verbaal opmaakt terzake van een met een motorrijtuig gepleegde overtreding van:

a. artikel 8, eerste lid, WVW 1994, terwijl er - het resultaat van een ademanalyse ontbreekt - een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 μg/liter;

b. artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, WVW 1994, terwijl uit het resultaat van de ademanalyse blijkt dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 μg/liter;

c. artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, WVW 1994, terwijl er - het resultaat van een ademanalyse ontbreekt - een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 μg/liter;

d. artikel 163, tweede lid, WVW 1994;

e. artikel 163, zesde lid, WVW 1994;

f. artikel 163, achtste lid, WVW 1994;

g. artikel 163, negende lid, WVW 1994;

h. artikel 6 jo. artikel 175, tweede lid, WVW 1994, mits tevens proces-verbaal wordt opgemaakt terzake van een hierboven onder a. tot en met g. genoemd misdrijf.

Het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 μg/liter wordt onder meer aanwezig geacht, indien ten tijde van de ademtest het selectieapparaat de waarde ’fail’22 aangeeft. Bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek kan een zodanig vermoeden worden gebaseerd op de toestand en het gedrag van de bestuurder23 alsmede op verklaringen omtrent de door hem genuttigde hoeveelheid alcoholhoudende drank. De politie dient de bevindingen omtrent het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 μg/liter in het invorderingsproces-verbaal duidelijk te omschrijven.

4. Gevallen waarin de overgifte van het rijbewijs kan worden gevorderd

De overgifte van het rijbewijs kan worden gevorderd wanneer tegen de houder van dat rijbewijs een proces-verbaal wordt opgemaakt terzake van een met een motorrijtuig gepleegde overtreding van een bij of krachtens de WVW 1994 vastgesteld voorschrift, mits door deze overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht. Dit geldt zowel ten aanzien van delicten gelegen binnen de sfeer van het rijden onder invloed als ten aanzien van andere delicten25.

5. De te volgen procedure met betrekking tot de invordering

De politie moet nadrukkelijk de overgifte van het rijbewijs vorderen. Tevens dient de verdachte erop te worden gewezen dat hij zich schuldig maakt aan het misdrijf van artikel 9, zesde lid, WVW 1994 indien deze nadien een motorrijtuig op de weg gaat besturen.

De vordering tot overgifte is niet alleen mogelijk op het tijdstip waarop en de plaats waar de bestuurder is aangehouden. Echter, zodra het proces-verbaal terzake van overtreding van een bij of krachtens de WVW 1994 vastgesteld voorschrift eenmaal is opgemaakt, kan deze vordering niet meer worden gedaan (artikel 164, lid 1 WVW 1994 en HR 21 oktober 1958, NJ 1959, 5). Inleveren van het rijbewijs bij de politie na de vordering kan ook op een tijdstip nadat het proces-verbaal is opgemaakt.

Indien de verdachte niet aanstonds voldoet aan de vordering tot overgifte van zijn rijbewijs, dan wel er geen andere bestuurder beschikbaar is, kan de politie het motorrijtuig onder toezicht stellen. Wanneer de politie dat nodig acht, kan het voertuig in bewaring worden gesteld. De teruggave van het motorrijtuig vindt plaats door de politie. Het motorrijtuig wordt pas teruggegeven, nadat verdachte heeft voldaan aan de vordering tot overgifte van het rijbewijs. In bijzondere gevallen (bijvoorbeeld bij diefstal van het rijbewijs) kan in geval van inbewaringstelling door de officier van justitie tot teruggave van het motorrijtuig worden beslist met inachtneming van de van toepassing verklaarde leden van artikelen 170 tot en met 173 WVW 1994.

Indien het rijbewijs is ingevorderd, wint de politie op de kortst mogelijke termijn inlichtingen in over eventueel recidive-gevaar ten aanzien van de verdachte wiens rijbewijs is ingevorderd, zoals:

a. eerdere processen-verbaal c.q veroordelingen terzake van alcoholdelicten26 gedurende een periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van invordering;

b. de omstandigheid dat betrokkene bekend staat als een notoir gebruiker van alcohol, drugs of andere stoffen die de rijvaardigheid kunnen verminderen.

Deze of andere relevante informatie dient te worden vermeld in het proces-verbaal van invordering (zie hierna onder B).

De politie verstrekt de recente recidive-gegevens ten behoeve van de officier van justitie. Na invordering dient het rijbewijs alsmede het proces-verbaal van invordering uiterlijk de derde dag na de dag waarop het rijbewijs is ingevorderd in het bezit te zijn van de officier van justitie. Het proces-verbaal van invordering dient in tweevoud te worden aangeboden.

