Nadere regelen mijnreglementen elektrische installaties

Nadere regelen Mijnreglement 1964 en Mijnreglement continentaal plat elektrische installaties

23 maart 1995

nr. 95013513 WJA/W

De minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 3, 36f, 114, 115, 116, 166d en 181 van het Mijnreglement 1964, de artikelen 2, 36, 92, 93, 94, 113 en 142 van het Mijnreglement continentaal plat en artikel 1 van de richtlijn nr. 94/26/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 juni 1994 (PbEG L 157) tot aanpassing aan de stand van de techniek van Richtlijn nr. 79/196/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreVende elektrisch materieel bestemd voor gebruik in 'explosieve omgeving', dat aan bepaalde beveiligingswijzen voldoet;

Gezien het advies van de bestuurders van de betrokken mijnondernemingen en de betrokken vakorganisaties;

Besluit:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1 (begripsomschrijvingen)

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

elektrische installatie: een samenstel van elektrisch materieel, leidingen en bijbehoren van leidingen;

elektrisch materieel: delen of gedeelten van een elektrische installatie, met uitzondering van leidingen en bijbehoren, die dienen voor de toepassing van elektrische energie;

norm NEN 1010: de norm NEN 1010, Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties, 4e druk, juli 1988, met inbegrip van de aanvulling, 1e druk, mei 1992;

norm NEN 1041: de norm NEN 1041, Veiligheidsbepalingen voor hoogspanningsinstallaties, 2e druk, oktober 1982, met inbegrip van de aanvulling, 1e druk, december 1991;

norm NEN 3410: de norm NEN 3410, Veiligheidsbepalingen voor hoog- en laagspanningsinstallaties in ruimten met gasontploffingsgevaar, 1e druk, mei 1987;

norm NEN 3140: de norm NEN 3140, Laagspanningsinstallaties – Bepalingen voor veilige werkzaamheden, inspectie en onderhoud, 2e druk, april 1991.

2. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. 'noodverlichting', 'laagspanningsinstallatie', 'vast', 'verplaatsbaar', 'TT-stelsel', 'VZ-keten', 'FZ-keten', 'S-keten', 'nominale aanspreekstroom van een aardlekschakelaar', 'hoge spanning', 'metalen gestel', 'vreemd geleidend deel', 'vereVeningsleiding', 'aardlekschakelaar', 'contactdoos': hetgeen daaronder wordt verstaan in norm NEN 1010;

b. 'hoogspanningsinstallatie': hetgeen daaronder wordt verstaan in norm NEN 1041;

c. 'gevarenzone-indeling', 'zone 0', 'zone 1', 'zone 2', 'lijst van goedkeuring', 'niet-gevaarlijk gebied', 'gevaarlijk gebied', 'intrinsiek veilige stroomkring': hetgeen daaronder wordt verstaan in norm NEN 3410;

d. 'bedieningswerkzaamheden': hetgeen daaronder wordt verstaan in norm NEN 3140.

Artikel 2 (toepassingsgebied)

Deze regeling is van toepassing op elektrische installaties die:

a. aanwezig zijn op een mijnbouwinstallatie of een mijnwerk of boorwerk als bedoeld in artikel 1 van het Mijnreglement 1964;

b. aanwezig zijn op een mijnbouwinstallatie of worden gebruikt bij mijnbouwkundig werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Mijnreglement continentaal plat.

Artikel 3 (uitwendige invloeden)

1. Op het aan weersinvloeden blootgestelde deel van de elektrische installatie van mijnbouwinstallaties zijn van toepassing de codes AD3, AF4 en AN2 als bedoeld in hoofdstuk 32 van norm NEN 1010.

2. Boven de omgeving uitstekende objecten, inrichtingen en ruimten waarin ontplofbare of gemakkelijk brandbare stoffen worden bewaard of verwerkt, moeten elk afzonderlijk dan wel in onderlinge afhankelijkheid tegen blikseminslag zijn beveiligd.

3. Waar door elektrostatische oplading gevaar kan ontstaan, moeten maatregelen ter voorkoming van dat gevaar zijn genomen.

4. Met betrekking tot elektrische installaties als bedoeld in artikel 2, onder a, is de Nederlandse Praktijkrichtlijn, ontwerp-NPR 2760, De wederzijdse beïnvloeding van buisleidingen en hoogspanningsverbindingen, 1e druk (december 1986), van toepassing ingeval van het in elkaars nabijheid aanleggen of bestaan van een hoogspanningsverbinding en een buisleiding, en die verbinding en leiding elkaar kunnen beïnvloeden.

