Regeling belastingcapaciteit

«Invoeringswet Financiële-verhoudingswet»

14 november 1996

Nr. VFO93/4/U354

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mw. A.G.M. van de Vondervoort, en de Staatssecretaris van Financiën,

Gelet op artikel 14 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet en artikel 2 van het Besluit Financiële verhouding Rijk-gemeenten;

Besluiten:

§ 1. Toepassing van begrippen

Artikel 1

1. Woningen zijn onroerende zaken welke in hoofdzaak tot woning dienen.

2. Niet-woningen zijn alle overige onroerende zaken.

§ 2. Verstrekking van gegevens

Artikel 2

Het gemeentebestuur verstrekt omtrent de in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken bedoelde waarden jaarlijks aan het Centraal Bureau voor de Statistiek de gegevens, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 3

1. Het gemeentebestuur doet vóór 1 maart van elk jaar een voorlopige opgave aan het Centraal Bureau voor de Statistiek van de gegevens, bedoeld in artikel 2, zoals die gelden op 1 januari van dat jaar.

2. Het gemeentebestuur doet vóór 1 april van het jaar, twee jaar volgend op het jaar waarin voorlopige opgave is gedaan, een definitieve opgave aan het Centraal bureau voor de statistiek van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4

Het gemeentebestuur maakt voor de gegevensverstrekking gebruik van het in bijlage 2 bij deze regeling opgenomen standaarduitwisselingsformaat.

§ 3. Overige bepalingen

Artikel 5

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.

Artikel 6

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling belastingcapaciteit.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,A.G.M. van de Vondervoort.
De Staatssecretaris van Financiën,W.A.F.G. Vermeend.

Bijlage 1 behorende bij artikel 2

stcrt-1996-239-p14-SC7623-1.gif

Bijlage 2 behorende bij artikel 3, lid 1

stcrt-1996-239-p14-SC7623-2.gifstcrt-1996-239-p14-SC7623-3.gifstcrt-1996-239-p14-SC7623-4.gifstcrt-1996-239-p14-SC7623-5.gifstcrt-1996-239-p14-SC7623-6.gifstcrt-1996-239-p14-SC7623-7.gif

B Leveringsformaat voor het leveringsbestand

Voorlooprecord

stcrt-1996-239-p14-SC7623-8.gif

Gegevensrecord

stcrt-1996-239-p14-SC7623-9.gif

Sluitrecord

stcrt-1996-239-p14-SC7623-10.gifstcrt-1996-239-p14-SC7623-11.gif

Toelichting

I Algemeen

1. Inleiding

De Financiële-verhoudingswet (Stb. 1996, 576; hierna de wet) regelt ondermeer de instelling van het gemeentefonds en de algemene eisen waaraan de verdeling en de maatstaven van de algemene uitkering moeten voldoen. Na de eerste vaststelling in de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet (Stb. 1996, 576) zullen de verdeelmaatstaven in het vervolg in het Besluit financiële verhouding Rijk-gemeenten worden geregeld. Nadere uitvoeringsregels kunnen door de fondsbeheerders neergelegd worden in ministeriële regelgeving.

Het nieuwe verdeelsysteem van de algemene uitkering voorziet erin dat de verdeling over de gemeenten van de algemene uitkering rekening houdt met de verschillen tussen gemeenten in het vermogen tot het voorzien in eigen inkomsten (art. 7 van de wet). De inkomstenmaatstaf in het systeem heeft betrekking op de belastingcapaciteit van de gemeente ter zake van onroerende-zaakbelastingen (OZB; zie art. 8 van de wet). De belastingcapaciteit wordt in bijlage 2 bij de Invoeringswet nader omschreven als het totaal van de waarden bedoeld in art. 22 van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) in de gemeente.

De gemeentebesturen dienen op grond van het artikel 2 van het Besluit Financiële verhouding Rijk-gemeenten gegevens omtrent deze waarden te verstrekken aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In de voorliggende regeling worden omtrent de te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking nadere regels vastgelegd. Tevens wordt een nadere aanduiding gegeven van het in de inkomstenmaatstaf vastgelegde onderscheid tussen woningen en niet-woningen.