Door de politie wordt zowel van de vordering tot overgifte als van de invordering onverwijld melding gemaakt in het CRR. Dit is met name van belang in verband met de controle op de naleving van het verbod gesteld in artikel 9, zesde lid, WVW 1994.

Indien de vordering tot overgifte niet heeft geleid tot een invordering van het rijbewijs, dient het proces-verbaal in de hoofdzaak zo spoedig mogelijk, maar niet later dan na zes weken, te worden ingezonden aan de officier van justitie met een aanbiedingsbrief waarin op duidelijke wijze melding wordt gemaakt van het feit dat de vordering tot overgifte niet heeft geleid tot een invordering. Deze regeling is getroffen teneinde:

- de officier van justitie er attent op te maken dat wel de vordering tot overgifte heeft plaatsgevonden maar de invordering van het rijbewijs achterwege is gebleven en

- de verwijdering van de registratie uit het CRR bij de afdoening van deze zaken te kunnen bewaken.

De officier van justitie is er verantwoordelijk voor dat onverwijld de registratie in het CRR wordt beëindigd of de teruggave van het rijbewijs wordt geregistreerd in de hierna onder 7 te noemen gevallen, alsmede in de gevallen waarin de zaak om andere redenen niet verder zal worden vervolgd.

Indien er sprake is van een bloed- of urineonderzoek, doet de politie het monster terstond per post toekomen aan het Gerechtelijk Laboratorium. De uitslag daarvan wordt door het Gerechtelijk Laboratorium binnen zeven dagen na datum bloed- of urineafname per telefax doorgegeven aan de officier van justitie onder vermelding van het nummer van het proces-verbaal, naam, geboortedatum en geboorteplaats van de verdachte, opdat de officier van justitie binnen tien dagen kan beslissen tot inhouding danwel teruggave van het rijbewijs. Daarnaast geeft het Gerechtelijk Laboratorium de uitslag op de gebruikelijke wijze door aan de politie. De politie voegt een kopie van het proces-verbaal van invordering rijbewijs bij het bloed- of urineblok. Deze procedure geldt niet voor de bloedproef als tegenonderzoek op verzoek van de verdachte (zie hoofdstuk 4).

6. Inhouding rijbewijs door de officier van justitie

De officier van justitie beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien dagen na de dag van invordering omtrent de inhouding van het rijbewijs. De beslissing wordt aangetekend en gedateerd op het daarvoor bestemde gedeelte van het proces-verbaal van invordering. Daarbij wordt tevens de maximum termijn aangegeven gedurende welke het rijbewijs kan worden ingehouden. Ter bepaling van die termijn geldt als uitgangspunt de te verwachten duur van de ontzegging van de rijbevoegdheid.

De officier van justitie kan het rijbewijs inhouden indien:

a. uit het resultaat van de ademanalyse blijkt dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 785 μg/liter, of

b. bij ontbreken van het resultaat van een ademanalyse een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 785 μg/liter, of

c. er op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede lid van artikel 164 WVW 1994 zal begaan (recidive-criterium).

Het enkele weigeren van medewerking aan de ademanalyse, de bloedproef of de urineproef is onvoldoende grond om het rijbewijs in te houden.

Het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 785 μg/liter, kan worden onderbouwd met de uitslag van het bloed- of urineonderzoek en met de omschrijving van de toestand van verdachte in het invorderingsproces-verbaal.

Aan het recidive-criterium wordt geacht te zijn voldaan indien:

1. de bestuurder in een periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van invordering:

a. (on)herroepelijk is veroordeeld terzake van een alcoholdelict, of

b. een politie- of een OM-transactie aangeboden heeft gekregen terzake van een alcoholdelict, of

c. twee of meer malen eerder is geverbaliseerd terzake van een alcoholdelict, dan wel

2. de verdachte bekend staat als een frequent gebruiker van alcohol, drugs of andere stoffen die de rijvaardigheid kunnen verminderen.

Ten aanzien van het verkrijgen van recidive-gegevens dient gebruik te worden gemaakt van de justitiële documentatie, welke gegevens eventueel per telefoon of telefax kunnen worden verkregen, alsmede van actuele gegevens van het CRR.

Van de beslissing tot inhouding wordt vanwege de officier van justitie door de rijbewijsmedewerker op het parket onverwijld melding gemaakt in het CRR.

