Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 1995, 93Algemeenverbindendverklaring van CAO-bepalingen

Agrarische Sectoren

inzake aanvullingsfonds bij ziekte 1995/1998

Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

ALGEMEEN VERBINDENDVERKLARING VAN GEWIJZIGDE BEPALINGEN VAN DE COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR DE AGRARISCHE SECTOREN INZAKE AANVULLINGSFONDS BIJ ZIEKTE

8274

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelezen het verzoek van Landbouwschap namens de Katholieke Nederlandse Boeren- en Tuindersbond, de Nederlandse Christelijke Boeren- en Tuindersbond, het Koninklijk Nederlands Landbouw Comité, namens de bij hen aangesloten provinciale en gewestelijke organisaties, de Christelijke Boeren- en Tuindersbond „West-Nederland", de Hollandse Maatschappij van Landbouw, de Nederlandse Bond van Boomkwekers, de Vereniging van Werkgevers in het Tuinbouwbedrijf, de Katholieke Land- en Tuinbouwbond, de Bond van Loonbedrijven voor Agrarisch- en Grondverzetwerk, de Federatie van Land- en Tuinbouwwerktuigen Exploiterende Coöperaties, de „Coöperatieve Bond voor Agrarische Bedrijfsverzorging W.A. in Noord- en West-Nederland" (CBAB), de „Coöperatieve Vereniging voor Agrarische Bedrijfsverzorging B.A." (CVAB), de Bond van Verenigingen voor Bedrijfshulp in Noord-Brabant en aangrenzende gebieden, de Bond voor Bedrijfshulp Zeeland, als partijen te ener zijde alsmede namens de Voedingsbond FNV en de Industrie- en Voedingsbond CNV als partijen te anderer zijde bij de collectieve arbeidsovereenkomst agrarische sectoren inzake aanvullingsfonds bij ziekte, strekkende tot algemeen verbindendverklaring van gewijzigde bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Overwegende,

dat de wijziging van genoemde collectieve arbeidsovereenkomst in werking is getreden;

dat van het verzoek tot algemeen verbindendverklaring mededeling is gedaan in de Nederlandse Staatscourant;

dat naar aanleiding van dit verzoek geen schriftelijke bezwaren zijn ingebracht;

dat de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst gelden voor een belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen;

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Gezien het advies van de Stichting van de Arbeid;

Besluit:

I. Trekt in zijn besluit van 29 december 1993 (Stcrt. 1993, nr. 252) waarin werd overgegaan tot het algemeen verbindend verklaren van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Agrarische sectoren inzake aanvullingsfonds bij ziekte, zulks met inachtneming van hetgeen onder IV en V is bepaald;

II. Verklaart algemeen verbindend tot en met 31 december 1998 en voor zover het betreft de artikelen 5 t/m 10, 13 en artikel 14 lid 2 en lid 3 tot en met 31 december 1995 de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Agrarische sectoren inzake aanvullingsfonds bij ziekte alsmede de daarbij behorende statuten en het reglement van de Stichting Aanvullingsfonds ZW- en WAO-uitkeringen Agrarische Sectoren, eerder algemeen verbindend verklaard bij besluit van 29 december 1993 (Stcrt. 1993, nr. 252), zulks met inachtneming van de navolgende wijzigingen en hetgeen onder III, IV en V is bepaald:

Het bepaalde in artikel 9 wordt gelezen als volgt:

„Artikel 9 Vakantiebonnen en pensioenpremie

  • 1. De werknemer bedoeld in artikel 3 sub a, die ziekengeld ontvangt en tijdens de laatstelijk door hem verrichte arbeid of tijdens het genot van uitkering krachtens de WW een aanspraak had op vakantiebonnen van de Stichting Vakantiefonds voor de Landbouw, wordt over iedere dag waarover hij ziekengeld ontvangt, een vakantiebon verstrekt.

  • Ingaande de zevende maand1 van de ongeschiktheid tot werken wordt in de vakantiebon geen vergoeding voor de opbouw van vakantiedagen tijdens ziekte opgenomen. Er wordt eveneens een vakantiebon verstrekt over de periode genoemd in artikel 5 lid 1b en lid 3, tweede volzin.