Voor de vaststelling van de gemeentelijke belastingcapaciteit door de fondsbeheerders zal het CBS jaarlijks opgave per gemeente doen aan de fondsbeheerders van het totaal van de waarden van de onroerende zaken voor de heffing van de onroerende zaakbelastingen (OZB).

2. Gegevensverstrekking

De regeling belastingcapaciteit bepaalt welke gegevens aan het CBS moeten worden verstrekt en op welke wijze en op welk moment de gegevensverstrekking moet plaatsvinden. De regeling is vastgesteld na overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Waarderingskamer en het CBS. De opzet van de gegevensverstrekking sluit geheel aan bij soortgelijke gegevensleveringen aan het CBS die reeds bestaan, zoals voor bevolking (GBA), woningen en bijstand. Bij de gegevenslevering aan het CBS is zo nauw mogelijk aangesloten bij het gegevensbeheer in het kader van de wet WOZ. Deze is nader uitgewerkt in de regeling met betrekking tot het Standaarduitwisselingsformaat (regeling Stuf-WOZ, Stcrt. 1995, 38 en 176) en toegelicht door de Waarderings-kamer (Stuf-WOZ, regels voor de gegevenslevering door gemeenten aan afnemers in het kader van de Wet WOZ, Den Haag, 1995). Hierdoor kan de gegevenslevering zo eenvoudig mogelijk blijven en worden de kosten van de gegevenslevering zoveel mogelijk beperkt. Tevens kan door aansluiting bij de gegevenslevering op grond van de wet WOZ een grote mate van zekerheid worden bereikt over de juistheid van de gegevenslevering. De Waarderingskamer houdt immers toezicht op de kwaliteit en de uniformiteit van de waarden alsmede op de WOZ-gegevenslevering.

2.1 Welke gegevens

Het globaal gegevensmodel onderscheidt twee soorten gegevens, namelijk gegevens per WOZ-object en beschrijvende gegevens. In het Stuf-WOZ zijn deze soorten gegevens aangeduid als entiteiten (zie hoofdstuk 3 Stuf-WOZ).

Het eerste en belangrijkste soort gegeven is de verzameling gegevens per WOZ-object. Op twee uitzonderingen na (de OZB-vrijstelling en de OZB-waarde) betreft dit allemaal gegevens die behoren tot entiteit 02 volgens het Stuf-WOZ: het WOZ-object. Het betreft dus geen gegevens die betrekking hebben op andere entiteiten, zoals eigenaren, gebruikers of kadastrale aanduidingen.

Het gaat om de volgende gegevens:

Gegevens WOZ-object

1.1 WOZ-objectnummer

1.2 Huisnummer

1.3 Huisletter

1.4 Huisnummertoevoeging

1.5 Aanduiding bij huisnummer

1.6 Postcode

2.1 Vastgestelde WOZ-waarde

2.2 OZB-vrijstelling

2.3 OZB-waarde

2.4 Gebruikscode

De andere soort gegevens zijn de beschrijvende gegevens. Dit zijn de

gegevens die alleen van belang zijn voor de goede uitvoering van de gegevensleveringen.

Het gaat om de volgende gegevens:

Beschrijvende gegevens

8.1 Gemeentecode

8.2 Naam contactpersoon

8.3 Telefoonnummer contactpersoon

8.4 Aanmaakdatum

8.5 Belastingjaar

8.6 Status gegevens

8.7 Volgnummer diskette

9.1 Record-identificatiecode

De gemeenten dienen de gegevens van alle WOZ-objecten te verstrekken, dat wil zeggen alle objecten waarvoor conform de wet WOZ een waarde is vastgesteld.

Gegevens van de objecten genoemd in de ’Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken’ (Stcrt. 1994, 252) hoeven

dus niet te worden verstrekt.