Artikel 4 (eisen voor noodverlichting)

Onverminderd het bepaalde in norm NEN 1010 moeten toestellen voor noodverlichting zijn uitgerust met ingebouwde batterijen.

Artikel 5 (plaats van noodverlichting)

Onverminderd het bepaalde in norm NEN 1010 moeten de ruimten waarin bedieningswerkzaamheden ten behoeve van de elektrische hoofdstroom- of noodstroomvoorziening plaatsvinden, zijn voorzien van noodverlichting.

Artikel 6 (gebruik van brandbare vloeistof in elektrisch materieel)

1. Op mijnbouwinstallaties is de opstelling van elektrisch materieel dat brandbare vloeistof bevat, die in direct contact kan komen met al dan niet geïsoleerde onder spanning staande delen, verboden.

2. De minister van Economische Zaken kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 7 (de elektrotechnisch ter zake deskundige)

1. Voor het uitoefenen van toezicht op de aanleg, de goede en veilige werking en het onderhoud van elektrische installaties moet een elektrotechnisch ter zake deskundige worden aangewezen.

2. De in het eerste lid bedoelde persoon moet steeds beschikbaar zijn.

Artikel 8 (het gebruik van elektriciteit bij werkzaamheden

onder water of onder druk)

Bij gebruik van elektriciteit bij werkzaamheden onder water of onder druk moet het gestelde in de Code of Practice for the Safe Use of Electricity under Water, 2e druk, september 1985, uitgegeven door de Association of Offshore Diving Contractors, in acht worden genomen.

Hoofdstuk II. Laagspanningsinstallaties

Artikel 9 (van toepassing zijnde normen)

1. Laagspanningsinstallaties moeten voldoen aan norm NEN 1010.

2. Met betrekking tot laagspanningsinstallaties op een als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie mag van het in het eerste lid bepaalde worden afgeweken, mits de betrokken laagspanningsinstallatie in haar geheel voldoet aan de IMO-MODU-code [Resolution A.649(16)] dan wel de norm NEN 10 092-505, Elektrische installaties aan boord van schepen – Deel 505, Verplaatsbare boorinstallaties buitengaats, 1e druk, april 1986.

Artikel 10 (contactdozen)

1. In afwijking van norm NEN 1010 moeten contactdozen zijn beveiligd door een vaste aardlekschakelaar met een nominale aanspreekstroom van hoogstens 30 mA.

2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op contactdozen in:

a. VZ-ketens;

b. FZ-ketens;

c. S-ketens.

Artikel 11 (verplaatsbare toestellen)

Verplaatsbare toestellen met elektrische aandrijving van klasse II als bedoeld in norm NEN 1010, bijlage E, moeten zijn gekeurd door een met de International Electrotechnical Commission conformity to standards for safety of Electrical Equipment geassocieerde organisatie overeenkomstig de normen NEN 2751, Handgereedschap met elektrische aandrijving – Algemene eisen, 1e druk, oktober 1983, en NEN 2752, Handgereedschap met elektrische aandrijving – Bijzondere eisen, 1e druk, oktober 1983.

Hoofdstuk III. Hoogspanningsinstallaties

Artikel 12 (van toepassing zijnde normen)

1. Hoogspanningsinstallaties moeten voldoen aan norm NEN 1041.

2. Met betrekking tot hoogspanningsinstallaties op een als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie mag van het in het eerste lid bepaalde worden afgeweken, mits de betrokken hoogspanningsinstallatie in haar geheel voldoet aan de IMO-MODU-code [Resolution A.649(16)] dan wel de norm NEN 10 092-505, Elektrische installaties aan boord van schepen – Deel 505, Verplaatsbare boorinstallaties buitengaats, 1e druk, april 1986.

Hoofdstuk IV. Elektrische installaties in gevaarlijke gebieden

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 13 (begripsomschrijvingen)

1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

een natuurlijk geventileerde ruimte: een ruimte waarin zonder gebruik te maken van mechanische hulpmiddelen luchtverversing bestaat;

een kunstmatig geventileerde ruimte: een ruimte waarin de luchtverversing tot stand komt met behulp van een mechanisch luchtverversingssysteem.

2. Indien in dit hoofdstuk een van de termen 'gas' of 'vloeistof' is gebruikt, is die bepaling slechts van toepassing als de bedoelde stof onder de heersende omstandigheden met lucht een ontplofbaar mengsel kan vormen.

