Pensioenovereenkomst

De Minister van Binnenlandse Zaken,

en

de Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP),

de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel (CCOOP),

het Ambtenarencentrum (AC),

de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen (CMHF),

hierna aangeduid als partijen;

gelet op het ontwerp van de Wet privatisering ABP d.d. 3 februari 1995;

gezien:

a. het op 10 februari 1993 door partijen gesloten Convenant inzake de privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds;

b. de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP;

c. het op 19 oktober 1994 door partijen gesloten Convenant inzake het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

zijn, onder het voorbehoud dat het ontwerp van de Wet privatisering ABP tot wet wordt verheven en uiterlijk 1 januari 1996 in werking treedt, overeengekomen als volgt:

Artikel 1

1. Partijen richten gezamenlijk de Stichting Pensioenfonds ABP op, overeenkomstig de bij deze pensioenovereenkomst behorende en daarvan onderdeel uitmakende ontwerp-statuten.

2. Partijen nodigen het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen uit op te treden als mede-oprichter van de in het eerste lid bedoelde stichting.

3. In de ontwerp-statuten kunnen tot uiterlijk de datum waarop zij notarieel worden verleden technische aanpassingen worden aangebracht indien de partijen na het sluiten van deze pensioenovereenkomst gezamenlijk vaststellen dat deze noodzakelijk zijn om het resultaat te verwerkelijken dat ten tijde van het sluiten van deze overeenkomst is beoogd.

Artikel 2

1. Overeenkomstig artikel 12, tweede lid, van de ontwerp-statuten van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt het pensioenreglement dat met ingang van 1 januari 1996 geldt voor overheidswerknemers, gewezen overheidswerknemers en hun nagelaten betrekkingen, door het bestuur vastgesteld overeenkomstig het bij deze pensioenovereenkomst behorende en daarvan onderdeel uitmakende ontwerp-pensioenreglement.

2. De in het ontwerp-pensioenreglement genoemde bedragen zullen, indien daartoe naar het oordeel van partijen aanleiding bestaat, tot en met 1 januari 1996 worden aangepast overeenkomstig artikel A 8 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, onderscheidenlijk de aanpassing van de ouderdomspensioenen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.

3. In het ontwerp-pensioenreglement kunnen tot uiterlijk 1 september 1995 technische aanpassingen worden aangebracht indien de partijen na het sluiten van deze pensioenovereenkomst gezamenlijk vaststellen dat deze noodzakelijk zijn om het resultaat te verwerkelijken dat ten tijde van het sluiten van deze overeenkomst is beoogd.

Artikel 3

1. De overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel m, van het ontwerp van de Wet privatisering ABP, verhaalt 25 procent van de door hem aan de Stichting Pensioenfonds ABP verschuldigde pensioenpremies op de bij hem in dienst zijnde overheidswerknemer door middel van een inhouding op het salaris, behoudens in de gevallen, bedoeld in het derde tot en met zevende lid.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de werkgever of de instantie die een ontslaguitkering uitbetaalt aan een gewezen overheidswerknemer.

3. Geen verhaal vindt plaats inzake de pensioenpremie die tijdens het recht op suppletie is verschuldigd over de inkomsten van de overheidswerknemer die genoten worden in verband met de dienstverhouding van waaruit het recht op suppletie is ontstaan.

4. Van de overheidswerknemer die slechts een gedeelte van zijn ambtelijk inkomen geniet omdat hij wegens ziekte verhinderd is dienst te verrichten, wordt het in het eerste lid bedoelde verhaal naar evenredigheid verminderd.

5. Van de overheidswerknemer die geen of slechts gedeeltelijk inkomen geniet wegens schorsing of omdat hij zonder daartoe verkregen verlof zijn betrekking niet uitoefent, is het verhaal gelijk aan de verschuldigde pensioenpremies die geacht kunnen worden betrekking te hebben op de tijd waarvoor de schorsing geldt, onderscheidenlijk de betrekking niet wordt uitgeoefend.

6. Van de overheidswerknemer die heeft afgezien van de individuele bijverzekering, bedoeld in artikel 8.4 van het bij deze overeenkomst behorende ontwerp-pensioenreglement, wordt het verhaal inzake de premie voor het invaliditeitspensioen verlaagd met 0,25 procentpunt.

7. In het geval de overheidswerknemer, anders dan voor het vervullen van een politieke functie waarin pensioenaanspraken worden verkregen, verzoekt geheel of gedeeltelijk te worden ontheven van zijn betrekking, kan de overheidswerkgever als voorwaarde stellen dat de door hem verschuldigde pensioenpremies geheel, onderscheidenlijk voor een groter deel dan 25 procent ten laste worden gebracht van de werknemer.

Artikel 4

1. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.

2. Overeenkomstig artikel 4, derde lid, van het ontwerp van de Wet privatisering ABP zijn de meerderheid van sectorwerkgevers en de meerderheid van de in de aanhef van deze overeenkomst genoemde centrales van overheidspersoneel na 1 januari 1996 bevoegd tot het wijzigen of vervangen van deze overeenkomst.

3. Bij de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid zal de partij die deze overeenkomst wenst te wijzigen of vervangen, daarvan ten minste twee maanden voor de beoogde ingangsdatum schriftelijk mededeling doen aan de andere partij, waarna partijen, bedoeld in het tweede lid, daarover in overleg treden.


’s-Gravenhage, 15 maart 1995. De Minister van Binnenlandse Zaken.
De Algemene Centrale Overheidspersoneel (ACOP).
De Christelijke Centrale van Overheids- en onderwijspersoneel (CCOOP).
Het Ambtenarencentrum (AC).
De Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen (CMHF).

Ontwerp-statuten Stichting Pensioenfonds Abp

Artikel 1 Naam en zetel

1. De stichting draagt de naam: Stichting Pensioenfonds ABP.

2. De stichting is gevestigd te Heerlen.

Artikel 2 Begripsbepalingen

1. In deze statuten wordt verstaan onder:

a. Abp-wet: de Algemene burgerlijke pensioenwet (wet van 6 januari 1966, Stb. 6, zoals nadien gewijzigd en ingetrokken bij de Wet privatisering ABP);

b. centrale: een van de navolgende centrales van overheidspersoneel:

1° de Algemene Centrale van Overheidspersoneel;

2° het Ambtenarencentrum;

3° de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen;

4° de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel;

c. Centrale Commissie: de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, bedoeld in artikel 105 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;

d. fonds: de stichting, bedoeld in artikel 1;

e. lichamen: rechtspersonen, vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, maatschappen en ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen;

f. overheidswerknemers: de overheidswerknemers, bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering ABP;

g. pensioenen: ouderdoms-, invaliditeits-, nabestaandenpensioenen;

h. VSO: het Verbond Sectorwerkgevers Overheid ingesteld bij de Werkgeversovereenkomst decentralisatie arbeidsvoorwaardenoverleg d.d. 10 december 1992, gesloten tussen:

1° de Minister van Binnenlandse Zaken;

2° de Minister van Onderwijs en Wetenschappen;

3° de Minister van Defensie;

4° de Minister van Justitie;

5° het Interprovinciale Overleg;

6° de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;

7° de Unie van Waterschappen;

i. werkgeverslid: een lid van het bestuur benoemd door het VSO;

j. werknemerslid: een lid van het bestuur benoemd door een centrale;

k. Wet FVP/ABP: de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP.

2. Onder verzekeren wordt mede begrepen: herverzekeren.

Artikel 3 Doel, middelen en werkwijze

1. Het fonds heeft ten doel om, als bedrijfspensioenfonds ten behoeve van overheid, onderwijs en daarmee gelieerde lichamen, pensioenen te verzekeren van werknemers en van nagelaten betrekkingen van werknemers en gewezen werknemers.

2. In aanvulling op het eerste lid kan het fonds:

a. al die handelingen verrichten die in overeenstemming zijn met artikel 13, derde tot en met zesde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en die er toe strekken deelnemers en gewezen deelnemers inzake de risico’s waartegen zij verzekerd zijn ingevolge het op hen van toepassing zijnde pensioenreglement, aanvullend te verzekeren;

b. na het VSO en de centrales te hebben gehoord, ten behoeve van de aangesloten lichamen of de deelnemers, gewezen deelnemers en hun nagelaten betrekkingen andere handelingen verrichten, voor zover deze verenigbaar zijn met het eerste lid.

3. Het fonds kan aan derden diensten verlenen die gelijksoortig zijn aan de diensten die het fonds ten behoeve van aangesloten lichamen verricht, mits de aard van de dienstverlening en de wijze waarop deze wordt uitgeoefend het bereiken van het doel van de stichting niet in gevaar brengt.

4. Het fonds werkt volgens een actuariële en bedrijfstechnische nota betreffende het te voeren beleid, waarin de financiële opzet en de grondslagen waarop het rust, worden verantwoord en waartegen de Verzekeringskamer geen bezwaar heeft gemaakt. Het bestuur van het fonds legt de in de vorige zin bedoelde nota over aan de Verzekeringskamer, evenals een wijziging daarvan.

5. In de actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in het derde lid, wordt ten behoeve van de financiering van:

a. de ouderdoms- en nabestaandenpensioenen uitgegaan van het synthesemodel, zoals beschreven in onderdeel I van de bijlage, behorende bij deze statuten;

b. de invaliditeitspensioenen uitgegaan van het rentedekkingsysteem, zoals beschreven in onderdeel II van de bijlage, behorende bij deze statuten.

De in dit lid bedoelde bijlage vormt onderdeel van de statuten.

6. De middelen van het fonds worden gevormd door:

a. het vermogen dat het fonds krachtens artikel 23 van de Wet privatisering ABP verkrijgt van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, bedoeld in artikel L 1 van de Abp-wet;

b. bijdragen van aangesloten lichamen;

c. inkomsten uit beleggingen;

d. bijdragen van deelnemers;

e. verkrijgingen bij erfenis, legaat of schenking, met dien verstande, dat erfenissen door het bestuur niet worden aanvaard dan onder voorrecht van boedelbeschrijving;

f. andere inkomsten.

6. De uitgaven van het fonds worden gevormd door:

a. uitkeringen overeenkomstig het pensioenreglement;

b. uitvoeringskosten;

c. andere uitgaven die het bestuur noodzakelijk of wenselijk acht in verband met het doel van het fonds.

Artikel 4 Aangesloten lichamen

1. Aangesloten lichamen van het fonds zijn:

a. de lichamen die overheidswerknemers, bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering ABP, in dienst hebben;

b. de lichamen die op hun verzoek door het bestuur van het fonds tot het fonds zijn toegelaten.

2. De lichamen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kunnen door het bestuur tot het fonds worden toegelaten op grond van:

a. de overeenkomst die tussen de Minister van Defensie en de centrales van overheidspersoneel wordt gesloten inzake de pensioenen van nagelaten betrekkingen van militairen, onderscheidenlijk de pensioenen van militairen en hun nagelaten betrekkingen;

b. hun doelstelling en financiële verhouding tot een of meer lichamen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;

c. het gegeven dat zij aanvankelijk behoorden tot de lichamen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;

d. het gegeven dat zij werknemers in dienst hebben die aanvankelijk behoorden tot de deelnemers, bedoeld in artikel 5, aanhef en de onderdelen a en b.

3. Een lichaam houdt op aangesloten lichaam te zijn indien:

a. de aanwijzing van dat lichaam als lichaam waarvan de werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP, is ingetrokken overeenkomstig artikel 3, vijfde lid, of artikel 21 van de Wet privatisering ABP;

b. de verplichte deelneming is ingetrokken overeenkomstig artikel 3 van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds;

c. de toelating, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is beëindigd.

4. Het bestuur kan voorwaarden stellen met betrekking tot de toelating, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en de beëindiging daarvan.

5. Het bestuur kan regels stellen met betrekking tot de toelating, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en de beëindiging daarvan.