2.2 Wijze van aanlevering

De gegevenslevering aan het CBS is beschreven en vastgelegd in een zogenaamd ’standaard uitwisselingsformaat’, dat als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd (Stuf-CAP). Deze gegevens zijn op twee uitzonderingen na geheel ontleend aan de beschrijving van de WOZ-objecten, zoals weergegeven in het Standaard Uitwisselingsformaat van de wet WOZ, het zogenoemde Stuf-WOZ. De twee uitzonderingen betreffen de OZB-vrijstelling en de OZB-waarde. Deze gegevens spelen geen rol bij de gegevensuitwisseling in het kader van de wet WOZ, maar zijn wel van belang om de gemeentelijke belastingcapaciteit accuraat vast te stellen.

In het uitwisselingsformaat (Stuf-CAP) zijn alleen die gegevens opgenomen die de gemeente verplicht is aan het CBS te leveren. Zoals hiervoor aangegeven betreft het uitsluitend gegevens die technisch noodzakelijk zijn om de capaciteit van de onroerende-zaakbelastingen per gemeente door het CBS te kunnen laten berekenen. De fondsbeheerders baseren hun formele vaststelling in het kader van de wet op dit door het CBS te berekenen gegeven.

2.3 Gebruik van de gegevens

De gegevens betreffen uitsluitend gegevens over het afzonderlijke WOZ-object en hebben geen betrekking op persoonlijke gegevens van de eigenaren of de gebruikers. Het CBS waarborgt de wettelijke bescherming van privacy-gevoelige gegevens.

De door het CBS verzamelde bestanden over de waardering van de onroerende zaken worden in eerste aanleg verzameld met het oog op de levering aan de fondsbeheerders van de belastingcapaciteit per gemeente. Ander gebruik van de gegevens door het CBS in het kader van haar statistische taak zal pas in overleg met de VNG en de fondsbeheerders kunnen plaatsvinden.

2.4. Twee gegevensstromen

De opzet van de gegevenslevering aan het CBS is in hoofdlijnen als volgt. Met ingang van 1997 levert elke gemeente jaarlijks vóór 1 maart aan het CBS een bestand van alle WOZ-objecten met enkele gegevens per WOZ-object. Deze termijn sluit aan bij de termijn van acht weken die in de wet WOZ wordt genoemd voor de levering aan de afnemers van de WOZ-gegevens (Belastingdienst en waterschappen). Deze gegevens hebben betrekking op de situatie op 1 januari van dat jaar. Als gevolg van bezwaar en beroep kunnen deze gegevens later nog wijzigen. Na twee jaar (vóór 1 april) levert de gemeente daarom aan het CBS het bestand met de gegevens per WOZ-object zoals die op 1 januari zoveel mogelijk definitief zijn vastgesteld (dus nadat het grootste deel van mogelijke bezwaar- en beroepsprocedures is afgehandeld). Het CBS gebruikt de beide bestanden om per gemeente een voorlopig en een definitief cijfer van de OZB-capaciteit samen te stellen.

2.5. Vrijstellingen

Niet alle WOZ-objecten dragen bij tot de OZB-capaciteit. Objecten kunnen verplicht zijn vrijgesteld voor de OZB op basis van artikel 220d, 243 of 305a van de Gemeentewet. De gegevens van deze objecten dienen wel te worden verstrekt, maar hun waarde draagt niet bij aan de door het CBS te berekenen OZB-capaciteit. Daarnaast kunnen gemeenten objecten ook facultatief vrijstellen op grond van hun belastingverordening. Deze objecten dragen wel bij tot de OZB-capaciteit. Het staat de gemeenten immers vrij om te bepalen of, en zo ja in hoeverre deze capaciteit daadwerkelijk wordt benut.

3. Onderscheid woningen en niet-woningen

Bij de vaststelling van het totaal aan waarden in de gemeente wordt een onderscheid gemaakt tussen de totale waarde van woningen en de totale waarde van niet-woningen. Conform artikel 8 van de wet wordt de belastingcapaciteit van woningen voor 80% en die voor niet-woningen voor 70% in de verdeling betrokken. Het onderscheid woning en niet-woning in de wet maakt een nadere aanduiding van deze begrippen in deze regeling noodzakelijk.