3. Indien een ruimte is ingericht overeenkomstig de normen neergelegd in de Nederlandse Praktijkrichtlijn, NPR 10 079-13, Elektrisch materieel voor plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan heersen – Kamers of gebouwen met inwendige overdruk, 1e druk, mei 1983, wordt deze als niet-gevaarlijk gebied aangemerkt.

Artikel 14 (luchtaanzuigopeningen)

Luchtaanzuigopeningen voor overdruk- of luchtspoelsystemen moeten zo zijn geplaatst dat wordt voorkomen dat lucht wordt aangezogen uit een gevaarlijk gebied of uit een ruimte als bedoeld in artikel 13, derde lid.

Afdeling 2. Zone-indeling van gevaarlijke gebieden

Artikel 15 (zone 2)

Als zone 2 wordt aangemerkt:

a. het gebied binnen 15 m rondom een gascompressor, waarin zich gas bevindt met een dichtheid ten opzichte van lucht groter dan 0,9, indien de druk van het gas in de compressor meer dan 20 bar bedraagt of de asdiameter groter is dan 50 mm;

b. het gebied dat de bij een boring in gebruik zijnde boortoren in beslag neemt en het gebied rondom de boortoren, begrensd door het aardoppervlak of de waterspiegel, een bolvormig oppervlak op een afstand van 7,5 m vanaf het hoogste punt van de boortoren en een verticaal cilindervormig vlak op een afstand, horizontaal gemeten, van 7,5 m van het verlengde van de hartlijn van het boorgat;

c. het gebied binnen 7,5 m rondom:

1°. de uitmonding in de open lucht van een leiding, waardoor de uit een boorgat afkomstige spoeling wordt afgevoerd, indien deze spoeling gas kan bevatten en niet een ontgassingsinrichting is gepasseerd,

2°. een open tank, bak, goot, schudzeef of kuil, waarin de uit een boorgat afkomstige spoeling aanwezig is, indien deze spoeling gas kan bevatten en niet een ontgassingsinrichting is gepasseerd,

3°. een producerende aardolieput, waarbij het vlampunt van de aardolie gelijk is aan of ligt onder 55 °C,

4°. een producerende aardgasput,

5°. een gascompressor, waarin zich gas bevindt met een dichtheid ten opzichte van lucht groter dan 0,9, indien de druk van het gas in de compressor lager is dan 20 bar en de asdiameter kleiner dan of gelijk is aan 50 mm,

6°. een laad- of losplaats van vloeistof;

d. het gebied binnen 5 m rondom een gascompressor, waarin zich gas bevindt met een dichtheid ten opzichte van lucht kleiner dan of gelijk aan 0,9;

e. het gebied binnen 3 m rondom:

1°. een pijpverbinding of afsluiter, indien ontsnapping van gas of vloeistof niet kan worden voorkomen,

2°. een pomp, indien ontsnapping van gas of vloeistof niet kan worden voorkomen,

3°. een open tank, bak, goot, schudzeef of kuil, waarin de uit een boorgat afkomstige spoeling aanwezig is, indien deze spoeling gas kan bevatten en een ontgassingsinrichting is gepasseerd,

4°. een producerende aardolieput, waarbij het vlampunt van de aardolie ligt boven 55 °C,

5°. een niet-producerende aardolie- of aardgasput, waarin maatregelen ter voorkoming van drukopbouw door aardgas of aardolieaccumulatie in produktieserie(s) en annuli zijn genomen,

6°. een plaats waar incidenteel gas of vloeistof vrijkomt,

7°. een membraancompressor.

Artikel 16 (zone 1)

Als zone 1 wordt aangemerkt:

a. het gebied binnen 3 m rondom:

1°. de uitmonding in de open lucht van een leiding, waardoor de uit een boorgat afkomstige spoeling wordt afgevoerd, indien deze spoeling gas kan bevatten en niet een ontgassingsinrichting is gepasseerd,

2°. een open tank, bak, goot, schudzeef of kuil, waarin de uit een boorgat afkomstige spoeling aanwezig is, indien deze spoeling gas kan bevatten en niet een ontgassingsinrichting is gepasseerd,

3°. een plaats, waar geregeld gas of vloeistof vrijkomt,

4°. een laad- of losplaats van vloeistof;

b. het inwendige van een open tank, bak, goot of kuil, waarin de uit een boorgat afkomstige spoeling aanwezig is, indien deze spoeling gas kan bevatten.

Artikel 17 (zone 0)

Als zone 0 wordt aangemerkt het inwendige van een inrichting voor de opslag, het transport of de behandeling van gas of vloeistof.