Artikel 5 Deelnemers

Deelnemers in het fonds zijn degenen die:

a. ingevolge artikel 20 van de Wet privatisering ABP verplicht zijn deel te nemen in het fonds;

b. ingevolge een verplichtstelling als bedoeld artikel 3 van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds verplicht zijn deel te nemen in het fonds;

c. overigens in dienst zijn of zijn aangesteld door een aangesloten lichaam, met uitzondering van de personen of groepen van personen die door het bestuur van deelneming zijn uitgezonderd vanwege hun bijzondere arbeidsvoorwaarden of de bijzondere aard van hun werkzaamheden;

d. deelnemer zijn geweest ingevolge de onderdelen a, b en c, en die hun deelnemerschap overeenkomstig het pensioenreglement vrijwillig voortzetten.

Artikel 6 Bestuur

1. Het bestuur van het fonds bestaat uit twaalf leden. Indien het bestuur een onafhankelijke voorzitter buiten zijn midden benoemt, bestaat het uit dertien leden.

2. Zes bestuursleden worden benoemd door het VSO. De zes overige bestuursleden worden benoemd door de centrales op de volgende wijze:

a. de Algemene Centrale van Overheidspersoneel heeft het recht twee bestuursleden te benoemen;

b. de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel heeft het recht twee bestuursleden te benoemen;

c. het Ambtenarencentrum heeft het recht één bestuurslid te benoemen;

d. de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen heeft het recht één bestuurslid te benoemen.

3. De leden van het bestuur worden benoemd voor een periode van vier jaar. Zij kunnen terstond worden herbenoemd.

4. Ingevolge het tweede lid kunnen tot bestuurslid uitsluitend worden benoemd natuurlijke personen die niet in een gezagsverhouding staan tot het bestuur.

5. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt door het verstrijken van de zittingsduur, door bedanken door het bestuurslid, door overlijden, door intrekking van zijn benoeming door de organisatie die hem benoemde of doordat het bestuurslid in een gezagsverhouding komt te staan tot het bestuur.

6. Indien het lidmaatschap van een bestuurslid eindigt, stelt het bestuur de organisatie die het desbetreffende bestuurslid heeft benoemd in kennis van de vacature. Na de ontvangst van die kennisgeving is deze organisatie bevoegd in de vacature te voorzien.

7. Het bestuur benoemt uit zijn midden een voorzitter, een secretaris, een plaatsvervangend voorzitter en een plaatsvervangend secretaris. De functie van voorzitter, onderscheidenlijk plaatsvervangend voorzitter en van secretaris, onderscheidenlijk plaatsvervangend secretaris wordt telkens met ingang van 1 januari voor een jaar afwisselend vervuld door een werkgevers-, onderscheidenlijk een werknemerslid. Hierbij geldt dat een werknemerslid de functie van voorzitter vervult, wanneer een werkgeverslid de functie van secretaris vervult en een werkgeverslid de functie van voorzitter vervult, wanneer een werknemerslid de functie van secretaris vervult.

8. In afwijking van het zevende lid is het bestuur bevoegd buiten zijn midden een onafhankelijke voorzitter te benoemen en uit zijn midden een eerste en tweede plaatsvervangend voorzitter. De functie van eerste plaatsvervangend voorzitter, onderscheidenlijk van tweede plaatsvervangend voorzitter en van secretaris, onderscheidenlijk van plaatsvervangend secretaris wordt telkens met ingang van 1 januari voor een jaar afwisselend vervuld door een werkgevers-, onderscheidenlijk een werknemerslid. Hierbij geldt dat een werknemerslid de functie van eerste plaatsvervangend voorzitter vervult, wanneer een werkgeverslid de functie van secretaris vervult en een werkgeverslid de functie van eerste plaatsvervangend voorzitter vervult, wanneer een werknemerslid de functie van secretaris vervult.

Artikel 7 Taken en bevoegdheden van het bestuur

1. Het bestuur bestuurt het fonds.

2. Het bestuur is binnen de doelstelling van het fonds bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij het fonds zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld voor een ander verbindt.

3. Ieder van de bestuursleden is bevoegd een deskundige te raadplegen, alsmede zich krachtens een bestuursbesluit, waarbij ten minste een vierde deel van de bestuursleden zich daarvoor heeft uitgesproken, ter vergadering door een deskundige te laten bijstaan.

4. Bij het vervullen van zijn taak zorgt het bestuur er voor dat alle belanghebbenden zich door het bestuur op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.

5. Indien de noodzaak van een verhoging van een of beide pensioenpremies zich aftekent, informeert het bestuur de centrales en het VSO tijdig daarover, teneinde genoemde partijen in de gelegenheid te stellen zich omtrent die verhoging te kunnen beraden.

Artikel 8 Directieraad

1. Het fonds heeft een directieraad bestaande uit ten minste drie leden. Het bestuur is bevoegd het aantal leden van de directieraad te wijzigen, met inachtneming van het minimum van drie.

2. Het bestuur benoemt een van de leden van de directieraad tot voorzitter van die raad.

3. De leden van de directieraad worden door het bestuur benoemd, geschorst en ontslagen.

4. De directieraad is belast met de dagelijkse leiding van het fonds alsmede met de overige door het bestuur aan hem opgedragen taken.

5. De taken en bevoegdheden van de directieraad worden door het bestuur, gehoord de directieraad, in een reglement geregeld. De directieraad is voor de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden aan het bestuur verantwoording verschuldigd.

6. De directieraad kan niet worden belast met:

a. de vaststelling van de nota, bedoeld in artikel 3, derde lid;

b. de vaststelling van de begroting, waarin opgenomen de premiestelling, en het jaarplan van het fonds;

c. de vaststelling van de jaarrekening en het jaarverslag;

d. de vaststelling van het beleggingsplan en de kaderregeling, bedoeld in artikel 15, vijfde lid;

e. de benoeming van de leden van de beleggingscommissie;

f. de benoeming van de leden van de commissie van beroep;

g. de aanstelling, de arbeidsvoorwaarden, de schorsing en het ontslag van de leden van de directieraad;

h. de aanwijzing van een externe accountant en van een externe actuaris;

i. de vaststelling van het communicatieplan;

j. wijziging van de statuten en reglementen.

7. Het bestuur kan in het reglement bepalen dat de directieraad voor de uitoefening van nader aan te geven bevoegdheden de goedkeuring van het bestuur behoeft, dan wel een advies van de beleggingscommissie, bedoeld in artikel 15, dan wel beide.

Artikel 9 Vertegenwoordiging

1. Het bestuur vertegenwoordigt het fonds.

2. Het fonds wordt voorts vertegenwoordigd:

a. indien het bestuur uit 13 leden bestaat: door de onafhankelijke voorzitter tezamen met de eerste plaatsvervangend voorzitter en de secretaris;

b. indien het bestuur uit 12 leden bestaat: door de voorzitter tezamen met de secretaris.

3. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt bovendien toe aan de directieraad in de gevallen waarin het reglement, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, dat bepaalt.

4. De tot vertegenwoordiging bevoegden kunnen aan een of meer werknemers van het fonds en aan derden schriftelijk volmacht tot vertegenwoordiging verlenen.

5. Het ontbreken van de goedkeuring, bedoeld in artikel 8, zevende lid, of het advies, bedoeld in die bepaling, tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de directieraad niet aan.

Artikel 10 Vergaderingen van het bestuur

1. Het bestuur vergadert zo vaak als de voorzitter, of ten minste twee andere bestuursleden dit gewenst achten, maar ten minste twee keer per jaar.

2. De leden van de directieraad wonen de vergaderingen van het bestuur bij, voor zover het bestuur niet anders bepaalt.

3. De secretaris roept schriftelijk op tot de vergaderingen ten minste veertien dagen van tevoren en onder opgave van de agenda. In spoedeisende gevallen, ter beoordeling van de voorzitter, kan de oproeping ook op andere wijze gebeuren.

4. De secretaris houdt van een vergadering notulen, die door het bestuur worden vastgesteld.

Artikel 11 Besluitvorming van het bestuur

1. Besluiten kunnen slechts worden genomen in een vergadering van het bestuur waarin ten minste drie werkgeversleden en ten minste drie werknemersleden aanwezig zijn.

2. Besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen, waarbij ieder bestuurslid één stem uitbrengt indien de werkgeversleden en werknemersleden in gelijk aantal aanwezig zijn. Zijn de werkgeversleden en de werknemersleden in ongelijk aantal aanwezig, dan brengen de werkgeversleden, onderscheidenlijk de werknemersleden gezamenlijk evenveel stemmen uit als er leden van de grootste groep aanwezig zijn. De voorzitter die buiten het midden van het bestuur is benoemd heeft geen stemrecht.

3. Indien bij de stemming geen volstrekte meerderheid wordt verkregen, is het voorstel verworpen, met dien verstande dat, indien het bestuur alsdan besluit dat het desbetreffende onderwerp van zo zwaarwegend belang is dat daarover op korte termijn dient te worden besloten, het voorstel wordt aangehouden. In dat geval zal binnen vijfendertig dagen na afloop van de gehouden vergadering een nieuwe vergadering worden gehouden met inachtneming van artikel 10, derde lid. Indien ook in deze tweede vergadering geen volstrekte meerderheid wordt verkregen, is het voorstel verworpen.

4. Het bestuur geeft bij reglement, met inachtneming van deze statuten, nadere regels over de wijze van vergaderen, besluitvorming en verslaglegging.

5. In afwijking van het eerste lid kan een bestuursbesluit buiten een vergadering worden genomen indien het desbetreffende voorstel schriftelijk aan alle bestuursleden is voorgelegd, geen van de bestuursleden bezwaar maakt tegen deze wijze van besluitvorming en zoveel bestuursleden schriftelijk hun stem ten gunste van het voorstel uitbrengen, dat het voorstel daarmee de volgens deze statuten vereiste meerderheid heeft gekregen.

Artikel 12 Pensioenreglement

1. Het bestuur stelt, gehoord de actuaris, bedoeld in artikel 20, een of meer pensioenreglementen vast en is bevoegd vastgestelde reglementen te wijzigen.

2. Het pensioenreglement dat met ingang van 1 januari 1996 geldt voor overheidswerknemers, gewezen overheidswerknemers en hun nagelaten betrekkingen, wordt door het bestuur vastgesteld overeenkomstig de pensioenovereenkomst die ter zake is gesloten door de Minister van Binnenlandse Zaken en de Centrale Commissie.

3. Wijziging of nadere vaststelling van het in het tweede lid bedoelde pensioenreglement geschiedt met inachtneming van hetgeen de betrokken werkgeversorganisatie of -organisaties is of zijn overeengekomen met de betrokken werknemersorganisaties omtrent de pensioenen, behoudens wat betreft de vaststelling door het bestuur van de hoogte van de verschuldigde bijdragen en het vijfde lid.

4. De vaststelling en wijziging van andere pensioenreglementen dan in het tweede lid bedoeld, geschiedt met inachtneming van hetgeen de betrokken werkgeversorganisatie of -organisaties, onderscheidenlijk werkgever is of zijn overeengekomen met de betrokken werknemersorganisaties omtrent de pensioenen, behoudens wat betreft de vaststelling door het bestuur van de hoogte van de verschuldigde bijdragen en het vijfde lid.

5. Indien op enig tijdstip redelijkerwijs valt te voorzien dat de lasten en baten van het fonds niet met elkaar in evenwicht kunnen worden gebracht, kan het bestuur op schriftelijk advies van de actuaris en - voor zover het de op 31 december 1995 reeds ingegane pensioenen en uitzichten op pensioen betreft - met inachtneming van artikel 10 van de Wet privatisering ABP, wijzigingen aanbrengen in de rechten en verplichtingen van de deelnemers en gewezen deelnemers, alsmede van hun nagelaten betrekkingen en overige belanghebbenden. Het bestuur zal het pensioenreglement of de - reglementen aanpassen aan de in de vorige volzin bedoelde wijzigingen.

6. Een pensioenreglement en een wijziging daarin treden in werking op de door het bestuur vastgestelde datum, met dien verstande dat de eerste reglementen in werking treden met ingang van 1 januari 1996.

7. Een pensioenreglement mag geen bepalingen bevatten die onverenigbaar zijn met deze statuten.

Artikel 13 Commissie van Beroep

1. Er is een Commissie van Beroep, bestaande uit een aantal leden van het bestuur en een aantal onafhankelijke leden die in de commissie worden benoemd op grond van hun deskundigheid.

