Verlening winningsvergunning

Elf Petroland B.V. c.s. (Blokdeel J3a)

1 december 1995

nr. E/EOG/MW 95078650

Directie Olie en Gas

De Minister van Economische Zaken,

Gezien de aanvraag van 31 oktober 1986 van de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., gevestigd te ’s-Gravenhage, en DSM Energie B.V., gevestigd te Heerlen, om een vergunning ingevolge artikel 2, eerste lid, juncto artikel 13, eerste lid, van de Mijnwet continentaal plat (Stb. 1965, 428) voor het winnen van aardolie en aardgas, alsmede van andere daarmee tezamen in dezelfde afzetting voorkomende delfstoffen waarvan de samenhang met vorenbedoelde bitumina hun gelijktijdige winning onvermijdelijk maakt, in een deel van blok J3 welk blok is aangegeven op de als bijlage I bij het koninklijk besluit van 6 februari 1976 (Stb. 102) gevoegde kaart zoals deze luidde op het tijdstip waarop de opsporingsvergunning is verleend;

Overwegende, dat na indiening van de onderhavige vergunningsaanvrage met toepassing van artikel 19 van de Mijnwet continentaal plat overdracht van de hieronder te noemen opsporingsvergunning heeft plaatsgevonden in dier voege dat DSM Energie B.V. is uitgetreden en Elf Petroland B.V. is toegetreden;

Overwegende, dat aanvrager schriftelijk heeft verzocht, voor het geval bij de verlening van de gevraagde winningsvergunning gebruik wordt gemaakt van de in artikel 11, tweede lid, onder a, van bovengenoemde wet bedoelde bevoegdheid, krachtens artikel VII, eerste lid, van eerdergenoemd koninklijk besluit van 6 februari 1976 zoals dit luidde op het tijdstip waarop de opsporingsvergunning is verleend, af te wijken van het bepaalde in artikel IV van dat besluit, voor zover het betreft de aan de vergunning te verbinden voorschriften, opgenomen in de in laatstgenoemd artikel vermelde artikelen 1, onder b, en 5;

Overwegende, dat ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Mijnwet continentaal plat, zoals dit luidde ten tijde van de indiening van de aanvrage, de aanvrage is bekendgemaakt in de Staatscourant van 5 december 1986, nr. 236;

Overwegende, dat gedurende één maand na bedoelde bekendmaking geen bezwaren als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Mijnwet continentaal plat, zoals dat luidde ten tijde van de indiening van de aanvrage, tegen de verlening van de gevraagde vergunning zijn ingediend;

Overwegende, dat aanvrager met gebruikmaking van de hem bij beschikking van de Minister van Economische Zaken van 6 oktober 1976, nr. 376/III/1413/EM (Stcrt. 208), verleende opsporingsvergunning voor aardolie of aardgas in een deel van blok J3 aardgas in een economisch winbare hoeveelheid heeft aangetoond, zodat op zijn aanvrage een vergunning voor het winnen van genoemde delfstoffen dient te worden verleend, tenzij de omstandigheden waarin hij verkeert zodanig zijn veranderd, dat het verlenen van de gevraagde vergunning het algemeen belang zou schaden;

Overwegende, dat van een wijziging van de omstandigheden zoals hierboven bedoeld niet is gebleken;

Overwegende voorts, dat tegen de gevraagde afwijking van artikel IV als bedoeld in artikel VII, eerste lid, van hogergenoemd koninklijk besluit geen bezwaar bestaat;

Gehoord de Mijnraad (advies van 20 november 1995, kenmerk MIJR/95080414);

Gelet op de artikelen 2, 7, 8, 10, 11 en 13, eerste en tweede lid, van de Mijnwet continentaal plat, op de artikelen III, IV, VI, VII, eerste lid, en X van bovengenoemd koninklijk besluit van 6 februari 1976, zoals dit luidde op 6 oktober 1976, alsmede op het aan voornoemde opsporingsvergunning verbonden voorschrift, opgenomen in het in artikel II van evengenoemd besluit vermelde artikel 22;

Besluit:

Artikel I

Artikel 1

1. Aan Elf Petroland B.V. en de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., beide gevestigd te ’s-Gravenhage, wordt vergunning verleend voor het winnen van aardolie en aardgas, alsmede van andere daarmee tezamen in dezelfde afzetting voorkomende delfstoffen, waarvan de samenhang met vorengenoemde bitumina hun gelijktijdige winning onvermijdelijk maakt.

