Wijziging van enige uitvoeringsregelingen

20 december 1996

nr. WDB96/651M

Directoraat-generaal voor Fiscale Zaken/Directie Wetgeving Directe Belastingen

De Staatssecretaris van Financiën

Gelet op de artikelen 8b, 20a, 20b, 20c, 20g, 23, 25a, 30b, 36, 42b, 42c, 45, 46, 47, en 64 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de artikelen 11, 13, 15, 25, 28, 31 en 32 van de Wet op de loonbelasting 1964, de artikelen 14, 20 en 21 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, de artikelen 7 en 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 25 en 26 van de Invorderingswet 1990, artikel 4 van de Wet op de dividendbelasting 1965 en artikel 6 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering;

Voor zoveel nodig na overleg met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en voor zoveel nodig in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat;

Besluit:

Artikel I

De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 19901 wordt als volgt gewijzigd.

A. In artikel 1, eerste lid, wordt ’8b, 23’ vervangen door: 8b, 20a, 20b, 20c, 20g, 23. Voorts wordt ’40a, 45, 46, 47a, 47b’ vervangen door: 42b, 42c, 45, 46, 47.

B. Artikel 3 wordt vervangen door:

Artikel 3. Kleding die niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om bij het behalen van de winst te dragen, wordt slechts als werkkleding aangemerkt indien zij is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de onderneming gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm2.

Artikel 3a. 1. Voor de toepassing van artikel 8b, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet verhuist de ondernemer in ieder geval in het kader van de onderneming ingeval hij binnen twee jaar na de verplaatsing van de onderneming:

a. verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe vestigingsplaats van de onderneming terwijl hij op een afstand groter dan 10 kilometer van deze vestigingsplaats woonde;

b. door verhuizing de afstand tussen zijn woning en de vestigingsplaats van de onderneming met ten minste 50 percent en ten minste 10 kilometer bekort.

2. Onder afstand als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de afstand gemeten langs de meest gebruikelijke weg.

Artikel 3b. Ten aanzien van de belastingplichtige die geen andere aandelen in een vennootschap houdt dan die welke hij heeft verkregen in het kader van een premiespaarregeling als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 of een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van die wet, worden die aandelen voor de toepassing van artikel 20a, derde lid, van de wet aangemerkt als aandelen van dezelfde soort als die waarin het grootste gedeelte van het geplaatste kapitaal van de vennootschap is uitgedrukt.

Artikel 3c. 1. Ten aanzien van de belastingplichtige die een geldlening is aangegaan ter financiering van de aankoop van bij hem tot een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 20a van de wet behorende aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap welke onmiddellijk of middellijk een onderneming drijft in de zin van artikel 6 van de wet, worden de op de reguliere voordelen uit deze aandelen of winstbewijzen drukkende aftrekbare kosten bestaande uit de over deze lening verschuldigde renten, kosten van de lening daaronder begrepen, niet in aanmerking genomen als op reguliere voordelen drukkende aftrekbare kosten, doch als een aftrekpost begrepen onder de persoonlijke verplichtingen, mits de aandelen of winstbewijzen onmiddellijk of middellijk volwaardig delen in de resultaten van bedoelde onderneming. Onder de aankoop van aandelen wordt begrepen het geval dat de belastingplichtige door uitgifte van aandelen een aanmerkelijk belang verkrijgt in een vennootschap welke voor die uitgifte reeds onmiddellijk of middellijk een onderneming drijft in de zin van artikel 6 van de wet.

2. Het eerste lid is slechts van toepassing:

a. voor zover de aankoop niet kan worden gefinancierd uit voor directe belegging beschikbare middelen;

b. indien en voor zolang de bezittingen van de vennootschap waarop het aanmerkelijk belang betrekking heeft niet in belangrijke mate onmiddellijk of middellijk bestaan uit beleggingen.

3. Het eerste lid is niet van toepassing ingeval de belastingplichtige de aandelen of winstbewijzen direct of indirect heeft gekocht van zijn echtgenoot of van een lichaam waarin hij of zijn echtgenoot voor ten minste een derde gedeelte belang heeft dan wel van een lichaam waarin de belastingplichtige en zijn echtgenoot tezamen voor ten minste een derde gedeelte belang hebben. Het bepaalde in de eerste volzin is niet van toepassing in geval van verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap.

4. Voor de toepassing van het derde lid wordt met echtgenoot gelijkgesteld degene die in het kalenderjaar voldoet aan de in artikel 56 van de wet gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor overdracht van de basisaftrek aan de belastingplichtige.

Artikel 3d. 1. Indien artikel 20a, zesde lid, onderdeel i, van de wet toepassing heeft gevonden ten aanzien van een belastingplichtige die zich binnen tien jaren na het metterwoon hebben verlaten van Nederland opnieuw metterwoon vestigt in Nederland, wordt de aanslag over het jaar bij de vaststelling waarvan genoemd artikelonderdeel toepassing heeft gevonden, verminderd met een bedrag dat overeenkomt met dat gedeelte van de belasting waarvoor krachtens artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt. Met betrekking tot deze vermindering blijft artikel 30g, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen buiten toepassing. De verkrijgingsprijs van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen wordt gesteld op de verkrijgingsprijs bedoeld in artikel 20c, derde lid, vermeerderd met de aan die aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen toe te rekenen kosten welke zijn gemaakt voor het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990.

2. In een situatie als bedoeld in het eerste lid, doch met terugkeer naar Nederland na tien jaren is de derde volzin van het eerste lid eveneens van toepassing met betrekking tot aandelen in, winstbewijzen van en schuldvorderingen op een in Nederland gevestigde vennootschap, mits artikel 20c, zevende lid, derde volzin, tweede gedeelte, van de wet geen toepassing vindt.

3. Indien artikel 49, vierde lid, tweede volzin, van de wet ten aanzien van een belastingplichtige toepassing heeft gevonden en deze binnen tien jaren na de verplaatsing van de werkelijke leiding van de vennootschap uit Nederland zich metterwoon in Nederland vestigt, wordt de aanslag over het jaar bij de vaststelling waarvan genoemd artikelonderdeel toepassing heeft gevonden verminderd met een bedrag dat overeenkomt met dat gedeelte van de belasting waarvoor krachtens artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 nog uitstel van betaling loopt. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing. De derde volzin van het eerste lid is eveneens van toepassing, mits artikel 20c, zevende lid, derde volzin, tweede gedeelte, van de wet geen toepassing vindt.

4. In een situatie als bedoeld in het derde lid, doch met het zich vestigen in Nederland na tien jaren, is de derde volzin van het eerste lid eveneens van toepassing, mits artikel 20c, zevende lid, derde volzin, tweede gedeelte, van de wet geen toepassing vindt.

5. Indien artikel 20a, zesde lid, onderdeel i, onderscheidenlijk artikel 49, vierde lid, tweede volzin, van de wet toepassing heeft gevonden ten aanzien van een belastingplichtige en hij op de aanslag bij de vaststelling waarvan genoemde artikelonderdelen toepassing hebben gevonden betalingen heeft gedaan ter voldoening van de ingevolge genoemde artikelonderdelen verschuldigde belasting, wordt de verkrijgingsprijs van de nog tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen als bedoeld in artikel 20c, derde lid, vermeerderd met een bedrag ter grootte van vier keer het bedrag van de op die aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen betrekking hebbende betalingen, mits artikel 20c, zevende lid, eerste volzin, van de wet geen toepassing vindt.

Artikel 3e. 1. Op bij de aangifte gedaan verzoek van de belastingplichtige blijft buiten aanmerking het voordeel uit de vervreemding in de vorm van een ruil van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen en winstbewijzen, mits:

a. de vervreemde aandelen of winstbewijzen betreffen aandelen in of winstbewijzen van een in Nederland gevestigde naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die onmiddellijk of middellijk een onderneming drijft;

b. de aandelen of winstbewijzen tegen uitreiking van soortgelijke eigen aandelen of winstbewijzen worden vervreemd aan een in Nederland gevestigde en naar Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan alle aandelen of winstbewijzen worden gehouden door een of meer natuurlijke personen, en welke is opgericht ten einde met de in onderdeel a bedoelde vennootschap een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan te gaan;

c. tegelijkertijd ook de overige aandeelhouders, hieronder niet begrepen de in onderdeel d bedoelde anderen, in de in onderdeel a bedoelde vennootschap op overeenkomstige wijze hun aandelen en winstbewijzen vervreemden;

d. in directe samenhang met de in de onderdelen b en c bedoelde vervreemding de in onderdeel b bedoelde vennootschap van anderen dan de in die onderdelen bedoelde belastingplichtigen alle aandelen en winstbewijzen, welke een substantieel belang in de in onderdeel a bedoelde vennootschap vormen, heeft verworven.

2. Onder een substantieel belang als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt verstaan een belang van ten minste een derde gedeelte in het nominaal gestorte kapitaal van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vennootschap. De inspecteur belast met de aanslagregeling voor de vennootschapsbelasting van die vennootschap kan een kleiner belang in die vennootschap met een substantieel belang gelijkstellen.

3. De vraag of voorgenomen rechtshandelingen een situatie doen ontstaan als bedoeld in het eerste lid wordt beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur belast met de aanslagregeling voor de vennootschapsbelasting van de in onderdeel a van dat lid bedoelde vennootschap op een voor de ruil in te dienen verzoek van die vennootschap.

4. In geval van toepassing van het eerste lid worden de in het kader van de ruil door de belastingplichtige verworven aandelen of winstbewijzen voor zover betreft vervreemdingsvoordelen geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren, zo zij daartoe niet reeds behoren ingevolge artikel 20a van de wet. Als verkrijgingsprijs van de verworven aandelen of winstbewijzen wordt aangemerkt de verkrijgingsprijs van de in het kader van de ruil vervreemde aandelen of winstbewijzen. Bij latere vervreemding van de verworven aandelen of winstbewijzen wordt, indien zij uitsluitend ingevolge de eerste volzin tot een aanmerkelijk belang behoren, geen hoger bedrag als vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen dan het bedrag dat ingevolge het eerste lid buiten aanmerking is gebleven.

5. De inspecteur stelt het bedrag dat ingevolge het eerste lid buiten aanmerking is gebleven, bij voor bezwaar vatbare beschikking vast.

6. Voor zover het in het eerste lid bedoelde voordeel nog niet eerder als winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen, wordt het alsnog in aanmerking genomen zodra:

a. de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde belastingplichtige die zijn tot een substantieel belang behorende aandelen in en winstbewijzen van de in onderdeel a van dat lid bedoelde vennootschap heeft vervreemd aan de in onderdeel b van dat lid bedoelde vennootschap, binnen drie jaren na die vervreemding onmiddellijk of middellijk aandelen in of winstbewijzen van een van die vennootschappen verkrijgt, dan wel op andere wijze onmiddellijk of middellijk in betekenende mate een belang verkrijgt bij de resultaten van een van die vennootschappen;

b. de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde onderneming of een gedeelte van die onderneming binnen drie jaren na de ruil wordt gestaakt dan wel wordt vervreemd;

c. de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde fiscale eenheid binnen drie jaren na de ruil wordt beëindigd.

Alsdan blijft bij een latere vervreemding het vierde lid, tweede volzin, buiten toepassing.

7. Het zesde lid blijft buiten toepassing indien aannemelijk wordt gemaakt dat ten tijde van de ruil niet het voornemen bestond een situatie te doen ontstaan als bedoeld in de onderdelen a, b of c van dat lid.

C.1. Artikel 4, tweede, derde en vierde lid, vervalt. Het vijfde tot en met het zevende lid worden vernummerd in onderscheidenlijk tweede tot en met vierde lid.

C.2. Het in tweede lid vernummerde vijfde lid wordt vervangen door:

2. Ten aanzien van de belastingplichtige die naar verschillende arbeidsplaatsen pleegt te reizen, vindt het eerste lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen met dien verstande dat als som van de op de voet van het eerste lid bepaalde bedragen geen hoger bedrag dan f 3240 per jaar in aanmerking komt.

C.3. In het in derde lid vernummerde zesde lid wordt ’overeenkomstig het tweede lid bepaalde bedrag, in afwijking van het eerste, het tweede en het vijfde lid’ vervangen door: overeenkomstig het eerste lid bepaalde bedrag, in afwijking van dat lid.

D. Aan Artikel 4a wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, toegevoegd:

c. op of na 1 januari 1997: 4,2.

E. In artikel 6 wordt onderdeel b vervangen door:

b. uitkeringen in de vorm van een tegemoetkoming in de studiekosten ingevolge de artikelen 16, 16a, 33, 51, 93 en 94 van de Wet tegemoetkoming studiekosten;.

F. Na artikel 7 wordt ingevoegd:

Artikel 7a. Kleding die niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om bij het verwerven van de inkomsten te dragen, wordt slechts als werkkleding aangemerkt indien zij is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan degene die de inkomsten verstrekt gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm2.

Artikel 7b. 1. Voor de toepassing van artikel 36, tweede lid, onderdeel d, van de wet verhuist de belastingplichtige in ieder geval in verband met de werkzaamheden ingeval hij binnen twee jaar na de aanvaarding van een nieuwe werkkring of na overplaatsing binnen de bestaande werkkring:

a. verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe arbeidsplaats terwijl hij op een afstand groter dan 10 kilometer van deze arbeidsplaats woonde;

b. door verhuizing de afstand tussen zijn woning en de arbeidsplaats met ten minste 50 percent en ten minste 10 kilometer bekort.

2. Onder afstand als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de afstand gemeten langs de meest gebruikelijke weg.

G.1. Artikel 8, tweede lid, aanhef, wordt vervangen door: Voor de belastingplichtige die op ten minste vier dagen per week naar dezelfde arbeidsplaats pleegt te reizen per openbaar vervoer worden, in afwijking van het eerste lid, de kosten van woon-werkverkeer gesteld op het bedrag aangegeven in de navolgende tabel, mits voor de gevallen waarin de reisafstand meer beloopt dan 30 kilometer het reizen plaatsvindt op basis van plaatsbewijzen die hebben geleid tot afgifte van een openbaar-vervoerverklaring als bedoeld in artikel 36, zesde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964:.

Voorts wordt de tabel vervangen door:

stcrt-1996-249-p24-SC7931-1.gif

G.2. In het tweede lid, onderdeel b, worden ’f 0,53’ en ’f 4530’ vervangen door onderscheidenlijk f 0,54 en f 4690.

G.3. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt ’f 4530’ vervangen door: f 4690.

G.4. In het vijfde lid, onderdeel c, wordt ’f 4530’ vervangen door: f 4690.

H. Artikel 8b vervalt. Voorts wordt artikel 14b vernummerd in artikel 8b en verplaatst.

I.1. In het in artikel 8b vernummerde artikel 14b wordt in het eerste lid ’artikel 47a, tweede lid, onderdeel c’ vervangen door: artikel 42b, tweede lid, onderdeel c. Voorts wordt artikel 47b, vierde lid’ vervangen door: artikel 42c, vijfde lid.

I.2. In het derde lid wordt in de eerste volzin ’artikel 47a, vijfde lid, onderdelen a en b’ vervangen door: artikel 42b, vierde lid, onderdelen a en b. Voorts wordt in de eerste volzin ’vijfde lid, onderdeel c’ vervangen door: vierde lid, onderdeel c. Tevens wordt in de tweede volzin ’artikel 47a, vijfde lid, onderdelen a en b’ vervangen door: artikel 42b, vierde lid, onderdelen a en b. Ten slotte wordt in de tweede volzin ’artikel 47a, vijfde lid, onderdeel c’ vervangen door: artikel 42b, vierde lid, onderdeel c.

I.3. In het vierde lid wordt ’artikel 47a, vijfde lid, onderdelen a en b’ vervangen door: artikel 42b, vierde lid, onderdelen a en b.

I.4. In het vijfde lid wordt ’artikel 47a, vijfde lid, onderdelen a en b’ vervangen door: artikel 42b, vierde lid, onderdelen a en b.

I.5. In het zesde lid, onderdeel c, wordt ’artikel 47a, vijfde lid, onderdeel b’ vervangen door: artikel 42b, vierde lid, onderdeel b. Voorts wordt in onderdeel d ’artikel 47a, vijfde lid, onderdeel c’ vervangen door: artikel 42b, vierde lid, onderdeel c.

I.6. In het zevende lid wordt ’artikel 47a, vijfde lid’ vervangen door: artikel 42b, vierde lid.

I.7. In het achtste lid wordt ’artikel 47a, vijfde lid’ vervangen door: artikel 42b, vierde lid.