2. De Commissie van Beroep heeft tot taak namens het bestuur te beslissen op het bezwaar van een belanghebbende tegen een besluit dat is genomen krachtens de statuten en reglementen van het fonds, niet zijnde een besluit van algemene strekking.

3. Het bestuur benoemt de leden van de Commissie van Beroep. Voor elk van de leden van de Commissie van Beroep kan een plaatsvervangend lid worden benoemd.

4. De samenstelling, taak en werkwijze van de Commissie van Beroep worden in een door het bestuur vast te stellen reglement nader geregeld. Het bestuur kan daarbij afwijken van het eerste lid.

Artikel 14 Beleggingscommissie

1. Er is een Beleggingscommissie, bestaande uit een aantal onafhankelijke leden die in de commissie worden benoemd op grond van hun deskundigheid.

2. De Beleggingscommissie heeft tot taak te adviseren inzake ten minste:

a. het beleggingsplan;

b. tussentijdse aanpassingen van het beleggingsplan;

c. de uitvoering van het beleggingsplan voor zover deze buiten de in artikel 15, vijfde lid, bedoelde kaderregeling valt;

d. belangrijke beleggingsprojecten die een door het bestuur te bepalen financiële omvang te boven gaan;

e. de in artikel 15, vijfde lid, bedoelde kaderregeling en wijzigingen daarvan.

3. De Beleggingscommissie kan uit eigen beweging van advies dienen.

4. Het bestuur benoemt de leden van de Beleggingscommissie.

5. De samenstelling, taak en werkwijze van de Beleggingscommissie worden overigens in een door het bestuur vast te stellen reglement nader geregeld.

Artikel 15 Beleggingen

1. De beschikbare gelden van het fonds worden, op basis van een door het bestuur jaarlijks vast te stellen beleggingsplan, solide belegd met inachtneming van eisen van solvabiliteit, liquiditeit, rentabiliteit en spreiding van risico.

2. Het bestuur kan de directieraad belasten met de realisatie van de in het eerste lid bedoelde beleggingen, daarbij geadviseerd door de in artikel 14 bedoelde Beleggingscommissie.

3. Indien de directieraad een voorstel inzake beleggingen voorlegt aan het bestuur dat afwijkt van het advies ter zake van de Beleggingscommissie, wordt dat advies bij het voorstel gevoegd en geeft de directieraad gemotiveerd aan waarom door het bestuur zou moeten worden besloten overeenkomstig het voorstel van de directieraad.

4. Indien de directieraad een beslissing inzake beleggingen neemt die afwijkt van het advies ter zake van de Beleggingscommissie, informeert de directieraad het bestuur daaromtrent terstond en voordat tot de uitvoering van die beslissing wordt overgegaan, onder gelijktijdige toezending van het desbetreffende advies van de Beleggingscommissie en de motivering van de directieraad waarom van dat advies is afgeweken.

5. Het bestuur stelt met het oog op de realisatie van de in het eerste lid bedoelde beleggingen voor het overige een kaderregeling inzake beleggingen vast.

Artikel 16 Overige commissies

Het bestuur kan ook andere commissies instellen dan die welke in deze statuten worden genoemd.

Artikel 17 Raad van Advies

1. Er is een Raad van Advies, bestaande uit een door het bestuur vast te stellen aantal leden, van wie de helft vertegenwoordigers van de aangesloten lichamen zijn en de helft vertegenwoordigers van de deelnemers en de gepensioneerden. Onder gepensioneerden worden in dit artikel begrepen: degenen aan wie op grond van het pensioenreglement een ouderdomspensioen of een nabestaandenpensioen is toegekend.

2. Van de vertegenwoordigers van de lichamen wordt een door het bestuur vast te stellen aantal benoemd door het VSO en door de Werkgeversvereniging Energie- en Nutsbedrijven. Het bestuur kan andere organisaties van besturen van aangesloten lichamen die als representatief aangemerkt kunnen worden voor het terrein waarop zij werkzaam zijn, de bevoegdheid verlenen een of meer leden van de Raad van Advies te benoemen.

3. Van de vertegenwoordigers van de deelnemers en de gepensioneerden wordt een door het bestuur vast te stellen aantal benoemd door iedere centrale en door de Centrale van Samenwerkende Pensioenbelangen Organisaties.

4. De samenstelling van de Raad van Advies wordt door het bestuur nader geregeld in het reglement voor de Raad van Advies. Daarbij bevordert het bestuur een zodanige samenstelling van de Raad van Advies dat die raad als een afspiegeling kan worden aangemerkt van het geheel van aangesloten lichamen en van het geheel van de deelnemers en gewezen deelnemers.

5. Bestuursleden van het fonds en leden van de directieraad zijn niet benoembaar tot lid van de Raad van Advies.

6. Het derde tot en met het zesde lid van artikel 6 is van overeenkomstige toepassing op de leden van de Raad van Advies.

7. De Raad van Advies heeft tot taak het bestuur van advies te dienen in alle gevallen waarin het bestuur het wenselijk acht de raad te horen. Voorts kan de raad van advies het bestuur uit eigen beweging van advies dienen over alle zaken van het beleid van het fonds betreffende. Het bestuur zal in ieder geval het advies van de Raad van Advies inwinnen ten aanzien van voorgenomen besluiten tot:

a. vaststelling of wijziging van de statuten en de reglementen van het fonds;

b. vaststelling van het jaarverslag, de begroting en de bescheiden, bedoeld in artikel 3, derde lid, en artikel 22, derde lid;

c. gehele of gedeeltelijke overdracht van de verplichtingen van het fonds;

d. ontbinding van het fonds.

8. De Raad van Advies vergadert ten minste tweemaal per jaar. De vergaderingen worden geleid door de voorzitter van het bestuur van het fonds, of diens plaatsvervanger.

9. Tot de vergaderingen van de raad van advies hebben tevens toegang en in die vergaderingen hebben tevens het recht het woord te voeren:

a. de leden van het bestuur;

b. de leden van de directieraad;

c. de actuaris, bedoeld in artikel 20;

d. de accountant, bedoeld in artikel 21;

e. werknemers van het fonds, daartoe door de voorzitter van het bestuur uitgenodigd.

10. De werkwijze van de Raad van Advies wordt door het bestuur geregeld in het reglement voor de Raad van Advies.

Artikel 18 Vergoedingen

1. Het bestuur kan aan de voorzitter, die niet uit zijn midden is benoemd, een vergoeding toekennen.

2. Het bestuur kan bepalen dat de bestuursleden een door het bestuur vast te stellen vaste vergoeding, alsmede reis- en vacatiegeld ontvangen.

3. Het bestuur kan bepalen dat de leden van de Raad van Advies, van de Commissie van Beroep, van de Beleggingscommissie en van andere door het bestuur ingestelde commissies een reis- en vacatiegeld ontvangen.

Artikel 19 Geheimhouding

De leden van het bestuur, van de Commissie van Beroep, van de Raad van Advies, van de directieraad, van de Beleggingscommissies en van andere door het bestuur ingestelde commissies zijn verplicht geheim te houden hetgeen hun in deze functie ter kennis is gekomen en waarvan de geheimhoudingsplicht uit de aard der zaak voortvloeit of waarvoor hun voorzitter geheimhoudingsplicht heeft opgelegd.

Artikel 20 Actuaris

1. Het bestuur benoemt en ontslaat, gehoord de directieraad, een externe actuaris.

2. De externe actuaris heeft tot taak het bestuur en de directieraad te adviseren met betrekking tot de actuariële grondslagen waarop het fonds berust. Verder is de externe actuaris belast met het afleggen van een actuariële verklaring met betrekking tot de wetenschappelijke balans en verlies- en winstrekening, bedoeld in artikel 22, derde lid, alsmede met betrekking tot het daar bedoelde actuariële verslag.

Artikel 21 Accountant

1. Het bestuur benoemt een registeraccountant of wijst een organisatie aan waarin registeraccountants samenwerken. Het bestuur kan de registeraccountant ontslaan of de aanwijzing intrekken van de in de eerste volzin bedoelde organisatie. Het bestuur hoort de directieraad over een benoeming of aanwijzing, onderscheidenlijk ontslag of intrekking van de aanwijzing.

2. De registeraccountant of organisatie heeft tot taak de controle van de administratie van het fonds, het jaarlijks uitbrengen van een rapport over de financiële toestand van het fonds en de controle van het door het bestuur uit te brengen verslag, bedoeld in artikel 22, vierde lid, en het afleggen van een verklaring ter zake.

Artikel 22 Boekjaar en jaarstukken

1. Het boekjaar van het fonds valt samen met het kalenderjaar.

2. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van het fonds en van alles betreffende de werkzaamheden van het fonds, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van het fonds kunnen worden gekend.

3. Onverminderd hetgeen overigens bij wet is bepaald, is het bestuur verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten van het fonds te maken en op papier te stellen. De balans en de staat van baten en lasten wordt vergezeld van een toelichting. Het bestuur geeft aan de registeraccountant of de organisatie, bedoeld in artikel 21, opdracht om bij deze stukken een verklaring af te leggen.

4. Het bestuur stelt tegelijkertijd met de in het derde lid bedoelde bescheiden een jaarverslag op.

5. Het bestuur zendt jaarlijks het jaarverslag, de jaarrekening en de verklaring van de registeraccountant, bedoeld in artikel 21, uiterlijk in de maand juli aan:

a. het VSO;

b. de Werkgeversvereniging Energie- en Nutsbedrijven;

c. organisaties van besturen van lichamen die ingevolge de tweede volzin van artikel 17, tweede lid, een of meer leden van de Raad van Advies kunnen benoemen;

d. de centrales;

e. de Centrale van Samenwerkende Pensioenbelangen Organisaties;

f. de leden van de Raad van Advies.

6. Het bestuur van het fonds legt jaarlijks aan de Verzekeringskamer een door een accountant als bedoeld in artikel 21 gecontroleerd verslag over, waarin een volledig beeld van de financiële toestand van het fonds gegeven wordt en waaruit ten genoegen van de Verzekeringskamer blijkt dat aan het bij of krachtens de Pensioen- en spaarfondsenwet bepaalde wordt voldaan en dat de belangen van de bij het fonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers en overige belanghebbenden, voldoende gewaarborgd geacht kunnen worden.

7. Het bestuur van het fonds legt een maal in de vijf jaren, of - indien de Verzekeringskamer dit nodig acht - binnen kortere termijn, aan de Verzekeringskamer een door de actuaris, bedoeld in artikel 20, samengestelde wetenschappelijke balans en verlies- en winstrekening, alsmede een actuarieel verslag betreffende het fonds over.

8. Het bestuur draagt er voor zorg dat het samenstellen en het overleggen aan de Verzekeringskamer van de bescheiden, bedoeld in het zesde en zevende lid, geschieden met inachtneming van de ter zake door de Verzekeringskamer gegeven aanwijzingen.

Artikel 23 Reglementen

Het bestuur kan een of meer reglementen vaststellen of wijzigen, teneinde specifieke onderwerpen betreffende het fonds nader te regelen.

Artikel 24 Overeenkomsten met andere pensioenfondsen

1. Het bestuur is bevoegd met andere pensioenfondsen overeenkomsten te sluiten, die ten doel hebben om bij overgang van alle deelnemers, of een bepaalde groep van deelnemers van het andere pensioenfonds naar het fonds:

a. de verplichtingen van het andere pensioenfonds jegens deze deelnemers, de gewezen deelnemers, die behoord hebben tot dezelfde groep deelnemers die overgaat, en de nagelaten betrekkingen van deze deelnemers en gewezen deelnemers over te nemen; of

b. aan deze deelnemers, de gewezen deelnemers, die behoord hebben tot dezelfde groep deelnemers die overgaat, en de nagelaten betrekkingen van deze deelnemers en gewezen deelnemers aanspraken op pensioen te verlenen volgens het pensioenreglement van het fonds.