Het in het kader van het verdeelstelsel gehanteerde onderscheid beoogt naadloos aan te sluiten bij het onderscheid tussen woningen en niet-woningen zoals dat thans reeds in het kader van het Stuf-WOZ wordt gehanteerd, op basis van door de Waarderingskamer verstrekte richtlijnen. In deze regeling is daartoe het onderscheid in algemene zin geformuleerd. In de navolgende toelichting wordt een en ander nader verduidelijkt.

3.1 Woningen

Tot de woningen behoren die onroerende zaken die in hoofdzaak worden gebruikt voor woondoeleinden en die onroerende zaak waarvan het gebruik volledig dienstbaar is aan woondoeleinden. Objecten in aanbouw of leegstaande objecten met de bestemming woondoeleinden zijn ook woningen. Tot de woningen behoren de volgende drie klassen (de codes tussen haakjes verwijzen naar de in het kader van de wet WOZ in gebruik zijnde gebruikscodes):

Woning dienend tot hoofdverblijf (10):

Onder een woning dienend tot hoofdverblijf wordt verstaan:

- een onroerende zaak die als één geheel gedurende het gehele jaar wordt gebruikt voor woondoeleinden. Deze categorie betreft zelfstandige woningen voor één of meer-persoonshuishoudens waarin geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden of in ieder geval geen aan het object zichtbare bedrijfsmatige activiteiten.

Woning met praktijkruimte (11):

Onder een woning met praktijkruimte wordt verstaan:

- een onroerende zaak die in hoofdzaak wordt gebruikt voor woondoeleinden;

- waarin de bewoner tevens in het kader van een zelfstandig beroep of bedrijf activiteiten verricht;

- welke bedrijfsmatige activiteiten het karakter hebben van praktijk aan huis in de sfeer van de vrije beroepen (arts, fysiotherapeut, notaris, accountant);

- waarbij het feit dat een zelfstandig beroep of bedrijf wordt uitgeoefend, blijkt uit een aankondiging die vanaf de openbare weg zichtbaar is;

- waarbij het mogelijk is een deel van de onroerende zaak aan te wijzen waar deze activiteiten plaatsvinden.

Recreatiewoningen en overige woningen (12):

Onder recreatiewoningen en overige woningen worden verstaan:

- onroerende zaken die gedurende een deel van het jaar worden gebruikt voor woondoeleinden en waarbij het gebruik gedurende een deel van het jaar is beperkt;

- een niet-zelfstandige eenheid (studentenwoningen, bejaardenwoningen);

- een complex van onzelfstandige bejaardenwoningen of onzelfstandige studenteneenheden;

- een onroerende zaak die volledig dienstbaar is aan woondoeleinden (bijvoorbeeld een garagebox). Hiermee wordt bereikt dat het voor de belastingcapaciteit geen verschil maakt of de garagebox tezamen met de woning een samenstel vormt of dat de garagebox een afzonderlijke onroerende zaak is.

3.2 Niet-woningen

Tot de niet-woningen behoren de overige onroerende zaken. Hierbij kunnen de volgende vier groepen onderscheiden worden:

Boerderij (20):

Onder een boerderij wordt verstaan:

- een onroerende zaak, waarvan het gebruik (wonen of bedrijfsmatige activiteiten) direct verbonden is met de bedrijfsmatige exploitatie van cultuurgrond. Tot deze categorie behoren dus ook tuindersbedrijven. Woonboerderijen behoren dus niet tot de categorie boerderij. Woonboerderijen zijn woningen. Ook voormalige boerderijen waarin nu een ander bedrijf wordt uitgeoefend (bijvoorbeeld kantoor of winkel) zijn geen boerderij, maar bijvoorbeeld niet-woning.

Niet-woning deels in gebruik als woning (21):

Onder een niet-woning deels in gebruik als woning wordt verstaan:

- een onroerende zaak die in hoofdzaak wordt gebruikt voor andere dan woondoeleinden en waarvan de aard zodanig is dat gebruik van de gehele onroerende zaak als woning niet voor de hand ligt (bijvoorbeeld een woon-winkelpand dat op grond van de objectafbakeningsregels als één onroerende zaak aangemerkt moet worden).