J. Artikel 8c wordt vernummerd in artikel 8e. Voorts wordt artikel 14c vernummerd in artikel 8c en verplaatst.

K. In het in artikel 8c vernummerde artikel 14c wordt in het eerste lid, aanhef, ’artikel 47a, vijfde lid, onderdeel b’ vervangen door: artikel 42b, vierde lid, onderdeel b.

L.1. Artikel 15 wordt vernummerd in artikel 8d en verplaatst.

L.2. In het in artikel 8d vernummerde artikel 15 wordt ’artikel 47b, tweede lid’ vervangen door: artikel 42c, derde lid.

M. In het in artikel 8e vernummerde artikel 8c wordt in het tweede lid, onderdeel b, onder 4°, ’artikel 47a, tweede lid, onderdeel c, onder 1°’ vervangen door: artikel 42b, tweede lid, onderdeel c, onder 1°.

N. In artikel 9, eerste lid, aanhef, wordt na ’Wet op de studiefinanciering’ ingevoegd:, dan wel geen recht hebben op een tegemoetkoming in de studiekosten ingevolge hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten.

O. Na artikel 10 wordt ingevoegd:

Artikel 10a. Uitgaven voor extra gezinshulp, bedoeld in artikel 46, derde lid, onderdeel b, worden slechts in aanmerking genomen voor zover zij blijken uit gedagtekende facturen waarin op duidelijke en overzichtelijke wijze de naam en het adres van de gezinshulp zijn vermeld.

P. In artikel 12, eerste lid, wordt ’640’, ’f 1280’ en ’f 1600’ vervangen door onderscheidenlijk f 630, f 1260 en f 1575. Voorts wordt ’beddegoed’ telkens vervangen door: beddengoed.

Q. In artikel 13 wordt ’de achtste titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering’ vervangen door: de twaalfde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

R. Artikel 14 vervalt. Voorts wordt artikel 14a vernummerd in artikel 14.

S.1. In het in artikel 14 vernummerde artikel 14a wordt in het eerste lid ’f 10.476’ vervangen door: f 10.623.

Voorts wordt de tabel vervangen door:

stcrt-1996-249-p24-SC7931-2.gif

S.2. In het vijfde lid wordt ’f 10.476’ vervangen door: f 10.623.

S.3. In het zesde lid, onderdeel d, wordt ’het aantal uren waarvoor’ vervangen door: het aantal uren gedurende welke of het aantal dagen waarop gedurende meer dan vijf uur onderscheidenlijk vijf uur of minder.

T. Na het in artikel 14 vernummerde artikel 14a wordt ingevoegd:

Artikel 14a. Het bedrag per kilometer, bedoeld in artikel 46, zeventiende lid, van de wet wordt gesteld op f 0,33.

U. Artikel 19 wordt vervangen door:

Artikel 19. Een aanslag wordt niet vastgesteld en verrekening van voorheffingen blijft achterwege - behoudens bij toepassing van artikel 64, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet - indien de aanslag zou worden opgelegd omdat de verschuldigde belasting de gezamenlijke voorheffingen met meer dan het in artikel 64, eerste lid, onderdeel a, van de wet, vermelde bedrag te boven gaat, enkel als gevolg van het hebben ontvangen van uitkeringen waarop de tabel voor uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de Regeling loonbelasting- en premietabellen is toegepast.

V. In artikel 20, eerste lid, wordt ’artikel 64, tweede lid, onderdeel h en onderdeel i’ vervangen door: artikel 64, eerste lid, onderdeel c.

W. Artikel 21 vervalt.

Artikel II

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 19902 wordt als volgt gewijzigd.

A. Na artikel 5 wordt ingevoegd:

Artikel 5a. Vaste vergoedingen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, onder 3°, van de wet, behoren niet tot het loon voor zover deze naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd en daaraan voorts - op verzoek van de inspecteur - een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten tot verwerving van het loon ten grondslag ligt.

B.1. In artikel 6, eerste lid, wordt de tabel vervangen door:

stcrt-1996-249-p24-SC7931-3.gifstcrt-1996-249-p24-SC7931-4.gif

B.2. In het vierde lid wordt ’f 10.476’, ’f 873’, ’f 201,50’ en ’f 40,30’ vervangen door onderscheidenlijk f 10.623, f 885,25, f 204,25 en f 40,85.

B.3. In het vijfde lid, onderdeel d, wordt ’het aantal uren waarvoor’ vervangen door: het aantal uren gedurende welke of het aantal dagen waarop gedurende meer dan vijf uur onderscheidenlijk vijf uur of minder.

C.1. Artikel 8, tweede, derde en vierde lid, vervalt. Het vijfde tot en met het achtste lid worden vernummerd in onderscheidenlijk tweede tot en met vijfde lid.

C.2. Het in tweede lid vernummerde vijfde lid wordt vervangen door:

2. Ten aanzien van de werknemer die naar verschillende arbeidsplaatsen pleegt te reizen, vindt het eerste lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen met dien verstande dat als som van de op de voet van het eerste lid bepaalde bedragen geen hoger bedrag dan f 270,00 per maand (f 62,32 per week) in aanmerking komt.

C.3. In het in derde lid vernummerde zesde lid wordt ’overeenkomstig het tweede lid bepaalde bedrag, in afwijking van het eerste, het tweede en het vijfde lid’ vervangen door: overeenkomstig het eerste lid bepaalde bedrag, in afwijking van dat lid.

C.4. In het in vierde lid vernummerde zevende lid wordt in de aanhef ’in afwijking van het eerste en het tweede lid’ vervangen door: in afwijking van het eerste lid.

C.5. In het in vijfde lid vernummerde achtste lid wordt ’zevende lid’ vervangen door: vierde lid.

D.1. In artikel 10, tweede lid, onderdeel b, wordt ’f 3900’ vervangen door: f 3924.

D.2. In het tweede lid vervalt onderdeel c. Voorts wordt de puntkomma aan het slot van onderdeel b vervangen door een punt.

E.1. Artikel 11, eerste lid, wordt vervangen door:

1. De waarde van kost en inwoning en van maaltijden wordt gesteld op het bedrag, aangegeven in de navolgende tabel:

stcrt-1996-249-p24-SC7931-5.gif

E.2. Onder vernummering van het vierde lid tot en met het tiende lid in onderscheidenlijk vijfde tot en met elfde lid, wordt na het derde lid ingevoegd:

4. In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van maaltijden waaraan de werknemer, werkzaam in de gezondheids- of welzijnszorg, ingevolge een publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst verplicht is deel te nemen met de hem toevertrouwde patiënten, pupillen of bewoners op grond van opvoedkundige of therapeutische overwegingen of overwegingen van resocialiserende aard, op nihil gesteld.

E.3. Het in zesde lid vernummerde vijfde lid wordt vervangen door:

6. De waarde van huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel, op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten wordt gesteld op het bedrag, aangegeven in de navolgende tabel:

stcrt-1996-249-p24-SC7931-6.gif

E.4. De aanhef van het in zevende lid vernummerde zesde lid wordt vervangen door:

7. De waarde van bewassing, energie en water wordt gesteld:.

E.5. In onderdeel a van het in zevende lid vernummerde zesde lid wordt ’f 25,25’, ’f 5,75’ en ’f 1,15’ vervangen door onderscheidenlijk f 26,75, f 6,25 en f 1,25.

E.6. In onderdeel d van het in zevende lid vernummerde zesde lid worden ’f 16,00’, ’f 3,75’ en ’f 0,75’ vervangen door onderscheidenlijk f 17,25, f 4,00 en f 0,80.

E.7. In onderdeel e van het in zevende lid vernummerde zesde lid worden ’f 9,00’, ’f 2,00’, en ’f 0,40’ vervangen door onderscheidenlijk f 10,25, f 2,25 en f 0,45.

E.8. Het in negende lid vernummerde achtste lid wordt vervangen door:

9. De waarde van kleding voor een kind dat werkzaam is in de onderneming van zijn ouder wordt gesteld op f 62,50 per maand (f 14,50 per week, f 2,90 per dag).

F. In artikel 13, tweede lid, onderdeel d, wordt ’het aantal uren waarvoor’ vervangen door: het aantal uren gedurende welke of het aantal dagen waarop gedurende meer dan vijf uur onderscheidenlijk vijf uur of minder.

G.1. In artikel 14, tweede lid, wordt ’het in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, onder 1o, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vermelde bedrag’ vervangen door: f 78.500.

G.2. Na het tweede lid wordt toegevoegd:

3. De waarde van een voor woon-werkverkeer verstrekte of ter beschikking gestelde fiets wordt gesteld op f 150 onderscheidenlijk nihil, mits:

a. de catalogusprijs van de fiets niet hoger is dan f 1500 inclusief omzetbelasting, en

b. in de drie voorafgaande jaren aan de werknemer geen fiets is verstrekt of ter beschikking gesteld.

4. De waarde van met een fiets samenhangende zaken die dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, voor zover de waarde van deze zaken niet meer bedraagt dan f 550 per drie kalenderjaren, alsmede de waarde van een fietsverzekering wordt op nihil gesteld.

H. Na artikel 15 wordt ingevoegd:

Artikel 16. Indien zulks tot een lagere waarde leidt wordt, in afwijking van artikel 13, eerste lid, van de wet de waarde van een aan de werknemer verstrekt branche-eigen product van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 32, derde lid, van de wet, gesteld op de integrale kostprijs van dat product, voor zover de hoeveelheid ervan niet uitgaat boven hetgeen in een gezin als dat van de werknemer pleegt te worden gebruikt of verbruikt.

Artikel 16a. De waarde van een aan de werknemer van een dagbladuitgeversbedrijf verstrekt gratis abonnement op een dagblad dat door dat bedrijf wordt uitgegeven, wordt op nihil gesteld.

Artikel 16b. De waarde van verstrekte of ter beschikking gestelde werkkleding als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel f, van de wet wordt op nihil gesteld.

I.1. Artikel 17, tweede lid, aanhef, wordt vervangen door: Voor de werknemer die op ten minste vier dagen per week naar dezelfde arbeidsplaats pleegt te reizen per openbaar vervoer worden, in afwijking van het eerste lid, de kosten van woon-werkverkeer gesteld op het bedrag aangegeven in de navolgende tabel, mits voor de gevallen waarin de reisafstand meer beloopt dan 30 kilometer het reizen plaatsvindt op basis van plaatsbewijzen die kunnen leiden tot afgifte van een openbaar-vervoerverklaring als bedoeld in artikel 36, zesde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964:.

Voorts wordt de tabel vervangen door:

stcrt-1996-249-p24-SC7931-7.gif

I.2. In het tweede lid, onderdeel b, worden ’f 0,53’, ’f 377,52’ en ’f 87,12’ vervangen door onderscheidenlijk f 0,54, f 390,84 en f 90,20.

I.3. In het vijfde lid, onderdeel b, worden ’f 377,52’ en ’f 87,12’ vervangen door onderscheidenlijk f 390,84 en f 90,20.

I.4. In het vijfde lid, onderdeel c, worden ’f 377,52’ en ’f 87,12’ vervangen door onderscheidenlijk f 390,84 en f 90,20.

J. Artikel 18 wordt, onder vernummering van artikel 18a in artikel 18b, vervangen door:

Artikel 18. Kleding die niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om bij het verwerven van het loon te dragen, wordt slechts als werkkleding aangemerkt indien zij is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm2.

Artikel 18a. 1. Voor de toepassing van artikel 15, tweede lid, onderdeel d, van de wet verhuist de werknemer in ieder geval in het kader van de dienstbetrekking ingeval hij binnen twee jaar na de aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking:

a. verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe plaats van zijn dienstbetrekking terwijl hij op een afstand groter dan 10 kilometer van deze plaats woonde;

b. door verhuizing de afstand tussen zijn woning en de plaats van zijn dienstbetrekking met ten minste 50 percent en ten minste 10 kilometer bekort.

2. Onder afstand als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de afstand gemeten langs de meest gebruikelijke weg.

K. In artikel 22a, eerste lid, wordt de eerste volzin vervangen door:

1. Ten aanzien van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, dan wel die bij het begin van een kalenderkwartaal recht heeft op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering, dan wel die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming in de studiekosten ingevolge hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten, kan in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet voor loonbe-talingen waarvan het inhoudingstijdstip in dat kwartaal is gelegen, dat kwartaal als loontijdvak worden aangemerkt.

L.1. In artikel 26, eerste lid, onderdeel c, wordt ’r en s’ vervangen door: r, s en u.

L.2. Het derde lid wordt vervangen door:

3. De inhoudingsplichtige kan de in de vorige leden bedoelde gegevens op een andere plaats administreren, mits:

a. hij dit onder vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur;

b. de gegevens op verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de loonadministratie wordt gevoerd.

M. In artikel 27 vervalt het tweede lid. Voorts vervalt het nummer van het eerste lid.

N. In artikel 33, tweede lid, wordt ’artikel 7, eerste lid, onderdelen c en d’ vervangen door: artikel 7, eerste lid, onderdeel c.

O. In artikel 34, eerste lid, onderdeel d, wordt ’Algemene Weduwen- en Wezenwet’ vervangen door: Algemene nabestaandenwet.

P. Na hoofdstuk V wordt ingevoegd:

Hoofdstuk VA

Eindheffing

Artikel 36. 1. Als niet in geld genoten loon dat bezwaarlijk kan worden geïndividualiseerd als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel d, van de wet worden aangewezen:

a. voordelen bestaande uit het niet op de werknemer verhalen van administratieve sancties die aan de inhoudingsplichtige zijn opgelegd ingevolge de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften;

b. geschenken ter gelegenheid van een jubileum van de inhoudingsplichtige;

c. geschenken ter gelegenheid van een persoonlijke feestdag van de werknemer;

d. aanspraken ingevolge een ziektekostenregeling die niet geheel of gedeeltelijk worden gedekt door een werknemersbijdrage en door de inhoudingsplichtige in eigen beheer worden gehouden;

e. verstrekkingen met een waarde in het economische verkeer van ten hoogste f 600 per jaar en ten hoogste f 50 per verstrekking.

2. Met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde loon wordt het bedrag van de verschuldigde belasting bepaald aan de hand van het tabeltarief, bedoeld in artikel 31, derde lid, van de wet.

Artikel 36a. Als loon met een bestemmingskarakter als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel e, van de wet worden aangewezen:

a. vergoedingen van de aan- en verkoopkosten van de woning van de werknemer bij bedrijfsverplaatsingen en andere zakelijke verhuizingen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel d, van de wet;

b. vergoedingen van parkeer-, veer- en tolgelden, alsmede overeenkomstige verstrekkingen;

c. reiskostenvergoedingen voor zover achteraf blijkt dat deze ingevolge artikel 11, twaalfde lid, van de wet tot het loon moeten worden gerekend;

d. uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer geleden verlies wegens diefstal en dergelijke die hem in verband met het vervullen van de dienstbetrekking zijn overkomen;

e. vergoedingen in geld ter zake van consumpties tijdens de werktijd tot f 1,10 per dag (f 5,50 per week);

f. uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer geleden schade ten gevolge van overstromingen, aardbevingen en dergelijke, die niet pleegt te worden verzekerd.

Q. In artikel 40, tweede lid, wordt ’pensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet’ vervangen door: pensioenen die worden uitgekeerd ingevolge het pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP dat geldt voor overheidswerknemers, bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering ABP,. Voorts wordt ’Algemeen burgerlijk pensioenfonds’ vervangen door: Stichting pensioenfonds ABP.

R. Voor artikel 46 wordt ingevoegd:

Artikel 45. Ingeval in een reeds op 31 december 1996 bestaande of aansluitend naar strekking terzake ongewijzigd voortgezette publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst is voorzien in vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken wordt, in afwijking van artikel 10, eerste lid, de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken gesteld op 75 percent van de nominale waarde van die bonnen of aanspraken.

S. Het in bijlage A opgenomen model van de loonverdelingsverklaring artiesten wordt vervangen door het in bijlage I van deze regeling opgenomen model.

T. De in bijlage B.1 en B.2 opgenomen modellen van de loonbelastingverklaring worden vervangen door de in bijlage II en III van deze regeling opgenomen modellen.

U. Het in bijlage C opgenomen model van de loonstaat wordt vervangen door het in bijlage IV van deze regeling opgenomen model.

V. Het in bijlage D opgenomen model van de loonbelastingkaart wordt vervangen door het in bijlage V van deze regeling opgenomen model.