Artikel 18 (zones op als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie)

De in de artikelen 15, 16 en 17 genoemde gevarenzone-indeling mag worden vervangen door de gevarenzone-indeling volgens de IMO-MODU-code [Resolution A.649(16)] voor de als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallaties, die ontworpen en gebouwd zijn overeenkomstig deze code. Ten bewijze dat een als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie aan deze code voldoet moet een certificaat kunnen worden overgelegd aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen dat is afgegeven door een door de minister van Economische Zaken erkend classificatiebureau.

Afdeling 3. Berekening van zones in gevaarlijke gebieden

Artikel 19 (toepassingsgebied afdeling 3)

Voor andere gevallen dan waarvoor in de artikelen 15 tot en met 18 een indeling in gevarenzones is voorzien moet voor de vaststelling van een gevarenzone worden rekening gehouden met de in de artikelen 20 tot en met 23 bedoelde uitgangspunten.

Artikel 20 (aard van de gevarenzone)

De aard van de gevarenzone wordt bepaald door het aantal uren per jaar dat een ontplofbaar mengsel kan ontstaan volgens de volgende indeling:

– meer dan 1000 uur per jaar: zone 0,

– 10 – 1000 uur per jaar: zone 1,

– minder dan 10 uur per jaar: zone 2.

Artikel 21 (omvang van de gevaren-zone)

De omvang van de gevarenzone wordt bepaald door de hoeveelheid gas die kan vrijkomen. De afstand tussen de grens van de gevarenzone en de plaats waar gas in de omringende lucht ontwijkt bedraagt:

a. bij snelheden kleiner dan 150 m/s

bij minder dan 10 m3 per uur: 3 m,

bij 10 – 100 m3 per uur: 7,5 m,

bij 100 – 200 m3 per uur: 15 m;

bij meer dan 200 m3 per uur geldt een afstand tussen de grens van de gevarenzone en de plaats waar gas in de omringende lucht ontwijkt, die op adequate wijze is berekend;

b. bij snelheden groter dan 150 maar kleiner dan 250 m/s

bij minder dan 1 kg/s: 7,5 m,

bij 1 – 2 kg/s: 15 m,

bij 2 – 6 kg/s: 22,5 m,

bij 6 – 15 kg/s: 30 m;

bij meer dan 15 kg/s geldt een afstand tussen de grens van de gevarenzone en de plaats waar gas in de omringende lucht ontwijkt, die op adequate wijze is berekend;

c. bij snelheden groter dan 250 m/s

bij minder dan 2 kg/s: 7,5 m,

bij 2 – 6 kg/s: 15 m,

bij 6 – 15 kg/s: 22,5 m,

bij 15 – 30kg/s: 30 m;

bij meer dan 30 kg/s geldt een afstand tussen de grens van de gevarenzone en de plaats waar gas in de omringende lucht ontwijkt, die op adequate wijze is berekend.

Artikel 22 (vorm van gevarenzone)

Indien de dichtheid van het ontsnappende gas groter is dan de dichtheid van lucht geldt artikel 21 niet, maar geldt een gevarenzone waarvan de vorm en afmetingen op adequate wijze zijn berekend.

Artikel 23 (ventilatie-eisen)

1. Boorinstallaties en inrichtingen voor de behandeling van delfstoVen alsmede onderdelen ervan, waarbij een gevaarlijk gebied kan ontstaan, moeten zoveel mogelijk in de open lucht worden opgesteld.

2. Indien het noodzakelijk is om een bescherming tegen weersinvloeden of hinderlijk geluid aan te brengen, moet de ruimte waarin een installatie of inrichting als in het eerste lid bedoeld wordt opgesteld een natuurlijk geventileerde ruimte zijn. Daarbij geldt dat:

a. het aantal luchtwisselingen in de gehele ruimte ten minste 10 per uur gedurende 90% van de tijd moet bedragen;

b. in ruimten waarin door belemmeringen ter plaatse de natuurlijke ventilatie niet aan het gestelde onder a voldoet, een aanvullende kunstmatige ventilatie moet worden aangebracht.

3. Indien natuurlijke ventilatie niet mogelijk is, moet een kunstmatige ventilatie worden aangebracht. In de gehele ruimte moeten ten minste 5 luchtwisselingen per uur worden bereikt. Tevens moeten waarborgen bestaan dat de ventilatie voortdurend in werking is.

4. Een ruimte waarin de ventilatie niet voldoet aan het gestelde in het tweede en derde lid wordt als zone 1 aangemerkt.

Afdeling 4. Normen voor elektrische installaties in gevaarlijke gebieden

Artikel 24 (van toepassing zijnde normen)

Voor zover in deze afdeling niet anders is bepaald, moeten elektrische installaties in een gevaarlijk gebied voldoen aan de norm NEN 3410.