2. Het bestuur is bevoegd met andere pensioenfondsen overeenkomsten te sluiten die ten doel hebben om bij overgang van alle deelnemers, of een bepaalde groep van deelnemers van het fonds naar het andere pensioenfonds:

a. de verplichtingen van het fonds jegens deze deelnemers, de gewezen deelnemers, die behoord hebben tot dezelfde groep deelnemers die overgaat, en de nagelaten betrekkingen van deze deelnemers en gewezen deelnemers over te dragen; of

b. aan deze deelnemers, de gewezen deelnemers, die behoord hebben tot dezelfde groep deelnemers doe overgaat, en de nagelaten betrekkingen van deze deelnemers en gewezen deelnemers aanspraken op pensioen te verlenen volgens het pensioenreglement van het andere fonds.

3. Het bestuur kan in verband met het eerste en tweede lid ten aanzien van de betrokken deelnemers afwijken van de bepalingen van de statuten en het pensioenreglement.

4. Het bestuur is bevoegd met andere pensioeninstanties, zoals publiekrechtelijke pensioenfondsen, pensioenfondsen waarop de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing is en verzekeraars die in het bezit zijn van de ingevolge artikel 24, eerste lid van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vereiste vergunning of die voldaan hebben aan de ingevolge de artikelen 37 of 38 van die wet vereiste procedure met betrekking tot een bijkantoor in Nederland, alsmede met de betrokken werkgever, indien dit noodzakelijk zou zijn, overeenkomsten te sluiten die ten doel hebben om bij veranderingen van pensioeninstantie reservewaarden over te dragen dan wel in te nemen.

5. Het bestuur is bevoegd met andere pensioenfondsen overeenkomsten aan te gaan teneinde werkzaamheden van het fonds te doen uitvoeren door deze andere pensioenfondsen, onderscheidenlijk werkzaamheden van deze andere pensioenfondsen te doen uitvoeren door het fonds.

6. Het bestuur is bevoegd overeenkomsten aan te gaan met anderen, zoals pensioenfondsen, levensverzekeringsmaatschappijen, bedrijfsverenigingen en de Sociale Verzekeringsbank, teneinde regelingen te treffen voor de coördinatie van werkzaamheden, die zowel tot de taak van het fonds als tot die van een of meer andere partijen bij de overeenkomst behoren.

Artikel 25 Statutenwijzigingen

1. Met inachtneming van het tweede en derde lid, is het bestuur bevoegd te besluiten tot wijziging van de statuten.

2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden genomen, indien ten minste negen leden van het bestuur voor het voorstel stemmen en gehoord het VSO en de centrales.

3. In afwijking van het tweede lid kan een besluit tot wijziging van artikel 3, vierde lid, artikel 12 en van dit lid slechts worden genomen, indien ten minste negen leden van het bestuur voor het voorstel stemmen en na een verklaring van geen bezwaar te hebben ontvangen van de Minister van Binnenlandse Zaken en de Centrale Commissie, dan wel - indien het Centraal Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken is vervangen door een ander gremium - van het VSO en de centrales.

Artikel 26 Duur en ontbinding

1. De stichting is voor onbepaalde tijd opgericht.

2. Het bestuur is bevoegd te besluiten tot ontbinding van het fonds. Artikel 25, derde lid, is van overeenkomstige toepassingen op een besluit tot ontbinding.

3. Een besluit tot ontbinding van het fonds moet tevens de bestemming inhouden van een eventueel batig saldo. Dit saldo moet worden bestemd voor een doel dat het meest overeenstemt met het doel van het fonds.

4. Bij ontbinding van het fonds is het bestuur belast met de vereffening en blijven de bepalingen van deze statuten zo veel mogelijk van kracht.

5. In geval van ontbinding van het fonds is het bevoegd om zijn verplichtingen over te dragen aan een verzekeraar als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, of aan een pensioenfonds waarop die wet van toepassing is.

Artikel 27 Slotbepaling

In alle gevallen waarin niet door deze statuten of de wet is voorzien, beslist het bestuur.

Bijlage behorende bij artikel 3, vijfde lid, onderdelen a en b, van de statuten van de Stichting Pensioenfonds ABP

Het premiesysteem

I. Het synthesemodel

1. Het percentage van de pensioenpremie inzake ouderdoms- en nabestaandenpensioen wordt jaarlijks vastgesteld overeenkomstig de formule Pt+1 = 1,06.PLBt+1 + ft+1.PKt+1 en met inachtneming van een demping van twee procentpunten. In de vorenbedoelde formule is:

Pt+1: het premiepercentage berekend ultimo jaar t en geldend voor het jaar t+1;

PLBt+1: het premiepercentage, bedoeld in het vijfde lid, berekend ultimo jaar t en geldend voor het jaar t+1;

ft+1: één verminderd met de positieve wortel uit het quotiënt van (Dt+1 - 60) door 50 indien Dt+1 kleiner is dan of gelijk aan 110 procent, dan wel de positieve wortel uit het quotiënt van (160 - Dt+1) door 50 indien Dt+1 groter is dan 110 procent, en waarin Dt+1 de dekkingsgraad is, berekend voor het jaar t+1;

PKt+1: het voor ultimo jaar t+1 berekende additioneel premiepercentage dat bewerkstelligt dat de feitelijke dekkingsgraad gelijk is aan de normdekkingsgraad, bedoeld in punt vijf.

2. Ten behoeve van de vaststelling van het percentage, bedoeld in punt een, wordt door het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP jaarlijks een balans opgesteld volgens het beginsel van lasten en baten en een balans volgens het beginsel van opgebouwde aanspraken.

3. Bij het opstellen van de balansen, bedoeld in punt twee, wordt in ieder geval het volgende in acht genomen:

a. wat betreft de balans van lasten en baten wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van het bestand aan deelgerechtigden in het fonds in de eerstvolgende 35 jaar;

b. wat betreft de balans van lasten en baten wordt een rekenrente gehanteerd die voor de eerste vier jaar is gebaseerd op de voor die jaren opgestelde verwachtingen betreffende de rentestand geldend voor langlopende leningen en betreffende wijzigingen in de bezoldiging van het overheidspersoneel, zoals die laatstelijk zijn gepubliceerd in de Macro Economische Verkenning of het Centraal Economisch Plan, en voor de daaropvolgende 31 jaar vier procent bedraagt;

c. wat betreft de balans volgens het beginsel van opgebouwde aanspraken wordt een rekenrente gehanteerd van vier procent.

4. Op basis van de balans van lasten en baten wordt een balanssluitend lange-termijn premiepercentage berekend.

5. Op basis van de balans volgens het beginsel van opgebouwde aanspraken wordt vastgesteld welk additioneel premiepercentage benodigd zou zijn om aan het einde van het jaar waarover de premie verschuldigd is een dekkingsgraad van de opgebouwde aanspraken te bereiken van 110 procent (normdekkingsgraad).

II. Het rentedekkingssysteem

De pensioenpremie inzake het invaliditeitspensioen bedraagt een op zodanige wijze vast te stellen percentage van de loonsom waarover deze wordt geheven, dat in totaal per kalenderjaar door de overheidswerkgevers aan de Stichting Pensioenfonds ABP een bedrag wordt afgedragen dat overeenkomt met de contante waarde van de verplichtingen inzake invaliditeitspensioen die in dat jaar ontstaan. Een en ander met dien verstande dat deze pensioenpremie per jaar met niet meer dan 50 procent wordt gewijzigd.

Ontwerp-pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds Abp

1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van het bij of krachtens dit reglement bepaalde wordt verstaan onder:

a. aangesloten werkgever: een werkgever als bedoeld in artikel 2.2;

b. Abp-wet: de Algemene burgerlijke pensioenwet;

c. Amp-wet: de Algemene militaire pensioenwet;

d. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid overeenkomstig de WAO;

e. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf 9 van de WPA;

f. bestuur: het bestuur van het fonds;

g. Commissie van Beroep: de Commissie van Beroep, bedoeld in artikel 13 van de statuten;

h. deelnemer: de deelnemer, bedoeld in artikel 2.4;

i. deeltijddienstverhouding: een dienstverhouding met minder uren dan bij de betrokken werkgever in een gelijksoortige dienstverhouding gebruikelijk is;

j. deeltijdfactor: de deeltijdfactor, bedoeld in artikel 1.2;

k. dienstverhouding: een publiekrechtelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht;

l. fonds: de Stichting Pensioenfonds ABP;

m. gepensioneerde: degene die recht heeft op ouderdomspensioen ten laste van het fonds;

n. gewezen deelnemer: degene die deelnemer is geweest en aanspraak heeft op pensioen ten laste van het fonds;

o. jaar: een kalenderjaar, tenzij uit de desbetreffende bepaling het tegendeel blijkt;

p. nabestaande:

1° de partner;

2° de in artikel 7.6 bedoelde wees;

q. ontslag: elke be‘indiging van het deelnemerschap, tenzij uit een desbetreffende bepaling het tegendeel blijkt;

r. ontslaguitkering: de ontslaguitkering, bedoeld in artikel 1.3;

s. partner: de partner, bedoeld in artikel 1.4;

t. pensioen: elke periodieke uitkering die is toegekend krachtens dit reglement, tenzij uit de desbetreffende bepaling het tegendeel blijkt;

u. PSW: de Pensioen- en spaarfondsenwet;

v. statuten: de statuten van het fonds;

w. WPA: de Wet privatisering ABP.

Artikel 1.2 Deeltijdfactor

1. De omvang van een deeltijddienstverhouding wordt aangegeven door de deeltijdfactor. De deeltijdfactor is een breuk waarvan:

a. de teller wordt gevormd door het feitelijk genoten salaris; en

b. de noemer gelijk is aan het salaris dat in een gelijksoortige betrekking bij de betrokken werkgever bij een volledige werktijd zou gelden.

2. Gedurende de tijd waarin een deelnemer in een dienstverhouding door ziekte, verlof, militaire dienst of andere hem persoonlijk betreffende omstandigheden niet of niet volledig in het genot is van zijn inkomsten, geldt de deeltijdfactor die zou hebben gegolden indien deze omstandigheden zich niet hadden voorgedaan.

3. Voor de deelnemer met recht op een ontslaguitkering geldt als deeltijdfactor de breuk waarvan:

a. de teller wordt gevormd door het feitelijk bedrag van het salaris dat als grondslag dient voor de berekening van de ontslaguitkering; en

b. de noemer gelijk is aan het salaris dat in de dienstverhouding bij de betrokken werkgever in een gelijksoortige betrekking bij een volledige werktijd gebruikelijk is en dat als grondslag voor de berekening van de ontslaguitkering zou hebben gegolden.

4. Indien de deelnemer met recht op een ontslaguitkering op of na de datum van het ontslag waaraan het recht op die uitkering wordt ontleend, werkzaamheden dan wel uitbreiding van bestaande werkzaamheden heeft aanvaard waaraan hij een aanspraak op pensioen krachtens dit reglement ontleent, wordt de ingevolge het derde lid vastgestelde deeltijdfactor zoveel mogelijk verminderd met de deeltijdfactor behorende bij de vorenbedoelde werkzaamheden.

5. Voor de deelnemer met recht op invaliditeitspensioen geldt als deeltijdfactor de in tijd gewogen gemiddelde deeltijdfactor over het jaar waarop de berekeningsgrondslag betrekking heeft.

6. Het bestuur kan in bijzondere gevallen bepalen dat de deeltijdfactor voor een deelnemer of een groep van deelnemers voor de toepassing van dit reglement nader wordt vastgesteld.

Artikel 1.3 Ontslaguitkering

Onder ontslaguitkering wordt verstaan:

a. een wachtgelduitkering, een uitkering in verband met functioneel leeftijdsontslag of een vut-uitkering;

b. de suppletie, dat wil zeggen de uitkering die op grond van een rechtspositieregeling wordt toegekend aan een belanghebbende aan wie ontslag is verleend wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80 procent arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO;

c. elke andere periodieke uitkering die niet is begrepen in de onderdelen a en b, toegekend door een aangesloten werkgever uit hoofde van onvrijwillige werkloosheid, tenzij deze door het bestuur niet als ontslaguitkering wordt beschouwd;

d. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend ter zake van werkloosheid ontstaan door ontslag uit een dienstverhouding bij een aangesloten werkgever;

e. elke door het bestuur met een ontslaguitkering gelijkgestelde uitkering.