W. De in bijlage E opgenomen coderingslijst wordt vervangen door de in bijlage VI van deze regeling opgenomen lijst.

X. Het in bijlage f opgenomen model van de loonbelastingkaart huispersoneel wordt vervangen door het in bijlage VII van deze regeling opgenomen model.

Artikel III

De Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering3 wordt als volgt gewijzigd:

A.1. In artikel 1, tweede lid, onderdeel a, wordt ’wet’ vervangen door: de wet.

A.2. In het tweede lid, onderdeel c, wordt ’Arbeidsvoorzieningsorganisatie’ vervangen door: de Arbeidsvoorzieningsorganisatie 1996.

B. In artikel 3 wordt ’artikel 5, vijfde lid’ vervangen door: artikel 5, zesde lid.

C. In artikel 9, tweede lid, wordt ’de eerste volzin van artikel 33’ vervangen door: de eerste volzin van artikel 33 van de wet. Voorts wordt ’de tweede volzin van artikel 33’ vervangen door: de tweede volzin van dat artikel.

D. In hoofdstuk IV wordt voor artikel 12 ingevoegd:

Artikel 11a. Als bedrijfssectoren, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van de wet worden aangewezen, onder vermelding van de desbetreffende code in de Standaard Bedrijfsindeling uit 1993 van het Centraal Bureau voor de Statistiek:

a. landbouw, jacht en dienstverlening ten behoeve van landbouw en jacht (A 01);

b. bosbouw en dienstverlening ten behoeve van bosbouw (A 02);

c. visserij, kweken van vis en schaaldieren (B 05)

d. turfwinning (CA 10);

e. aardolie- en aardgaswinning en dienstverlening ten behoeve van de aardolie- en aardgaswinning (CA 11);

f. winning van zand, grind, klei, zout en dergelijke (CB 14);

g. vervaardiging van voedingsmiddelen en dranken (DA 15);

h. verwerking van tabak (DA 16);

i. vervaardiging van textiel (DB 17);

j. vervaardiging van kleding; bereiden en verven van bont (DB 18);

k. vervaardiging van leer en lederwaren, met uitzondering van kleding (DC 19);

l. houtindustrie en vervaardiging van artikelen van hout, kurk, riet en vlechtwerk, met uitzondering van meubels (DD 20);

m. vervaardiging van papier, karton en papier- en kartonwaren (DE 21);

n. uitgeverijen, drukkerijen en reproductie van opgenomen media (DE 22);

o. aardolie- en steenkolenwerkende industrie; bewerking van splijt- en kweekstoffen (DF 23);

p. vervaardiging van chemische producten (DG 24);

q. vervaardiging van producten van rubber en kunststof (DH 25);

r. vervaardiging van glas, aardewerk, cement-kalk en gipsprodukten (DI 26);

s. vervaardiging van metalen in primaire vorm (DJ 27);

t. vervaardiging van producten van metaal, met uitzondering van machines en transportmiddelen (DJ 28);

u. vervaardiging van machines en apparaten (DK 29);

v. vervaardiging van kantoormachines en computers (DL 30);

w. vervaardiging van overige elektrische machines, apparaten en benodigdheden (DL 31);

x. vervaardiging van audio, video- en telecommunicatie-apparatuur en -benodigdheden (DL 32);

y. vervaardigen van medische apparaten en instrumenten, orthopedische artikelen en dergelijke, precisie- en optische instrumenten en uurwerken (DL 33);

z. vervaardiging van auto’s, aanhangwagens en opleggers (DM 34);

aa. vervaardiging van transportmiddelen, met uitzondering van auto’s, aanhangwagens en opleggers (DM 35);

bb. vervaardiging van meubels; vervaardiging van overige goederen niet eerder genoemd (DN 36);

cc. voorbereiding tot recycling (DN 37);

dd. productie van distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en warm water (E 40);

ee. winning en distributie van water (E 41);

ff. bouwnijverheid (F 45);

gg. handel in en reparatie van auto’s en motorfietsen; benzineservicestations (G 50);

hh. groothandel en handelsbemiddeling (niet in auto’s en motorfietsen) (G 51);

ii. detailhandel en reparatie ten behoeve van particulieren met uitzondering van auto’s, motorfietsen en motorbrandstoffen (G 52);

jj. logies-, maaltijden- en drankenverstrekking (H 55);

kk. vervoer over land (I 60);

ll. vervoer over water (I 61);

mm. vervoer door de lucht (I 62);

nn. dienstverlening ten behoeve van het vervoer (I 63);

oo. post en telecommunicatie (I 64);

pp. financiële instellingen, met uitzondering van verzekeringswezen en pensioenfondsen (J 65);

qq. verzekeringswezen en pensioenfondsen, met uitzondering van verplichte sociale verzekeringen (J 66);

rr. activiteiten ten behoeve van of verwant aan financiële instellingen (J 67);

ss. verhuur en handel in onroerend goed (K 70);

tt. verhuur van transportmiddelen, machines en werktuigen zonder bedienend personeel en van overige roerende goederen (K 71);

uu. computerservice- en informatietechnologiebureaus en dergelijke (K 72);

vv. speur- en ontwikkelingswerk (K 73).

E. Aan artikel 12 wordt toegevoegd:

3. Een overeenkomst als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van de wet bevat ten minste:

a. het aantal studiepunten dat de student in het kader van het praktijkdeel van de opleiding bij de desbetreffende werkgever verwerft;

b. de periode of perioden waarop de overeenkomst betrekking heeft, welke ten minste 6 maanden praktijk voor ten minste 32 uur per week beslaat, dan wel ten minste twee keer 4 maanden praktijk voor ten minste 32 uur per week;

c. de wijze van begeleiding van de werknemer, naar aard en omvang, door hogeschool en werkgever;

d. de leerdoelen die moeten worden gerealiseerd in de praktijk en in het daarmee samenhangende theoriedeel;

e. de wijze van beoordeling van de praktijk;

f. functie-inhoud, vergoeding en andere arbeidsvoorwaarden;

g. bepalingen met betrekking tot ontbinding van de overeenkomst om onderwijskundige redenen.

F. Na artikel 12 wordt in hoofdstuk IV ingevoegd:

Artikel 12a. 1. De hogescholen stellen aan het einde van het kalenderjaar een overzicht per inhoudingsplichtige per in artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van de wet bedoelde werknemer op, waaruit kan worden afgeleid voor welke loontijdvakken in het daarop volgende kalenderjaar recht op de vermindering onderwijs kan bestaan, en verstrekt dit aan de inhoudingsplichtige.

2. De inhoudingsplichtige bewaart het in het eerste lid bedoelde overzicht bij de loonadministratie.

G. In artikel 14a, eerste lid, onderdeel d, wordt ’het aantal uren waarvoor’ vervangen door: het aantal uren gedurende welke of het aantal dagen waarop gedurende meer dan vijf uur onderscheidenlijk vijf uur of minder.

H. Artikel 18, onderdeel a, wordt vervangen door:

a. de namen, de geboortedata en de nummers van de monsterboekjes van de zeevarenden met betrekking tot wie over dat jaar een vermindering zeevaart is toegepast;.

I. Aan artikel 21 wordt, onder nummering van de bestaande tekst als eerste lid, toegevoegd:

2. Ten aanzien van de zeevarende die werkzaam is op een zeeschip op het tijdstip waarop dit de Nederlandse vlag gaat voeren wordt, indien de voorafgaande periode van vakantieverlof voor dat tijdstip eindigde, voor de toepassing van het eerste lid dat tijdstip tot uitgangspunt genomen in plaats van de voorafgaande periode van vakantieverlof.

J. Na artikel 22 wordt ingevoegd:

Artikel 22a. 1. Voor de toepassing van artikel 21, vierde lid, van de wet dient de in verband met speur- en ontwikkelingswerk bij te houden administratie op verzoek van de inspecteur geheel of gedeeltelijk bij de S&O-inhoudingsplichtige voor controle beschikbaar te komen.

2. De administratieve verplichtingen van de onderneming of ondernemingen die de S&O-werkzaamheden feitelijk verricht onderscheidenlijk verrichten worden geacht te rusten op de S&O-inhoudingsplichtige.

Artikel IV

De Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen4 wordt als volgt gewijzigd.

A. In artikel 1 wordt ’34a’ vervangen door: 32.

B. In artikel 14, eerste lid, wordt ’artikel 34a, eerste lid’ vervangen door: artikel 31, tweede lid, onderdeel f.

C. In de aanhef van artikel 23 wordt ’artikel 34a’ vervangen door: artikel 32. Voorts wordt in de onderdelen a en b ’direct of indirect een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 39’ vervangen door: een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 20a.

D. In artikel 25, eerste lid, wordt ’na 31 december 1993’ vervangen door: van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996. Voorts vervalt het derde lid.

Artikel V

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 19945 wordt als volgt gewijzigd.

A.1. In artikel 4a, eerste lid, onderdeel a, wordt ’, of’ vervangen door een puntkomma.

A.2. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:

c. het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel c.

A.3. In het tweede lid wordt ’onderdeel b’ vervangen door: onderdeel b of c.

A.4. Na het tweede lid wordt toegevoegd:

3. Op verzoek van degene die op de wijze bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c, is uitgenodigd tot het doen van aangifte wordt door de inspecteur een aangiftebiljet als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, toegezonden of uitgereikt.

B.1. Aan artikel 20, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:

c. het op elektronische wijze toezenden, dan wel door middel van een gegevensdrager toezenden of inleveren, van de door de programmatuur, aangewezen in de vergunning bedoeld in het derde lid, gevraagde gegevens.

B.2. In het tweede, derde en zesde lid wordt ’onderdeel b’ vervangen door: onderdeel b of c.

B.3. Na het zesde lid wordt toegevoegd:

7. De via de aangiftediskette onderscheidenlijk de programmatuur, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, toe te zenden dan wel in te leveren gegevens zijn inhoudelijk gelijk aan die welke toegezonden dan wel ingeleverd hadden moeten worden indien voor de aangifte gebruik zou zijn gemaakt van een aangiftebiljet, met dien verstande dat de ondertekening geschiedt door het gebruik van de code bedoeld in het vierde lid.

Artikel VI

De Uitvoeringsregeling invorderingswet 19906 wordt als volgt gewijzigd.

A. In artikel 1 wordt ’de artikelen 31’ vervangen door: de artikelen 25, 26, tweede lid, 31. Voorts wordt ’artikel 26’ vervangen door: artikel 26, eerste lid,.

B. Na artikel 1 wordt ingevoegd:

Hoofdstuk IA

Uitstel van betaling, gespreide betaling en kwijtschelding bij winst uit aanmerkelijk belang

Artikel 2. 1. De ontvanger verleent voor situaties als bedoeld in artikel 25, zesde lid, van de wet op verzoek van de belastingschuldige bij voor bezwaar vatbare beschikking uitstel van betaling - zonder dat invorderingsrente in rekening wordt gebracht - mits voldoende zekerheid wordt gesteld en wordt ingestemd met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden.

2. Het uitstel wordt verleend voor het bedrag van de belasting - met uitzondering van daarin begrepen verhogingen - dat is verschuldigd ter zake van het voordeel dat ingevolge artikel 20a, zesde lid, onderdeel i, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, artikel 48, vierde lid, laatste volzin, van die wet of artikel 49, vierde lid, tweede volzin, van die wet in aanmerking is genomen, dan wel dat is verschuldigd doordat geen beroep kon worden gedaan op de uitzondering van artikel 20a, zevende lid, van die wet alsmede voor het bedrag van de ingevolge hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ter zake verschuldigde heffingsrente.

3. Ingeval aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen welke aan het uitstel ten grondslag liggen, worden vervreemd in de zin van artikel 20a, eerste lid of zesde lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, beëindigt de ontvanger bij voor bezwaar vatbare beschikking het uitstel voor zover dit aan deze aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen kan worden toegerekend.

4. In geval van een situatie als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de wet, beëindigt de ontvanger bij voor bezwaar vatbare beschikking het uitstel.

5. Op verzoek van de belastingschuldige kan in geval van een vervreemding in de zin van artikel 20a, zesde lid, onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 het uitstel bij voor bezwaar vatbare beschikking worden voortgezet, mits voldoende zekerheid wordt gesteld; de aandelen in, winstbewijzen van of schuldvorderingen op de verkrijgende vennootschap worden geacht voortaan aan het verleende uitstel ten grondslag te liggen.

6. Op verzoek van de belastingschuldige kan in geval van een vervreemding in de zin van artikel 20a, zesde lid, onderdeel f of g, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 het uitstel bij voor bezwaar vatbare beschikking worden voortgezet, mits voldoende zekerheid wordt gesteld en wordt ingestemd met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden.

7. Op verzoek van de belastingschuldige kan in geval van een vervreemding in de zin van artikel 20a, zesde lid, onderdeel h, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 het uitstel bij voor bezwaar vatbare beschikking worden voortgezet voor dat gedeelte dat betrekking heeft op de nog tot het vermogen van de belastingschuldige behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen, mits voldoende zekerheid wordt gesteld.

8. Ingeval zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel a of b, van de wet stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 3. 1. De ontvanger verleent voor situaties als bedoeld in artikel 25, zevende lid, van de wet op verzoek van de belastingschuldige bij voor bezwaar vatbare beschikking uitstel van betaling, mits voldoende zekerheid wordt gesteld.

2. Het uitstel wordt verleend voor het bedrag van de belasting - met uitzondering van daarin begrepen verhogingen - dat is verschuldigd ter zake van het voordeel wegens de vervreemding bedoeld in artikel 25, zevende lid, van de wet, alsmede voor het bedrag van de ingevolge Hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ter zake verschuldigde heffingsrente, mits deze bedragen gezamenlijk f 5000 te boven gaan.

3. Het uitstel houdt in dat de verschuldigde belasting kan worden voldaan in tien gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet vervalt en elk van de volgende termijnen telkens een jaar later.

4. De ontvanger vermindert bij voor bezwaar vatbare beschikking het bedrag waarvoor uitstel van betaling is verleend:

a. ingeval in een kalenderjaar aflossingen op de schuldig gebleven overdrachtsprijs plaatsvinden welke gezamenlijk uitgaan boven het dubbele van de belasting die in dat jaar op de voet van het derde lid moet worden voldaan: voor de helft van hetgeen er boven uitgaat;

b. ingeval aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen welke aan het uitstel ten grondslag liggen worden vervreemd in de zin van artikel 25, achtste lid, van de wet: voor zover het uitstel aan deze aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen kan worden toegerekend;

c. ingeval in een kalenderjaar uit de aandelen of winstbewijzen welke aan het uitstel ten grondslag liggen reguliere voordelen - als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 - worden genoten welke uitgaan boven het dubbele van de belasting die in dat jaar op de voet van het derde lid moet worden voldaan: voor de helft van hetgeen er boven uitgaat.

5. Ingeval zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in het vierde lid stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.

Artikel 4. 1. De ontvanger verleent voor situaties als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de wet op verzoek van de belastingschuldige bij voor bezwaar vatbare beschikking kwijtschelding van inkomstenbelasting tot een omvang als bedoeld in genoemd artikellid, met dien verstande dat met betrekking tot een aandeel, winstbewijs of schuldvordering het bedrag van de kwijtschelding in totaal niet meer kan bedragen dan het laagste van de volgende bedragen:

1°. het bedrag van de belasting waarvoor ter zake van het desbetreffende aandeel, winstbewijs of schuldvordering uitstel van betaling is verleend;

2°. het bedrag van de belasting dat bij vervreemding van het desbetreffende aandeel, winstbewijs of schuldvordering feitelijk in het buitenland is geheven van het vervreemdingsvoordeel ter zake waarvan op de voet van artikel 25, zesde lid, van de wet uitstel van betaling is verleend.

2. De termijn van tien jaren bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel c, van de wet vangt aan bij het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft.

3. Geen kwijtschelding wordt verleend:

a. indien de voor de beoordeling van het verzoek benodigde gegevens niet, onjuist of onvolledig zijn verstrekt;

b. voor een voorlopige aanslag die nog niet is gevolgd door de aanslag.

Artikel 5. Voor de toepassing van deze afdeling is artikel 20a, negende lid, onderdeel d en e, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6. Met betrekking tot bezwaar tegen de in dit hoofdstuk bedoelde beschikkingen alsmede met betrekking tot beroep ter zake van een uitspraak op het desbetreffende bezwaar gelden dezelfde regels als die welke van toepassing zijn op bezwaar en beroep als bedoeld in hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met dien verstande dat voor ’inspecteur’ wordt gelezen: ontvanger.