  • 2. De werknemer bedoeld in artikel 3 sub a, die ziekengeld ontvangt en voor wie tijdens de laatstelijk door hem verrichte arbeid of tijdens het genot van uitkering krachtens de WW, premie verschuldigd was aan de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de landbouw, wordt over iedere dag waarover hij ziekengeld ontvangt, de pensioenpremie verstrekt welke voor zijn pensioenverzekering aan het betrokken fonds zou zijn verschuldigd. Deze pensioenpremie wordt ten name van de werknemer aan het genoemde fonds overgemaakt. Er wordt eveneens een pensioenpremie verstrekt over de periode genoemd in artikel 5 lid 1b en lid 3, tweede volzin."

Het bepaalde in artikel 16 wordt gelezen als volgt

„Artikel 16 Heffing

  • 1. De werkgever is gehouden jaarlijks ten behoeve van de uitvoering van de in artikelen 4 tot en met 14 bedoelde regelingen die op hem van toepassing zijn, heffingen te betalen. De heffing wordt berekend naar het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering met dien verstande dat als maximumloon per dag wordt aangehouden het maximum premiedagloon in de zin van artikel 9 lid 1 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. De eventueel via de werkgever bij arbeidsongeschiktheid doorbetaalde uitkering wordt, voor zover via de uitkerende instantie hiervoor geen vergoeding ter compensatie van de door de werkgever verschuldigde heffing is verstrekt, in mindering gebracht op het hiervoor bedoelde heffingsloon.

  • 2. De heffing voor de regeling genoemd in hoofdstuk 2 wordt berekend over de verzekerde loonsom op basis waarvan de BV TAB de wettelijke premie voor de Ziektewet voor het desbetreffende jaar vaststelt. Voor de kleine werkgever bedraagt de heffing met ingang van 1 januari 1995:

    • 1,65% indien de kleine werkgever behoort tot de lage categorie zoals deze krachtens artikel 60 van de Ziektewet door de ter zake bevoegde bedrijfsvereniging is vastgesteld;

    • 2,30% indien de kleine werkgever behoort tot de midden categorie zoals deze krachtens artikel 60 van de Ziektewet door de ter zake bevoegde bedrijfsvereniging is vastgesteld;

    • 2,95% indien de kleine werkgever behoort tot de hoge categorie zoals deze krachtens artikel 60 van de Ziektewet door de ter zake bevoegde bedrijfsvereniging is vastgesteld;

    • 3,75% indien de kleine werkgever behoort tot de categorie „hoog/hoog" zoals deze krachtens artikel 60 van de Ziektewet door de ter zake bevoegde bedrijfsvereniging is vastgesteld.

  • 3. De heffing voor de regeling genoemd in hoofdstuk 3 wordt berekend over de verzekerde loonsom op basis waarvan de BV TAB de wettelijke premie voor de Ziektewet voor het desbetreffende jaar vaststelt. Voor de grote werkgever met een week eigen risico bedraagt de heffing met ingang van 1 januari 1995:

    • 2,85% indien de grote werkgever met een week eigen risico behoort tot de lage categorie zoals deze krachtens artikel 60 van de Ziektewet door de ter zake bevoegde bedrijfsvereniging is vastgesteld;

    • 3,40% indien de grote werkgever met een week eigen risico behoort tot de midden categorie zoals deze krachtens artikel 60 van de Ziektewet door de ter zake bevoegde bedrijfsvereniging is vastgesteld;

    • 3,95% indien de grote werkgever met een week eigen risico behoort tot de hoge categorie zoals deze krachtens artikel 60 van de Ziektewet door de ter zake bevoegde bedrijfsvereniging is vastgesteld;

    • 5,05% indien de grote werkgever met een week eigen risico behoort tot de categorie „hoog/hoog" zoals deze krachtens artikel 60 van de Ziektewet door de ter zake bevoegde bedrijfsvereniging is vastgesteld.