Artikel 1.4 Partner

1. Onder partner wordt verstaan:

a. de echtgenoot van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde;

b. degene die door de ongehuwde deelnemer of gewezen deelnemer als partner is aangemeld bij het fonds en door het bestuur als zodanig is aangemerkt.

2. Het bestuur merkt degene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, slechts als partner aan indien:

a. hij ongehuwd is; en

b. hij en degene die de aanmelding doet als ingezetene met hetzelfde woonadres in de basisadministratie, bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, zijn ingeschreven; en

c. hij en degene die de aanmelding doet blijkens een notarieel verleden samenlevingscontract zich tegenover elkaar verplicht hebben om over en weer bij te dragen in de kosten van levensonderhoud; en

d. hij en degene die de aanmelding doet geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn; en

e. hij en degene die de aanmelding doet achttien jaar of ouder zijn; en

f. degene die de aanmelding doet deelnemer of gewezen deelnemer is, en de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt.

3. In afwijking van het tweede lid kan het bestuur regels stellen omtrent het aanmerken als partner van degene die niet als ingezetene in de basisadministratie, bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, is ingeschreven.

4. De aanmerking als partner, bedoeld in het tweede lid, wordt door het bestuur beëindigd met ingang van:

a. de dag waarop een schriftelijke aanvraag daartoe is ontvangen van degene die de aanmelding heeft gedaan dan wel van zijn partner;

b. de dag van overlijden van de partner;

c. de dag waarop degene die de aanmelding heeft gedaan met een ander in het huwelijk treedt, hetzij een ander als partner aanmeldt en die ander door het bestuur als partner wordt aangemerkt;

d. de dag waarop de partner met een ander dan degene die hem heeft aangemeld in het huwelijk treedt, dan wel na een aanmelding zijnerzijds een ander dan degene die hem heeft aangemeld, wordt aangemerkt als partner;

e. de dag waarop de partner door een andere deelnemer als partner wordt aangemeld en als zodanig wordt aangemerkt.

5. Het bestuur kan aan degene die de aanmelding heeft gedaan periodiek bevestiging vragen dat nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden voor de aanmerking als partner.

6. Indien de schriftelijke bevestiging niet binnen zes weken na het verzoek daartoe wordt gedaan, herhaalt het bestuur zijn in het vijfde lid bedoelde vraag.

7. Indien de schriftelijke bevestiging niet binnen zes weken na de herhaalde vraag wordt gegeven, wordt de aanmerking als partner beëindigd met ingang van de eerste dag volgende op die termijn van zes weken.

2. Werkingssfeer, deelneming en aanspraken

Werkingssfeer

Artikel 2.1

Dit reglement is van toepassing op de aangesloten werkgevers, hun werknemers, gewezen werknemers en gepensioneerden, alsmede op de nabestaanden van die werknemers, gewezen werknemers en gepensioneerden.

Artikel 2.2

1. Aangesloten werkgevers zijn:

a. de publiek- en privaatrechtelijke lichamen, bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, van de WPA (zie bijlage a);

b. de privaatrechtelijke lichamen die ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de statuten door het bestuur zijn toegelaten. 2. De aansluiting eindigt met ingang van de datum waarop de verplichting tot deelneming is ingetrokken, onderscheidenlijk de toelating is beëindigd.

3. Ten aanzien van de deelnemer die een ontslaguitkering geniet wordt als aangesloten werkgever aangemerkt, de instantie ten laste waarvan de desbetreffende uitkering komt.

Artikel 2.3

Werknemers zijn:

a. de overheidswerknemers, bedoeld in artikel 2 van de WPA (zie bijlage a);

b. de werknemers die bij de in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, bedoelde aangesloten werkgevers arbeid in een dienstverhouding verrichten, met uitzondering van de personen of groepen van personen die door het bestuur zijn uitgezonderd.

Artikel 2.4 Deelneming

1. Deelnemers zijn:

a. de werknemers;

b. de werknemers en gewezen werknemers die, voor zolang dat recht is toegekend, recht hebben op:

1° een invaliditeitspensioen;

2° een ontslaguitkering.

c. degenen die op grond van artikel 16.1, eerste lid, vrijwillig deelnemen in het fonds of op grond van artikel 16.1, tweede lid, de deelneming in het fonds vrijwillig voortzetten.

2. Degene die voor 1 januari 1996 ambtenaar in de zin van de Abp-wet is geweest, wordt als deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde aangemerkt met inachtneming van hoofdstuk 18.

Artikel 2.5 Vermindering van aanspraken

1. Aanspraken op ouderdomspensioen van de deelnemer of gewezen deelnemer en het recht op ouderdomspensioen van de gepensioneerde kunnen zonder toestemming van de partner bij overeenkomst tussen de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde en het fonds worden verminderd, uitsluitend indien:

a. er sprake is van afkoop als bedoeld in de artikelen 11.1, 11.2 en 11.5;

b. de echtgenoten het recht op pensioenverevening ingevolge de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding hebben uitgesloten.

2. Aanspraken op partnerpensioen ten behoeve van de partner van een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde kunnen zonder toestemming van de partner bij overeenkomst tussen de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde en het fonds worden verminderd, uitsluitend indien er sprake is van afkoop als bedoeld in artikel 11.5.

3. Inkomen en berekeningsgrondslag

Artikel 3.1 Inkomen

1. Onder inkomen wordt verstaan het tot een jaarbedrag te herleiden vaste salaris dat op 1 januari van het desbetreffende jaar voor de deelnemer geldt, vermeerderd met de vakantie-uitkering over dat salaris.

2. Met uitzondering van de toelagen die het karakter hebben van een onkostenvergoeding en de tegemoetkoming inzake ziektekosten, worden tot het inkomen voorts gerekend de tot een jaarbedrag te herleiden vaste toelagen, waarop de deelnemer op 1 januari van het desbetreffende jaar aanspraak heeft, indien van toepassing vermeerderd met de over die toelagen toe te kennen vakantie-uitkering. Indien de toelagen, bedoeld in de vorige volzin, in hoogte variëren, wordt tot het inkomen gerekend de som van die toelagen over het voorafgaande jaar, indien van toepassing vermeerderd met de vakantie-uitkering over die toelagen.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor degene wiens dienstverhouding met de aangesloten werkgever in de loop van het jaar is ingegaan als peildatum voor het inkomen, bedoeld in het eerste en tweede lid, de ingangsdatum van de dienstverhouding.

4. Gedurende de tijd waarin een deelnemer in een dienstverhouding door ziekte, verlof, militaire dienst of andere hem persoonlijk betreffende omstandigheden niet of niet volledig in het genot is van zijn inkomen wordt onder inkomen verstaan het inkomen dat voor hem zou hebben gegolden indien genoemde omstandigheden zich niet hadden voorgedaan.

5. Voor de deelnemer die een deeltijddienstverhouding vervult, wordt het in het eerste, tweede en derde lid bedoelde inkomen gedeeld door de deeltijdfactor.

6. Voor de deelnemer met recht op een ontslaguitkering wordt onder inkomen verstaan het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat op 1 januari van het desbetreffende jaar als grondslag dient voor de berekening van de ontslaguitkering. Het derde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.2 Berekeningsgrondslag

1. Onder berekeningsgrondslag wordt verstaan voor de deelnemer die in een jaar:

a. niet meer dan een inkomen heeft, dat inkomen;

b. meer dan een inkomen heeft, het naar rato van de bij de betreffende dienstverhoudingen behorende deeltijdfactoren en in tijd gewogen gemiddelde inkomen.

2. In afwijking van het eerste lid wordt een korting op het salaris wegens de leeftijd voor de vaststelling van het inkomen en de berekeningsgrondslag voor een invaliditeitspensioen en een nabestaandenpensioen buiten beschouwing gelaten.

3. Bij samenloop van een invaliditeitspensioen en een inkomen uit een dienstverhouding of een ontslaguitkering wordt voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag van dat samenstel van inkomens wat betreft het invaliditeitspensioen de berekeningsgrondslag in aanmerking genomen waarnaar het invaliditeitspensioen is berekend. De berekeningsgrondslag is alsdan het naar rato van de bij de vaststelling van het invaliditeitspensioen gehanteerde deeltijdfactor of som van deeltijdfactoren, onderscheidenlijk de bij de dienstverhouding of ontslaguitkering behorende deeltijdfactor en in tijd gewogen gemiddelde inkomen.

4. Pensioenpremie

Artikel 4.1 Premieplicht

1. De aangesloten werkgever is pensioenpremie verschuldigd voor iedere in zijn dienst zijnde dan wel te zijnen laste komende deelnemer, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a en b, onder 2°.

2. In afwijking van het eerste lid is de aangesloten werkgever geen pensioenpremie verschuldigd voor invaliditeitspensioen voor de deelnemer, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, die een uitkering ontvangt in verband met vrijwillig vervroegd uittreden dan wel functioneel leeftijdsontslag.

Artikel 4.2 Premiegrondslag ouderdoms- en nabestaandenpensioen

1. De premiegrondslag voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen is het in artikel 3.1 bedoelde inkomen, verminderd met de franchise ter grootte van f 26.500.

2. De in het eerste lid bedoelde franchise kan door het bestuur, gehoord de actuarieel adviseur, nader worden vastgesteld op een veelvoud van f 100, indien het ouderdomspensioen ingevolge de AOW voor degene die voor de toepassing van die wet als gehuwd wordt aangemerkt, een of meer wijzigingen heeft ondergaan, waardoor het laatstbedoelde bedrag herleid tot een jaarbedrag, sinds de laatste aanpassing van de in het eerste lid bedoelde franchise, f 100 of meer is gewijzigd.

Artikel 4.3 Premiegrondslag invaliditeitspensioen

1. De premiegrondslag voor invaliditeitspensioen is het in artikel 3.1 bedoelde inkomen, verminderd met het franchisebedrag ter grootte van f 28.000.

2. Het in het eerste lid bedoelde franchisebedrag kan door het bestuur nader worden vastgesteld op een veelvoud van f 100, indien het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 15 van die wet, een of meerdere wijzigingen ondergaat of heeft ondergaan, waardoor het laatstbedoelde jaarbedrag, sinds de laatste aanpassing van het in het eerste lid bedoelde bedrag, f 100 of meer is gewijzigd.

Artikel 4.4 Pensioenpremie ouderdoms- en nabestaandenpensioen

1. De pensioenpremie voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen bedraagt het in de volgende leden bedoelde percentage van de premiegrondslag, bedoeld in artikel 4.2.

2. De hoogte van het pensioenpremiepercentage voor het ouderdoms- en nabestaandenpensioen wordt door het bestuur, gehoord de actuarieel adviseur, vastgesteld volgens de methodiek, beschreven in de door het bestuur vastgestelde actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de statuten.

3. De pensioenpremie voor een deelnemer in een deeltijddienstverhouding bedraagt, gedurende een periode waarvoor een deeltijdfactor is vastgesteld, de in het eerste lid bedoelde pensioenpremie vermenigvuldigd met die deeltijdfactor.

4. De pensioenpremie voor de deelnemer, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, met uitzondering van de deelnemer die een suppletie geniet, bedraagt de helft van de in het eerste lid bedoelde pensioenpremie, voor zover van toepassing vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.

5. Onverminderd het derde en vierde lid wordt de pensioenpremie ter zake van een suppletie of een andere ontslaguitkering verlaagd indien de deelnemer recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze verlaging bedraagt gedurende die arbeidsongeschiktheid bij een arbeidsongeschiktheid van:

a. 65% tot 80%: 80%;

b. 55% tot 60%: 60%;

c. 45% tot 55%: 50%;

d. 35% tot 45%: 40%;

e. 25% tot 35%: 30%;

f. 15% tot 25%: 20%.

Artikel 4.5 Pensioenpremie invaliditeitspensioen

1. De pensioenpremie voor het invaliditeitspensioen bedraagt het in de volgende leden bedoelde percentage van de premiegrondslag, bedoeld in artikel 4.3.

2. De hoogte van het pensioenpremiepercentage voor het invaliditeitspensioen wordt door het bestuur, gehoord de actuarieel adviseur, vastgesteld volgens de methodiek, beschreven in de door het bestuur vastgestelde actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de statuten.

