Bekendmaking aan de Rijn- en Binnenvaart

Bekendmaking aan de Rijn- en Binnenvaart: Minimum-bemanning van sleepboten, sleepschepen, drijvende werktuigen, bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten in de Rijn- en binnenvaart

15 mei 1996

Nr. SI/21053/96

Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, tevens Voorzitter van de Commissie van Deskundigen te Rotterdam, bedoeld in artikel 2.01 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995,

Overwegende,

dat het gewenst is om voor categorieën van schepen, als bedoeld in artikel 14 van het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, alsmede in artikel 23.14 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, de minimum-bemanning vast te stellen;

dat overleg heeft plaatsgevonden met de betrokken organisaties;

Gelet op:

artikel 14, tweede en derde lid, van het Besluit vaartijden bemanningssterkte binnenvaart en artikel 23.14 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995;

Maakt bekend:

1. De minimum-bemanning van sleepboten, met uitzondering van havensleepboten, bestaat uit de bemanningsleden opgenomen in de bij deze bekendmaking behorende Bijlage A.

2. De minimum-bemanning van sleepschepen bestaat uit de bemanningsleden opgenomen in de bij deze bekendmaking behorende Bijlage B.

3. De minimum-bemanning van drijvende werktuigen, bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten bestaat uit de bemanning opgenomen in de bij deze bekendmaking behorende Bijlage C.

4. Op schepen als bedoeld in de onderdelen 1, 2 en 3 van deze bekendmaking is artikel 13 van het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, danwel de artikelen 23.09 en 23.13 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 van overeenkomstige toepassing.

5. De richtlijn van maart 1988, betreffende de bemanning Rijnvaart voor sleepboten, sleepschepen, drijvende werktuigen, alsmede bunkerboten wordt ingetrokken.

6. Deze bekendmaking treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze bekendmaking zal met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Rotterdam, 15 mei 1996.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie,
tevens Voorzitter van de Commissie van Deskundigen te Rotterdam,
H.G.H. Ten Hoopen.

Bijlage A

Bemanning sleepboten

Onder een sleepboot wordt verstaan een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen.

De minimum-bemanning van sleepboten, niet zijnde havensleepboten, bestaat uit de in de onderstaande tabel aangegeven bemanningsleden.

stcrt-1996-102-p14-SC6086-1.gif

Bijlage B

Bemanning sleepschepen

Onder een sleepschip wordt verstaan een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, gebouwd om te worden gesleept en dat

1°. niet is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen

2°. wel is voorzien van eigen mechanische voortstuwingsmiddelen, die slechts voor verplaatsing van het schip over kleine afstanden geschikt zijn.

De minimum-bemanning van sleepschepen bestaat uit de in de onderstaande tabel aangegeven bemanningsleden.

stcrt-1996-102-p14-SC6086-2.gif

Bijlage C

Bemanning drijvende werktuigen, bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten

Drijvende werktuigen

Drijvend werktuig: een drijvend bouwsel met mechanische installaties, dat is bestemd om op de binnenwateren te worden gebruikt, zoals een baggermolen, een elevator, een bok of een kraan, behalve indien het een fabriek of werkplaats is in de zin van de Arbeidswet van 1919 (Stb. 624).

Al naar gelang een drijvend werktuig bestemd is om tijdens het transport te worden gesleept of geduwd, ofwel zelfvarend is, wordt gehanteerd de bemanningstabel van Bijlage B van deze bekendmaking, of de bemanningstabellen 1 en 2 van Bijlage I van het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, danwel de betreffende bemanningstabellen van hoofdstuk 23 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn voor respectievelijk sleepschepen, hechte samenstellen of motorschepen.

Bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten

Bunkerschip: een schip dat langszij andere schepen gaat in havens of gedurende de vaart, met als doel deze schepen te bevoorraden.

Bilgeboot: een schip dat langszij andere schepen gaat in havens of gedurende de vaart, met als doel scheepsbedrijfsafval, als bedoeld in artikel 15.01, tweede lid, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995, van deze schepen in te nemen.

Pompoverslagboot: een schip dat langszij andere schepen of installaties gaat, met als doel stoffige en stuivende droge bulkgoederen, zoals cement, uit die schepen of installaties te zuigen en die vervolgens te pompen in andere schepen of installaties (silo’s, opslagruimten, siloauto’s en wagons).

Bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten met een lengte (L) van minder dan 35 m, die slechts op korte trajecten worden ingezet en waarvan als gevolg daarvan de vaartijd beperkt is, kunnen in de dagvaart, voor zover de omstandigheden dit toelaten, volstaan met één schipper.