C. In artikel 20 wordt na ’brandstoffenbelasting,’ ingevoegd: belasting op uranium-235,.

Artikel VII

In de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 19657 wordt in artikel 1 en in de aanhef van artikel 1a ’derde lid’ gewijzigd in: tweede lid.

Artikel VIII

De Beschikking bijzondere beleggingsinstellingen vervalt.

Artikel IX

Artikel 8b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990, zoals dat luidde op 31 december 1996, blijft van toepassing met betrekking tot vervreemdingen welke voor 1 januari 1997 hebben plaatsgevonden.

Artikel X

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1997 met dien verstande dat artikel III, onderdeel I, terugwerkt tot en met 1 januari 1996.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen I tot en met VII, die ter inzage worden gelegd op de Directie Wetgeving Directe Belastingen van het Ministerie van Financiën.

De Staatssecretaris van Financiën,W.A. Vermeend.

1 Stcrt. 1989, 234, laatstelijk gewijzigd bij min. regeling van 7 maart 1996, Stcrt. 53.

2 Stcrt. 1989, 223, laatstelijk gewijzigd bij min. regeling van 29 december 1995, Stcrt. 252.

3 Stcrt. 1195, 125, laatstelijk gewijzigd bij min. regeling van 8 oktober 1996, Stcrt. 198.

4 Stcrt. 1993, 241, laatstelijk gewijzigd bij min. regeling van 23 december 1994, Stcrt. 250.

5 Stcrt. 1994, 114, laatstelijk gewijzigd bij min. regeling van 5 september 1996, Stcrt. 173.

6 Stcrt. 1990, 103, laatstelijk gewijzigd bij min. regeling van 7 november 1996, Stcrt. 219.

7 Stcrt. 1965, 251, laatstelijk gewijzigd bij min. regeling van 29 december 1995, Stcrt. 252.

Toelichting

Een aantal van de in de artikelen I en II van deze regeling opgenomen wijzigingen van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna: Regeling IB 1990) en de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (hierna: Regeling LB 1990) strekken ertoe de in de desbetreffende artikelen opgenomen bedragen te actualiseren per 1 januari 1997.

Het gaat daarbij om het volgende:

- artikel 12 Regeling IB 1990 (normbedragen buitengewone lasten ter zake van ziekte e.d.: extra uitgaven voor kleding en beddengoed);

- artikel 14 Regeling IB 1990 (buitengewone-lastenaftrek ter zake van kinderopvang);

- artikel 6, eerste lid, Regeling LB 1990 (vergoedingen ter zake van kinderopvang);

- artikel 10, tweede lid, onderdeel b, Regeling LB 1990 (maximumbedrag voor een aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling);

- artikel 11, eerste lid, Regeling LB 1990 (waarderingsvoorschriften voor kost en inwoning en maaltijden);

- artikel 11, zesde lid, Regeling LB 1990 (waarderingsvoorschriften voor huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel, op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten);

- artikel 11, zevende lid, Regeling LB 1990 (waarderingsvoorschriften voor waarde van bewassing, energie en water);

- artikel 11, negende lid, Regeling LB 1990 (waarderingsvoorschriften voor de kleding van een in de onderneming van de ouder meewerkend kind).

Daarnaast zijn in de artikelen I en II enige andere wijzigingen opgenomen. Deze worden hierna in het kort aangeduid:

- artikel 4a Regeling IB 1990 (aanpassing forfaitair- rendementspercentage);

- artikel 6, onderdeel b, Regeling IB 1990 (aanpassing in verband met de inwerkingtreding van de Wet tegemoetkoming studiekosten);

- artikel 9, eerste lid, Regeling IB 1990 (aanpassing in verband met de inwerkingtreding van de Wet tegemoetkoming studiekosten);

- artikel 13 Regeling IB 1990 (technische aanpassing in verband met de Wet van 7 juli 1994);

- artikel 14, zesde lid, Regeling IB 1990 (aanpassing buitengewone-lastenaftrek ter zake van kinderopvang);

- artikel 6, vijfde lid, Regeling LB 1990 (aanpassing vergoedingenregime ter zake van kinderopvang);

- artikel 13 Regeling LB 1990 (aanpassing in natura verstrekte kinderopvang);

- artikel 22a Regeling LB 1990 (aanpassing in verband met de inwerkingtreding van de Wet tegemoetkoming studiekosten);

- artikel 34 Regeling LB 1990 (redactionele aanpassing);

- artikel 40 Regeling LB 1990 (redactionele aanpassing).

Ten slotte worden de in de bijlagen A, B.1 en B.2, C, D, E en F van de Regeling LB 1990 opgenomen modellen (onderscheidenlijk de loonverdelingsverklaring artiesten, de loonbelastingverklaring, de loonstaat, de loonbelastingkaart, de coderingslijst en de loonbelastingkaart huispersoneel) vervangen door nieuwe modellen (artikel II, onderdelen S, T, U, V, W en X).

In de onderhavige regeling zijn voorts in de artikelen I en II een aantal wijzigingen opgenomen die voortvloeien uit de Wet van 13 december 1996 tot aanpassing van de loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997 (Stb. 655). Het betreft de volgende wijzigingen:

- artikel 3 Regeling IB 1990 (invulling begrip werkkleding voor de ondernemer);

- artikel 3a Regeling IB 1990 (invulling begrip zakelijke verhuizing voor de ondernemer);

- artikel 4 Regeling IB 1990 (wijzigingen met betrekking tot het reiskostenvergoedingenforfait);

- artikel 7a Regeling IB 1990 (invulling begrip werkkleding voor degenen die inkomsten uit arbeid genieten);

- artikel 7b Regeling IB 1990 (invulling begrip zakelijke verhuizing voor degenen die inkomsten uit arbeid genieten);

- artikel 8 Regeling IB 1990 (wijzigingen met betrekking tot het reiskostenaftrekforfait);

- artikelen 8b, 8c, 8d en 8e Regeling IB 1990 (wijzigingen in verband met de verplaatsing van de rente- en dividendvrijstelling naar artikel 42b, onderscheidenlijk artikel 42c van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; hierna: Wet IB 1964);

- artikel 10a Regeling IB 1990 (administratief voorschrift voor de aftrek van kosten extra gezinshulp als buitengewone lasten ter zake van ziekte e.d.);

- artikel 14a Regeling IB 1990 (wijziging in verband met het nieuwe artikel 46, zeventiende lid, van de Wet IB 1964);

- artikelen 19 tot en met 21 van de Wet IB 1964 (wijzigingen in verband met het nieuwe één-aanslagcriterium in artikel 64 van de Wet IB 1964);

- artikel 5a Regeling LB 1990 (administratief voorschrift ter zake van vaste kostenvergoedingen);

- artikel 8 Regeling LB 1990 (wijzigingen met betrekking tot het reiskostenvergoedingenforfait);

-artikel 10 Regeling LB 1990 (laten vervallen waarderingsregel voor vakantiebonnen);

- artikel 11, vierde lid, Regeling LB 1990 (opname bijzondere regeling therapeutisch mee-eten);

- artikel 14 Regeling LB 1990 (aanpassing in verband met het laten vervallen van de aanslaggrens in artikel 64 van de Wet IB 1964 en opname van het ’fietsbesluit’);

- artikel 16 Regeling LB 1990 (opname van de bijzondere regeling voor aan werknemers verstrekte producten uit het bedrijf van de inhoudingsplichtige);

- artikel 16a Regeling LB 1990 (opname van de bijzondere regeling betreffende het op nihil waarderen van de verstrekking van gratis dagbladabonnementen);

- artikel 16b Regeling LB 1990 (het op nihil waarderen van verstrekte of ter beschikking gestelde werkkleding);

- artikel 17 Regeling LB 1990 (wijzigingen met betrekking tot het reiskostenaftrekforfait);

- artikel 18 Regeling LB 1990 (invulling begrip werkkleding voor werknemers);

- artikel 18a Regeling LB 1990 (invulling begrip zakelijke verhuizing voor werknemers);

- artikel 22a Regeling LB 1990 (afschaffing verzoekprocedure);

- artikel 26 Regeling LB 1990 (aanpassing administratief voorschrift in verband met de verstrekking en terbeschikkingstelling van computers en bijbehorende apparatuur en afschaffing verzoekprocedure);

- artikel 27 Regeling LB 1990 (afschaffen verzoekprocedure);

- artikel 33 Regeling LB 1990 (wijziging houdt verband met het vervallen van de loonbelasting voor genieters van stakingsuitkeringen);

- hoofdstuk VA Regeling LB 1990 (opname enkele eindheffingsbepalingen);

- artikel 45 Regeling LB 1990 (overgangsregeling vakantiebonnen).

In de onderhavige regeling zijn een aantal wijzigingen opgenomen die voortvloeien uit de Wet van 13 december 1996 tot herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting (Stb. 652). Het betreft de volgende wijzigingen:

- artikel 3b Regeling IB 1990 (toepassing soortbenadering op aandelen die zijn verkregen in het kader van een premiespaarregeling of spaarloonregeling);

- artikel 3c Regeling IB 1990 (behandeling renten op leningen aangegaan ter financiering van bedrijfsovernames);

- artikel 3d Regeling IB 1990 (vaststelling verkrijgingsprijs van een aanmerkelijk belang bij remigratie);

- artikel 3e Regeling IB 1990 (behandeling aandelenruil in het kader van bedrijfsopvolging);

- hoofdstuk IA van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (regeling met betrekking tot uitstel van betaling, gespreide betaling en kwijtschelding bij winst uit aanmerkelijk belang);

- het vervallen van de Beschikking bijzondere beleggingsinstellingen.

In artikel III van deze regeling zijn wijzigingen opgenomen van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering. Een aantal onderdelen bevat taalkundige verbeteringen. Verder zijn de volgende wijzigingen opgenomen:

- de artikelen 11a, 12 en 12a Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (vermindering onderwijs in verband met het van toepassing worden van de vermindering onderwijs voor de zogenoemde duale leerwegen in het HBO);

- artikel 14a Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (vermindering kinderopvang);

- de artikelen 18 en 21 Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (vermindering zeevaart met het oog op de te verstrekken gegevens alsmede de toepassing ten aanzien van ingevlagde schepen);

- artikel 22a Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (voorwaarden voor de S&O-inhoudingsplichtige binnen een fiscale eenheid die eerder na een daartoe gedaan verzoek bij beschikking gesteld werden).

De in artikel IV opgenomen wijzigingen van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen zijn van technische aard.

De in artikel V opgenomen wijzigingen van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 hebben betrekking op een uitbreiding van de mogelijkheden tot het doen van elektronische aangifte. Naast het gebruik van de aangiftediskette is het voortaan ook mogelijk aangifte te doen door middel van door derden verstrekte programmatuur indien deze door de Belastingdienst voor dat doel is goedgekeurd. Voorts is voorzien in de mogelijkheid dat de aangifteprogrammatuur niet op een fysieke gegevensdrager wordt verstrekt, maar door de belastingplichtige rechtstreeks, bijvoorbeeld via Internet elektronisch wordt opgenomen.

Hierna worden de wijzigingen voor zover nodig nader toegelicht.

Artikel I, onderdeel B (artikelen 3, 3a, 3b, 3c, 3d en 3e van de Regeling IB 1990)

Artikel 3 Het oude artikel 3 van de Regeling IB 1990 is vervallen omdat het bedrag van de kosten die verband houden met het vervoer per auto (bevroren op f 0,60 per kilometer) in het kader van de Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997 is opgenomen in artikel 8b, tweede lid, onderdeel b, en artikel 36, tweede lid, onderdeel c, van de Wet IB 1964.

In het nieuwe artikel 3, dat uitvoering geeft aan de in artikel 8b, derde lid (nieuw), van de Wet IB 1964 opgenomen delegatiebepaling, is nader aangeduid wat ten aanzien van degenen die winst uit onderneming genieten onder werkkleding wordt verstaan voor zover het gaat om kleding die niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om bij het behalen van de winst te dragen. Dit houdt in dat andere kleding dan die in de twee omschreven categorieën valt, nooit werkkleding kan zijn. Zo valt bijvoorbeeld kleding die ook buiten de werksfeer draagbaar is en niet is voorzien van een adequaat, zichtbaar beeldmerk, niet onder het begrip werkkleding.

Artikel 3a In het nieuwe artikel 3a dat uitvoering geeft aan artikel 8b, zevende lid (nieuw), van de Wet IB 1964 is nader aangeduid wanneer ten aanzien van ondernemers in ieder geval sprake is van een verhuizing op zakelijke gronden. De formulering ’in ieder geval’ houdt in dat de belastingplichtige ook in andere gevallen aannemelijk kan maken dat de verhuizing op zakelijke gronden geschiedt.

De artikelen 3b tot en met 3e geven uitvoering aan delegatiebevoegdheden die zijn geïntroduceerd bij de Wet van 13 december 1996 tot herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting welke op 1 januari 1997 in werking treedt.

Artikel 3b Het nieuwe artikel 3b heeft betrekking op situaties waarin een belastingplichtige uitsluitend aandelen in een vennootschap houdt die bij hem deel uitmaken of deel hebben uitgemaakt van een premiespaar- of spaarloonregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964). Ingevolge dit artikel worden deze aandelen ten aanzien van die belastingplichtige niet als een afzonderlijke soort aangemerkt. Voor andere aandeelhouders kunnen deze aandelen wel als een aparte soort worden aangemerkt.

Artikel 3c De in het nieuwe artikel 3c opgenomen regeling geeft uitvoering aan de in artikel 20b, derde lid, van de wet opgenomen delegatiebevoegdheid. Volgens deze bevoegdheid kunnen bij ministeriële regeling voor situaties van bedrijfsovernames regels worden gesteld ingevolge welke op reguliere voordelen uit een aanmerkelijk belang drukkende financieringskosten, geheel of gedeeltelijk niet in aanmerking worden genomen als op reguliere voordelen drukkende aftrekbare kosten, doch als een aftrekpost begrepen onder de persoonlijke verplichtingen.

De regeling van het nieuwe artikel 3c, ingevolge welke renten aftrekbaar zijn naar het tabeltarief in plaats van naar het aanmerkelijk-belangtarief, is bedoeld voor reële bedrijfsovernames. Daarbij gaat het in de eerste plaats om gevallen waarin de belastingplichtige de aandelen van een derde koopt. De hoofdtekst van het eerste lid is daarop toegesneden. Deze tekst biedt (in samenhang met de tweede volzin van het derde lid) mede ruimte voor gevallen waarin sprake is van een bedrijfsovername in het kader van een overbedeling wegens de verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap. Een aanvulling is opgenomen voor het geval dat een belastingplichtige zich moet ’inkopen’ in een bestaande vennootschap door het nemen van nieuwe aandelen in die vennootschap. Deze aanvulling geldt alleen als de belastingplichtige door de uitgifte van aandelen een aanmerkelijk-belangpositie verkrijgt. Zij is dus niet van toepassing ingeval een aanmerkelijk-belanghouder er door een emissie aandelen bij krijgt en daarvoor een schuld aangaat.

Omdat de regeling voor reële bedrijfsovernames is bedoeld, geldt zij uitsluitend ingeval de vennootschap onmiddellijk of middellijk een materiële onderneming drijft. Daartoe wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 6 van de Wet IB 1964. In geval van omzetting van de rechtsvorm van een door een natuurlijk persoon gedreven onderneming in die van een BV, geldt de regeling derhalve ook niet nu in zo’n situatie geen sprake is van een reële bedrijfsovername.

Verder moet worden voorkomen dat de regeling zou kunnen worden gebruikt voor de financiering van soort-aandelen die uitsluitend delen in de resultaten van bepaalde beleggingen van de vennootschap. Daarom is aan het slot van de eerste volzin van het eerste lid opgenomen dat de regeling slechts geldt indien de aandelen of winstbewijzen volwaardig delen in de resultaten van de materiële onderneming.

De regeling is niet langer van toepassing op het moment dat de materiële onderneming van de vennootschap wordt gestaakt. Dan wordt er niet meer voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarde dat de vennootschap een onderneming drijft in de zin van artikel 6 van de Wet IB 1964. De op de periode daarna betrekking hebbende renten zijn niet meer aftrekbaar naar het tabeltarief.