  • 4. De heffing voor de regeling genoemd in hoofdstuk 3 wordt berekend over de verzekerde loonsom op basis waarvan de BV TAB de wettelijke premie voor de Ziektewet voor het desbetreffende jaar vaststelt. Voor de grote werkgever met zes weken eigen risico bedraagt de heffing met ingang van 1 januari 1995:

    • 0,75% indien de grote werkgever met zes weken eigen risico behoort tot de lage categorie zoals deze krachtens artikel 60 van de Ziektewet door de ter zake bevoegde bedrijfsvereniging is vastgesteld;

    • 1,30% indien de grote werkgever met zes weken eigen risico behoort tot de midden categorie zoals deze krachtens artikel 60 van de Ziektewet door de ter zake bevoegde bedrijfsvereniging is vastgesteld;

    • 1,85% indien de grote werkgever met zes weken eigen risico behoort tot de hoge categorie zoals deze krachtens artikel 60 van de Ziektewet door de ter zake bevoegde bedrijfsvereniging is vastgesteld;

    • 2,95% indien de grote werkgever met zes weken eigen risico behoort tot de categorie „hoog/hoog" zoals deze krachtens artikel 60 van de Ziektewet door de ter zake bevoegde bedrijfsvereniging is vastgesteld.

  • 5. De heffing voor de regeling genoemd in hoofdstuk 4 wordt berekend over de verzekerde loonsom op basis waarvan de BV TAB de wettelijke premie voor de Ziektewet voor het desbetreffende jaar vaststelt. Voor de grote en kleine werkgever bedraagt de heffing met ingang van 1 januari 1994 0,2%.

  • 6. Voorzover de premie voor Ziektewet wat het werknemersdeel betreft minder bedraagt dan een procent is door de werknemer verschuldigd van de heffingen genoemd in de voorgaande leden totaal ten hoogste een procent min het werknemersdeel van de Ziektewetpremie van zijn voor de heffingberekening in aanmerking komend loon, en het overblijvende door de werkgever.

  • 7. Het in het vorige lid bedoelde werknemersdeel in de heffing wordt berekend over het loon als bedoeld in de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (CSV) van de werknemer, alvorens is gegeven aan het bepaalde in artikel 6 lid 1 sub i van de CSV."

Artikel 18 „Regres op derden en op werkgever" wordt vernummerd naar artikel 17.

Het bepaalde in artikel 11 van de Statuten wordt gelezen als volgt:

„Artikel 11 Beheer van de Geldmiddelen

  • 1. De geldmiddelen van de stichting moeten, voorzover zij niet in contanten aanwezig zijn of overeenkomstig artikel 12 zijn belegd, zijn gestort op een ten name van de stichting staande bank- of postrekening. Het bestuur wijst de bankinstelling(en) aan, waarbij bankrekeningen kunnen worden geopend.

  • 2. De geldswaardige papieren van de stichting zullen bij een door het bestuur aan te wijzen bankinstelling in open bewaargeving worden gegeven. De beschikking over dan wel de toegang tot deze geldswaardige papieren is slechts mogelijk door twee personen gezamenlijk, hiertoe door het bestuur gemachtigd, onverminderd het in artikel 6 bepaalde.

  • 3. Het bestuur zal de kosten van beheer van de geldmiddelen en de wijze van verrekening van die kosten vaststellen."

Het bepaalde in artikel 12 van de Statuten wordt gelezen als volgt:

„Artikel 12 Belegging

  • 1. Voorzover gelden van de stichting voor belegging beschikbaar zijn, worden deze gelden door het bestuur belegd, met inachtneming van in redelijkheid daaraan te stellen eisen van liquiditeit, rendement en risico-verdeling.

  • 2. Belegging van gelden kan slechts plaatshebben in waarden, genoemd in artikel 5, eerste en tweede lid der Beleggingswet (Wet van negen en twintig december negentienhonderd acht en twintig, Staatsblad 507, zoals sindsdien gewijzigd)."

Het bepaalde in artikel 15 van de Statuten wordt gelezen als volgt:

„Artikel 15

  • 1. Jaarlijks wordt vóór één juli een verslag over het afgelopen boekjaar opgemaakt, dat, na te zijn vastgesteld overeenkomstig deze statuten, wordt gepubliceerd.