Niet-woning (30):

Onder een niet-woning wordt verstaan:

- een onroerende zaak die geheel wordt gebruikt voor andere dan woondoeleinden;

- onroerende zaken waar het wonen is gecombineerd met andere functies (hotels, pensions, verpleeghuizen, gevangenissen).

Dit betreft alle objecten voor bedrijfsmatige activiteiten zoals kantoren, winkels en bedrijfsruimten, maar ook bijzondere gebouwen die een niet bedrijfsmatig gebruik hebben (scholen, ziekenhuizen). Een object behoort alleen tot deze categorie, wanneer geen enkel deel van het object voor woondoeleinden wordt gebruikt. Zodra wel gewoond wordt in het object, wordt het object ingedeeld in de categorie niet-woning deels in gebruik als woning.

Terrein (40):

Onder een terrein wordt verstaan:

- ongebouwde onroerende zaken, zoals cultuurgrond, parken, sportvelden, bouwgrond (waar nog geen bouwactiviteiten zijn verricht) etc.

Het indelen van ongebouwde onroerende zaken in deze categorie is alleen van belang voor de objecten waarvoor een waarde moet worden bepaald (waarvan de waarde dus niet buiten aanmerking wordt gelaten). Bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond blijft bij de waardebepaling buiten aanmerking en daarom kan de gegevenslevering van losse percelen bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond achterwege blijven. Hierbij is indeling in deze categorie dus niet relevant. Voor niet-bedrijfsmatig gebruikte cultuurgrond is deze indeling wel relevant.

3.3 Objectaanduidingen en gebruikscodes

In het kader van de wet WOZ kunnen de gehanteerde gebruikscodes uitgewerkt worden in een meer gedetailleerde objectaanduiding in de gemeentelijke administratie. Deze gedetailleerde objectaanduiding bij de waardebepaling in het kader van de wet WOZ kan ook worden gehanteerd bij de codering in het kader van de Financiële-verhoudingswet. In onderstaande tabel zijn enkele voorbeelden van de objectaanduiding en de corresponderende gebruikscodes aangegeven.

Tabel 1 Relatie objectaanduidingen en gebruikscodes in gemeentelijke administraties

stcrt-1996-239-p14-SC7623-12.gif

II Artikelsgewijs

Artikel 1

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 3 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 2

In bijlage 1 bij de regeling, waarnaar in dit artikel wordt verwezen, zijn de aan te leveren gegevens kort omschreven. Verwezen wordt naar de toelichting bij bijlage 1.

Artikel 3

In dit artikel worden de twee gegevensstromen beschreven tussen de gemeente en het CBS: een voorlopige opgave van het bestand van alle WOZ-objecten met enkele gegevens per WOZ-object over het jaar zelf en na twee jaar het bestand met de gegevens per WOZ-object zoals die op 1 januari definitief zijn vastgesteld. Als gevolg van ondermeer bezwaar en beroep kunnen de voorlopige gegevens immers wijziging ondergaan. De voorlopige gegevens dienen voor 1 maart aan het CBS verstrekt te worden. Er is voor gekozen om het bestand met gegevens twee jaar na de vaststelling van de waardebeschikking definitief vast te stellen in het kader van de Financiële-verhoudings-wet en de levering van de definitieve gegevens aan het CBS per 1 april van het tweede jaar dat volgt op de vaststelling van de waardebeschikking te doen plaats vinden. De definitieve gegevenslevering in het kader van deze wet kan op die manier rekening houden met verandering van waardegegevens als gevolg van uitspraken in bezwaar en beroepsprocedures in het kader van de wet WOZ en de gemeentelijke belastingheffing in de eerste twee jaar. In deze periode is het grootste deel van de bezwaar- en beroepsprocedures afgehandeld.