Het tweede lid bepaalt dat de regeling slechts van toepassing is indien en voor zolang de bezittingen van de vennootschap waarop het aanmerkelijk belang betrekking heeft niet in belangrijke mate onmiddellijk of middellijk bestaan uit beleggingen. Voorts is de regeling slechts van toepassing voor zover de aankoop niet kan worden gefinancierd uit middelen die voor directe belegging beschikbaar zijn. De regeling is niet noodzakelijk ingeval de vennootschap of de aanmerkelijk-belanghouder op het tijdstip van aankoop over overtollige middelen beschikt of de vennootschap deze middelen later verkrijgt.

Het derde lid bepaalt dat de regeling niet van toepassing is indien de belastingplichtige de aandelen of winstbewijzen heeft gekocht van zijn echtgenoot of van een lichaam waarin hij of zijn echtgenoot voor ten minste een derde gedeelte belang heeft. Hiermee is beoogd veilig te stellen dat de regeling alleen geldt bij reële bedrijfsovernemingen. Met name dient te worden voorkomen dat een belastingplichtige door middel van een verschuiving van door hem of zijn echtgenoot beheerste vennootschappen de mogelijkheid zou krijgen van rente-aftrek tegen het tabeltarief.

Voor de toepassing van het derde lid wordt de partner van de belastingplichtige volgens het vierde lid met echtgenoot gelijkgesteld.

Artikel 3d In het nieuwe artikel 3d is de op artikel 20c, achttiende lid, van de wet gebaseerde ministeriële regeling opgenomen. De ministeriële regeling leidt voor binnenlandse belastingplichtigen tot eenzelfde resultaat als artikel 49, vierde lid, eerste volzin, van de wet voor buitenlandse belastingplichtigen.

Bij terugkeer naar Nederland door de aanmerkelijk-belanghouder binnen 10 jaar na emigratie wordt de aanslag die bij emigratie is opgelegd, verminderd (artikel 3d, eerste lid, eerste volzin). Deze vermindering ziet op dat gedeelte van de bij emigratie opgelegde aanslag waarvoor op grond van artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 uitstel van betaling is verleend. De hoogte van de vermindering is beperkt tot het gedeelte van de aanslag waarvoor op het moment van terugkeer naar Nederland nog uitstel van betaling loopt. Over deze vermindering wordt geen heffingsrente vergoed, aangezien ook geen invorderingsrente verschuldigd is over het bedrag waarvoor uitstel van betaling is verleend (eerste lid, tweede volzin). De verkrijgingsprijs van de tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen worden gesteld op de oorspronkelijke verkrijgingsprijs van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen, vermeerderd met het bedrag aan kosten voor het stellen van zekerheid, die vereist was voor het uitstel van betaling (eerste lid, derde volzin).

Voorbeeld

In jaar 1 emigreert een aanmerkelijk-belanghouder met een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap naar een niet-verdragsland. De verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang bedraagt f 1000. De waarde in het economische verkeer ten tijde van de emigratie bedraagt f 5000. De bij emigratie in aanmerking genomen vervreemdingsvoordelen bedragen alsdan f 4000 en de verschuldigde belasting bedraagt derhalve f 1000. Over de f 1000 aan verschuldigde belasting is heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van f a. Na emigratie wordt de verkrijgingsprijs vastgesteld op f 5000.

Voor de f 1000 aan verschuldigde belasting en de in rekening gebrachte heffingsrente wordt uitstel van betaling verleend. Aan kosten voor het stellen van zekerheid, betaalt de aanmerkelijk-belanghouder in het eerst jaar f b. In het begin van jaar 2 ontvangt de aanmerkelijk-belanghouder reguliere voordelen tot een bedrag van f 400. De in Nederland ingehouden dividendbelasting bedraagt f 100. Van het bedrag waarvoor uitstel van betaling is verleend wordt f 100 kwijtgescholden (zie artikel 4 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990), zodat een bedrag resteert van f 900 vermeerderd met f a. Als kosten voor het stellen van zekerheid is de aanmerkelijk-belanghouder vanaf nu jaarlijks f c. verschuldigd.

Aan het einde van jaar 5 vervreemdt de aanmerkelijk-belanghouder de helft van zijn aanmerkelijk belang voor f 5000. Hij realiseert hierbij uitgaande van de verkrijgingsprijs na emigratie een vervreemdingsvoordeel van f 2500 dat op grond van artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van de wet belast is. Tevens wordt het verleende uitstel beëindigd voor dat gedeelte van het aanmerkelijk belang dat vervreemd is, in dit geval voor de helft. Belanghebbende dient op de aanslag ter zake waarvan uitstel van betaling is verleend een bedrag te voldoen ter grootte van de helft van de som van f 900 en f a, ofwel f 450 + 1/2a. Overigens blijft het uitstel van betaling van toepassing op het gedeelte van het aanmerkelijk belang dat nog tot het vermogen van de aanmerkelijk-belanghouder behoort. Aan kosten van zekerheidstelling betaalt de hij in het vervolg jaarlijks f d.

Indien de aanmerkelijk-belanghouder na zes jaar na emigratie zich opnieuw in Nederland vestigt wordt de aanslag verminderd met het bedrag aan belasting en waarvoor nog uitstel van betaling loopt, f 450 + 1/2a. De verkrijgingsprijs wordt voor het vervolg gesteld op de oorspronkelijke verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang, zijnde de helft van f 1000 is f 500, vermeerderd met de kosten van zekerheidstelling die verband houden met het aanmerkelijk belang dat op het moment van vestiging in Nederland nog aanwezig is. Aangezien hij bij terugkeer nog slechts de helft van het oorspronkelijke aanmerkelijk belang bezit, worden de kosten voor het stellen van zekerheid voorafgaand aan de vervreemding van de helft van het aanmerkelijk belang ook slechts voor de helft meegeteld. De verkrijgingsprijs wordt dientengevolge gesteld op f 500 vermeerderd met 50% van b (kosten jaar 1), vier maal 50% van c (kosten jaren 2, 3, 4 en 5) en een maal d (kosten jaar 6).

De verkrijgingsprijs wordt op dezelfde wijze bepaald in geval van terugkeer van de aanmerkelijk-belanghouder naar Nederland na tien jaar na emigratie (tweede lid). Als hoofdregel bij terugkeer naar Nederland na tien jaar na emigratie geldt dat de verkrijgingsprijs van de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen die een aanmerkelijk belang vormen, op grond van artikel 20c, zevende lid, van de wet wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer ten tijde van de hernieuwde vestiging in Nederland. De derde volzin van het eerste lid van artikel 3d is dan ook uitsluitend van toepassing indien de hoofdregel van artikel 20c, zevende lid, geen toepassing heeft gevonden. Een dergelijke situatie doet zich voor indien sprake is van een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en bij vertrek uit het andere land door dat andere land ter zake van dat vertrek geen voordelen uit aanmerkelijk belang in aanmerking zijn genomen.

Het derde lid van artikel 3d bevat een bepaling die analoog is aan die in het eerste lid, maar die ziet op belastingaanslagen waarbij artikel 49, vierde lid, tweede volzin, van de wet toepassing heeft gevonden en waarvoor uitstel van betaling is verleend op grond van artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990.

Het vierde lid van artikel 3d is analoog aan het tweede lid en ziet op situaties waarin artikel 49, vierde lid, tweede volzin, toepassing heeft gevonden en de terugkeer van de aanmerkelijk-belanghouder naar Nederland plaatsvindt na tien jaar na emigratie.

Het vijfde lid van artikel 3d bevat tenslotte een bepaling inzake de hoogte van de verkrijgingsprijs indien artikel 20a, zesde lid, onderdeel i, of artikel 49, vierde lid, tweede volzin, toepassing heeft gevonden en geen uitstel van betaling is genoten. De verkrijgingsprijs wordt in gevallen waarin artikel 20c, zevende lid, buiten toepassing blijft, bepaald op de oorspronkelijke verkrijgingsprijs verhoogd met een bedrag ter grootte van vier maal het bedrag van de op grond van artikel 20a, zesde lid, onderdeel i, dan wel artikel 49, vierde lid, tweede volzin, betaalde belasting. Dit betekent dat de oorspronkelijk verkrijgingsprijs wordt verhoogd met het bedrag van de vervreemdingsvoordelen ter zake waarvan de bij emigratie dan wel verplaatsing van de werkelijke leiding van de vennootschap verschuldigde belasting reeds is voldaan.

Artikel 3e De in het nieuwe artikel 3e opgenomen regeling geeft uitvoering aan de in artikel 20g van de Wet IB 1964 opgenomen delegatiebevoegdheid. Het gaat hierbij om de gefacilieerde aandelenruil in het kader van een bedrijfsopvolging.

Onder het oude aanmerkelijk-belangregime was deze faciliteit op grond van de delegatiebevoegdheid van artikel 40a van de wet uitgewerkt in artikel 8b van de Regeling IB 1990. Deze bepaling vervalt met ingang van 1 januari 1997. Artikel 3e wijkt op enkele onderdelen af van de oude regeling van artikel 8b. Voor een korte uiteenzetting wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de wet herziening van het regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting (Kamerstukken II 1995/96, 24 761, nr. 3, blz. 71).

Artikel I, onderdeel C (artikel 4 van de Regeling IB 1990)

De in artikel 4, eerste lid, van de Regeling IB 1990 opgenomen vergoedingenbedragen zijn in het kader van de Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997 (artikel 23, vierde lid, Wet IB 1964) voor het jaar 1997 bevroren. Gelet op de omstandigheid dat in het kader van die wet is vastgelegd dat de belastingvrije vergoeding ter zake van openbaar vervoer in de nieuwe opzet plaatsvindt op basis van de werkelijke kosten van openbaar vervoer (artikel 23, derde lid, Wet IB 1964), is het in artikel 4, tweede lid (oud) opgenomen vergoedingenforfait voor openbaar vervoer vervallen (onderdeel C.1). In verband met het laten vervallen van dit openbaar-vervoerforfait kunnen artikel 4, derde en vierde lid, eveneens vervallen (onderdeel C.1).

De in onderdeel C.2 opgenomen wijziging van het in tweede lid vernummerde vijfde lid van artikel 4 houdt eveneens verband met het laten vervallen van het openbaar-vervoerforfait.

Met de in onderdeel C.3. opgenomen wijziging van het in derde lid vernummerde zesde lid van artikel 4, dat uitvoering geeft aan de in artikel 23, derde lid (nieuw), van de Wet IB 1964 opgenomen delegatiebepaling wordt bewerkstelligd dat ten aanzien van belastingplichtigen die geheel of gedeeltelijk met het openbaar vervoer reizen en die voldoen aan de in dat lid gestelde administratieve voorwaarden, de bepaling van de belastingvrije vergoedingen ter zake van openbaar vervoer mag plaatsvinden op basis van de werkelijke kosten van openbaar vervoer, indien dit tot een hoger bedrag leidt dan de in het eerste lid opgenomen forfaitaire bedragen. In situaties waarin het woon-werkverkeer gedeeltelijk per openbaar vervoer en gedeeltelijk op andere wijze wordt afgelegd, bestaat derhalve de keuzemogelijkheid van toepassing van de in het eerste lid opgenomen forfaitair bepaalde vergoedingenbedragen, dan wel toepassing van de mogelijkheid tot het belastingvrij vergoeden van de werkelijke kosten van de per openbaar vervoer afgelegde afstand.

Artikel I, onderdeel D (artikel 4a van de Regeling IB 1990)

In artikel 4a wordt uitvoering gegeven aan artikel 25a, vijfde lid, eerste en tweede volzin, van de Wet IB 1964. In artikel 25a is het forfaitair-rendementspercentage opgenomen van niet op zaken gevestigde rechten ter zake waarvan een ander dan de belastingplichtige uiterlijk tot een vast tijdstip anders dan krachtens wettelijk vruchtgenot is gerechtigd tot voordelen uit die rechten. De hoogte van het forfaitair-rendementspercentage wordt bepaald door het marktrendement van staatsleningen met een gemiddeld resterende looptijd van ten minste vijf jaren en ten hoogste acht jaren. Gelet op het gedaalde marktrendement op vorengenoemde staatsleningen in 1996, dient het percentage op rechten die op of na 1 januari 1997 worden verkregen, conform de berekeningssystematiek van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 1964, voor het jaar 1997 te worden verlaagd van 4,8 naar 4,2. Met betrekking tot rechten die voor 1 januari 1997 zijn verkregen, blijven de oude percentages van kracht.

Artikel I, onderdeel E (artikel 6 van de Regeling IB 1990)

De wijzigingen van artikel 6, onderdeel b, Regeling IB 1990 houden verband met de inwerkingtreding van de Wet tegemoetkoming studiekosten.

Artikel I, onderdeel F (artikel 7a en artikel 7b van de Regeling IB 1990)

In het nieuwe artikel 7a van de Regeling IB 1990 dat uitvoering geeft aan de in artikel 36, twaalfde lid (nieuw), van de Wet IB 1964 opgenomen delegatiebepaling, is nader aangeduid wat ten aanzien van degenen die inkomsten uit arbeid genieten onder het begrip werkkleding wordt verstaan. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op artikel I, onderdeel B.

In het nieuwe artikel 7b dat uitvoering geeft aan artikel 36, dertiende lid (nieuw), van de Wet IB 1964 is nader aangeduid wanneer ten aanzien van degenen die inkomsten uit arbeid genieten in ieder geval sprake is van een verhuizing op zakelijke gronden. Zie ook de toelichting op artikel I, onderdeel B.

Artikel I, onderdeel G (artikel 8 van de Regeling IB 1990)

De wijzigingen van artikel 8 van de Regeling IB 1990 hebben betrekking op het reiskostenaftrekforfait. De in het eerste lid opgenomen bedragen die betrekking hebben op de situatie dat niet met het openbaar vervoer wordt gereisd, zijn in het kader van de Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997 (artikel 36, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet IB 1964) bevroren.

De in het tweede lid opgenomen aftrekbedragen die betrekking hebben op de situatie dat geheel of gedeeltelijk met het openbaar vervoer wordt gereisd zijn vastgesteld overeenkomstig de wijze zoals is opgenomen in artikel 36, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, en elfde lid, van de Wet IB 1964. Voor deze vaststelling geldt als peildatum 1 januari van het kalenderjaar mits de relevante openbaar-vervoertarieven van die datum op 15 november van het voorafgaande kalenderjaar vaststaan. Voor zover deze tarieven niet op 15 november van het voorafgaande kalenderjaar vaststaan, worden de tarieven onderscheidenlijk de prijs die naar het inzicht van de Minister van Financiën op die datum vermoedelijk op 1 januari zullen gelden tot uitgangspunt genomen (artikel 36, elfde lid, van de Wet IB 1964).

Met de in onderdeel G.1 opgenomen wijziging van de aanhef van het tweede lid wordt overeenkomstig artikel 36, zesde lid, van de Wet IB 1964, onderscheid gemaakt tussen reisafstanden tot en met 30 km en boven 30 km. Om voor de toepassing van het openbaar-vervoeraftrekforfait in aanmerking te komen geldt voor de gevallen waarin de reisafstand meer beloopt dan 30 km als voorwaarde, dat de reizen dienen plaats te vinden op basis van een openbaar-vervoerverklaring. Gelet op de geringe verschillen tussen de bedragen van het algemene aftrekforfait en het openbaar-vervoeraftrekforfait kunnen belastingplichtigen voor de afstanden tot en met 30 km op andere wijze aannemelijk maken dat per openbaar vervoer wordt gereisd om voor toepassing van het openbaar-vervoerforfait in aanmerking te komen.

Artikel 1, onderdeel H (artikel 8b van de Regeling IB 1990)

Voor een toelichting op het vervallen van artikel 8b van de Regeling IB 1990 wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3e hiervoor. Artikel 8b zoals dat luidde op 31 december 1996 blijft overigens van toepassing met betrekking tot aandelenruilen die voor 1 januari 1997 hebben plaatsgevonden. In artikel IX van deze regeling is daartoe een overgangsbepaling opgenomen. Voor de vernummering en verplaatsing van artikel 14b (oud) van de Regeling IB 1990 (artikel 8b nieuw) zij verwezen naar de toelichting op artikel 8b hierna.

Artikel I, onderdelen I, J, K, L en M (artikelen 8b, 8c, 8d en 8e (nieuw) van de Regeling IB 1990)

De in de onderdelen I, J, K, L en M opgenomen wijzigingen houden verband met de in het kader van de Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997 gerealiseerde vernummering in de Wet IB 1964 van artikel 47a (oud) in artikel 42b (nieuw) en artikel 47b (oud) in artikel 42c (nieuw), en de verplaatsing van deze artikelen, waarbij om louter wetssystematische redenen het vierde en het vijfde lid van artikel 47a (oud) in het nieuwe artikel 42a zijn omgewisseld.