  • 2. Het verslag moet bevatten:

    • a. een algemeen overzicht van de activiteiten van de stichting gedurende het afgelopen boekjaar;

    • b. in voorkomende gevallen een verklarend overzicht van de wijzigingen, die in de statuten en/of de reglementen van de stichting zijn aangebracht; en

    • c. een algemeen overzicht van het financieel beheer van de stichting.

  • 3. Het verslag wordt ter inzage van de bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers neergelegd:

    • a. ten kantore van het fonds,

    • b. ten kantore van het GUO,

    • c. op een of meer door de Minister van Sociale Zaken aan te wijzen plaatsen.

  • 4. Het verslag wordt op aanvraag aan de bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten."

Het bepaalde in artikel 19 van de Statuten wordt gelezen als volgt:

„Artikel 19 Reglementen

  • 1. Het Bestuur is bevoegd binnen de door deze statuten aangegeven grenzen een huishoudelijk reglement en andere reglementen vast te stellen.

  • 2. Deze reglementen, alsmede wijzigingen daarvan, behoeven alvorens van kracht te zijn, de goedkeuring van de Hoofdafdeling Sociale Zaken het Landbouwschap.

  • 3. De reglementen, alsmede de in de statuten en reglementen aangebrachte wijzigingen zullen niet in werking treden alvorens een volledig exemplaar van die stukken onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin, door het bestuur van de stichting ondertekend, voor een ieder ter inzage is neergelegd ter griffie van het Kantongerecht te 's-Gravenhage."

Het bepaalde in artikel 1 van het Uitkeringsreglement wordt gelezen als volgt:

„Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:

  • a. GUO: de Vereniging Gezamenlijk Uitvoeringsorgaan;

  • b. ZW: de Ziektewet;

  • c. AAW: de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet;

  • d. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

  • e. WW: de Werkloosheidswet;

  • f. werkgever:

    • 1. de werkgever in de zin van de CAO inzake aanvullingsfonds ZW- en WAO-uitkering agrarische sectoren 1994/1998;

    • 2. de werkgever in de zin van een andere, voor een bepaalde agrarische sector afgesloten, en bij de Dienst Collectieve Arbeidsvoorwaarden geregistreerde CAO, waarin met instemming van het bestuur van de Stichting Aanvullingsfonds ZW- en WAO-uitkeringen Agrarische Sectoren is voorzien in dezelfde regeling terzake van inkomensaanvullingen als in de onder 1. bedoelde CAO.

  • g. werknemer:

    • 1. de werknemer in de zin van de CAO inzake aanvullingsfonds ZW- en WAO-uitkering agrarische sectoren 1994/1998;

    • 2. de werknemer in de zin van een andere, voor een bepaalde agrarische sector afgesloten, en bij de Dienst Collectieve Arbeidsvoorwaarden geregistreerde CAO, waarin met instemming van het bestuur van de Stichting Aanvullingsfonds ZW- en WAO-uitkeringen Agrarische Sectoren is voorzien in dezelfde regeling terzake van inkomensaanvullingen als in de onder 1. bedoelde CAO;

    • 4. de werknemer die op grond van artikel 7 van de ZW als werknemer wordt beschouwd;

  • h. regeling: de CAO inzake aanvullingsfonds ZW- en WAO-uitkering agrarische sectoren 1994/1998;

  • i. SAZAS: de Stichting Aanvullingsfonds ZW- en WAO-uitkeringen Agrarische Sectoren, als bedoeld in artikel 15 van de CAO inzake aanvullingsfonds ZW- en WAO-uitkering agrarische sectoren 1994/1998;

  • j. loon: loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering;

  • k. dagloon:

    • 1. het dagloon dat is vastgesteld op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 15 van de ZW;

    • 2. het dagloon dat is vastgesteld op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 14 en 15 van de WAO;

  • 1. ziekte: ziekte als bedoeld in artikel 19 van de ZW."

Het bepaalde in artikel 6 van het Uitkeringsreglement wordt gelezen als volgt:

„Artikel 6 Vakantiebonnen

  • 1. De werknemer, die tijdens de laatstelijk door hem verrichte arbeid of tijdens het genot van uitkering krachtens de WW, aanspraak had op vakantiebonnen van de Stichting Vakantiefonds voor de Landbouw, wordt over iedere dag waarover hij ziekengeld ontvangt, een aanvulling in de vorm van een vakantiebon verstrekt, die de werknemer ware hij niet ongeschikt tot werken wegens ziekte geworden, krachtens de voor hem geldende vakantieregeling zou hebben ontvangen.