Artikel 25 (aanleg van elektrische installaties)

Een elektrische installatie moet zoveel mogelijk buiten een gevaarlijk gebied worden aangelegd.

Artikel 26 (merkteken)

1. Elektrisch materieel in een gevaarlijk gebied moet zijn voorzien van een merkteken ten bewijze van de afgifte van een certificaat van goedkeuring als bedoeld in artikel 116, eerste lid, van het Mijnreglement 1964, onderscheidenlijk artikel 94, eerste lid, van het Mijnreglement continentaal plat.

2. Als merkteken in de zin van de in het eerste lid genoemde artikelen wordt vastgesteld het communautaire merkteken zoals dat is opgenomen in bijlage II van de richtlijn nr. 79/196/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreVende elektrisch materieel, bestemd voor gebruik in 'explosieve omgeving', dat aan bepaalde beveiligingswijzen voldoet (PbEG L 43).

3. Als instelling of onderneming in de zin van artikel 116, tweede lid, van het Mijnreglement 1964 en artikel 94, tweede lid, van het Mijnreglement continentaal plat worden aangewezen:

a. de instanties voor het onderzoek van het materieel en/of de afgifte van certificaten van overeenstemming en controlecertificaten, die als zodanig zijn erkend door enige lid-staat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreVende de Europese Economische Ruimte en overeenkomstig artikel 9 van de richtlijn nr. 94/9/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 maart 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen (PbEG L 100) aan de Commissie en de andere lid-staten zijn meegedeeld;

b. Canadian Standards Association (CSA), Rexdale, Ontario, Canada;

c. Factory Mutual Research Corporation (FM), Norwood, Massachusetts, Verenigde Staten van Amerika;

d. Underwriters Laboratories (UL), Northbrook, Illinois, Verenigde Staten van Amerika.

4. Opneming van elektrisch materieel in een lijst van goedkeuring die is uitgegeven door een van de in het derde lid, onder b, c of d, bedoelde instellingen wordt gelijkgesteld aan de afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel 116, tweede lid, van het Mijnreglement 1964, onderscheidenlijk artikel 94, tweede lid, van het Mijnreglement continentaal plat. Een merkteken dat in overeenstemming met een in de vorige volzin bedoelde lijst van goedkeuring op elektrisch materieel is aangebracht wordt gelijkgesteld met het in het tweede lid aangewezen merkteken.

5. De minister van Economische Zaken kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 27 (beschermingswijze tegen ontsteking)

1. De beschermingswijze van elektrisch materieel tegen ontsteking moet voldoen aan de geharmoniseerde normen, bedoeld in bijlage I van de in artikel 26, tweede lid, genoemde richtlijn 79/196/EEG, of Noordamerikaanse normen met een vergelijkbaar veiligheidsniveau.

2. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde mag elektrisch materieel met beschermingswijze 's', als bedoeld in de norm NEN 3410, bijlage B, worden toegepast in de zones 1 en 2.

3. De minister van Economische Zaken kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 28

De artikelen 26 en 27 zijn niet van toepassing op elektrische installaties of delen daarvan die explosieveilig materieel zijn in de zin van artikel 1 van het Besluit explosieveilig materieel en die voldoen aan het bij en krachtens dat besluit bepaalde.

Artikel 29 (kabels voor vaste aanleg)

1. Op boorwerken en vast opgestelde mijnbouwinstallaties moeten kabels voor vaste aanleg zijn voorzien van een metalen band- of draadomwikkeling of draadomvlechting. Om deze omwikkeling of omvlechting moet een isolerende mantel zijn aangebracht.

2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing:

a. op aangegoten, korte aansluitleidingen die beschermd zijn tegen mechanische beschadiging en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is te voldoen aan het in het eerste lid bepaalde;

b. op intrinsiek veilige stroomkringen.

3. Op een als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie moeten kabels voor vaste aanleg zijn voorzien van een metalen band- of draadomwikkeling of draadomvlechting.

4. Het in het derde lid bepaalde is niet van toepassing:

a. indien kabels zijn beschermd tegen mechanische beschadiging;

b. op intrinsiek veilige stroomkringen.

Artikel 30 (TT-stelsels)

1. TT-stelsels mogen niet worden toegepast.

2. De minister van Economische Zaken kan van het eerste lid ontheffing verlenen.

Artikel 31 (potentiaalvereffening)

1. Metalen gestellen en vreemde geleidende delen in de nabijheid van deze metalen gestellen moeten door een potentiaalvereffeningsleiding met elkaar zijn verbonden.