De definitieve gegevenslevering dient voor 1 april plaats te vinden. Deze datum is zodanig gekozen dat de fondsbeheerders bij de definitieve vaststelling van de uitkeringen uit het gemeentefonds de opgave door het CBS van de definitieve gemeentelijke belastingcapaciteit kunnen betrekken (verwezen wordt naar paragraaf 2.4 van deze toelichting).

De gegevensverstrekking van de voorlopige gegevens en de definitieve gegevens vindt op verzoek van de Vereniging Nederlandse Gemeenten niet op dezelfde datum plaats in verband met een doelmatige gegevensverstrekking.

Aangezien de ingangsdatum 1 januari 1997 is, impliceert een en ander dat

het tijdschema van de gegevenslevering er als volgt uit ziet:

stcrt-1996-239-p14-SC7623-13.gif

De aanlevering van de voorlopige cijfers aan het CBS dient jaarlijks vóór 1 maart plaats te vinden. Het CBS heeft twee maanden nodig voor de verwerking van de gegevens, dus het voorlopige cijfer van de OZB-capaciteit per gemeente wordt op 1 mei vastgesteld.

De definitieve cijfers worden ruim twee jaar later vastgesteld. De definitieve levering voor jaar t dient plaats te vinden vóór 1 april van

jaar t+2. In deze levering dienen alle bezwaar- en beroepgevallen te zijn

verwerkt die op 1 januari t+2 volledig zijn afgehandeld. Ook de definitieve

levering bevat een compleet bestand, dus niet alleen de onroerende zaken

waar een wijziging is opgetreden. Tot dit complete bestand behoren dus ook objecten waarvoor de bezwaar- of beroepsprocedures nog niet zijn afgehandeld.

Artikel 4

Voor een toelichting op het standaard gegevensuitwisselingsformaat wordt verwezen naar de toelichting bij bijlage 2.

III Bijlagen

1. Bijlage 1

Deze bijlage bevat een opgave van de gegevens die aan het CBS dienen te worden aangeleverd. Met uitzondering van de gegevens met de nummers 2.2 en 2.3 gaat het om gegevens die ook in het Stuf-WOZ zijn vastgelegd om het WOZ object te kunnen identificeren en de WOZ-waarde te kunnen vaststellen.

1.1 OZB-vrijstelling

Gegevensnummer 2.2 strekt ertoe de OZB-waarde van het betreffende object te kunnen vaststellen, indien deze door het voorkomen van een verplichte vrijstelling op grond van art. 220d, 305a of 243 van de Gemeentewet afwijkt van de aan het object toegekende waarde zoals op grond van de wet WOZ.

Op basis van art. 243 van de Gemeentewet is er, uit hoofde van internationale verdragen sprake van een subjectvrijstelling. Dit betekent dat niet het object, maar de gebruiker en/of de eigenaar (zakelijk gerechtigde) is vrijgesteld van de OZB. Dat geldt bijvoorbeeld voor diplomaten en buitenlandse militairen. Om administratief-technische redenen is ervoor gekozen bij de vaststelling van de belastingcapaciteit de waarde van de desbetreffende objecten geheel buiten beschouwing te laten (dus zowel het eigenarendeel als het gebruikersdeel). Zou alleen het vrijgestelde deel buiten beschouwing worden gelaten, dan zou dit onevenredige administratieve lasten met zich mee brengen.

De in art. 305a Gemeentewet opgenomen werktuigenvrijstelling is in beginsel reeds verwerkt in de WOZ-waarde.

1.2 OZB-waarde

Op grond van gegevensnummer 2.3 kan worden vastgesteld of de OZB-waarde die voor de vaststelling van de OZB-capaciteit van belang is afwijkt van de WOZ-waarde. Als gevolg van verplichte vrijstellingen kunnen hiertussen verschillen optreden. Dit gegeven is verder noodzakelijk om een statistisch verband te kunnen leggen tussen de gemeentelijke belastingopbrengst en de gemeentelijke belastingcapaciteit, hetgeen noodzakelijk is in het kader van een statistische toets op plausibiliteit door het CBS.