Artikel I, onderdeel N (artikel 9 van de Regeling IB 1990)

De wijziging van artikel 9 van de Regeling IB 1990 houdt verband met de inwerkingtreding van de Wet tegemoetkoming studiekosten.

Artikel I, onderdeel O (artikel 10a van de Regeling IB 1990)

In het nieuwe artikel 10a dat uitvoering geeft aan artikel 46, derde lid, onderdeel b, van de Wet IB 1964 is aangegeven welke administratieve voorwaarden in acht moeten worden genomen voor aftrek van extra gezinshulp als buitengewone lasten ter zake van ziekte, invaliditeit en dergelijke.

Artikel I, onderdeel Q (artikel 13 van de Regeling IB 1990)

Deze wijziging betreft een technische aanpassing, verband houdend met de Wet van 7 juli 1994, Stb. 570.

Artikel I, onderdelen R en S (artikel 14 van de Regeling IB 1990)

Het vervallen van artikel 14 van de Regeling IB 1990 houdt verband met de in artikel 46, zeventiende lid (nieuw), van de Wet IB 1964 opgenomen delegatiebepaling. Zie voor de gewijzigde opzet van het op grond van genoemde nieuwe delegatiebepaling vast te stellen bedrag per kilometer de toelichting op artikel 14a (nieuw) hierna.

Voorts wordt artikel 14a (oud) van de Regeling IB 1990 vernummerd in artikel 14. In het zesde lid van dit artikel zijn de administratieve voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om voor toepassing van de regeling in aanmerking te kunnen komen. Ingevolge de in onderdeel S.3 opgenomen wijziging kan op de factuur, waaruit de uitgaven ter zake van kinderopvang blijken, in plaats van het aantal uren waarvoor per kind kinderopvang pleegt te worden genoten worden vermeld de dagen waarop gedurende meer dan vijf uur onderscheidenlijk vijf uur of minder.

Artikel I, onderdeel T (artikel 14a (nieuw) van de Regeling IB 1990)

Het nieuwe artikel 14a van de Regeling IB 1990 houdt verband met de in artikel 46, zeventiende lid (nieuw), van de Wet IB 1964 opgenomen delegatiebepaling. Aangezien het op basis van deze delegatiebepaling vast te stellen bedrag per kilometer in de gewijzigde opzet op meerdere regelingen van toepassing is (onder meer binnenlandse reizen ter zake van opleiding of studie voor een beroep en giften die bestaan uit het vrijwillig afzien van een vergoeding voor autokosten anders dan per taxi), wordt in de gewijzigde opzet van artikel 14a naar artikel 46, zeventiende lid, van de Wet IB 1964 verwezen. Het normbedrag per kilometer blijft per 1 januari 1997 gehandhaafd op f 0,33.

Artikel I, onderdeel U (artikel 19 van de Regeling IB 1990)

Indien het inkomen geheel of gedeeltelijk bestaat uit uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet is het, als gevolg van de aangepaste opzet van de loonbelastingtabellen voor bijstandsuitkeringen, mogelijk dat niet precies het juiste bedrag aan loonbelasting en premie volksverzekeringen is ingehouden in vergelijking tot de situatie waarin een zelfde bedrag aan loon zou zijn uitgekeerd. Het is, evenals dat onder het regime tot en met 1996 het geval was, niet de bedoeling dat een belastingplichtige enkel om die reden in aanmerking komt voor een aanslag inkomstenbelasting. Het nieuwe artikel 19 voorziet daarin.

Artikel I, onderdeel V (artikel 20 van de Regeling IB 1990)

De wijziging van artikel 20 is van technische aard en houdt verband met de in het kader van de Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997 aangebrachte wijzigingen van 64 van de Wet IB 1964.

Artikel I, onderdeel W (artikel 21 van de Regeling IB 1990)

Artikel 21 van de Regeling IB 1990 kan vervallen, omdat in het kader van de Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997 artikel 64, tweede lid, onderdeel c, van de Wet IB 1964 is vervallen.

Artikel II, onderdeel A (artikel 5a van de Regeling LB 1990)

In het nieuwe artikel 5a van de Regeling LB 1990 is uitvoering gegeven aan de in het kader van de Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997 in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, onder 3° (nieuw), van de Wet LB 1964 opgenomen delegatiebepaling ter zake van het niet tot het loon rekenen van kosten van vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten tot verwerving van het loon. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan een wens uit de praktijk om te komen tot een eenvoudiger regeling die minder administratieve rompslomp met zich brengt en die tot minder procedures aanleiding geeft. Met het opnemen van de voorwaarde dat de kostenvergoedingen naar aard (kostensoort) en veronderstelde omvang moeten zijn gespecificeerd wordt beoogd tegemoet te komen aan mogelijke praktijkproblemen als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 1996, BNB 1996/180, inzake de toerekening van een vaste kostenvergoeding. Het ligt in de rede dat bij de specificatie naar kostensoorten wordt aangesloten bij de gemengde-kosten-categorieën van artikel 15 van de Wet LB 1964.

Voorts is als voorwaarde opgenomen dat, indien de inspecteur dat verzoekt, aan een vaste kostenvergoeding een steekproefsgewijs onderzoek ten grondslag ligt van de concrete uitgaven die werknemers gedurende enige tijd hebben gemaakt. Op verzoek van de inspecteur kan dit onderzoek regelmatig, bijvoorbeeld eens per vijf jaar, worden herhaald.

Artikel II, onderdeel B (artikel 6 van de Regeling LB 1990)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 6, vijfde lid, van de regeling LB 1990 (administratieve voorwaarden vergoedingen kinderopvang) stemt overeen met de in artikel I, onderdeel S.3, opgenomen wijziging van artikel 14, zesde lid (nieuw), van de Regeling IB 1990.

Artikel II, onderdeel C (artikel 8 van de Regeling LB 1990)

De in dit onderdeel opgenomen wijzigingen van artikel 8 van de Regeling LB 1990 (reiskostenvergoedingenforfait) stemmen overeen met de in artikel I, onderdeel C, opgenomen wijzigingen van artikel 4 van de Regeling IB 1990. Voor een toelichting zij verwezen naar de toelichting op artikel I, onderdeel C.

Artikel II, onderdeel D (artikel 10 van de Regeling LB 1990)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 10, tweede lid, van de Regeling LB 1990 strekt ertoe, overeenkomstig hetgeen is aangekondigd tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997, de in onderdeel c (oud) opgenomen waarderingsregel voor vakantiebonnen te laten vervallen. In artikel 45 (nieuw) van de Regeling LB 1990 is een overgangsregeling getroffen voor de op 31 december 1996 bestaande publiekrechtelijke regelingen of collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in vakantiebonnen c.a.

Artikel II, onderdeel E (artikel 11 van de Regeling LB 1990)

In artikel 11, eerste, zevende en negende lid, van de Regeling LB 1990 zijn waarderingsvoorschriften opgenomen voor onderscheidenlijk kost en inwoning en maaltijden, voor waarde van bewassing, energie en water en voor de kleding van een de onderneming van de ouder meewerkend kind. De in de onderdelen E.1, E.4 en E.8 opgenomen wijzigingen strekken ertoe de desbetreffende waarderingsvoorschriften niet meer te laten afhangen van de ziekenfondsloongrens, aangezien deze aansluiting naar maatschappelijke opvattingen relevantie heeft verloren.

Met het in onderdeel E.2 opgenomen nieuwe vierde lid wordt uitvoering gegeven aan artikel 13, tweede lid, van de Wet LB 1964. Deze bepaling bevat de bijzondere regeling voor het zogenoemde therapeutisch mee-eten die tot 1 januari 1997 in het Besluit van 14 mei 1986, nr. 286-7275, na wijziging van 19 augustus 1988, nr. DB88/3351, BNB 1988/315 was opgenomen. Het op nihil waarderen van het therapeutische mee-eten door werknemers, werkzaam in de geestelijke en of lichamelijke gezondheids- of welzijnszorg behelst een bestendiging van het bestaande beleid.

Artikel II, onderdeel F (artikel 13 van de Regeling LB 1990)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 13, tweede lid, van de regeling LB 1990 (administratieve voorwaarden voor in natura verstrekte kinderopvang) stemt overeen met de in artikel I, onderdeel S.3 opgenomen wijziging van artikel 14, zesde lid (nieuw), van de Regeling IB 1990.

Artikel II, onderdeel G (artikel 14 van de Regeling LB 1990)

De in onderdeel G.1 opgenomen wijziging van artikel 14, tweede lid, van de Regeling LB 1990 houdt verband met het in het kader van de Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997 laten vervallen van de zogenaamde aanslaggrens in artikel 64 van de Wet IB 1964.

Met de in onderdeel G.2 opgenomen wijzigingen wordt uitvoering gegeven aan artikel 13, tweede lid, van de Wet LB 1964. In het nieuwe derde lid en vierde lid wordt de in het Besluit van 27 november 1995, nr. DB95/3614, BNB 1996/80 vervatte regeling met betrekking tot door de inhoudingsplichtige verstrekte of ter beschikking gestelde fietsen voortgezet. Met de opname van deze regeling in de Regeling LB 1990 wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd. Dit betekent dat de waardering van de in eigendom aan de werknemer verstrekte fiets gehandhaafd blijft op f 150. Een ter beschikking stelling van een fiets, waarbij de fiets eigendom van de inhoudingsplichtige blijft, wordt als vervoer vanwege de inhoudingsplichtige op nihil gewaardeerd. De privé-besparing van een dergelijke terbeschikkingstelling is zodanig gering dat deze buiten beschouwing wordt gelaten. Beide faciliteiten, dat wil zeggen de verstrekking en de terbeschikking stelling van de fiets, kunnen binnen een periode van drie jaar (36 maanden) niet cumuleren. Dat de fiets voor het woon-werkverkeer is verstrekt, respectievelijk ter beschikking is gesteld moet door de inhoudingsplichtige aannemelijk kunnen worden gemaakt. Direct met de fiets samenhangende zaken, zoals bijvoorbeeld een regenpak, een extra slot en onderhoudsbeurten tot een bedrag van f 550 per drie kalenderjaren, alsmede een daarmee samenhangende fietsverzekering, kunnen onbelast worden verstrekt.

Artikel II, onderdeel H (artikelen 16, 16a en 16b van de Regeling LB 1990)

Artikel 16 Het nieuwe artikel 16 van de Regeling LB 1990, dat uitvoering geeft aan de in artikel 13, tweede lid, van de Wet LB 1964 opgenomen delegatiebepaling, bevat de tot 1 januari 1997 in het Besluit van 14 mei 1986, nr. 286-7275, na wijziging van 19 augustus 1988, nr. DB88/3351, BNB 1988/315, opgenomen bijzondere regeling voor aan werknemers verstrekte producten uit het bedrijf van de inhoudingsplichtige. Met de opneming van deze regeling in de Regeling LB 1990 wordt, afgezien van een verruiming van de regeling tot producten uit het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap, geen wijziging ten opzichte van de in genoemd Besluit vervatte regeling bewerkstelligd. Deze regeling beoogt derhalve een tegemoetkoming te bieden voor situaties waarin toepassing van de in artikel 13 van de wet opgenomen waarderingsregels tot een hogere waardering zou leiden dan de integrale kostprijs van het product. De in aanmerking te nemen waarde van de verstrekking kan worden verminderd met het bedrag dat de werknemer ter zake in rekening wordt gebracht, met dien verstande dat de aldus verminderde waarde tenminste op nihil wordt gesteld. De regeling geldt voor producten van de onderneming (of een daarmee verbonden vennootschap) van de inhoudingsplichtige. Dit betekent dat zij niet geldt ingeval het producten betreft die voor de inhoudingsplichtige (of een daarmee verbonden vennootschap) producten branchevreemd zijn. Dit houdt in dat de regeling niet geldt indien de inhoudingsplichtige (of een daarmee verbonden vennootschap) producten vervaardigt of aanschaft met het oog op de verstrekking daarvan aan werknemers. De bepaling geldt evenzeer ter zake van door de inhoudingsplichtige of een daarmee verbonden vennootschap verleende kortingen.

Artikel 16a In het nieuwe artikel 16a wordt de tot 1 januari 1997 in het Besluit van 14 mei 1986, nr. 286-7275, na wijziging van 19 augustus 1988, nr. DB88/3351, BNB 1988/315, opgenomen bijzondere regeling voortgezet betreffende het op nihil waarderen van de verstrekking van gratis dagbladabonnementen door het dagbladuitgeversbedrijf aan de werknemers in dat bedrijf.

Artikel 16b In het nieuwe artikel 16b wordt de verstrekking of terbeschikkingstelling van werkkleding als bedoeld in artikel 15, zevende lid, van de wet (en derhalve voldoet aan de in artikel 18 van de Regeling LB 1990 opgenomen voorwaarden) op nihil gewaardeerd.

Artikel II, onderdeel I (artikel 17 van de Regeling LB 1990)

De in dit onderdeel opgenomen wijzigingen van artikel 17 van de Regeling LB 1990 (reiskostenaftrekforfait) stemmen overeen met de in artikel I, onderdeel G, opgenomen wijzigingen van artikel 8 van de Regeling IB 1990. Voor een toelichting zij verwezen naar de toelichting op artikel I, onderdeel G.

Artikel II, onderdeel J (artikel 18 en artikel 18a van de Regeling LB 1990)

Artikel 18 Het oude artikel 18 van de Regeling LB 1990 is vervallen omdat het bedrag van de kosten die verband houden met het vervoer per auto (bevroren op f 0,60 per kilometer) in het kader van de Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997 is opgenomen in artikel 15, tweede lid, onderdeel c, van de Wet LB 1964.

In het nieuwe artikel 18 dat uitvoering geeft aan de in artikel 15, zevende lid (nieuw), van de Wet LB 1964 opgenomen delegatiebepaling, is nader aangeduid wat ten aanzien van werknemers onder het begrip werkkleding wordt verstaan. Voor een nadere toelichting zij verwezen naar de toelichting op artikel I, onderdeel B, van de Regeling IB 1990.

Artikel 18a In het nieuwe artikel 18a dat uitvoering geeft aan artikel 15, achtste lid (nieuw), van de Wet LB 1964 is nader aangeduid wanneer ten aanzien van werknemers in ieder geval sprake is van een verhuizing op zakelijke gronden. Zie tevens de toelichting op artikel I, onderdeel B, van de Regeling IB 1990.

Artikel II, onderdeel K (artikel 22a van de Regeling LB 1990)

Overeenkomstig de aanbeveling in het Eindrapport van de commissie Vermindering administratieve verplichtingen bedrijfsleven van 12 oktober 1995 (de commissie van Lunteren) betreffende de afschaffing of vereenvoudiging van verzoekprocedures is de in artikel 22a van de Regeling LB 1990 opgenomen verzoekschriftprocedure afgeschaft.

In verband met de inwerkingtreding van hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten per 1 januari 1997 is de in het eerste lid van artikel 22a van de Regeling LB 1990 geboden faciliteit om ten aanzien van studenten en scholieren een langer loontijdvak, namelijk een kalenderkwartaal, in aanmerking te nemen uitgebreid met studenten en scholieren voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op een tegemoetkoming in de studiekosten ingevolge hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten.

Artikel II, onderdeel L (artikel 26 van de Regeling LB 1990)

Met de in onderdeel L.1 opgenomen wijziging van artikel 26, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling LB 1990 wordt bewerkstelligd dat het in dit lid opgenomen administratievoorschrift ook van toepassing is op de in artikel 11, eerste lid, onderdeel u (nieuw), van de Wet lB 1964 bedoelde verstrekking en terbeschikkingstelling van computers en bijbehorende apparatuur, die door de inhoudingsplichtige niet tot het loon van de werknemer zijn gerekend.

Met de in onderdeel L.2 opgenomen wijziging van artikel 26, derde lid, van de Regeling LB 1990 is, overeenkomstig de aanbeveling in het Eindrapport van de commissie Vermindering administratieve verplichtingen bedrijfsleven van 12 oktober 1995 (de commissie van Lunteren), de daarin opgenomen goedkeuringsprocedure om bepaalde gegevens op een andere plaats te kunnen administreren vervallen. Indien wordt voldaan aan de in het derde lid opgenomen voorwaarden kan de inhoudingsplichtige de desbetreffende gegevens zonder nadere goedkeuring op een andere plaats administreren.