2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op vreemde geleidende delen die zo zijn aangebracht of opgesteld dat gevaar voor vonkvorming of ontoelaatbare verwarming door vereVeningsstromen niet is te duchten.

Artikel 32 (beveiliging tegen overstroom)

Beveiligingstoestellen tegen overstroom moeten zo zijn uitgevoerd dat automatische wederinschakeling onder foutcondities is verhinderd.

Hoofdstuk V. Werkzaamheden, inspectie en onderhoud

Artikel 33 (van toepassing zijnde norm)

Ten aanzien van werkzaamheden, inspectie en onderhoud moet worden voldaan:

a. voor zover het laagspanningsinstallaties betreft aan de norm NEN 3140;

b. voor zover het hoogspanningsinstallaties betreft aan de norm NEN 1041, bijlage H, Bepalingen voor een veilig bedrijf van electrische installaties van hooge spanning.

Hoofdstuk VI. Slotbepalingen

Artikel 34 (wijziging richtlijn)

Een wijziging van bijlage I of II van richtlijn nr. 79/196/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende elektrisch materieel, bestemd voor gebruik in 'explosieve omgeving', dat aan bepaalde beveiligingswijzen voldoet, treedt voor de toepassing van artikel 26, tweede lid, of 27, eerste lid, van dit besluit in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 35 (intrekking)

De Nadere regelen Mijnreglement elektrische installaties en elektrisch materieel boorwerken en de Nadere regelen Mijnreglement continentaal plat elektrische installaties en elektrisch materieel mijnbouwinstallaties worden ingetrokken.

Artikel 36 (overgangsrecht)

1. Het in artikel 27, eerste lid, bepaalde is niet van toepassing op elektrisch materieel met beschermingswijze 'd', 'e', 'i', 'p' of 'q' als bedoeld in de norm NEN 3410, bijlagen B en D, dat niet voldoet aan geharmoniseerde Europese normen, mits het in artikel 26, eerste lid, bedoelde certificaat is afgegeven voor 1 juli 1981.

2. Het in deze regeling in de artikelen 9 en 12 en in de afdelingen 2 en 3 van hoofdstuk IV bepaalde is niet van toepassing op elektrische installaties of onderdelen daarvan die zijn gebouwd voor 1 januari 1995, voor zover zij voldoen aan de Nadere regelen Mijnreglement elektrische installaties en elektrisch materieel boorwerken, onderscheidenlijk de Nadere regelen Mijnreglement continentaal plat elektrische installaties en elektrisch materieel mijnbouwinstallaties, zoals die nadere regelen luidden op de genoemde datum.

Artikel 37 (inwerkingtreding)

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 38 (citeertitel)

Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere regelen Mijnreglement 1964 en Mijnreglement continentaal plat elektrische installaties.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 23 maart 1995.
De minister van Economische Zaken,G.J. Wijers.

Toelichting

Inleiding

Deze Nadere regelen Mijnreglement 1964 en Mijnreglement continentaal plat elektrische installaties zijn de opvolger van de Nadere regelen Mijnreglement elektrische installaties en elektrisch materieel boorwerken (gepubliceerd in Stcrt. 1970, 183; gewijzigd bij de ministeriële regelingen van 29 juli 1974, Stcrt. 150, en van 30 mei 1978, Stcrt. 106) en van de Nadere regelen Mijnreglement continentaal plat elektrische installaties en elektrisch materieel mijnbouwinstallaties (gepubliceerd in Stcrt. 1971, 16; gewijzigd bij de ministeriële regelingen van 29 juli 1974, Stcrt. 150, van 30 mei 1978, Stcrt. 106, en van 6 juni 1988, Stcrt. 115).

 De nieuwe regeling sluit aan bij de harmonisatie van de Europese normen (ontwikkeld door CENELEC, het Comité Européen de Coordination des Normes Electrotechniques) en bij de ontwikkeling van andere internationale normen (van de International Electrotechnical Commission, IEC).

Vooruitlopend op de totstandkoming van deze nieuwe regeling zijn op recent geplaatste mijnbouwinstallaties de elektrische installaties reeds aangelegd en ingericht in overeenstemming met de daarin neergelegde voorschriften.

 Als basisbeginsel is gekozen voor het van toepassing verklaren van NEN-normen op elektrotechnisch gebied; waar de delfstofwinning aanpassingen vereist, zijn deze in de regeling neergelegd. Qua terminologie wordt ook zoveel mogelijk bij de NEN-normen aangesloten.