2. De vergunning geldt voor dat deel van het op de kaart, die als bijlage I is gevoegd bij bovengenoemd koninklijk besluit van 6 februari 1976 (Stb. 102) tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat, aangegeven blok J3 van het continentaal plat, dat wordt begrensd door de breedtecirkels tussen de puntenparen A-B en D-E, door de lengtecirkel tussen de punten C en D en door de grootcirkels tussen de puntenparen B-C, E-F, F-G, G-H en H-A.

De coördinaten van deze punten zijn:

A 54°00’00,00” N.B. en 02°51’27,57” O.L.

B 54°00’00,00” N.B. en 02°55’00,00” O.L.

C 53°54’00,00” N.B. en 03°00’00,00” O.L.

D 53°50’00,00” N.B. en 03°00’00,00” O.L.

E 53°50’00,00” N.B. en 02°56’45,00” O.L.

F 53°53’30,00” N.B. en 02°56’40,00” O.L.

G 53°55’35,00” N.B. en 02°54’35,00” O.L.

H 53°57’00,00” N.B. en 02°54’00,00” O.L.

3. De in het tweede lid genoemde coördinaten zijn geografische coördinaten, berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening.

Artikel 2

De vergunning wordt verleend met de beperkingen en voorschriften die zijn opgenomen in:

a. de in artikel II van bovengenoemd koninklijk besluit van 6 februari 1976 (Stb. 102) vermelde artikelen 1, 3, 12, 14, 15, 16, 17 en 18;

b. de in de artikelen III, IV en X van dat besluit vermelde artikelen, met uitzondering van de voorschriften, behorende tot de in artikel IV vermelde artikelen 1, onder b, en 5;

c. de hiernavolgende artikelen 3 tot en met 8.

Artikel 3

1. De vergunninghouder is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst tussen de vergunninghouder, de ingevolge het voorschrift, opgenomen in het in de artikelen IV van bovengenoemd koninklijk besluit van 6 februari 1976 (Stb. 102) vermelde artikel 1, onder a, op te richten vennootschap en de andere aandeelhouders van die vennootschap krachtens welke de vergunninghouder mede ten behoeve van die vennootschap zal winnen en welke onder meer de bepalingen behelst in het hierna volgende artikel 5 vermeld.

2. De overeenkomst als bedoeld in het voorgaande lid dient binnen 2 jaar na het van kracht worden van deze beschikking tot stand te zijn gekomen en door de Minister van Economische Zaken te zijn goedgekeurd.

Artikel 4

De vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Energie Beheer Nederland B.V., gevestigd te Heerlen, hierna te noemen EBN, wordt aangewezen als deelnemer in de vennootschap, die wordt opgericht in overeenstemming met het voorschrift dat aan deze vergunning is verbonden en dat vermeld staat in artikel 1, onder a, van artikel IV van bovengenoemd koninklijk besluit van 6 februari 1976.