3. De pensioenpremie voor een deelnemer in een deeltijddienstverhouding bedraagt, gedurende een periode waarvoor een deeltijdfactor is vastgesteld, de in het eerste lid bedoelde pensioenpremie vermenigvuldigd met die deeltijdfactor.

4. Indien de deelnemer heeft afgezien van de individuele bijverzekering, bedoeld in artikel 8.4, wordt de pensioenpremie voor het invaliditeitspensioen verlaagd met het deel van de pensioenpremie dat betrekking heeft op deze individuele bijverzekering.

5. De regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop de deelnemer de keuze, bedoeld in het vierde lid, die eenmalig is, kenbaar dient te maken, zijn neergelegd in bijlage b van dit reglement.

Artikel 4.6 Premiebetaling

1. De aangesloten werkgever betaalt de verschuldigde pensioenpremies, bedoeld in de artikelen 4.4 en 4.5, in twaalf evenredige termijnen aan het fonds. De betaling dient te geschieden voor het einde van de maand volgende op de uitbetalingstermijn waarop die pensioenpremies betrekking hebben.

2. Het bestuur kan betaling in andere termijnen toestaan, met dien verstande dat een termijn niet korter dan 4 weken zal zijn.

3. De aangesloten werkgever is aan het fonds de wettelijke rente verschuldigd over bedragen die niet of niet tijdig zijn voldaan.

Artikel 4.7 Verhaal van pensioenpremie

De aangesloten werkgever kan een deel van de verschuldigde pensioenpremie op de deelnemer verhalen.

5. Pensioengeldige tijd

Artikel 5.1 Algemeen

1. Als pensioengeldige tijd komt in aanmerking:

a. de tijd na het tijdstip van inwerkingtreding van dit reglement doorgebracht als deelnemer;

b. de tijd na het tijdstip van inwerkingtreding van dit reglement doorgebracht als dienstplichtige als bedoeld in artikel A 1, eerste lid, onderdeel f, van de Amp-wet, voor zover die tijd geen pensioengeldige tijd is in verband met een recht of uitzicht op pensioen ingevolge de artikelen E 1, E 2 of E 3 van die wet, en voor zover die tijd niet samenloopt met tijd, bedoeld in onderdeel a;

c. de tijd die ingevolge de artikelen 11.3 en 11.4 aan de deelnemer is toegekend;

d. de tijd doorgebracht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit reglement, bedoeld in artikel 18.1, met inachtneming van de correctiefactoren, bedoeld in artikel 18.2.

2. De pensioengeldige tijd doorgebracht in een deeltijddienstverhouding telt mee voor het gedeelte dat wordt uitgedrukt door de deeltijdfactor die betrekking heeft op die tijd.

Artikel 5.2 Verhoogde pensioenopbouw bij afzien recht op vut

1. Indien de deelnemer na een te verlenen ontslag zou voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het recht op een uitkering ter zake van vrijwillig vervroegde uittreding, telt de periode gedurende welke hij geen gebruik heeft gemaakt van dit recht als volgt mee bij de berekening van de pensioengeldige diensttijd:

a. met ingang van de dag waarop de deelnemer de leeftijd van 61 jaar bereikt tot de dag waarop hij de leeftijd van 62 jaar bereikt, wordt dat jaar of gedeelten daarvan vermenigvuldigd met 1,14;

b. met ingang van de dag waarop de deelnemer de leeftijd van 62 jaar bereikt tot de dag waarop hij de leeftijd van 63 jaar bereikt, wordt dat jaar of gedeelten daarvan vermenigvuldigd met 1,29;

c. met ingang van de dag waarop de deelnemer de leeftijd van 63 jaar bereikt tot de dag waarop hij de leeftijd van 64 jaar bereikt, wordt dat jaar of gedeelten daarvan vermenigvuldigd met 1,43;

d. met ingang van de dag waarop de deelnemer de leeftijd van 64 jaar bereikt tot de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt dat jaar of gedeelten daarvan vermenigvuldigd met 1,57.

2. Indien de deelnemer, bedoeld in het eerste lid, komt te overlijden, wordt bij de toepassing van artikel 7.2 ten aanzien van het nabestaandenpensioen, de vermenigvuldigingsfactoren gehanteerd, die ingevolge het eerste lid van toepassing zouden zijn geweest indien de werkzaamheden zouden zijn voortgezet tot aan de dag waarop het recht op ouderdomspensioen zou zijn ontstaan.

3. Indien de deelnemer, bedoeld in het eerste lid, op enig moment recht verkrijgt op een invaliditeitspensioen wordt bij de toepassing van artikel 5.3 ten aanzien van het invaliditeitspensioen, de vermenigvuldigingsfactoren gehanteerd, die ingevolge het eerste lid van toepassing zouden zijn geweest indien de werkzaamheden zouden zijn voortgezet tot aan de dag waarop het recht op ouderdomspensioen ontstaat.

Artikel 5.3 Arbeidsongeschiktheid

1. De tijd doorgebracht als deelnemer, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, telt mee al naar gelang de hoogte van de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

2. De mate waarin deze tijd meetelt, bedraagt bij een mate van arbeidsongeschiktheid van:

a. 80% of meer: 100%;

b. 65% tot 80%: 80%;

c. 55% tot 65%: 60%;

d. 45% tot 55%: 50%;

e. 35% tot 45%: 40%;

f. 25% tot 35%: 30%;

g. 15% tot 25%: 20%.

3. Onder de mate van arbeidsongeschiktheid wordt mede verstaan de mate van arbeidsongeschiktheid met overeenkomstige inachtneming van artikel 44 van de WAO.

4. Indien de mate van arbeidsongeschiktheid wordt gewijzigd in verband met het wegens ziekte niet meer kunnen vervullen van een andere dienstverhouding, wordt de mate waarin de tijd meetelt in afwijking van het tweede lid niet eerder gewijzigd dan na de beëindiging van die dienstverhouding.

5. Dit artikel is niet van toepassing op tijd gedurende welke aan een deelnemer suppletie is toegekend.

Artikel 5.4 Werkloosheid

1. De tijd doorgebracht door de deelnemer, bedoeld in artikel 2.4,eerste lid, onderdeel b, onder 2°, telt voor de helft mee.

2. In afwijking van het eerste lid telt de tijd gedurende welke aan een deelnemer een suppletie is toegekend volledig mee.

3. Bij samenloop van een invaliditeitspensioen en een ontslaguitkering, niet zijnde de in artikel 1.3, onderdeel b, bedoelde suppletie, uit hoofde van dezelfde dienstverhouding wordt de met inachtneming van de vorige leden vastgestelde tijd verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een mate van arbeidsongeschiktheid van:

a. 65% tot 80%: 80%;

b. 55% tot 65%: 60%;

c. 45% tot 55%: 50%;

d. 35% tot 45%: 40%;

e. 25% tot 35%: 30%;

f. 15% tot 25%: 20%.

Artikel 5.5 Verlof

Het bestuur kan regels stellen ten aanzien van de diensttijd gedurende welke de deelnemer geheel of gedeeltelijk ontheven is geweest van de uitoefening van zijn dienstverhouding en hij elders pensioen opbouwt.

Artikel 5.6 Omrekening

1. Indien de deelneming langer dan één jaar wordt onderbroken en geen waarde-overdracht, bedoeld in artikel 11.1 of 11.2, heeft plaatsgevonden, wordt de pensioengeldige tijd gelegen voor die onderbreking vermenigvuldigd met een breuk. Hierbij wordt de teller gevormd door de laatste berekeningsgrondslag voor die onderbreking. De noemer wordt gevormd door de eerste berekeningsgrondslag na die onderbreking.

2. Indien de berekeningsgrondslag met meer dan 25 procent is gestegen ten opzichte van de laatstelijk daaraan voorafgaand vastgestelde berekeningsgrondslag nadat deze overeenkomstig artikel 12.1 is aangepast, wordt de pensioengeldige tijd die is gelegen voor de stijging van de berekeningsgrondslag vermenigvuldigd met een breuk. Hierbij wordt de teller gevormd door de laatste berekeningsgrondslag voor die stijging. De noemer wordt gevormd door de met meer dan 25 procent gestegen berekeningsgrondslag.

3. Indien de berekeningsgrondslag met vijf procent of meer is gedaald ten opzichte van de daaraan voorafgaand vastgestelde berekeningsgrondslag nadat deze overeenkomstig artikel 12.1 is aangepast, en de berekeningsgrondslag waarnaar het pensioen is berekend nog steeds minder bedraagt dan de berekeningsgrondslag voor de daling nadat deze overeenkomstig artikel 12.1 is aangepast, wordt de pensioengeldige tijd gelegen voor de daling van de berekeningsgrondslag vermenigvuldigd met een breuk. Hierbij wordt de teller gevormd door de laatste berekeningsgrondslag voor de daling. De noemer wordt gevormd door de berekeningsgrondslag waarnaar het pensioen wordt berekend.

4. De pensioenaanspraken bedragen ten gevolge van de toepassing van de voorgaande leden niet minder dan de pensioenaanspraken voor de toepassing daarvan.

6. Ouderdomspensioen

Artikel 6.1 Recht op ouderdomspensioen

1. De deelnemer en de gewezen deelnemer hebben recht op een ouderdomspensioen met ingang van de dag waarop de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt, doch niet eerder dan vanaf het tijdstip van ingang van het ontslag uit de dienstverhouding.

2. In afwijking van het eerste lid heeft een deelnemer als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, recht op ouderdomspensioen met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.

3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de deelnemer die recht heeft op een suppletie die eindigt op de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Artikel 6.2 Berekeningsgrondslag

1. Voor de vaststelling van het ouderdomspensioen geldt als berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, de berekeningsgrondslag die is vastgesteld voor het jaar voorafgaande aan het jaar waarin het ontslag heeft plaatsgevonden dan wel, indien na ontslag recht op een ontslaguitkering heeft bestaan, aan het jaar waarin de ontslaguitkering is beëindigd.

2. In afwijking van het eerste lid geldt voor de deelnemer die recht heeft op een invaliditeitspensioen, als berekeningsgrondslag de in artikel 8.3, eerste lid, bedoelde berekeningsgrondslag.

3. In afwijking van het eerste lid geldt voor de deelnemer die meerdere deeltijddienstverhoudingen vervult en bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar of daarna wordt ontslagen uit een of meer dienstverhoudingen, terwijl een of meer andere dienstverhoudingen worden voortgezet, als berekeningsgrondslag voor de voortgezette dienstverhouding of -verhoudingen voor de diensttijd:

a. tot aan de ingangsdatum van het reeds toegekend ouderdomspensioen, de berekeningsgrondslag van dat ouderdomspensioen;

b. vanaf de in onderdeel a bedoelde datum, de berekeningsgrondslag van de voortgezette dienstverhouding of verhoudingen.

Artikel 6.3 Pensioenberekening

1. Het pensioen wordt berekend over de pensioengeldige tijd, bedoeld in hoofdstuk 5.

2. Indien er sprake is van een of meerdere voortgezette deeltijddienstverhoudingen als bedoeld in artikel 6.2, derde lid, wordt het pensioen berekend over de pensioengeldige tijd, bedoeld in hoofdstuk 5, verminderd met de pensioengeldige tijd in de voortgezette dienstverhouding of dienstverhoudingen.

3. Het pensioen bedraagt jaarlijks het bedrag dat resulteert uit de vermenigvuldiging van 1,75 procent van de berekeningsgrondslag met de pensioengeldige diensttijd, welk bedrag wordt verminderd met 1,75 procent van de franchise vermenigvuldigd met de pensioengeldige diensttijd.

Artikel 6.4 Pensioenverhoging bij lage grondslag

1. Indien de berekeningsgrondslag niet hoger is dan f 42.540,44, wordt het pensioen verhoogd met f 62 voor elk voor de berekening van dat pensioen geldend jaar.

2. Indien de berekeningsgrondslag hoger is dan het in het eerste lid bedoelde eerstgenoemde bedrag, bedraagt het pensioen niet minder dan bij toepassing van het eerste lid bij een berekeningsgrondslag die gelijk is aan dat bedrag.