 Voorts zij er op gewezen, dat de regeling een bijzondere voorziening bevat voor elektrische installaties op een als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie. Voor dergelijke mijnbouwinstallaties, die tevens schip kunnen zijn, zijn afzonderlijke normen ontwikkeld. In de artikelen 9, tweede lid, 12, tweede lid, en 18 wordt in verband hiermee bepaald dat wat betreft laagspannings- en hoogspanningsinstallaties en de zone-indeling van gevaarlijke gebieden van deze nadere regelen mag worden afgeweken, mits voldaan wordt aan de IMO-MODU-code [Resolution A.649(16)] (wat de zone-indeling betreft) dan wel aan deze code of aan NEN-norm 10 092, Elektrische installaties aan boord van schepen – Deel 505, Verplaatsbare boorinstallaties buitengaats (wat laagspannings- en hoogspanningsinstallaties betreft).

 Ten slotte verdient vermelding dat het ontwerp van de onderhavige regeling reeds enige jaren geleden aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen is genotificeerd in het kader van de richtlijn nr. 83/189/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreVende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L 109). De onderhavige regeling bestond derhalve reeds in ontwerp, toen de richtlijn nr. 94/26/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 juni 1994 (PbEG L 157) tot aanpassing aan de stand van de techniek van richtlijn nr. 79/196/EEG tot stand kwam. In de regeling is rekening gehouden met deze wijzigingsrichtlijn (artikel 27). De implementatie kon een eenvoudig karakter houden (verwijzen naar de geharmoniseerde normen van de richtlijn) omdat de mijnbouwindustrie niet als producent of handelaar elektrisch materieel op de markt brengt.

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

In artikel 2 wordt geregeld dat deze nadere regelen niet alleen gelden voor elektrische installaties die zich op een boorwerk of een mijnbouwinstallatie bevinden, maar op alle elektrische installaties die worden gebruikt bij mijnbouwactiviteiten. De regeling heeft derhalve een grotere reikwijdte dan de thans vervallen nadere regelen inzake elektrische installaties en elektrisch materieel op het land en op het continentaal plat hadden.

 In artikel 4 wordt voor de noodverlichting een decentraal voedingssysteem voorgeschreven. Dit systeem blijkt bij calamiteiten een grotere mate van bedrijfszekerheid te bieden dan een centraal gevoede noodverlichtingsinstallatie. De term noodverlichting is omschreven in NEN 1010; ingevolge artikel 1, tweede lid, onder a, geldt die omschrijving ook voor de onderhavige regeling. In artikel 5 wordt voorgeschreven dat alle ruimten waarin bedieningswerkzaamheden plaatsvinden ten behoeve van de elektrsche stroomvoorziening van noodverlichting moeten zijn voorzien. In andere regelingen ter uitvoering van de mijnreglementen kan worden aangegeven waar elders nog noodverlichting moet worden toegepast.

 De achtergrond van artikel 6 is het beperken van brandgevaar op mijnbouwinstallaties.

 De in artikel 7 genoemde elektrotechnisch ter zake deskundige is geen nieuwe figuur; ook in de thans ingetrokken nadere regelen werd de aanwijzing van een dergelijke persoon voorgeschreven.

 In artikel 8 wordt uitvoering gegeven aan artikel 166d, tweede lid, onder g, van het Mijnreglement 1964 en artikel 113, tweede lid, onder g, van het Mijnreglement continentaal plat.

Hoofdstuk II. Laagspanningsinstallaties

Omdat is gebleken dat ongevallen door elektrokutie veelal verband houden met in de hand gehouden of op het lichaam gedragen elektrische toestellen, is in artikel 11 een afzonderlijke keuringseis voor deze toestellen vastgelegd.

Hoofdstuk III. Hoogspanningsinstallaties

De norm NEN 1041 vervangt de uit 1942 daterende norm V 1041. Voor het land gold deze norm al; voor het continentaal plat is het van toepassing verklaren van deze norm nieuw. In de praktijk echter werd er reeds gewerkt volgens NEN 1041. De vervallen nadere regelen voor het plat verboden het gebruik van elektrische installaties met een nominale spanning van meer dan 3300 Volt, behoudens door de minister van Economische Zaken te verlenen ontheffing (artikel 17, eerste en vijfde lid). Praktijk was dat in de ontheffingen werd verwezen naar NEN 1041.