1.3. Gegevens wetsfictiegemeenten

De gegevens genoemd onder III (gegevens over het totaal van onroerende zaken van een wetsfictiegemeente) dienen schriftelijk aan het CBS te worden verstrekt in het geleideformulier “opgave belastingcapaciteit”.

2. Bijlage 2

2.1 OZB-vrijstelling (2.2)

Aan het CBS worden gegevens geleverd over alle WOZ-objecten. Niet alle WOZ-objecten zullen door de gemeente (volledig) in de OZB-heffing worden betrokken. Dit gegeven (OZB-vrijstelling) is van belang om te bepalen welke objecten bijdragen aan de OZBcapaciteit van de gemeente, en voor welke waarde zij bijdragen.

Objecten die volgens artikel 220d, 305a of 243 van de Gemeentewet geheel buiten aanmerking blijven voor de OZB-heffing, dragen niet bij aan de OZB-capaciteit (OZB-vrijstelling = 2: verplichte vrijstelling).

Objecten die niet verplicht zijn vrijgesteld maar volgens de gemeentelijke belastingverordening toch geheel buiten aanmerking blijven voor de OZB-heffing, dragen wel bij aan de OZB-capaciteit (OZB-vrijstelling = 1 : facultatieve vrijstelling).

Objecten waarbij volgens artikel 220d, 305a of 243 van de Gemeentewet een deel buiten aanmerking blijft voor de OZB-heffing, dragen slechts bij aan de OZB-capaciteit voor de waarde op de OZB-aanslag, die dus lager zal zijn dan de WOZ-waarde (OZB-vrijstelling = 2: verplichte vrijstelling).

Objecten die niet verplicht zijn vrijgesteld, maar waarbij volgens gemeentelijke belastingverordening toch een deel buiten aanmerking blijft voor de OZB-heffing, dragen voor de volledige WOZ-waarde bij aan de OZB-capaciteit (OZB-vrijstelling = 1: facultatieve vrijstelling).

Hierbij wordt opgemerkt dat er alleen sprake is van een ’vrijstelling’ in dit kader indien voor de OZB wordt afgeweken van de WOZ-waarde. Als bij de waardebepaling in het kader van de wet WOZ reeds een deel van het object buiten aanmerking is gelaten in verband met een ’vrijstelling’, dan wordt het gegeven OZB-vrijstelling dus gelijk aan ’0’ (OZB-vrijstelling = 0: OZB-waarde = WOZ-waarde).

2.2 OZB-waarde (2.3)

Dit gegeven is alleen van belang als de waarde voor de OZB-heffing afwijkt van de WOZ-waarde (OZB-vrijstelling = 1 of 2). Ter wille van de eenvoud dient het gegeven echter altijd te worden geleverd. Indien het object geheel buiten de OZB-heffing blijft, staat hier de waarde ’0’. Indien het object geheel of gedeeltelijk in de OZB-heffing is betrokken, staat hier de waarde die op de OZB-aanslag staat.

2.3 Gebruikscode (2.4)

Dit gegeven is van belang om het onderscheid tussen woningen en niet-woningen te maken.

2.4 Belastingjaar (8.5)

Merk op dat het belastingjaar niet het jaar is waarin de WOZ-objecten zijn gewaardeerd. Voor de voorlopige gegevens is het belastingjaar het lopende jaar, voor de definitieve gegevens is het belastingjaar het jaar dat twee jaar voor het lopende jaar ligt.

2.5 Status gegevens (8.6)

’Voorlopig’ betreft de levering voor 1 maart van het lopende jaar. Dit zijn de initiële waardebeschikkingen van de onroerende zaken per 1 januari van dat jaar. Zie artikel 3. ’Definitief’ betreft de levering voor 1 april twee jaar later. Dit zijn de waardebeschikkingen zoals die op 1 januari van dat jaar definitief vaststaan (na bezwaar en beroep) van de onroerende zaken per 1 januari twee jaar geleden en beschikkingen waartegen nog bezwaar en beroep loopt. Zie artikel 3.