  • Er wordt eveneens een vakantiebon verstrekt over de periode genoemd in artikel 2 lid 1 en lid 4, eerste volzin.

  • 2. De aanvulling als bedoeld in het eerste lid bedraagt 24,5% van het dagloon, als bedoeld in artikel 1, onder k, sub 1 van de werknemer. Met ingang van de zevende maand1 van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, wordt het percentage zodanig aangepast dat daarin geen vergoeding meer is opgenomen voor de opbouw van vakantiedagen.

  • Dit percentage bedraagt tot en met 30 juni 1995 11,5%.

  • 3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet indien en voor zolang de werknemer aanspraak heeft op vakantiebonnen van zijn werkgever."

Het bepaalde in artikel 8 van het Uitkeringsreglement wordt gelezen als volgt:

„Artikel 8 Pensioenpremie

  • 1. Aan de werknemer, die tijdens de laatstelijk door hem verrichte arbeid of tijdens het genot van uitkering krachtens de WW, voor wie premie verschuldigd was aan de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw, wordt over iedere dag waarover hij ziekengeld ontvangt een aanvulling in de vorm van de pensioenpremie verstrekt welke ware hij niet ongeschikt tot werken wegens ziekte geworden voor zijn pensioenverzekering aan het betrokken fonds zou zijn verschuldigd.

  • De aanvulling wordt ten name van de werknemer aan het Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw overgemaakt.

  • Er wordt eveneens pensioenpremie verstrekt over de periode genoemd in artikel 2 lid 1 en lid 4, eerste volzin.

  • 2. Indien de werkgever tijdens de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte van de werknemer het loon van de werknemer doorbetaalt, wordt de aanvulling als bedoeld in het eerste lid, voor zover en zolang de werknemer recht heeft op de genoemde aanvulling, gelijktijdig met de uitkering van het ziekengeld aan de werkgever uitbetaald.

  • 3. Voor de werknemer, wiens ziekengeld is berekend naar een dagloon, als bedoeld in artikel 1, onder k, sub 1, vastgesteld met toepassing van artikel 8 van het Dagloonbesluit Ziektewet – BV TAB, risicogroep Agrarische Bedrijven in verbinding met artikel 8, eerste lid van de Dagloonregelen Ziektewet dan wel met toepassing van artikel 11a, derde lid, van de Dagloonregelen Ziektewet wordt de hoogte van de aanvulling verminderd naar evenredigheid van de vermindering welke het dagloon van deze werknemer ten gevolge van de genoemde artikelen ondergaat.

  • 4. Voor de werknemer, die ziekengeld ontvangt en voor wie pensioenpremie zou worden verstrekt indien:

    • a. hij bij de beschikking tot verplichtstelling van de deelneming in het Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw als bedoeld in artikel 3 van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, niet van de verplichting tot deelneming zou zijn uitgezonderd, terwijl overigens de categorie van werknemers waartoe hij behoort wel verplicht deelneemt en op hem een pensioenregeling, waarin de deelneming niet krachtens voornoemd artikel is verplichtgesteld of een door zijn werkgever voor hem als werknemer getroffen pensioenvoorziening van toepassing is, dan wel

    • b. ter zake van een bijzondere pensioenvoorziening te zijnen aanzien geen vrijstelling van de verplichting tot deelneming in het desbetreffende bedrijfspensioenfonds of van de verplichting tot premiebetaling in dat fonds op grond van het bepaalde krachtens artikel 5, tweede en derde lid, van de onder a. genoemde wet, zou zijn verleend,

  • wordt de premie voor de op hem van toepassing zijnde pensioenvoorziening als aanvulling verstrekt ter hoogte van het bedrag van eerstbedoelde premie.

  • 5. Ten aanzien van de aanvulling als bedoeld in het vorige lid, is het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing. De aanvulling wordt ten name van de werknemer aan diens werkgever ten behoeve van het Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw overgemaakt.