Hoofdstuk IV. Elektrische installaties in gevaarlijke gebieden

De in het derde lid van artikel 13 genoemde praktijkrichtlijn NPR 10 079-13 is in feite een IEC-norm. Dit produkt van internationale normalisatie blijkt zonder enige wijziging te kunnen worden toegepast.

 De inhoud van de artikelen 15-17 is ontleend aan de 'Model code of safe practice', deel 15 (area classification for petroleum installations), uitgegeven door het Institute of Petroleum, Londen, maart 1990, en aan de thans ingetrokken nadere regelen ter zake. De bepaling in artikel 15, onder b, heeft tot gevolg dat de voorheen geldende gevarenzone aanmerkelijk wordt verkleind. Dit is in lijn met de hiervoor genoemde Model code of safe practice. Een inmiddels in de praktijk gebleken voordeel hierbij is dat er, met name bij de mijnbouwinstallaties van relatief geringe afmetingen, voor zover het de elektrische installatie betreft, gelijktijdig kan worden geboord en geproduceerd. De artikelen 20-23 zijn onder meer gebaseerd op de hiervoor genoemde IP-code.

 Artikel 23 is de neerslag van praktijkervaring met ventilatie van ruimten waarbinnen een ontplofbaar mengsel kan ontstaan. Uitgangspunt is dat dergelijke ruimten niet afgesloten zijn en, indien afsluiting toch onvermijdelijk is voor bescherming tegen weersinvloeden of hinderlijk geluid, zo mogelijk natuurlijke ventilatie wordt toegepast.

 Nieuw is de vantoepassingverklaring in artikel 24 van NEN-norm 3410. Deze norm vervangt enerzijds de desbetreVende artikelen van de ingetrokken nadere regelen en geeft anderzijds aansluiting bij de ontwikkelingen in binnen- en buitenland. In artikel 28 is rekening gehouden met het feit, dat met betrekking tot explosieveilig materieel inmiddels tot stand is gekomen de richtlijn nr. 94/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 maart 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen (PbEG L 100). Een wijziging van de beide mijnreglementen ter implementatie van deze richtlijn is thans in voorbereiding. Die wijziging zal een overgangsregime kennen, waarbij aan betrokkenen de keuze wordt gelaten (tot in het jaar 2003) tussen voldoen aan de bestaande voorschriften van de mijnwetgeving dan wel aan het nieuwe Besluit explosieveilig materieel.

 In artikel 27 is bepaald, dat elektrisch materieel dat wordt toegepast in een 'explosieve omgeving' moet voldoen aan de richtlijn 79/196/EEG. Aangezien de mijnondernemingen geen handel drijven in dergelijk materieel is ervan afgezien de richtlijnbepalingen inzake het op de markt brengen van zulk materieel in deze nadere regelen te implementeren.

 In artikel 29 zijn de eisen voor kabels in gebieden met gasontploffingsgevaar neergelegd. Ook hier is bij de reeds bestaande praktijk aangesloten.

Hoofdstuk V. Werkzaamheden, inspectie en onderhoud

Artikel 33 sluit, ook wat de inspecties betreft, aan bij het beleid om de zorg voor de kwaliteit van installaties bij de gebruiker te leggen.

Hoofdstuk VI. Slotbepalingen

Artikel 34 bevat een standaardbepaling voor een dynamische verwijzing naar EG-richtlijnen. Voor dit geval is van belang, dat de richtlijn nr. 94/26/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 juni 1994 tot aanpassing aan de stand van de techniek van Richtlijn 79/196/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreVende elektrisch materieel bestemd voor gebruik in 'explosieve omgeving', dat aan bepaalde beveiligingswijzen voldoet (PbEG L 157), ingevolge deze bepaling van de regeling effect heeft met ingang van 31 maart 1995 (zie artikel 2, eerste lid, van de wijzigingsrichtlijn).

 In artikel 36, eerste lid, is een uitzondering gemaakt voor elektrisch materieel met een reeds sinds 1 juli 1981 bestaand certificaat voor gebruik in gebieden met gasontploffingsgevaar. De genoemde datum is overeenkomstig een zelfde beleid van de Elektrotechnische-Adviseur bij de Arbeidsinspectie.

 Het tweede lid voorziet erin dat de artikelen 9, 12 en 15 tot en met 23 niet gelden voor bestaande apparatuur, die op 1 januari 1995 voldeed aan de Nadere regelen Mijnreglement 1964 elektrische installaties en elektrisch materieel boorwerken of de Nadere regelen Mijnreglement continentaal plat elektrische installaties en elektrisch materieel.

De minister van Economische Zaken,

G.J. Wijers.

Naar boven