7. Teruggave van het rijbewijs door de officier van justitie

Het rijbewijs wordt onverwijld teruggegeven indien:

a. het rijbewijs ten onrechte is ingevorderd, of

b. de officier van justitie niet binnen tien dagen na de dag van invordering omtrent de inhouding heeft beslist, of

c. na een beslissing tot inhouding het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, of

d. ernstig rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd, of

e. ernstig rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat een kortere onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid dan de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest, zal worden opgelegd, dan wel

f. de aangepaste inhoudingstermijn is verstreken (zie hierna onder 8)

Bij het onder d. en e. genoemde moet met name worden gedacht aan rijbewijzen van verdachten die nooit eerder een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd hebben gekregen en die om klemmende redenen van persoonlijke aard hun rijbewijs niet kunnen missen.

Het rijbewijs blijft ingehouden tot de door de officier van justitie bepaalde inhoudingstermijn verstrijkt, tenzij het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen of er een andersluidende rechterlijke beslissing ligt.

De officier van justitie dient in ieder geval het rijbewijs terug te geven na het verstrijken van de termijn als aangegeven bij de beslissing tot inhouding, ook in die gevallen dat het onderzoek van de zaak op de terechtzitting wel binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, doch nog niet heeft geleid tot een onherroepelijk vonnis/arrest.

De beslissing omtrent de teruggave wordt namens de officier van justitie door de rijbewijsmedewerker op het parket onverwijld gemeld in het CRR.

De houder van het rijbewijs wordt ten spoedigste van de beslissing tot teruggave en van de mogelijkheid het rijbewijs ten parkette in ontvangst te nemen, in kennis gesteld.

8. Afstemming tussen het parket van de Procureur-Generaal en het arrondissementsparket

Na de uitspraak in eerste aanleg en dus ook in geval van het instellen van hoger beroep door de officier van justitie of veroordeelde past de rijbewijsmedewerker bij het arrondissementsparket de inhoudingstermijn aan de in eerste aanleg opgelegde (on)voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Het rijbewijs van veroordeelde blijft onder de officier van justitie27. Indien door het verloop van de tijd de aangepaste inhoudingstermijn verstrijkt, dan wordt het rijbewijs namens de procureur-generaal28 door de officier van justitie teruggegeven. Deze beslissing moet worden gemeld aan het parket van de procureur-generaal.

Na een onherroepelijke uitspraak van het gerechtshof verstrekt het parket van de procureur-generaal een extract van het arrest aan het arrondissementsparket. De aanpassing van het CRR geschiedt op het arrondissementsparket.

De berekende begin- en einddatum van de ontzegging van de rijbevoegdheid worden door het parket van de officier van justitie aan het parket van de procureur-generaal medegedeeld teneinde aan de executie van de (on)voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid uitvoering te kunnen geven.

Ook indien na uitspraak in hoger beroep, gratie wordt verzocht binnen de termijn als bedoeld in artikel 588a, eerste lid, e.v. van het Wetboek van Strafvordering, wordt dit onverwijld bericht aan het parket van de officier van justitie.

Met het oog op de registratie in het CRR stuurt de afdeling gratie van het ministerie van justitie van iedere beslissing op een gratieverzoek eveneens onverwijld bericht aan het parket van de officier van justitie. In voorkomende gevallen worden de naar aanleiding van de beslissing op dat verzoek herberekende begin- en einddatum van een ontzegging van de rijbevoegdheid door het parket van de officier van justitie vervolgens doorgegeven aan het parket van de procureur-generaal.

B. Model proces-verbaal van invordering

Korps Landelijke Politiediensten, proces-verbaal nr.

Politieregio, District, proces-verbaal nr.

Kon. Marechaussee, proces-verbaal nr.

In geval van vervangende bloed- of urineproef,

Arrondissement:

Proces-verbaal van invordering van

het rijbewijs nr:

ten name van:

PROCES-VERBAAL

Ik, ,

van te relateer het volgende.

Op dag, 19 , omstreeks uur is, naar aanleiding van overtreding van artikel 8/163 van de Wegenverkeerswet 1994, gepleegd op dag, 19 , te van de verdachte, genaamd:

Verdachte:

naam:

adres:

geboorteplaats/-datum:

beroep:

woonplaats:

Rijbewijs:

ingevorderd het op zijn/haar naam staand rijbewijs, nr. , categorie , d.d. afgegeven door de burgemeester te .

Invorderingsgrond:

Het rijbewijs werd ingevorderd omdat:

[ ] naar aanleiding van de ademanalyse bleek dat het ademalcoholgehalte hoger was dan 570 μg/l., namelijk μg/l.

[ ] de verdachte weigerde medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 163 tweede, zesde, achtste of negende lid van de Wegenverkeerswet 1994.

[ ] een ernstig vermoeden bestaat dat het ademalcoholgehalte hoger is dan 570 μg/l., hetgeen bleek uit:

[ ] het resultaat van het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Na beëindigen van de test verscheen op het apparaat de indicatie ’fail’ (- 650 μg/l).