2.6 Leveringsformaat

Het leveringsbestand bevat drie soorten records. Het begint met een voorlooprecord en eindigt met een sluitrecord. Als het leveringsbestand over meerdere deelbestanden moet worden verdeeld omdat het aantal gegevensrecords te groot is voor één diskette, heeft ieder deelbestand een voorlooprecord en een sluitrecord. Verder bevat het leveringsbestand uitsluitend de gegevensrecords. De variabele record-identificatiecode geeft het soort record aan. De lengte van alle records in het leveringsbestand is 80 posities. Bij het aanmaken van het leveringsbestand dienen drie tellingen te worden uitgevoerd. Het eerste telgegeven is het aantal gegevensrecords in het bestand. Het tweede telgegeven is de som van gegevensnummer 2.1 (de vastgestelde WOZ-waarde) van alle WOZ-objecten in het bestand. Het derde telgegeven is de som van gegevensnummer 2.3 (de OZB-waarde) van alle WOZ-objecten in het bestand. Het resultaat van deze tellingen wordt weergegeven in het sluitrecord. Als het leveringsbestand over meerdere diskettes moet worden verdeeld bevat het sluitrecord dus de tellingen per diskette. Bij de verwerking van de gegevens zal het CBS dezelfde tellingen uitvoeren en controleren met het gegeven in het sluitrecord.

2.7 Technische specificaties

De gegevensuitwisseling dient te geschieden op MS-DOS compatible diskette, 3,5 inch high density, 1,44 Mb geformatteerd. Als een gemeente meer dan 17.500 WOZ-objecten heeft past het leveringsbestand niet op één diskette.

Er moeten dan meerdere diskettes worden gebruikt. Verder geldt nog het volgende:

- Alleen ASCII-formaat;

- De bestandsnamen op de diskettes dienen als volgt te luiden:

positie 1-4 gemeentenummer;

positie 5-6 belastingjaar waarop de gegevens betrekking hebben;

positie 7-8 volgnummer van de diskette;

geen extensie;

- Bestand alleen in de root van de diskette, dus geen subdirectories;

- Geen andere bestanden of toelichtende tekst op de diskette;

- Geen gebruik maken van compressie-programmatuur;

Voor de bestandsgegevens gelden de volgende technische specificaties:

Voor numerieke gegevens geldt dat:

- indien er geen waarde is dan wordt de waarde nul (0) toegekend;

- alle posities worden gevuld door links op te vullen met nullen;

- geen komma’s of punten in numerieke velden.

Voor alfanumerieke gegevens geldt dat:

- zowel hoofdletters als kleine letters zijn toegestaan;

- indien er geen waarde is dan worden de posities ingevuld met spaties;

- alle posities worden gevuld door rechts op te vullen met spaties.

Voor de records geldt dat:

- ieder record wordt opgevuld (filler) met spaties;

- ieder record wordt afgesloten met een CR/LF (carriage return/line feed).

2.8 Geleideformulier en tegenbewijsregeling

Het geleideformulier ’opgave belastingcapciteit’ dient tezamen met het leveringsbestand op diskette aan het CBS te worden gestuurd. Het formulier biedt informatie over de gegevenslevering.

Het onderdeel ’toepassing tegenbewijsregeling’ van het formulier is alleen van belang voor de zgn. wetsfictiegemeenten, dat wil zeggen gemeenten die gebruik maken van de waardepeildatum 1992, 1993 of 1994 in plaats van 1995 (zie art. 41 van de wet WOZ en art. 15 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet). Bij deze gemeenten kan het voorkomen dat sommige onroerende zaken toch de waardepeildatum 1995 hebben omdat de waarde van deze onroerende zaken in 1995 lager is dan de waarde op de oorspronkelijke peildatum. De totale waarde van de onroerende zaken met waardepeildatum 1995 moet apart worden opgegeven omdat hierop niet de indexering naar 1995 zal worden toegepast.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,

A.G.M. van de Vondervoort.

De Staatssecretaris van Financiën,

W.A.F.G. Vermeend.

Naar boven