Artikel 6.5 Samenvoegen van pensioenen

1. Wanneer de deelnemer meer dan een dienstverhouding heeft vervuld en bij ontslag met recht op pensioen al in het genot was van een pensioen, vervalt het eerder toegekende pensioen en wordt een nieuw pensioen toegekend, berekend overeenkomstig de voorgaande artikelen.

2. In het geval het latere recht op pensioen betrekking heeft op een of meer voortgezette dienstverhoudingen onderscheidenlijk deeltijddienstverhoudingen als bedoeld in artikel 6.2, derde lid, wordt het totaal van de pensioenaanspraken omgerekend op basis van de berekeningsgrondslag van het eerst toegekende pensioen.

Artikel 6.6 Vermindering ouderdomspensioen bij pensioenverevening

Indien recht op een bijzonder ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 6.7 is ontstaan, wordt de aanspraak op ouderdomspensioen, onderscheidenlijk de afkoopsom daarvan, dan wel het ouderdomspensioen onvoorwaardelijk verminderd met het deel van het ouderdomspensioen dat in aanmerking is genomen bij de vaststelling van dat bijzonder ouderdomspensioen.

Artikel 6.7 Bijzonder ouderdomspensioen

1. De gewezen echtgenoot van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde heeft recht op bijzonder ouderdomspensioen indien toepassing wordt gegeven aan artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

2. Behoudens het derde lid, gaat het bijzonder ouderdomspensioen in op de dag waarop de gewezen echtgenoot, bedoeld in het eerste lid, de leeftijd van 65 jaar bereikt, dan wel indien de echtscheiding heeft plaatsgevonden na dit tijdstip, zodra toepassing kan worden gegeven aan artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

3. Het bijzonder ouderdomspensioen gaat niet eerder in dan een maand na de datum waarop het fonds de ter zake vereiste bescheiden heeft ontvangen.

4. Het bijzonder ouderdomspensioen wordt vastgesteld met inachtneming van de berekeningsgrondslag waarnaar het ouderdomspensioen van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde zou zijn berekend indien hij met ingang van de dag waarop de scheiding heeft plaatsgevonden, recht zou hebben verkregen op een ouderdomspensioen.

7. Nabestaandenpensioen

Artikel 7.1 Recht op partnerpensioen

1. Na het overlijden van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde heeft diens partner met ingang van de dag volgende op het overlijden recht op een partnerpensioen.

2. In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op een partnerpensioen indien:

a. het huwelijk is gesloten of de aanmelding als partner heeft plaatsgevonden op of na de dag waarop de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;

b. de pensioengeldige tijd van de overledene geheel is gelegen voor 1 januari 1996 en de huwelijksvoltrekking, onderscheidenlijk de aanmelding als partner heeft plaatsgevonden na het ontslag van de overledene.

Artikel 7.2 Berekening partnerpensioen

1. Het pensioen van de partner bedraagt vijf zevende gedeelte van de aanspraak dan wel het recht op een ouderdomspensioen.

2. Indien de deelnemer overlijdt voor het einde van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft of zou hebben bereikt, wordt voor de berekening van het pensioen zijn pensioengeldige tijd met toepassing van hoofdstuk 5 doorgeteld tot de dag waarop het recht op ouderdomspensioen zou zijn ontstaan.

3. Indien bij een overlijden tevens aanspraak bestaat of zou hebben bestaan indien geen gebruik zou zijn gemaakt van de mogelijkheid van artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, op een of meer bijzondere partnerpensioenen als bedoeld in artikel 7.5, wordt het partnerpensioen verminderd met die aanspraken voordat artikel 7.5, vierde lid, daarop wordt toegepast.

4. Een partnerpensioen wordt voorts verminderd indien de partner meer dan tien jaar jonger was dan de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde en op de dag van het overlijden nog geen periode van vijf jaren is verstreken vanaf de huwelijksvoltrekking, onderscheidenlijk de aanmerking als partner. De vermindering bedraagt drie procent voor elk vol jaar dat het leeftijdsverschil meer dan tien jaar bedraagt.

5. Het vierde lid is niet van toepassing ten aanzien van de huwelijksvoltrekking, onderscheidenlijk de aanmerking als partner die voor 1 januari 1996 heeft plaatsgevonden.

6. Indien een partner opnieuw in het huwelijk treedt, hetzij opnieuw als partner wordt aangemerkt, hetzij zelf een aanmelding als bedoeld in artikel 1.4 doet die tot een aanmerking als partner leidt, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de maand volgende op die waarin hij hertrouwt, onderscheidenlijk de aanmerking als partner geschiedt. Daarbij wordt van het ouderdomspensioen waarvan het partnerpensioen is afgeleid niet in aanmerking genomen, dat deel dat overeenkomt met de ingevolge het tweede lid doorgetelde pensioengeldige tijd die is gelegen na de datum van het overlijden van de deelnemer.

Artikel 7.3 Samenloop partnerpensioenen

Indien een partner aan wie reeds een partnerpensioen is toegekend krachtens dit reglement, ter zake van een ander huwelijk dan wel een andere aanmerking als partner als bedoeld in artikel 1.4, eveneens recht op een partnerpensioen verkrijgt krachtens dit of enig ander pensioenreglement, wordt voor de berekening van de pensioenen ingevolge dit reglement waarvan de partnerpensioenen zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts meegeteld bij de berekening van het pensioen waar die tijd, het hoogste bedrag oplevert.

Artikel 7.4 Toeslag

1. De partner die recht heeft op partnerpensioen en die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag ten bedrage van vijftien procent van het volgens de artikelen 7.2 en 7.3 berekende pensioen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de partner wiens partnerpensioen met toepassing van artikel 7.2, zesde lid, opnieuw is vastgesteld.

3. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt niet meer dan vijftien procent van f 63.551,27.

Artikel 7.5 Recht op bijzonder partnerpensioen

1. Indien het huwelijk van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde eindigt door echtscheiding of ontbinding na scheiding van tafel en bed, dan wel indien de aanmerking als partner, bedoeld in artikel 1.4, is be‘indigd, verkrijgt zijn gewezen partner een premievrije aanspraak op bijzonder partnerpensioen.

2. De premievrije aanspraak, bedoeld in het eerste lid, bedraagt vijf zevende gedeelte van de aanspraak op ouderdomspensioen van de deelnemer of gewezen deelnemer, met dien verstande dat voor de berekening van deze aanspraak op ouderdomspensioen:

a. slechts de pensioengeldige tijd meetelt die is gelegen voor de echtscheiding of ontbinding na scheiding van tafel en bed dan wel voor het tijdstip waarop de aanmerking als partner, bedoeld in artikel 1.4, is beëindigd;

b. de berekeningsgrondslag is die waarnaar het ouderdomspensioen van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde zou zijn berekend indien hij met ingang van de dag waarop de in onderdeel a bedoelde gebeurtenis zich heeft voorgedaan recht zou hebben verkregen op een ouderdomspensioen.

3. Indien bij een overlijden sprake is van eerder ontstane aanspraken op bijzonder partnerpensioen of daarvan sprake zou zijn geweest indien geen gebruik zou zijn gemaakt van de mogelijkheid van artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, worden de later ontstane aanspraken op bijzonder partnerpensioen verminderd met deze eerder ontstane aanspraken op bijzondere partnerpensioenen.

4. Een bijzonder partnerpensioen wordt voorts verminderd indien de gewezen partner meer dan tien jaar jonger was dan de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde en op de dag van de echtscheiding, onderscheidenlijk de beëindiging van de aanmerking als partner, nog geen periode van vijf jaren is verstreken vanaf de huwelijksvoltrekking, onderscheidenlijk de aanmerking als partner. De vermindering bedraagt drie procent voor elk vol jaar dat het leeftijdsverschil meer dan tien jaar bedraagt.

5. Het vierde lid is niet van toepassing ten aanzien van de huwelijksvoltrekking, onderscheidenlijk de aanmerking als partner die voor 1 januari 1996 heeft plaatsgevonden.

6. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de partners bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding dan wel het beëindigen van de aanmerking als partner, bedoeld in artikel 1.4, anders overeenkomen en het bestuur daarmee instemt.

7. Artikel 7.1 is van overeenkomstige toepassing op het bijzonder partnerpensioen, met dien verstande dat geen recht op bijzonder partnerpensioen bestaat indien de pensioengeldige tijd van de overledene waarnaar het bijzonder partnerpensioen wordt berekend geheel is gelegen voor 1 januari 1996 en geen uitzicht bestond op bijzonder nabestaandenpensioen ingevolge de Abp-wet.

Artikel 7.6 Recht op wezenpensioen

1. Na het overlijden van een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde heeft zijn wees met ingang van de dag volgende op het overlijden recht op een wezenpensioen indien de wees:

a. de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet heeft bereikt; en

b. niet gehuwd is of gehuwd geweest is, onderscheidenlijk geen partij is of is geweest bij de aanmerking van een partner, bedoeld in artikel 1.4.

2. Onder wees wordt verstaan:

a. het kind dat is geboren uit of is geadopteerd tijdens een huwelijk dan wel een relatie anders dan een huwelijk met een partner die is aangemerkt overeenkomstig artikel 1.4;

b. het kind dat deel uitmaakte van het gezin van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, niet zijnde een in onderdeel a bedoeld kind, waarvoor hij de kosten van levensonderhoud droeg;

c. het kind van de vrouwelijke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, niet zijnde een in onderdeel a bedoeld kind, waarmee de familierechtelijke betrekking niet door adoptie is opgehouden te bestaan;

d. het kind ten opzichte van wie aan de mannelijke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, ten tijde van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek was opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend.

Artikel 7.7 Berekening wezenpensioen

1. Het wezenpensioen bedraagt van het ouderdomspensioen van de overledene, berekend overeenkomstig artikel 7.2, eerste en tweede lid:

a. indien aan hetzelfde overlijden door de verzorger van de wees recht op een partnerpensioen dan wel recht op een bijzonder partnerpensioen wordt ontleend, een zevende gedeelte;

b. in alle andere gevallen, twee zevende gedeelte.

2. Het wezenpensioen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de in dat onderdeel bedoelde verzorger is overleden, nader vastgesteld met inachtneming van het eerste lid, onderdeel b.

Artikel 7.8 Toeslag op wezenpensioen

1. De wees heeft vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt, recht op een toeslag op zijn volgens de artikelen 7.7 en 7.9 berekende pensioen ten bedrage van vijftien procent van dat pensioen.

2. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt niet meer dan vijftien procent van f 63.551,27.

Artikel 7.9 Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen

1. Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen dat aan het overlijden van een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde wordt ontleend, gaat een bedrag dat gelijk is aan vijf zevende gedeelte van het ouderdomspensioen waarvan die pensioenen zijn afgeleid, niet te boven.

2. Indien wegens toepassing van het vorige lid de wezenpensioenen een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid naar de omvang van de wezenpensioenen, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid.

3. Bij de toepassing van dit artikel wordt de toeslag, bedoeld in artikel 7.8, buiten beschouwing gelaten.

Artikel 7.10 Overlijdensuitkering bij ouderdomspensioen

1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde wordt aan de partner van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen van die gepensioneerde over een tijdvak van twee maanden (overlijdensuitkering).

2. Bij ontstentenis van een partner als bedoeld in het eerste lid, geschiedt de overlijdensuitkering ten behoeve van de wezen, bedoeld in artikel 7.6.

3. Bij ontstentenis van zowel een partner als bedoeld in het eerste lid, als wezen als bedoeld in het tweede lid, geschiedt de overlijdensuitkering ten behoeve van de ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, indien de overledene de kostwinner was van de genoemde betrekkingen.

4. Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste tot en met derde lid nalaat, kan het bedrag van de overlijdensuitkering door het bestuur geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Artikel 7.11 Overlijdensuitkering bij invaliditeitspensioen

Artikel 7.10 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het overlijden van een deelnemer die recht heeft op een invaliditeitspensioen of een herplaatsingstoelage, met dien verstande dat de overlijdensuitkering in dat geval gelijk is aan het bedrag ter grootte van het invaliditeitspensioen dan wel de herplaatsingstoelage van die deelnemer over een tijdvak van twee maanden.