Omschrijving toestand verdachte:

[ ] andere omstandigheden, namelijk

Verdenking art. 8 WVW 1994 & omschrijving rijgedrag:

[ ] door overtreding van art. 8/163 WVW 1994 de verkeersveiligheid ernstig in gevaar werd gebracht, hetgeen bleek:

Vervangende bloed- of urineproef:

[ ] De ademanalyse heeft, ondanks verdachtes medewerking, niet geleid tot een voltooid ademonderzoek waarna is overgegaan tot een

[ ] bloedonderzoek.

[ ] urineonderzoek.

Het bloed- of urinemonster is overeenkomstig het bepaalde in de Regeling bloed- en urineonderzoek verzonden aan het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk. Een kopie van dit proces-verbaal is als bijlage gevoegd bij het bloed- of urineblok.

Recidive:

Bij navraag bleek dat tegen de verdachte wel/niet eerder proces-verbaal is opgemaakt terzake overtreding van artikel 8/163/6 jo. 175 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994, namelijk:

Eerdere PV’s, [ ]

etc.

Verder zijn er ten aanzien van de verdachte wel/geen andere relevante gegevens bekend.

Andere bijzonderheden zoals bekend alcohol- of drugsgebruik [ ]

Het rijbewijs wordt tezamen met dit proces-verbaal onverwijld overgedragen aan cq opgestuurd naar de officier van justitie te .

Van de invordering is melding gemaakt in het Centraal Register Rijbewijzen te Veendam.

Indien een passage met een [ ] is aangeduid maakt deze deel uit van dit proces-verbaal indien daarin een kruis is gezet.

Hiervan heb ik op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt dit proces-verbaal te , op 19 .

De verbalisant,

(handtekening)

DIT PROCES-VERBAAL IN TWEEVOUD INDIENEN BIJ DE OFFICIER VAN JUSTITIE.

BESLISSING VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

a. INHOUDEN (art. 164 lid 4 WVW 1994) uiterlijk tot: , 19

De ambtenaar van het Openbaar Ministerie,

(handtekening)

b. TERUGGEVEN AAN:

, 19

De ambtenaar van het Openbaar Ministerie,

(handtekening)

Hoofdstuk 4 Tegenonderzoek

I. Tegenonderzoek bij ademanalyse

1. Inleiding

Het op de regeling van het tegenonderzoek bij ademanalyse betrekking hebbende Besluit van 2 maart 1992, Stb. nr. 119, houdende wijziging van het Besluit alcoholonderzoeken is op 4 maart 1992 in werking getreden.

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op het door de politie in dezen te voeren beleid.

2. Regeling tegenonderzoek bij ademanalyse

Artikel 10a van het Besluit alcoholonderzoeken regelt dat dadelijk na het vernemen van het resultaat van de ademanalyse, de verdachte kan verzoeken om een tegenonderzoek. Voor rekening van de verdachte wordt dit onderzoek verricht in de vorm van een bloedproef - of bij medische bezwaren - een vervangende urineproef29.

De bloedproef is op dit moment als tegenonderzoek het meest doelmatig en biedt de verdachte de meest objectieve vorm van tegenonderzoek30.

In de Nota van Toelichting bij bovengenoemd Besluit van 2 maart 1992 (Stb, nr. 119) wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat de politie niet verplicht is de verdachte op de mogelijkheid van een tegenonderzoek te wijzen31.

Indien de verdachte om een tegenonderzoek vraagt, dient dit uiteraard in het proces-verbaal te worden vermeld.

In afwachting van het tegenonderzoek wordt de verdachte geacht zich op vrijwillige basis in het politiebureau te bevinden. Verdachte dient zich daartoe op te houden in een door de opsporingsambtenaar aangewezen ruimte in het politiebureau. Verlaat verdachte zonder toestemming deze ruimte, dan wordt hij geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht op een tegenonderzoek, dan wel het aan zichzelf te wijten te hebben dat geen tegenonderzoek is verricht.

Verzoekt verdachte om een tegenonderzoek, dan zal de politie een arts moeten waarschuwen. Indien de verdachte te kennen geeft zelf een arts te willen uitkiezen, dient dit verzoek in beginsel te worden gehonoreerd. De verdachte neemt vervolgens contact op met de arts van zijn keuze. Wel wordt de eis gesteld dat dit niet mag leiden tot onredelijke vertraging van het onderzoek. De door de verdachte gekozen arts zal dan ook moeten aangeven of hij naar verwachting binnen een uur aanwezig zal kunnen zijn. Kan hij deze toezegging niet doen en blijft de verdachte bij zijn verzoek om een tegenonderzoek32, dan zal de politie van haar kant een arts waarschuwen.