Artikel II, onderdeel M (artikel 27 van de Regeling LB 1990)

De in artikel 27, tweede lid, van de Regeling LB 1990 opgenomen goedkeuringsprocedure is overeenkomstig de aanbeveling ter zake in het Eindrapport van de commissie Vermindering administratieve verplichtingen bedrijfsleven van 12 oktober 1995 (de commissie van Lunteren) vervallen. Deze bepaling, die ziet op handmatig in te vullen loonbelastingkaarten die afwijken van het model, heeft zijn belang verloren.

Artikel II, onderdeel N (artikel 33 van de Regeling LB 1990)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 33, tweede lid, van de Regeling LB 1990 houdt verband met het vervallen van de in artikel 7, eerste lid, onderdeel d, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 opgenomen delegatiemogelijkheid om loonbelastingtabellen vast te stellen voor degenen die uitkeringen ontvangen uit een stakingskas.

Artikel II, onderdeel P (Hoofdstuk VA, artikelen 36 en 36a van de Regeling LB 1990)

In het nieuwe hoofdstuk VA van de Regeling LB 1990 zijn enige bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de in het kader van de Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997 tot stand gekomen eindheffing (nieuwe hoofdstuk V van de Wet LB 1964).

Bij de eindheffing behoeft in het algemeen niet per individuele werknemer te worden vastgesteld wat aan loon is genoten, met name niet indien dit voor de hoogte van de afdracht geen verschil uitmaakt. Overeenkomstig de bestaande praktijk is het aan de inhoudingsplichtige om, indien daarover kan worden getwijfeld, aannemelijk te maken dat een beloning werd genoten door een andere werknemer dan bij voorbeeld de meestverdienende werknemer of een anonieme werknemer.

Artikel 36 In het nieuwe artikel 36, eerste lid, van de Regeling LB 1990, dat uitvoering geeft aan het nieuwe artikel 31, tweede lid, onderdeel d, van de Wet LB 1964 is het loon in natura aangewezen dat als eindheffingsbestanddeel mag worden aangemerkt.

Onderdeel a heeft betrekking op administratieve sancties die aan de werkgever zijn opgelegd ingevolge de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (de zgn. Wet Mulder) en door hem zijn betaald ter zake van gedragingen van de werknemer. Hierbij is met name te denken aan de situatie dat een werknemer met een auto van de werkgever een verkeersovertreding begaat en de boete wordt opgelegd aan de inhoudingsplichtige. Indien de inhoudingsplichtige deze boete betaalt en niet op de werknemer verhaalt is sprake van loon (vgl. Hof Leeuwarden 20 maart 1996, nr. 32 995, Infobulletin 96/449).

Met betrekking tot de in de onderdelen b en c opgenomen eindheffingsbepalingen zij duidelijkheidshalve opgemerkt dat deze onverlet laten de in artikel 11 van de Wet LB 1964 opgenomen vrijstellingen terzake (artikel 11, eerste lid, onderdelen r en s van de Wet LB 1964).

Met de in onderdeel d opgenomen eindheffingsbepaling wordt een handvat geboden aan de inhoudingsplichtige om de in eigen beheer gehouden aanspraken ingevolge een ziektekostenregeling die niet geheel of voor een deel worden gedekt door een eigen bijdrage van de werknemer, in de eindheffing te betrekken.

In het tweede lid, dat uitvoering geeft aan artikel 31, derde lid, onderdeel a, onder 4o, van de Wet LB 1964, is bepaald dat met betrekking tot de in het eerste lid aangewezen eindheffingsbestanddelen het bedrag van de verschuldigde belasting wordt bepaald aan de hand van het (gebruteerde) tabeltarief.

Artikel 36a Het nieuwe artikel 36a van de Regeling LB 1990 dat uitvoering geeft aan het nieuwe artikel 31, tweede lid, onderdeel e, van de Wet LB 1964 bevat de loonbestanddelen met een bestemmingskarakter die als eindheffingsbestanddeel mogen worden aangemerkt.

Met betrekking tot het in onderdeel a opgenomen eindheffingsbestanddeel zij opgemerkt dat de vergoeding van de aan- en verkoopkosten van de woning in voorkomende gevallen zowel betrekking kan hebben op de oude als de nieuwe woning.

De in onderdeel b opgenomen overeenkomstige verstrekkingen zien bijvoorbeeld op door de werkgever verstrekte parkeerkaarten.

Onderdeel c ziet met name op de situatie dat bij de toepassing van de nieuwe ’40-dagenregeling’ als bedoeld in artikel 11, twaalfde lid, van de Wet LB 1964 achteraf is gebleken dat de vergoedingen tot het loon moeten worden gerekend.

Met betrekking tot de in onderdeel d opgenomen eindheffingsbepaling zij duidelijkheidshalve opgemerkt dat deze onverlet laat de in artikel 11, eerste lid, onderdeel k, van de Wet LB 1964 opgenomen vrijstellingen terzake.

Ingevolge artikel 31, derde lid, onderdeel b, aanhef en onder 2°, van de Wet LB 1964 wordt met betrekking tot de in het eerste lid opgenomen eindheffingsbestanddelen het bedrag van de verschuldigde belasting bepaald aan de hand van het enkelvoudige tarief.

Artikel II, onderdeel Q (artikel 40 van de Regeling LB 1990)

De wijziging in dit onderdeel hangt samen met het intrekken van de Algemene burgerlijke pensioenwet per 1 januari 1996.

Artikel II, onderdeel R (artikel 45 van de Regeling LB 1990)

Artikel 45 (nieuw) van de Regeling LB 1990 bevat een overgangsbepaling met betrekking tot de waardering van vakantiebonnen c.a. Voor de op 31 december 1996 bestaande publiekrechtelijke regelingen of collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in vakantiebonnen c.a. blijft een waardering gelden van 75% van de nominale waarde, overeenkomstig artikel 10, tweede lid, onderdeel c (oud), van de Regeling LB 1990.

Artikel III, onderdelen D, E en F (artikelen 11a, 12 en 12a van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

Op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van de wet kunnen bedrijven die studenten in duale trajecten in dienst nemen per 1 januari 1997 in aanmerking komen voor de vermindering onderwijs. In de artikelen 11a, 12, derde lid en 12a van de uitvoeringsregeling afdrachtvermindering worden nadere regels gesteld ter effectuering van deze wettelijke mogelijkheid.

De afdrachtvermindering is van toepassing voorzover er sprake is van een werkgevers/werknemersrelatie als bedoeld in artikel 2 WVA. De WVA beschouwt een dienstbetrekking van 32 uur als een voltijds dienstbetrekking. Dat wil zeggen dat bij een werkweek van 32 uur of meer de maximale afdrachtvermindering van f 4500 per jaar geldt, gedurende maximaal 24 maanden. De maximale afdrachtvermindering per werknemer kan derhalve f 9000 bedragen. Bij een werkweek korter dan 32 uur wordt de vermindering evenredig verlaagd, evenzo wordt de vermindering evenredig verlaagd als er sprake is van een arbeidsperiode korter dan een jaar.

De werking van de regeling in relatie tot de doelstelling zal regelmatig worden gevolgd op grond van artikel 15 WVA. Dit zal nader worden geregeld door aanpassing van de reeds bestaande regeling ’monitoring fiscale faciliteit wetenschappelijk onderzoek’, waarbij aandacht zal worden besteed aan de effecten van de 130% WML-grens in de praktijk en het gebruik van de regeling, gegeven de beperking tot de in de uitvoeringsregeling opgenomen bedrijfssectoren.

De vermindering onderwijs is met betrekking tot de duale trajecten beperkt tot bedrijven in bedrijfssectoren die technisch-commerciële activiteiten ontplooien. In artikel 11a wordt een opsomming gegeven van de bedrijfssectoren waarvoor de regeling van toepassing is. De bedrijfssectoren zijn ontleend aan de CBS-publicatie Standaard Bedrijfsindeling uit 1993 (SBI 1993). Voor de toepassing van de regeling is het niet van belang vanuit welke hbo-opleiding (student-)werknemers in het bedrijf worden aangesteld.

Wezenlijk onderdeel van de duale trajecten is dat er sprake is van een arbeidsrelatie tussen werkgever en (student-)werknemer waarbij leren en werken op een samenhangende wijze met elkaar zijn verbonden. De tri-partite relatie werkgever-hogeschool-werknemer wordt vastgelegd in een onderwijsarbeidsovereenkomst. De onderwijsarbeidsovereenkomst onderscheidt zich van de arbeidsovereenkomst, die alleen tussen werkgever en werknemer wordt afgesloten. De onderwijsarbeidsovereenkomst dient ten minste bepalingen te bevatten met betrekking tot de volgende elementen.

a. De normomvang voor de praktijk is 84 studiepunten, i.c. de helft van de gangbare totale studielast van de opleiding die volgens artikel 4 sub a van de WHW 168 punten omvat. Minimumnorm voor de praktijk is 42 studiepunten. In uitzonderingssituaties zal het mogelijk zijn om 126 studiepunten in het praktijkdeel te verwerven. Dit laatste stelt echter hoge eisen aan de mogelijkheden die de beroepsuitoefening biedt om zich de benodigde basiskennis eigen te maken.

b. Om continuïteit in de praktijk te realiseren is een zekere mate van aaneengeslotenheid van de praktijkperiode bij één werkgever noodzakelijk. Een periode van 6 maanden, of meer kortere perioden van minimaal 4 maanden bij één werkgever, geven de minimumomvang van de praktijkblokken aan.

c. De betrokken werknemer wordt tijdens zijn praktijkperiode begeleid zowel vanuit het bedrijf als vanuit de hogeschool. Inhoud van de begeleiding en de wijze waarop deze gestalte krijgt, alsmede de taakverdeling tussen werkgever en hogeschool worden vastgelegd in de overeenkomst.

d. De leerdoelen in de praktijk zijn vastgelegd in het onderwijs- en examenreglement. In de onderwijsarbeidsovereenkomst wordt vastgelegd welke vertaling deze leerdoelen krijgen in de praktijk en in het daarmee samenhangend theoriedeel.

e. De beoordeling van de praktijk geschiedt door de hogeschool, in overleg met de werkgever. In de overeenkomst wordt aangegeven op welke wijze de beoordeling plaatsvindt en wat daarbij de rol is van hogeschool respectievelijk werkgever.

f. Functie-inhoud en bezoldiging worden afgestemd op kennis en vaardigheden die betrokkene bezit.

g. Ontbindingsbepalingen op onderwijshoudelijke gronden, zoals bijvoorbeeld de omstandigheid dat een bedrijf begeleidingsverplichting niet nakomt, waardoor de student niet in staat blijkt te zijn de opleiding te voltooien. Voor ontbindingsgronden die gelegen zijn in het arbeidsrecht gelden de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek.

Ter bevordering van eenvoudige procedures met beperkte beheerslast voor de betrokken partijen is bepaald dat de hogescholen zullen vastleggen voor welke studenten een bedrijf uit de in de bijlage opgenomen sectoren een beroep kan doen op deze regeling. De regeling is zodanig vormgegeven dat:

- er geen relatie wordt gecreëerd tussen hogescholen en Belastingdienst; de relatie met de Belastingdienst verloopt via de belastingaangifte van de desbetreffende bedrijven;

-met de afspraken wordt voorkomen dat per student meer dan f 9000 (2 x f 4500) afdrachtsvermindering wordt toegekend;

- de controle op door de hogeschool te verstrekken overzichten geschiedt door de instellingsaccountant. In het Verslag van de hogeschool wordt hiervan kond gedaan. Daartoe wordt de Richtlijn Verslag hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek aangepast;

- de overzichten dienen te voldoen aan de gangbare privacy bepalingen.

Artikel III, onderdeel G (artikel 14a van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 14, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (administratieve voorwaarden vergoedingen kinderopvang) stemt overeen met de in artikel I, onderdeel S.3 opgenomen wijziging van artikel 14, zesde lid (nieuw), van de Regeling IB 1990.

Artikel III, onderdeel H (artikel 18 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

Tot de gegevens die de inhoudingsplichtige na afloop van het kalenderjaar waarin de faciliteit is toegepast aan de Minister van Verkeer en Waterstaat moet verstrekken, dient ook het nummer van het monsterboekje van de zeevarende te worden gerekend. Zonder dit gegeven is geen sluitende controle te krijgen. In de praktijk wordt dit gegeven reeds verstrekt.

Artikel III, onderdeel I (artikel 21 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De toevoeging van het tweede lid aan artikel 21 voorkomt dat de in het eerste lid opgenomen anti-misbruikbepaling een ongewenste dam opwerpt tegen de toepassing van de faciliteit met betrekking tot zeevarenden tijdens hun eerste verlof na invlagging. Aan deze bepaling is terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 1996.

Artikel III, onderdeel J (artikel 22a van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

Met het oog op het vervallen van het verzoek tot aanwijzing van een inhoudingsplichtige voor speur- en ontwikkelingswerk binnen een fiscale eenheid, worden thans de standaardvoorwaarden die aan de goedkeuring van een dergelijk verzoek werden verbonden, vastgelegd in de uitvoeringsregeling. Deze voorwaarden houden in dat de S&O-administratie op verzoek van de Belastingdienst ten behoeve van een controle geheel bij de S&O-inhoudingsplichtige in te zien moet zijn.

De slotzin van artikel 21, vierde lid, WVA bepaalt dat de uitlener de (administratieve) verplichtingen door de inlener moet laten voldoen. De uitlener moet echter ook aangesproken kunnen worden op gebrekkig- en onjuistheden. Daartoe dient de voorwaarde die is opgenomen in het tweede lid.

Artikel IV, onderdeel C (artikel 23 van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen)

De wijzigingen van artikel 23 van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen zijn een gevolg van de herziening van het regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, waarbij het aanmerkelijk-belangregime in een nieuwe afdeling van de Wet IB 1964 is opgenomen, alsmede van de vernummering van artikel 34a van de Wet LB 1964 in artikel 32 van die wet. In verband hiermee zijn de in de Regeling IB 1990 opgenomen verwijzingen naar de bepalingen van het aanmerkelijk-belangregime en de spaarloon- en winstdelingsregelingen aangepast.

Artikel IV, onderdeel D (artikel 25 van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen)

De wijziging van het eerste lid van artikel 25 van de Uitvoeringsregeling werknemerspaarregelingen en winstdelingsregelingen is van technische aard.

Het derde lid van artikel 25 kan vervallen omdat deze bepaling geen belang meer heeft.

Artikel V, onderdelen A en B (artikelen 4a en 20 van de Uitvoeringsregeling Algemene Wet inzake rijksbelastingen)

De wijzigingen in de artikelen 4a en 20 van de Uitvoeringsregeling Algemene Wet inzake rijksbelastingen strekken er toe een aantal nieuwe mogelijkheden te creëren tot het elektronisch doen van aangifte.

De enige mogelijkheid tot het doen van elektronische aangifte die de Uitvoeringsregeling AWR tot nu toe kende was het gebruik van de aangifte diskette voor het doen van een aangifte inkomstenbelasting en premie. Met ingang van 1997 komen er tal van mogelijkheden bij. Zo wordt elektronische aangifte tevens mogelijk voor de loonbelasting en de omzetbelasting. Voorts kan voor de elektronische aangiften voortaan ook gebruik worden gemaakt van door derden ter beschikking gestelde programmatuur. Tenslotte wordt het in een aantal gevallen mogelijk de programmatuur, zowel van de Belastingdienst als van derden elektronisch op te nemen (downloaden) via het Internet. In aanvulling op het bestaande onderdeel b van artikel 20, eerste lid, dat ziet op het gebruik van de aangiftediskette, is een nieuw onderdeel c toegevoegd waardoor, naast de aangiftediskette, aangifte gedaan kan worden door het gebruik van andere, door de Belastingdienst of derden ter beschikking gestelde, programmatuur. Evenals voor het gebruik van de belastingdiskette is hiervoor een vergunning nodig, waarin tevens de te gebruiken programmatuur wordt aangewezen. De beoordeling of bepaalde, niet door de Belastingdienst verstrekte, programmatuur mag worden gebruikt voor het doen van aangifte heeft uitsluitend betrekking op de vraag of het programma zodanige output levert, dat die technisch door de Belastingdienst verwerkt kan worden. De beoordeling strekt zich niet uit tot de overige aspecten van een dergelijk programma, zoals bij voorbeeld de juistheid van de door het programma uitgevoerde berekeningen en eventuele door het programma verstrekte fiscale adviezen.