Artikel 5

In de overeenkomst bedoeld in artikel 3 wordt bepalingen opgenomen ter uitvoering van de richtlijn 94/22/EG en worden voorts onder meer bepalingen opgenomen, welke:

a. de vennootschap ertoe verplichten de uitgaven van de vergunninghouder, die door de vennootschap zijn goedgekeurd of in overeenstemming zijn met een door deze goedgekeurd jaarlijks investerings- en financieringsplan, te financieren;

b. de vergunninghouder ertoe verplichten:

1. aan EBN over te dragen een aandeel gelijk aan 50% in de mede-eigendom van de werken, welke vóór de oprichting van de vennootschap tot stand zijn gekomen binnen het vergunningsgebied;

2. de voor hem uit de vergunning voortvloeiende rechten uit te oefenen mede ten behoeve van de vennootschap en overeenkomstig de besluiten van de vennootschap;

3. het door hem aangaan, wijzigen of beëindigen van duurzame samenwerking met derden, ter zake van de verkenning, opsporing en winning aan goedkeuring door de vennootschap te onderwerpen;

4. aan de vennootschap ten goede te doen komen zijn kennis en ervaring op het gebied van de verkenning, de opsporing, winning, afzet en het transport van aardgas en aardolie, in verband met het gebied waarvoor de vergunning geldt;

c. ertoe strekken dat:

1. de aandeelhouders in de vennootschap verplicht zijn middelen bestemd tot het doen van de uitgaven bedoeld onder a aan de vennootschap te verstrekken in verhouding tot ieders aandeel in de vennootschap;

2. de vennootschap geen eigendomsrechten zal doen gelden op de werken, die door het doen van de onder a bedoelde investeringen tot stand zijn gekomen en op de uit de voorkomens gewonnen en beschikbare hoeveelheden delfstoffen, alsmede geen aanspraken zal doen gelden op de opbrengst van bedoelde delfstoffen;

3. de onder 2 bedoelde werken en delfstoffen aan de aandeelhouders in de vennootschap toebehoren in verhouding tot ieders aandeel daarin;

4. ieder der aandeelhouders gerechtigd is zijn aandeel in de gewonnen en beschikbare hoeveelheden delfstoffen in natura op te nemen, met dien verstande dat de aandeelhouders zich jegens elkaar verplichten ernaar te zullen streven zoveel mogelijk samen te werken bij de verkoop van de gewonnen en beschikbare hoeveelheden delfstoffen uit de voorkomens;

5. de aandeelhouders ten behoeve van die afzet regelmatig overleg zullen plegen;

6. de vergunninghouder EBN tijdig inlicht en in staat stelt om een belang tot een percentage van 50 te nemen in te treffen regelingen die verband houden met de afzet van de gewonnen delfstoffen zoals het transport, de opslag en behandeling daarvan;

7. op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is.

Artikel 6

Elke houder van de vergunning is verplicht aan te tonen dat, tot zekerheid voor de betaling van hetgeen hij ingevolge de Mijnwet continentaal plat als houder van de vergunning dan wel door het gebruik maken daarvan aan de Staat verschuldigd zal worden, zijn medevergunninghouder(s) zich ieder voor zich borg stellen voor hem ten behoeve van de Staat door middel van een borgstelling waarvan de tekst als bijlage bij deze vergunning is gevoegd en van dit voorschrift deel uitmaakt.

Artikel 7

De vergunninghouder is verplicht binnen 2 jaar na het van kracht worden van deze beschikking met de Staat der Nederlanden een overeenkomst te sluiten inzake te stellen zekerheden voor de opruimingskosten van mijnbouwinstallaties na beëindiging van de produktie, waarvan de tekst als bijlage bij de vergunning is gevoegd en van dit voorschrift deel uitmaakt.

Artikel 8

Overtreding van de artikelen 3, 6 en 7 is een grond voor het intrekken van de vergunning.

Artikel II

Deze beschikking wordt bekendgemaakt in de Staatscourant. Daarin zal tevens worden bekendgemaakt wanneer zij van kracht is geworden.


’s-Gravenhage, 1 december 1995. De Minister van Economische Zaken,
G. J. Wijers.

Tegen dit besluit kan degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken binnen 6 weken na de dag van verzending van dit besluit een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Economische Zaken, Directie Wetgeving en andere Juridische Aangelegenheden, Postbus 20201, 2500 EC ’s-Gravenhage. Dit besluit is verzonden op de in de aanhef (van deze brief) vermelde datum.

Naar boven