In de regel zal de arts naar het politiebureau komen om daar de verdachte door middel van een venapunctie de vereiste hoeveelheid bloed af te nemen, c.q. onder zijn toezicht door verdachte urine af te laten staan. De desbetref-fende bepalingen uit het Besluit alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urine-onderzoek zijn van toepassing.

Nadrukkelijk zij er op gewezen dat artikel 15 van het Besluit alcoholonderzoeken, houdende de 60-minutenregeling, onverkort van toepassing is.

Ook het verzenden van het bloedmonster (of urinemonster) dient te geschieden overeenkomstig de geldende regels. De politie dient hierbij aan te geven dat het monster is afgenomen in het kader van een tegenonderzoek bij ademanalyse. Dit dient de politie op de thans in gebruik zijnde formulieren aan te tekenen.

Het onderzoek van het bloed of de urine wordt verricht door het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk.

Ingevolge artikel 20 van het Besluit alcoholonderzoeken dient het resultaat van het onderzoek zo spoedig mogelijk aan de verdachte te worden medegedeeld. De mededeling van het resultaat aan verdachte geschiedt rechtstreeks door het Gerechtelijk Laboratorium, nu niet de politie, doch de verdachte opdrachtgever is.

De kosten van het tegenonderzoek bij ademanalyse33, te weten die van de arts, van het onderzoek door het Gerechtelijk Laboratorium en van het bloedblok komen voor rekening van de verdachte34. De verdachte dient ‐ voordat de arts wordt gewaarschuwd ‐ de kosten van het bloedblok en van de arts op het politiebureau te voldoen. De kosten van het onderzoek door het Gerechtelijk Laboratorium dienen binnen zes weken na de bloedafname aan het Gerechtelijk Laboratorium te worden voldaan. Pas nadat ook deze kosten zijn voldaan, gaat het Gerechtelijk Laboratorium tot het onderzoek over. Hierbij kan worden aangesloten bij het arrest van de HR 18-10-1983, NJ 1984, 97, waarin werd bepaald dat het resultaat van een bloedproef voor het bewijs mocht worden gebruikt, omdat de verdachte niet tijdig een financiële regeling had getroffen en het daardoor aan zichzelf had te wijten dat het tegenonderzoek (bij bloedproef) niet had plaatsgevonden. De verdachte die dus niet voldoet aan betaling van alle kosten binnen de gestelde betalingstermijn, mag worden geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht op een tegenonderzoek.

Aan de verdachte, die om een tegenonderzoek heeft verzocht, wordt door de politie een brief ter hand gesteld waarin de procedure en de verplichtingen met betrekking tot de betaling van de kosten worden vermeld.

3. Tegenonderzoek na tegenonderzoek bij ademanalyse

Op basis van de artikelen 21, eerste en tweede lid, van het Besluit alcoholonderzoeken en 13, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek kan de verdachte, die na het tegenonderzoek bij ademanalyse nog een tegenonderzoek wenst, hiertoe een van de daartoe aangewezen laboratoria aanwijzen (zie hoofdstuk 4, deel II, onderdeel D).

Voor de kosten en de procedure van dit tegenonderzoek na tegenonderzoek bij ademanalyseonderzoek wordt hier verwezen naar hoofdstuk 4, deel II (Tegenonderzoek bij bloedproef).

II. Tegenonderzoek bij bloedproef

A. Algemeen

1. Inleiding

Het Besluit Alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urine- onderzoek kent de verdachte het recht toe een tegenonderzoek bij bloedproef te laten verrichten bij een van de vier daartoe aangewezen laboratoria (zie hierna onder D). De kosten van dit onderzoek komen voor rekening van de verdachte35 en dienen bij vooruitbetaling te worden voldaan. Het Gerechtelijk Laboratorium bewaart voor dit doel, conform de bepalingen, gedurende één jaar (te rekenen vanaf de datum bloedafname) een bloedmonster bij diepvriestemperatuur. De wens tot het laten verrichten van een tegenonderzoek bij bloedproef dient dus binnen dat jaar kenbaar te worden gemaakt.

De praktische uitvoering van de organisatie rond het tegenonderzoek is niet tot in detail wettelijk geregeld, maar wordt overgelaten aan het Gerechtelijk Laboratorium36. Dit laboratorium heeft de onderstaande procedure opgesteld.