  • 6. Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing indien het een werknemer betreft, wiens dienstbetrekking is geëindigd en wiens recht op ziekengeld aan het bepaalde in de artikelen 7 of 46 van de ZW wordt ontleend."

Het bepaalde in artikel 1 van het Heffingsreglement wordt gelezen als volgt:

„Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:

  • a. GUO: de Vereniging Gezamenlijk Uitvoeringsorgaan;

  • b. werkgever:

    • 1. de werkgever in de zin van de CAO inzake aanvullingsfonds ZW- en WAO-uitkering agrarische sectoren 1994/1998;

    • 2. de werkgever in de zin van een andere, voor een bepaalde agrarische sector afgesloten, en bij de Dienst Collectieve Arbeidsvoorwaarden geregistreerde CAO, waarin met instemming van het bestuur van SAZAS is voorzien in dezelfde regeling terzake van inkomensaanvullingen als in de onder 1. bedoelde CAO.

  • c. werknemer:

    • 1. de werknemer in de zin van de CAO inzake aanvullingsfonds ZW- en WAO-uitkering agrarische sectoren 1994/1998;

    • 2. de werknemer in de zin van een andere, voor een bepaalde agrarische sector afgesloten, en bij de Dienst Collectieve Arbeidsvoorwaarden geregistreerde CAO, waarin met instemming van het bestuur van SAZAS is voorzien in dezelfde regeling terzake van inkomensaanvullingen als in de onder 1. bedoelde CAO;

    • 4. de werknemer die op grond van artikel 7 van de ZW als werknemer wordt beschouwd;

  • d. regeling: de CAO inzake aanvullingsfonds ZW- en WAO-uitkering agrarische sectoren 1994/1998;

  • e. SAZAS: de Stichting Aanvullingsfonds ZW- en WAO-uitkeringen Agrarische Sectoren;

  • f. loon: loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, alvorens toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 6 lid 1 sub i van de CSV."

Het bepaalde in artikel 2 van het Heffingsreglement wordt gelezen als volgt:

„Artikel 2 Heffing

  • 1. De werkgever is gehouden jaarlijks met inachtneming van het hierna en in de regeling bepaalde ten behoeve van de uitvoering van de regeling een heffing over het loon van de in dienst (geweest) zijnde werknemers te betalen.

  • Op grond van artikel 16 lid 6 van de regeling is de werknemer in de aldaar bedoelde gevallen verplicht een bijdrage te leveren in de verschuldigde premie.

  • 2. De heffing bestaat uit het percentage, dat door het bestuur van SAZAS jaarlijks wordt vastgesteld.

  • 3. De betaling van de heffing dient te geschieden aan het GUO."

Het bepaalde in artikel 3 van het Heffingsreglement wordt gelezen als volgt:

„Artikel 3 Vaststelling heffing en voorschotheffing

  • 1. Voor het einde van elk kalenderjaar stelt het bestuur van SAZAS ten aanzien van elke werkgever de over dat kalenderjaar te zijner laste komende heffing vast. De vaststelling van de heffing geschiedt aan de hand van de door de werkgever over elk boekjaar in te leveren jaaropgaven en/of andere door hem te verstrekken gegevens omtrent de persoon van de in dat kalenderjaar in zijn dienst werkzaam geweest zijnde werknemers, de duur van hun dienstverband, het door hen verdiende loon en het aantal dagen, waarover dat loon werd genoten. Het bestuur van SAZAS deelt het te betalen bedrag van de heffing schriftelijk aan de werkgever mede, onder mededeling van de termijn, waarbinnen de betaling moet geschieden.

  • 2. Indien ten onrechte geen bedrag aan heffing is vastgesteld dan wel na de vaststelling van het te betalen bedrag van de heffing blijkt, dat een lager bedrag is vastgesteld dan verschuldigd is, stelt het bestuur van SAZAS het alsnog door de werkgever verschuldigde bedrag over de verstreken betalingstermijnen vast. De laatste volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

  • Indien een hoger bedrag aan heffing is vastgesteld dan verschuldigd is, stelt het bestuur van SAZAS het verschuldigde op het juiste bedrag vast. Het teveel betaalde wordt aan de werkgever terugbetaald.

