Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg (cluster)Staatscourant 1995, 98 pagina 9Overig

Uitspraak Medisch Tuchtcollege Groningen

1994/43

Het Medisch Tuchtcollege te Groningen heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht, ingediend door mevrouw A, wonende te B, tegen drs. C, huisarts te B.

1. Verloop van de procedure

Bij brief van 19 juli 1994 heeft klaagster een klacht ingediend tegen de aangeklaagde arts.

Bij brief van 7 augustus 1994 heeft aangeklaagde verweer gevoerd.

Het College heeft de klacht behandeld ter zitting van 6 maart 1995 in aanwezigheid van beide partijen.

2. De klacht

De klacht luidt in hoofdzaak als volgt.

Klaagster is omstreeks 1 april 1994 zwanger geworden. Zij stelde zich onder behandeling van de gynaecoloog D. Omstreeks 10 juni 1994 was het duidelijk dat de vrucht overleden was.

Wegens het feit, dat klaagster voor epilepsie wordt behandeld door de neurologe E, die in overleg met de gynaecoloog D een abortus-curettage ontraadde, werd een afwachtend beleid afgesproken. De gynaecoloog heeft in overleg met de neuroloog geadviseerd de overleden vrucht te laten zitten tot de hormonen waren afgenomen, zodat de vrucht op natuurlijke wijze door het lichaam zou worden afgestoten, en niet tot vroegtijdige curettage waardoor zij weer last zou kunnen krijgen van epilepsie, die nauw verbonden is met de menstruatiecyclus.

Op vrijdagavond 1 juli 1994 begon klaagster te vloeien, op de dag erna nam dit toe en kreeg zij veel pijn.

Klaagster had met de gynaecoloog, die haar driemaal per week controleerde, de afspraak dat zij, zodra er weeën zouden komen of er zich andere bijzondere omstandigheden voordeden, eerst hem zou consulteren en bij zijn afwezigheid de huisarts en dat zij anders naar het ziekenhuis zou gaan.

Op 2 juli 1994 ’s avonds kon zij noch de gynaecoloog bereiken – die een weekend naar F was – noch de huisarts, waarop zij om ongeveer 20.00 uur aangeklaagde als waarnemend huisarts telefonisch vroeg om haar te bezoeken. Aangeklaagde gaf eerst een sneer aan de gynaecoloog en zei dat afwachten op een miskraam niet nodig was; hij deed alsof hij zelf specialist was. Daarna wilde hij weten hoe klaagster verzekerd was en nadat zij had gezegd dat zij ziekenfonds verzekerd was zei hij dat hij niet langs kwam. Als het bloeden zeer toenam, dan moest klaagster maar gaan liggen en als er wat stukken bijzaten dan moest klaagster die maar in een plastic zak doen, zodat de specialist de volgende week kon zien wat er uit gekomen was.

Om 00.30 uur werd de pijn zo hevig dat klaagster zich nauwelijks kon verroeren en werd de bloeding zo erg dat de incontinentieluier het niet kon houden. Klaagsters echtgenoot heeft aangeklaagde weer opgebeld. Hij weigerde weer te komen en hij zei dat dit er gewoon bijhoorde. Haar echtgenoot zei zelf een ambulance te bellen, waarna aangeklaagde zei dat dit voor zijn risico was.

Klaagsters echtgenoot heeft haar daarop direct in de auto gedragen en naar ziekenhuis G gereden. Na pijnstilling en een slaapmiddel is de vruchtzak om ongeveer 2.00 uur in zijn geheel er uit gekomen met het vruchtwater en de vrucht er nog in. Het kleine mensje was al duidelijk herkenbaar met alles erop en eraan.

’s Morgens is zij door de gynaecoloog van het ziekenhuis gecuretteerd.

Klaagster is van mening dat aangeklaagde zeer onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld.

3. Het verweer

Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

Tijdens een erg drukke en warme weekenddienst, twee waarnemers voor 9 praktijken met 16.000 patiënten, werd aangeklaagde in de late namiddag door klaag-ster telefonisch medegedeeld dat zij sinds 1 juli vloeide – rood bloed, geen stolsels – en krampen in haar buik had, die erger werden en waar ze naar haar eigen zeggen al drie weken op wachtte. Op zijn vragen vertelde klaag-ster dat de gynaecoloog D drie weken tevoren bij een echoscopie-contrôle het hartje niet meer voelde kloppen en dat hij in overleg met de neuroloog had besloten te wachten tot de vrucht spontaan zou worden afgedreven, omdat dit het beste was voor haar hormonen en epilepsie. In de tussentijd werd zij nauwkeurig en intensief gecontroleerd door de gynaecoloog. Omdat dit aangeklaagde vreemd voorkwam, vroeg hij klaagster welk doel hiermee beoogd werd. Klaagster vond deze vraag kennelijk onprettig. Aangeklaagde heeft klaagster daarop de standaardadviezen gegeven.

Om ongeveer 01.00 uur werd aangeklaagde gebeld door iemand die zijn naam niet noemde maar hem de vraag stelde of hij zich nog het telefoontje herinnerde van een vrouw die een miskraam had. Na zijn bevestigend antwoord zei de man dat zijn vrouw naar het ziekenhuis moest, waarop aangeklaagde zei dat hij dat dan maar moest doen. Er is toen niet om een visite gevraagd.

Omdat het aangeklaagde niet lekker zat, heeft hij de volgende dag de dienstdoende gynaecoloog bij het ziekenhuis gebeld, die hem mededeelde dat klaagster een spontane abortus had gehad en dat hij curettage gewenst achtte.

Aangeklaagde ontkent met de meeste nadruk dat hij verschil maakt tussen fondspatiënten en particuliere patiënten; hij heeft daarnaar gevraagd in verband met het opnemen van de nodige gegevens.

4. Beoordeling van de klacht

Het College is van oordeel dat, wat er ook zij van zijn verbazing over de handelwijze en het advies van de behandelend gynaecoloog en de neuroloog, de mededelingen en klachten van klaagster voor aangeklaagde aanleiding hadden moeten zijn om na het eerste telefoongesprek klaagster te bezoeken om zich een juist oordeel te kunnen vormen over de situatie en op grond van zijn bevindingen – ook terzake van wat er al dan niet tevoren was geregeld – te handelen of niet te handelen.

Aangeklaagde heeft klaagster tijdens een situatie, die door hem via de telefoon niet kon worden beoordeeld, en waarbij zij zijn bijstand nodig had, in de kou laten staan en daarmee onaanvaardbare risico’s laten lopen.

Het College acht de klacht dan ook gegrond en legt de maatregel van waarschuwing op.

5. Beslissing

Het Medisch Tuchtcollege te Groningen,

Rechtdoende,

Verklaart de klacht gegrond,

Legt op de maatregel van waarschuwing,

Bepaalt dat deze beslissing op de wijze als voorgeschreven bij artikel 13B van de Medische Tuchtwet wordt bekend gemaakt door toezending met het verzoek tot plaatsing aan de Nederlandse Staatscourant, alsmede aan de volgende tijdschriften:

– Tijdschrift voor Gezondheidsrecht,

– Medisch Contact,

– Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Aldus gewezen door:

mr. T. Duursma, voorzitter,

prof.dr. J.N. Homan van der Heide,

lid-geneeskundige,

mw drs. P.W. Chin A Paw-v.d. Sloot, lid-geneeskundige,

drs. F.G.H. de Noord, lid-geneeskundige,

dr. D.L. Fontein, plv. lid-geneeskundige,

en uitgesproken op 3 april 1995 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.