2. Procedure

a. De verdachte of diens raadsman geeft de betreffende officier van justitie kennis van de wens een tegenonderzoek te laten uitvoeren. De officier van justitie deelt de verdachte schriftelijk mede welke laboratoria zijn aangewezen om tegenonderzoek uit te voeren. De verdachte of diens raadsman deelt aan de officier van justitie schriftelijk mede welk laboratorium hij heeft gekozen. De verdachte of diens raadsman neemt tevens contact op met het uitgekozen laboratorium.

b. Van de zijde van de officier van justitie wordt in vermeld schrijven de verdachte of diens raadsman erop gewezen, dat een alcoholbepaling door het aangewezen laboratorium pas wordt uitgevoerd nadat de kosten vooraf zijn voldaan. Over de wijze van betaling worden de nodige gegevens verstrekt.

c. De officier van justitie geeft het Gerechtelijk Laboratorium schriftelijk kennis van de wens van de verdachte een tegenonderzoek te doen verrichten onder vermelding van: naam en adres verdachte; zaak- en identiteitsnummer, plaats en datum van ’aanhouding’ en de naam van het uitgekozen laboratorium.

d. Het Gerechtelijk Laboratorium stelt het uitgekozen laboratorium op de hoogte van het te verwachten onderzoek. Na bevestiging van de betaling vindt verzending van het voor het tegenonderzoek bestemde deel van het monster plaats.

e. Zodra het voor het tegenonderzoek bestemde deel van het monster is verzonden, geeft het Gerechtelijk Laboratorium hiervan bericht aan de betreffende officier van justitie.

f. Het uitgekozen laboratorium deelt het resultaat van het tegenonderzoek mede aan de verdachte of diens raadsman.

B. Modelbrief

PARKET VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE TE

Aan:

Betreft: tegenonderzoek bloedalcoholgehalte

Parketnr.:

Naar aanleiding van uw mededeling dat u in bovenvermelde zaak een tegenonderzoek wenst te doen uitvoeren naar het bloedalcoholgehalte, bericht ik u dat u een keuze kunt maken uit de vier op bijgaand informatieblad genoemde laboratoria. Ik verzoek u mij schriftelijk mede te delen op welk laboratorium uw keuze is gevallen, opdat ik ervoor kan zorgdragen dat het bloedmonster naar dat laboratorium wordt verzonden.

Ik wijs u er nog op dat de kosten van het tegenonderzoek voor uw rekening komen en dat het laboratorium eerst tot een tegenonderzoek overgaat nadat het verschuldigde bedrag is betaald. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag, de manier waarop kan worden betaald en de gegevens die bij de betaling dienen te worden vermeld, verwijs ik tevens naar bijgaand informatieblad.

Het resultaat van het tegenonderzoek wordt u te zijner tijd door het door u aangewezen laboratorium medegedeeld

De officier van justitie,

C. Informatieblad tegenonderzoek bloedproef

Bij de betaling aan het laboratorium van uw keuze moet duidelijk worden vermeld: ’tegenonderzoek bloedalcoholbepaling’ en de naam en het adres van de verdachte. Bij gebruikmaking van een giro- of bankrekening van een ander dan de verdachte zelf (bijvoorbeeld van echtgeno(o)t(e) of raadman) mag dit geen aanleiding tot misverstanden kunnen geven.

De kosten van het tegenonderzoek bedragen f 300,-. Pas na betaling van dit bedrag voert het laboratorium het tegenonderzoek uit.

D. Laboratoria

Laboratorium voor Klinische Chemie van het

Onze Lieve Vrouwe Gasthuis

1e Oosterparkstraat 179

1091 HA AMSTERDAM-OOST

contactpersoon: dr R.N.M. Weyers

telefoon: 020-5993161 of 5993021

postgiro: 32044 t.n.v. Patiëntenboekhouding Onze Lieve Vrouwen

Gasthuis te Amsterdam

Laboratorium der Apotheek van het Academisch

Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt

Dr. Molenwaterplein 40

3015 GD ROTTERDAM

contactpersoon: drs B.H. Graatsma/dhr. R. Kleppestö

telefoon: 010-4633672 of 4633142

postgiro: 236100 t.n.v. Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt te Rotterdam

Laboratorium der Apotheek van het Academisch

Ziekenhuis Groningen

Oostersingel 59

Postbus 30.001

9700 RB GRONINGEN

contactpersoon: dr D.R.A. Uges

telefoon: 050-3614080 of 3619111

rekeningnummer: 16.22.53.494 bij de Rabobank te Groningen t.n.v. Staf Apotheek AZG (postgiro Rabobank: 802777)

Klinisch-chemisch Laboratorium van het De Wever Ziekenhuis

Henri Dunantstraat 5

6401 CX HEERLEN

contactpersoon: dr L. Westerhuis/mw. M. Poetschlack

telefoon: 045-5766666

postgiro: 1031890 t.n.v. De Wever Ziekenhuis te Heerlen

Bijlage bij de ’Richtlijn inzake rijden onder invloed gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994’

Artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a en b WVW 1994

stcrt-1996-42-p20-SC5326-2.gif

Artikel 8, lid 1 en artikel 163, lid 2, 6, 8 en 9 WVW 1994

stcrt-1996-42-p20-SC5326-3.gifstcrt-1996-42-p20-SC5326-4.gif

Art. 162, lid 3 WVW 1994

stcrt-1996-42-p20-SC5326-5.gif

1 Brief van de Hoofdafdeling Staats- en Strafrecht, Ministerie van Justitie d.d. 19 februari 1981, nr. 137/281.

2 Ook ten aanzien van delicten gelegen buiten de sfeer van rijden onder invloed kan de overgifte van het rijbewijs worden gevorderd, mits het hierbij gaat om een overtreding van een bij of krachtens de WVW 1994 vastgesteld voorschrift, waardoor de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht (artikel 164, lid 3 WVW 1994. Voor de toepassing van deze bevoegdheid zie de brief d.d. 14 maart 1995 van de Verkeerscommissie Openbaar Ministerie aan de HoofdoYcieren van Justitie.

3 Speciale recidive: de dader is binnen een tijdsverloop van vijf jaren reeds eerder terzake van een soortgelijk delict veroordeeld of heeft terzake getransigeerd.

4 Bij de bedragen wordt geen rekening gehouden met de draagkracht.

5 Te denken valt bijvoorbeeld aan spookrijden.

6 Van de schijven IVa en Va is dat schijf IVb respectievelijk Vb.

7 Dit geval zal zich in de praktijk vrijwel nooit voordoen.

8 Indien er een situatie genoemd onder a enige twijfel bestaat of veroordeling ter zake van artikel 163 WVW 1994 zal volgen, verdient het aanbeveling artikel 8, eerste lid, WVW 1994 subsidiair te laste te leggen.

9 Weigeraars komen dus niet voor een transactie in aanmerking.

10 In verband met de executieproblematiek is gekozen voor een onvoorwaardelijke compensatie voor zowel de ontzegging van de rijbevoegdheid als de gevangenisstraf. Uiteraard geldt dit alleen voor het oYciersmodel. Bij het rechtersmodel kan er niet aan worden ontkomen dat er een ontzegging van de rijbevoegdheid of gevangenisstraf wordt opgelegd die (gedeeltelijk) voorwaardelijk is.

11 Vgl. Eindrapport van de Begeleidingscommissie Alcohol Verkeer Cursussen, Augustus 1992, pag. 19.

12 Dit sluit aan bij de circulaires d.d. 5 juli 1989 van de Minister van Justitie gericht aan zowel de zittende als de staande magistratuur (HDORR 694/889).

13 Ook de snorfietsen vallen onder de categorie bromfietsen.

14 Dit sluit aan bij het uitgangspunt van de Richtlijn Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder), Staatscourant 1994, nr. 250, te weten ’afdoening langs één traject’ (vgl. toelichting op punt 1.2 van genoemde richtlijn).

15 Besluit houdende regels ter uitvoering van artikel 74c van het Wetboek van Strafrecht, inzake de transactiebevoegdheid van de politie, de Koninklijke Marechaussee en enige buitengewone opsporingsambtenaren 1994 (Staatsblad 1994, nr. 390; Transactiebesluit 1994).

16 Indien een politietransactie wordt aangeboden, dient er geen beschikking te worden opgelegd ten aanzien van het ’Mulderfeit’ genoemd in artikel 160, vijfde lid, WVW 1994 (weigeren medewerking aan ademtest); Vgl. hoofdstuk 1, onder 9 (afdoening langs één traject).

17 Het raadplegen van de politie van de woonplaats dient ook te gebeuren omdat in de oude situatie geen wettelijke verplichting bestond de namens het OM door de politie aangeboden transactie in HKS te registreren.

18 Vgl. artikel 46 Invoeringswet WVW 1994, Staatsblad 1994, nr. 858.

19 De woorden ’Op de eerste vordering.... verplicht tot overgifte’ impliceren dat er sprake moet zijn van een contact tussen de persoon die de overgifte van het rijbewijs vordert en de verdachte zodat de vordering niet mogelijk is, indien en zolang de bestuurder buiten bewustzijn is (HR 13 november 1962, NJ 1963, 26).

20 Hoewel het met ingang van 1 januari 1995 juridisch mogelijk is de overgifte te vorderen van de hier genoemde buitenlandse rijbewijzen, dient ‐ tot het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk VI van WVW 1994 ‐ in beginsel hiervan om administratieve redenen te worden afgezien. De geautomatiseerde ondersteuning voor de invordering en teruggave van rijbewijzen ontbreekt namelijk nog.