De minimum-bemanning van bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten met een lengte (L) van 35 m of meer, alsmede bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten met een lengte (L) van minder dan 35 m die op niet korte trajecten worden ingezet, bestaat uit de bemanningsleden, opgenomen in tabel 1 van Bijlage I van het Besluit vaartijden en bemanningssterke binnenvaart, danwel de betreffende bemanningstabel van artikel 23.10 van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995.

Toelichting

Algemeen

Op 1 januari 1995 is de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart in werking getreden, die wordt uitgewerkt in het krachtens deze wet vastgestelde Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, verder te noemen het besluit.

In artikel 13 van het besluit wordt bepaald onder welke voorwaarden met name genoemde categorieën schepen met een minimum-bemanning zoals aangegeven in de tabellen van de bij het besluit behorende Bijlage 1 mogen worden geëxploiteerd.

In artikel 14, eerste en tweede lid, van het besluit is bepaald dat ten aanzien van de bemanningssterkte van niet onder de tabellen van de bij het besluit behorende Bijlage I vallende overige schepen, zoals sleepboten, veerponten en drijvende werktuigen, een beoordeling zal plaatsvinden voor elk schip afzonderlijk, dan wel voor categorieën daarvan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, na overleg met de regionaal directeur van de Dienst voor inspectie en informatie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (I-SZW).

Eveneens op 1 januari 1995 is in werking getreden het nieuwe Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995 (ROSR 1995) dat in de plaats is getreden van het ROSR 1976. Artikel 23.14 van dit reglement bepaalt dat de Commissie van Deskundigen, bedoeld in artikel 2.01 van het ROSR 1995 (verder te noemen de Commissie van Deskundigen), voor vaartuigen waarop de artikelen 23.10 tot en met 23.12 niet van toepassing zijn, zoals sleepboten, sleepschepen en drijvende werktuigen, vaststelt welke bemanning zich tijdens de vaart aan boord moet bevinden, naar gelang hun afmetingen, bouwwijze inrichting en bestemming. Ten aanzien van bunkerschepen die slechts op korte riviergedeelten ingezet mogen worden kan de Commissie van Deskundigen een minimum-bemanning voorschrijven die afwijkt van artikel 23.10 van het ROSR 1995. De genoemde artikelen stemmen overeen met de corresponderende artikelen van hoofdstuk 14 van het ROSR 1976.

Specifiek

Met de onderhavige bekendmaking wordt uitvoering gegeven aan de in het algemene deel van deze toelichting genoemde artikelen van het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart, en het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995.

Voor sleepboten en sleepschepen is de minimum-bemanning aangegeven in de tabellen van respectievelijk de bij de onderhavige bekendmaking behorende Bijlage A en Bijlage B. Hiervoor is aansluiting gezocht bij eendere tabellen zoals aangegeven in de bij Mededeling nr. 111 ROSR 1976 van maart 1988 behorende Bijlage 2. Deze mededeling werd voorheen gehanteerd door de Commissie van Deskundigen te Rotterdam ter uitvoering van artikel 14.13 van het ROSR 1976. De criteria scheepslengte en vermogen van de voortstuwingsmotor zijn geactualiseerd.

De in de bij de onderhavige bekendmaking behorende Bijlage C vastgestelde minimum-bemanning voor drijvende werktuigen is inhoudelijk ongewijzigd uit de voornoemde mededeling overgenomen. De minimum-bemanning van bunkerschepen, bilgeboten en pompoverslagboten met een lengte (L) van minder dan 35 m, is eveneens aangegeven in de bij de onderhavige bekendmaking behorende Bijlage C. Ten aanzien van eerder genoemde mededeling betekent dit een uitbreiding van het aantal categorieën waarop die bekendmaking van toepassing is.

De voorwaarden waaronder deze categorieën schepen met de aangegeven minimum-bemanning mogen varen bevat een tweetal open normen. In de eerste plaats betreft dit het begrip ’korte trajecten’ (laatste alinea Bijlage C), waarbij met name valt te denken aan trajecten die worden afgelegd binnen een gebied dat redelijkerwijs tot het verzorgingsgebied van de onderneming die de betreffende schepen exploiteert mag worden gerekend. In de tweede plaats betreft dit de zinsnede ’voor zover de omstandigheden dit toelaten’ (voorlaatste alinea Bijlage C). Voor situaties waarin hiervan geen sprake is, valt onder andere te denken aan het varen onder ongunstige meteorologische omstandigheden, en wel in het bijzonder op wateren van de zone 2, maar ook aan de omstandigheid dat aan boord van een bunkerschip gebruik moet worden gemaakt van hijswerktuigen om daarmee zeeschepen te bevoorraden.

Naar boven