  • 3. Het bestuur van SAZAS stelt een voorschotheffing vast ten aanzien van de werkgever, die in het kalenderjaar, waarop de voorschotheffing betrekking heeft, vermoedelijk heffing verschuldigd zal worden.

  • De voorschotheffing wordt vastgesteld op het bedrag, dat de werkgever over het kalenderjaar, waarop de voorschotheffing betrekking heeft, naar het oordeel van het bestuur van SAZAS vermoedelijk aan heffing verschuldigd zal zijn, met dien verstande, dat het bestuur van SAZAS hierbij rekening houdt met de in het eerste lid bedoelde gegevens omtrent de in dienst van de werkgever in het vorig jaar werkzaam geweest zijnde en in het betrokken jaar werkzaam zijnde werknemers, de aard, de omvang en de ontwikkeling van het bedrijf van de werkgever, en andere omstandigheden, welke op de hoogte van het heffingsbedrag van invloed kunnen zijn.

  • 4. Het bestuur van SAZAS deelt het te betalen bedrag van de voorschotheffing schriftelijk aan de werkgever mede, met de mededeling dat dit bedrag in vier dan wel onder door het bestuur van SAZAS te bepalen voorwaarden in twaalf termijnen kan worden voldaan, verschijnende en vervallende op de eerste dag van elk kwartaal dan wel van elke maand. De voorschotheffing wordt verrekend met het bedrag aan heffing, dat de werkgever over het betrokken kalenderjaar verschuldigd zal zijn.

  • 5. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid stelt het bestuur van SAZAS bij niet tijdige voldoening van een voorschottermijn onverwijld de heffing vast, welke door de werkgever is verschuldigd over de vorenbedoelde termijn alsmede over de daaraan voorafgaande termijnen van hetzelfde kalenderjaar. De heffing is terstond opeisbaar.

  • 6. Eveneens in afwijking van het bepaalde in het eerste lid stelt het bestuur van SAZAS ten aanzien van een werkgever, die in staat van faillissement verkeert, of zijn bedrijf of beroep definitief heeft gestaakt, onverwijld de heffing vast. De laatste volzin van het vorige lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 7. Indien na aanmaning een vordering op een werkgever terzake van achterstallige heffing niet geheel wordt voldaan, kan al hetgeen de werkgever verschuldigd is, vermeerderd met rente en extra incasso- en administratiekosten, gerechtelijk worden ingevorderd. Het bestuur van SAZAS is bevoegd de in de eerste volzin bedoelde kosten te stellen op 10% van het bedrag aan achterstallige heffing met een minimum van f 10,–.

  • 8. De werkgever is verplicht het bestuur van SAZAS op door het voornoemde bestuur te bepalen tijdstippen alle gegevens te verstrekken, welk het voor het vaststellen van de heffing en voorschotheffing behoeft.

  • 9. De wijze van vaststelling van de heffing en voorschotheffing, als ook de betaling daarvan, worden verder geregeld door het bestuur van SAZAS. In bijzondere gevallen kan het voornoemde bestuur afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden toestaan of voorschrijven.

  • 10. Het werknemersdeel in de verschuldigde heffing als bedoeld in artikel 16 lid 6 van de regeling wordt berekend over het loon als bedoeld in de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (CSV) van de werknemer, alvorens toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 6 lid 1 sub i van de CSV."

III. Indien en voor zover de onder II opgenomen bepalingen strijdig zijn met (mede) ter zake van de vaststelling van lonen en/of andere arbeidsvoorwaarden bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.

IV. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van publikatie in de Nederlandse Staatscourant.

V. Dit besluit wordt gepubliceerd door plaatsing in een bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant.

's-Gravenhage, 10 mei 1995

De Minister van sociale Zaken en Werkgelegenheid

Names deze,

De Directeur van het Centraal kantoor van de Inspectiedienst SZW,

A. van Dijk.


XNoot
1

Ingevolge artikel 1638mm van het BW is een afwijking van artikel 1638dd lid 5 van het BW ten nadele van de werknemer nietig.

XNoot
1

Ingevolge artikel 1638mm van het BW is een afwijking van artikel 1638dd lid 5 van het BW ten nadele van de werknemer nietig.