21 Dus ook ten aanzien van de bestuurder van een bromfiets of een landbouwtrekker.

22 Dit komt overeen met een BAG van 1,5 □.

23 Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan constatering van dranklucht, onzekere gang en belemmerde spraak.

24 Indien er bijvoorbeeld proces-verbaal wordt opgemaakt terzake van overtreding van artikel 8, eerste lid, WVW 1994, terwijl

- uit het resultaat van de ademanalyse niet blijkt dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 mg/liter, of,

- bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek, er geen ernstig vermoeden bestaat, dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 mg/liter, of

- er een redelijk vermoeden bestaat van het gebruik van andere de rijvaardigheid verminderende stoVen,

kan - onder de voorwaarde dat door deze overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht - de overgifte van het rijbewijs eveneens worden gevorderd.

25 Hierbij kan worden gedacht aan gevallen van dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld waarbij de bestuurder niet onder invloed verkeerde (artikel 6 WVW 1994) of aan ernstige overschrijdingen van de maximum snelheid op plaatsen waar dit tot bijzonder gevaarzetting leidt, zoals binnen de bebouwde kom. Vgl. Memorie van Toelichting op de WVW 1992 (inmiddels WVW 1994). Hier wordt verwezen naar de brief d.d. 14 maart 1995 van de Verkeerscommissie Openbaar Ministerie aan de HoofdoYcieren van Justitie inzake vordering tot overgifte, invordering en inhouding van rijbewijzen in geval van ernstige gevaarzetting.

26 Hierbij wordt gedacht aan artikel 8 WVW 1994 (artikel 26 WVW), artikel 163 WVW 1994 (artikel 33a WVW), artikel 6 jo. 175, tweede lid, WVW 1994 (artikel 36, derde lid, WVW) en de artikelen 426 en 453 van het Wetboek van Strafrecht.

27 De parketten van de procureurs-generaal zijn niet voorzien van een aansluiting op het CRR. Bovendien kan in dit register slechts één parketnummer per zaak worden geregistreerd.

28 De procureur-generaal blijft echter wel verantwoordelijk voor de executie van de (on)voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

29 Bij het uitvoeren van het onderzoek dient verder op dezelfde wijze te worden gehandeld als wanneer op initiatief van de politie tot het afnemen van een bloedmonster (of urinemonster) zou zijn overgegaan; De artikelen 12 t/m 15, 18 t/m 21 (met uitzondering van het eerste en het tweede lid) en 22 van het Besluit alcoholonderzoeken, respectievelijk de artikelen 3 t/m 7 (met uitzondering van de tweede volzin van het eerste lid), 8 t/m 13 (met uitzondering van het eerste lid) en 14 van de Regeling bloed- en urine-onderzoek zijn van (overeenkomstige) toepassing.

30 In dit verband wordt verwezen naar de conclusie van het OM bij het zgn. Ademanalyse-arrest (HR 6 maart 1990, NJ 1990, 467).

31 Deze opvatting sluit aan bij de regeling inzake het onderzoek van bloed (of urine) en de jurisprudentie terzake. Verwezen wordt naar de arresten HR 15 februari 1983; NJ 1983, 448 en HR 12 april 1983, NJ 1983, 569, waarin werd beslist dat de verdachte niet behoeft te worden meegedeeld dat hij recht heeft op een tegenonderzoek met betrekking tot de uitslag van een bloedproef (of urineproef). In genoemde arresten is niet het voorbehoud gemaakt dat zulks anders zou zijn bij verdachten die niet beschikken over een raadsman.

32 Uiteraard kan de verdachte zijn verzoek om een tegenonderzoek herroepen, indien de arts van zijn keuze niet binnen een uur beschikbaar blijkt te zijn. Dit dient in het proces-verbaal te worden vermeld.

33 Een en ander is geregeld in artikel 13a van de regeling houdende regeling bloed- en urine-onderzoek (Stcrt. 1995, 33).

34 Het huidige tarief voor de bloedafname door een arts bedraagt f 116,-, dan wel ‐ indien het afnemen van het bloed geschiedt in de periode tussen 18.00 uur ’s avonds en 8.00 uur ’s ochtends of in de periode tussen 18.00 uur vrijdagavond en 8.00 uur maandagochtend ‐ f 174,-. Voor het onderzoek van het bloedmonster door het Gerechtelijk Laboratorium wordt f 200,- gerekend. Daarnaast komt nog een bedrag van f 10,- voor het bloedblok bij de politie.

35 Het huidige tarief bedraagt f 300,-.

36 De contactpersoon is mw. C.J. Vermaase.

Naar boven