Op grond van het nieuwe onderdeel c van artikel 4a, eerste lid, kan in gevallen waarin naar verwachting geen gebruik zal worden gemaakt van een klassiek aangiftebiljet of de aangiftediskette, worden volstaan met het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin de betrokkene wordt uitgenodigd op elektronische wijze aangifte te doen en voor een opgave van de verlangde gegevens wordt verwezen naar de te gebruiken programmatuur.

Nu er tal van mogelijkheden ontstaan om op elektronische wijze aangifte te doen, waarbij ook software kan worden gebruikt die niet door de Belastingdienst is verstrekt, is het niet goed mogelijk al deze software en gegevensdragers als bijlage bij deze regeling vast te stellen. Er is daarom voor gekozen om een koppeling te leggen tussen de gegevens die op het klassieke aangiftebiljet moeten worden ingevuld en de gegevens die via een diskette of andere gegevensdrager, dan wel via datatransmissie moeten worden aangeleverd. Welke gegevens moeten worden aangeleverd kan nu direct worden afgeleid uit de gepubliceerde aangiftebiljetten, waardoor het niet langer nodig is de gegevensdragers en de programmatuur voor het doen van elektronische aangifte vast te stellen als bijlage bij de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994.

Artikel VI, onderdeel B (artikelen 2 tot en met 6 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Bij de Wet tot wijziging van enige belastingwetten (herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting) welke 1 januari 1997 in werking treedt, zijn in artikel 25 van de Invorderingswet twee bepalingen opgenomen volgens welke uitstel van betaling van belastingaanslagen voor een periode van tien jaren kan worden verleend voor zover daarin is begrepen inkomstenbelasting ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen.

Uitstel van betaling - zonder dat invorderingsrente is verschuldigd - kan in de eerste plaats worden verleend ingevolge artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 bij emigratie van een aanmerkelijk-belanghouder. In een dergelijke situatie kan een zogenaamde conserverende aanslag worden opgelegd. Deze systematiek kan eveneens worden toegepast indien een buitenlandse belastingplichtige bij een aandelenfusie zijn belang in een Nederlands lichaam omruilt voor een belang in een buitenlands lichaam alsmede ingeval de werkelijke leiding van een lichaam waarin een buitenlandse belastingplichtige een belang houdt, van Nederland naar het buitenland wordt verplaatst. Voorts kan een conserverende aanslag worden opgelegd indien sprake is van een verkrijging krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht door een in het buitenland wonende verkrijger. Het nieuwe artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 heeft hierop betrekking. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de in artikel 25, zesde lid, opgenomen delegatiebevoegdheid.

Ingevolge artikel 25, zevende lid, van de Invorderingswet 1990 kan uitstel van betaling worden verleend in situaties waarin een aanmerkelijk belang geheel of gedeeltelijk wordt vervreemd aan de echtgenoot, de partner of hun kinderen of aan een lichaam waarvan alle aandelen worden gehouden door de echtgenoot, de partner of hun kinderen. In deze situatie wordt het uitstel verleend in de vorm van een betalingsregeling waarbij de betaling van de aanmerkelijk-belangheffing - onder vergoeding van rente - kan geschieden in tien jaarlijkse termijnen. Op basis van de in artikel 25, zevende lid, opgenomen delegatiebevoegdheid is de regeling voor gespreide betaling nader uitgewerkt in het nieuwe artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.

Met betrekking tot de hiervoor bedoelde conserverende aanslagen biedt artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 de mogelijkheid om in een drietal situaties kwijtschelding van belasting te verlenen. De regeling voor kwijtschelding is uitgewerkt in het nieuwe artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.

Artikel 2 De ontvanger verleent op verzoek uitstel van betaling voor aanslagen die worden opgelegd in geval van vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen in de hiervoor beschreven situaties, mits voldoende zekerheid wordt gesteld. Tot deze situaties behoort ook een verkrijging krachtens erfrecht door een in het buitenland wonende erfgenaam. De aanslag staat in dat geval wel op naam van de erflater, maar op verzoek van de erfgenaam ‐ als rechtsopvolger van de erflater ‐ kan uitstel worden verleend. Als zekerheid kunnen in dat geval ook goederen dienen die de erfgenaam reeds bezat. Aan de erfgenaam zal door de ontvanger de voorwaarde worden gesteld dat hij ermee instemt voor toepassing van de uitstelregeling in de positie van de erflater te treden. Dit houdt onder meer in dat het uitstel zal worden beëindigd indien de erfgenaam het aanmerkelijk belang vervreemdt of de onderneming staakt en de reserves uitkeert. Ingeval er meer erfgenamen zijn en niet alle erfgenamen buiten Nederland wonen, kan met de ontvanger worden overeengekomen dat alleen de buitenlandse erfgenamen aansprakelijk zijn voor de conserverende aanslag mits zij bij de boedelscheiding ook de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen hebben verkregen waarop de conserverende aanslag betrekking heeft.

Het uitstel wordt verleend voor het in de aanslag begrepen bedrag van de belasting dat ter zake van die vervreemding verschuldigd is, alsmede voor het bedrag van de heffingsrente dat daaraan kan worden toegerekend.

Artikel 25, zesde lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 bepaalt dat het uitstel wordt beëindigd, indien aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen welke aan het uitstel ten grondslag liggen worden vervreemd. Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Uitvoeringsregeling beëindigt de ontvanger het uitstel voor het gedeelte dat betrekking heeft op de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen die worden vervreemd. Voor aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen die na de vervreemding nog tot het vermogen van de belastingschuldige behoren, wordt het uitstel voortgezet.

In een aantal gevallen is het mogelijk om na vervreemding het uitstel voort te zetten indien belastingschuldige een daartoe strekkend verzoek doet. Dit betreft allereerst de situatie waarin de vervreemding plaats vindt in het kader van een juridische fusie (vijfde lid). De aandelen in, winstbewijzen van en schuldvorderingen op de verwervende vennootschap worden voor het uitstel geacht in de plaats te treden van de aandelen in, winstbewijzen van en schuldvorderingen op de verdwijnende vennootschap.

Voorts kan het uitstel worden voortgezet ingeval aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen onder algemene titel overgaan of vanuit de privésfeer overgaan naar de ondernemingssfeer van de belastingplichtige (zesde lid). Het uitstel zal slechts worden voortgezet indien de belastingschuldige instemt met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden. In geval van overgang naar de ondernemingssfeer zullen de voorwaarden er op zijn gericht het uitstel te beëindigen in dezelfde situaties als ware de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen niet overgebracht naar de ondernemingssfeer. In geval van overgang onder algemene titel zal het uitstel worden voortgezet wanneer de belastingschuldige er mee instemt dat het uitstel wordt beëindigd in dezelfde situaties als wanneer de aandelen winstbewijzen of schuldvorderingen nog tot zijn vermogen zouden behoren. Voorts kan de voorwaarde worden gesteld dat degene op wie de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen onder algemene titel zijn overgegaan, zich aansprakelijk stelt voor de belastingschuld waarvoor uitstel van betaling is verleend.

Ten slotte kan het uitstel worden voortgezet indien een aanmerkelijk belang niet langer aanwezig is doordat de belastingschuldige na een vervreemding een belang van minder dan 5% in het kapitaal van de vennootschap overhoudt (zevende lid). Het uitstel heeft dan betrekking op de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen die nog tot het vermogen van de belastingschuldige behoren.

In alle hier genoemde gevallen wordt het uitstel voortgezet mits voldoende zekerheid wordt gesteld. De ontvanger beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Indien aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen, die verband houden met het verleende uitstel, worden vervreemd, dient de belastingschuldige de ontvanger hiervan onverwijld in kennis te stellen.

Artikel 3 Ingevolge het nieuwe artikel 3 verleent de ontvanger uitstel van betaling van belastingaanslagen ter zake van vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen ‐ waarbij de koopsom is schuldig gebleven ‐ aan de echtgenoot, partner of de kinderen van de belastingschuldige dan wel aan een lichaam waarvan alle aandelen door de echtgenoot, de partner of de kinderen worden gehouden. Het uitstel wordt verleend indien de verschuldigde belasting en de heffingsrente gezamenlijk een bedrag van f 5000 te boven gaan.

Het bedrag van de belasting waarvoor uitstel van betaling wordt verleend, kan in tien gelijke jaarlijkse termijnen worden voldaan; ter zake van het uitstel is invorderingsrente verschuldigd.

Artikel 25, zevende lid, van de Invorderingswet 1990 kent een drietal gronden voor beëindiging van het uitstel, namelijk indien aflossingen op de schuldig gebleven koopsom plaatsvinden, aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen welke aan het uitstel ten grondslag liggen door de koper worden vervreemd of wanneer daaruit reguliere voordelen van substantiële omvang worden genoten. In het vierde lid van artikel 3 is de beëindiging van het uitstel nader uitgewerkt. Indien aflossingen plaatsvinden of reguliere voordelen van substantiële omvang worden genoten, wordt het uitstel beëindigd voor zover de aflos-singen of de regulier voordelen uitgaan boven het dubbele van de belasting die in dat jaar op de openvallende termijn moet worden voldaan. Het uitstel wordt beëindigd met de helft van het bedrag dat er boven uitgaat. Worden aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen door de koper vervreemd, dan beëindigt de ontvanger het uitstel voor het gedeelte dat betrekking heeft op de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen die worden vervreemd. Voor aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen die daarna nog tot het vermogen van de koper behoren, wordt het uitstel voortgezet.

Ook bij een op de voet van artikel 3 verleend uitstel dient de belastingschuldige de ontvanger onverwijld in kennis te stellen van iedere gebeurtenis die tot beëindiging van het uitstel leidt.

Artikel 4 Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 kan kwijtschelding van belasting worden verleend welke verschuldigd is ter zake van belastingaanslagen waarvoor uitstel van betaling is verleend op de voet van artikel 25, zesde lid, van die wet; dit betreffen de zogenoemde conserverende aanslagen.

Kwijtschelding is mogelijk tot het bedrag van de dividendbelasting die in Nederland is verschuldigd wegens reguliere voordelen, tot het bedrag van de belasting die in het buitenland feitelijk wordt geheven over voordelen uit vervreemding en tot het openstaande bedrag na tien jaren.

In het nieuwe artikel 4, eerste lid, is het bedrag van de feitelijk in het buitenland geheven belasting waarvoor kwijtschelding kan worden verleend, nader afgebakend. De kwijtschelding kan met betrekking tot een aandeel, winstbewijs of schuldvordering niet meer bedragen dan het bedrag van de belasting waarvoor uitstel van betaling is verleend, dan wel het bedrag van de belasting dat in het buitenland bij vervreemding van het aandeel, winstbewijs of schuldvordering feitelijk is geheven van het vervreemdingsvoordeel ter zake waarvan het uitstel is verleend.

Voorbeeld

Een belastingplichtige bezit aanmerkelijk-belangaandelen met elk een verkrijgingsprijs van 100 welke ten tijde van zijn emigratie elk een waarde in het economische verkeer hebben van 1000. Ter zake van de emigratie is 25% van (1000 - 100) = 225 belasting per aandeel verschuldigd. Voor dit bedrag wordt uitstel van betaling verleend via het opleggen van een conserverende aanslag. In de eerste vijf jaar na emigratie wordt per aandeel jaarlijks een dividend van 100 uitgekeerd waarop telkens 15% dividendbelasting wordt ingehouden, het tarief dat van toepassing is onder het verdrag van Nederland en het emigratieland.

Kwijtschelding wordt jaarlijks verleend voor het bedrag van de ingehouden dividendbelasting, zodat na vijf jaar 5 * 15 = 75 van de conserverende aanslag is kwijtgescholden. Op de aanslag staat per aandeel nog een bedrag van 225 - 75 = 150 open.

In jaar 6 vervreemdt belastingschuldige de helft van de tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen voor een bedrag van 1500 per aandeel. Het emigratieland betrekt de vervreemdingswinst in de heffing. Stel dat het andere land een tarief van 35% kent. Over het vervreemdingsvoordeel ter zake waarvan Nederland uitstel van betaling heeft verleend (900), wordt in het andere land 315 (35% van 900) geheven. Per aandeel wordt het nog openstaande bedrag aan belasting waarvoor uitstel van betaling is verleend (150) kwijtgescholden.

Zou in het andere land een laag tarief van toepassing zijn van bij voorbeeld 10%, dan zou in het andere land over het vervreemdingsvoordeel ter zake waarvan het uitstel is verleend 90 belasting worden geheven (10% van 900). Voor dit bedrag wordt dan kwijtschelding verleend, waarna per aandeel nog een bedrag van 150 - 90 = 60 op de conserverende aanslag openstaat. Als gevolg van de vervreemding van de aandelen wordt het uitstel vervolgens beëindigd zodat het op de aanslag nog openstaande bedrag van 60 per aandeel wordt ingevorderd.

Het uitstel wordt voortgezet voor het gedeelte van de tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen dat in bezit van de belastingschuldige blijft. Ingevolge het tweede lid van artikel 4 wordt de belasting die met betrekking tot deze aandelen nog verschuldigd is, kwijtgescholden aan het einde van het tiende jaar na het jaar waarin de belastingschuldige is geëmigreerd.

Ingevolge het nieuwe artikel 4, derde lid, wordt geen kwijtschelding verleend indien de voor afdoening van het verzoek te verstrekken gegevens niet of niet volledig zijn, dan wel onjuist zijn. Voorts wordt geen kwijtschelding verleend ter zake van een voorlopige aanslag die nog niet is gevolgd door de (definitieve) aanslag. Overeenkomstige bepalingen zijn opgenomen in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling voor andere situaties waarin kwijtschelding kan worden verleend.

Artikel 5 In artikel 20a, negende lid, onderdeel d, van de Wet IB 1964 wordt de niet-tijdelijk vruchtgebruiker van aandelen gelijkgesteld met een aandeelhouder. In onderdeel e van dat artikel wordt een koopoptie op aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen gelijkgesteld met een aandeel, winstbewijs respectievelijk schuldvordering. In het nieuwe artikel 5 worden deze bepalingen van overeenkomstige toepassing verklaard voor de nieuwe afdeling IA van de Uitvoeringsregeling. De regelingen voor het verlenen van uitstel van betaling, gespreide betaling en kwijtschelding zijn derhalve ook van toepassing op niet-tijdelijke rechten van vruchtgebruik en koopopties van een aanmerkelijk-belanghouder.

Artikel 6 Op de in dit nieuwe hoofdstuk voorkomende verzoeken om uitstel van betaling, gespreide betaling of kwijtschelding wordt door de ontvanger bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist. Ingevolge het nieuwe artikel 6 van de Uitvoeringsregeling zijn met betrekking tot het instellen van bezwaar of beroep de regels van hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing. Dit betekent dat bezwaar kan worden gemaakt bij de ontvanger en dat bij een onbevredigende uitspraak van de ontvanger op het bezwaarschrift in beroep kan worden gekomen bij het Gerechtshof.

Artikel VI, onderdeel C (artikel 20 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In het Besluit van 26 oktober 1996 (Stb. 543) is de inwerkingtreding met ingang van 1 januari 1997 van hoofdstuk V van de Wet belastingen op milieugrondslag geregeld. Hoofdstuk V van die wet bevat de belasting op uranium-235. Net als de overige belastingen op milieugrondslag behoort ook de belasting op uranium-235 binnen de werkingssfeer van de kwijtscheldingsregeling van rijksbelastingen in de zakelijke sfeer te vallen. Om die reden is artikel 20 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 aangepast.

Artikel VII (artikelen 1 en 1a van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)

De wijziging van de artikelen 1 en 1a van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 hangt samen met een vernummering van de leden van artikel 4 van de Wet op de dividendbelasting 1965.

Artikel VIII (Beschikking bijzondere beleggingsinstellingen)

Met de inwerkingtreding van de wet tot herziening van het regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting op 1 januari 1997 komt de wettelijke regeling voor spaareffecten te vervallen. De bepalingen die zien op de fiscale behandeling van spaareffecten (artikel 44c van de Wet IB 1964, artikel 4, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 en artikel 37, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer) alsmede de daarin opgenomen delegatiebevoegdheden vervallen met ingang van die datum. Daarmee ontvalt ook de grond aan de Beschikking bijzondere beleggingsinstellingen waarin de regeling voor spaareffecten nader is uitgewerkt. Ter wille van de duidelijkheid is opgenomen dat de Beschikking bijzondere beleggingsinstellingen met ingang van genoemde datum vervalt.

Artikel IX

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar hetgeen is opgemerkt bij artikel I, onderdeel H.

De Staatssecretaris van Financiën,

W.A. Vermeend.

Naar boven