8. Invaliditeitspensioen

Artikel 8.1 Invaliditeitspensioen algemeen

1. In dit hoofdstuk wordt voor de vaststelling van het invaliditeitspensioen uitgegaan van:

a. de arbeidsongeschiktheidsuitkering, vermeerderd met de vakantie-uitkering die betrekking heeft op het desbetref-fende tijdvak;

b. de ten aanzien van de deelnemer vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid met overeenkomstige inachtneming van artikel 44 van de WAO;

c. de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, indien van toepassing vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.

2. Onverminderd het eerste lid, onderdeel a, wordt voor de vaststelling van het invaliditeitspensioen uitgegaan van een niet-verminderde arbeidsongeschiktheidsuitkering:

a. indien ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ter voorkoming of beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde bij of krachtens artikel 52 van de WAO;

b. indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verminderd in verband met de toepassing van artikel 36 van de WPA.

3. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt geweigerd of verminderd in verband met toepassing van een sanctie overeenkomstig de WAO op andere wijze dan door middel van het buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de berekening van het invaliditeitspensioen uitgegaan van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals die zou zijn toegekend zonder toepassing van die sanctie.

4. Onverminderd het tweede en derde lid, leiden wijzigingen in de in het eerste lid bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering tot overeenkomstige wijzigingen in het invaliditeitspensioen.

Artikel 8.2 Recht op invaliditeitspensioen

De deelnemer die arbeidsongeschikt is, heeft na de beëindiging van zijn dienstverhouding recht op een invaliditeitspensioen, indien hij recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene die geen deelnemer is maar die ingevolge paragraaf 9 van de WPA recht heeft op een WAO-conforme uitkering.

3. Indien de in het eerste lid bedoelde deelnemer in aansluiting op de in het eerste lid bedoelde beëindiging recht heeft op een suppletie, ontstaat het recht op invaliditeitspensioen niet eerder dan na beëindiging van het recht op suppletie. Indien de suppletie niet wordt toegekend of wordt beëindigd als gevolg van toepassing van een of meer sancties, ontstaat in afwijking van de vorige volzin het recht op invaliditeitspensioen niet eerder dan na afloop van de periode waarover de suppletie zou zijn toegekend zonder toepassing van die sanctie.

4. In afwijking van het derde lid heeft de deelnemer recht op invaliditeitspensioen voor zolang de in dat lid bedoelde suppletie niet tot uitbetaling komt omdat de deelnemer:

a. een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 procent of meer; of

b. wordt herplaatst in een functie waaraan hij recht op herplaatsingstoelage kan ontlenen.

5. In afwijking van het eerste lid heeft de deelnemer die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte voor de beëindiging van de dienstverhouding wordt herplaatst, recht op invaliditeitspensioen met ingang van de dag waarop hij met inachtneming van artikel 9.1, eerste lid, is herplaatst. Artikel 9.1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

6. In afwijking van het eerste lid heeft de gewezen deelnemer die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk herleving van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 32 WPA en overeenkomstige toepassing van de artikelen 17, 43a onderscheidenlijk 47 van de WAO, na beëindiging van zijn dienstverhouding recht op een invaliditeitspensioen.

Artikel 8.3 Berekeningsgrondslag invaliditeitspensioen

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, die is vastgesteld voor het jaar voorafgaande aan het jaar waarin het recht op invaliditeitspensioen is ontstaan.

2. In afwijking van het eerste lid geldt voor een herlevend invaliditeitspensioen als berekeningsgrondslag de berekeningsgrondslag van het ingetrokken invaliditeitspensioen dat overeenkomstig artikel 12.1 is aangepast aan de algemene bezoldigingswijzigingen van het overheidspersoneel.

3. Voor het invaliditeitspensioen van de belanghebbende, bedoeld in artikel 8.2, tweede lid, alsmede de belanghebbende wiens recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontleend aan de overeenkomstige toepassing van artikel 17, onderscheidenlijk artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, van de WAO, geldt als berekeningsgrondslag de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid.

4. Indien een invaliditeitspensioen is beëindigd omdat de deelnemer op of na de dag waarop hij de leeftijd van 45 jaar heeft bereikt inkomsten uit arbeid in dienstbetrekking gaat verdienen en hij binnen vijf jaar na de datum van werkaanvaarding in verband met overeenkomstige toepassing van artikel 61 WAO wederom recht krijgt op een invaliditeitspensioen, is de berekeningsgrondslag van laatstvermeld invaliditeitspensioen niet lager dan de berekeningsgrondslag van het beëindigde invaliditeitspensioen.

Artikel 8.4 Berekening invaliditeitspensioen bij volledige arbeidsongeschiktheid

1. Het invaliditeitspensioen bij volledige arbeidsongeschiktheid is het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 70 procent van de berekeningsgrondslag.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het invaliditeitspensioen:

a. na afloop van de periode, bedoeld in artikel 21a van de WAO, het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 65 procent van de berekeningsgrondslag, indien de belanghebbende als werknemer de keuze heeft gemaakt om af te zien van de individuele bijverzekering tegen de gevolgen van de verlaging van zijn invaliditeitspensioen in de periode, bedoeld in artikel 21b van de WAO;

b. het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 75 procent van de berekeningsgrondslag, indien de deelnemer op het tijdstip van ingang van het invaliditeitspensioen 60 jaar of ouder is.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid en met inachtneming van het vierde en het vijfde lid, bedraagt het invaliditeitspensioen van de deelnemer die in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid verkeert, waardoor hij geregeld oppassing en verzorging nodig heeft, het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot ten hoogste 100 procent van de berekeningsgrondslag, voor zolang de hulpbehoevendheid duurt.

4. Voor de toepassing van het derde lid is de berekeningsgrondslag maximaal 261 maal het in het eerste lid van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde maximum dagloon.

5. Het derde lid vindt geen toepassing indien de deelnemer in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een verzekering inzake ziektekosten komen.

Artikel 8.5 Berekening invaliditeitspensioen bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid

1. Het invaliditeitspensioen bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot een percentage van de berekeningsgrondslag. Het in de vorige volzin bedoelde percentage is:

a. het in het tweede lid bedoelde percentage van de berekeningsgrondslag; dan wel

b. na afloop van de periode, bedoeld in artikel 21a van de WAO, het in het derde lid bedoelde percentage van de berekeningsgrondslag, indien de belanghebbende als werknemer de keuze heeft gemaakt om af te zien van de individuele bijverzekering tegen de gevolgen van de verlaging van zijn invaliditeitspensioen in de periode, bedoeld in artikel 21b van de WAO.

2. Het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde percentage bedraagt bij een mate van arbeidsongeschiktheid van:

a. 65% tot 80%: 50,75%;

b. 55% tot 65%: 42%;

c. 45% tot 55%: 35%;

d. 35% tot 45%: 28%;

e. 25% tot 35%: 21%;

f. 15% tot 25%: 14%.

3. Het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde percentage bedraagt bij een mate van arbeidsongeschiktheid van:

a. 65% tot 80%: 47,25%;

b. 55% tot 65%: 39%;

c. 45% tot 55%: 32,5%;

d. 35% tot 45%: 26%;

e. 25% tot 35%: 19,5%;

f. 15% tot 25%: 13%.

Artikel 8.6 Invaliditeitspensioen naar pensioengeldige tijd

Het op grond van de artikelen 8.4 en 8.5 vastgestelde invaliditeitspensioen bedraagt niet minder dan het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot het bedrag dat het ouderdomspensioen zou bedragen, indien het wordt toegekend op basis van de opgebouwde pensioengeldige tijd op de datum waarop het recht op invaliditeitspensioen is ingegaan, berekend naar de berekeningsgrondslag zonder deze te verminderen met de franchise.

Artikel 8.7 Nadere vaststelling invaliditeitspensioen

1. Indien artikel 40 van de WAO wordt toegepast, wordt met ingang van hetzelfde tijdstip de berekeningsgrondslag van het invaliditeitspensioen nader vastgesteld met inachtneming van het vanaf de toekenning van het invaliditeitspensioen gewijzigde inkomen uit de betrekking die aanleiding heeft gevormd voor toepassing van artikel 40 van de WAO, mits dit voor de deelnemer gunstiger is.

2. Indien het invaliditeitspensioen met inachtneming van het eerste lid of artikel 8.1, vierde lid, wordt verhoogd omdat de deelnemer wegens arbeidsongeschiktheid een andere betrekking niet meer kan vervullen, wordt die verhoging tot het tijdstip van beëindiging van die betrekking in mindering gebracht op het invaliditeitspensioen.

Artikel 8.8 Inkomsten uit of in verband met arbeid

1. Indien de deelnemer met recht op invaliditeitspensioen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft, wordt het invaliditeitspensioen verminderd met het bedrag waarmee de som van het invaliditeitspensioen, de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die inkomsten uitgaat boven de berekeningsgrondslag.

2. In het geval van herplaatsing wordt onder inkomsten uit arbeid verstaan het inkomen, bedoeld in artikel 9.2, vierde of vijfde lid, al naar gelang de belanghebbende in die dienstverhouding al of geen deelnemer is.

3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de inkomsten uit of in verband met arbeid voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid werden genoten, deze inkomsten geen deel uitmaken van de berekeningsgrondslag van het invaliditeitspensioen en de omvang van die arbeid niet is toegenomen.

4. Het bij de berekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, in acht te nemen invaliditeitspensioen is het invaliditeitspensioen dat wordt gevonden zonder toepassing te geven aan artikel 8.9.

Artikel 8.9 Verhoging tot minimumloon

1. Indien het invaliditeitspensioen vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering en met inkomsten uit of in verband met arbeid per maand minder bedraagt dan het maandbedrag van het minimumloon vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt dat pensioen, verhoogd tot het bedrag dat nodig is om de som van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, het invaliditeitspensioen en de inkomsten uit of in verband met arbeid te verhogen tot het minimumloon vermeerderd met die vakantie-uitkering.

2. De verhoging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan het verschil tussen enerzijds het totaal van het invaliditeitspensioen zonder die verhoging en de arbeidsongeschiktheidsuitkering en anderzijds de berekeningsgrondslag waarnaar het invaliditeitspensioen is berekend en bedraagt tevens niet meer dan 30% van het met de minimumvakantiebijslag vermeerderde minimumloon.

3. In afwijking van het tweede lid wordt de som van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, het invaliditeitspensioen en de inkomsten uit of in verband met arbeid, indien deze som na toepassing van het tweede lid minder bedraagt dan 70% van het in het eerste lid bedoelde minimumloon, tot 1 januari 1998, of indien de hierna bedoelde persoon op een latere datum onder de werknemersverzekeringen wordt gebracht, tot die latere datum, zodanig verhoogd, dat bedoelde som 70% van dat minimumloon bedraagt, indien:

a. de deelnemer een persoon is als bedoeld in artikel XX, derde lid, en artikel XXI van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen; en

b. hij op 31 december 1986 de leeftijd van 35 jaar had bereikt; en

c. het invaliditeitspensioen is verlaagd als gevolg van de overeenkomstige toepassing van artikel 18 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals dat artikel luidt na inwerkingtreding van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.

4. Indien voor de deelnemer een deeltijdfactor is vastgesteld, wordt bij de toepassing van het eerste, tweede en derde lid, het minimumloon vermeerderd met de vakantie-uitkering vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.

5. Voor de toepassing van dit artikel wordt, indien artikel 15.6 toepassing vindt, uitgegaan van het invaliditeitspensioen zonder toepassing van artikel 15.6.

Artikel 8.10 Algemene neerwaartse wijziging arbeidsongeschiktheidsuitkering

Indien het niveau van de arbeidsongeschiktheidsuitkering een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, behoudens indien sociale partners anders overeenkomen binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad waarin die maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van het invaliditeitspensioen doorgevoerd, vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.

9. Herplaatsingstoelage

Artikel 9.1 Recht op herplaatsingstoelage

1. Recht op een herplaatsingstoelage heeft de deelnemer die:

a. tijdens zijn ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte of na ontslag op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte onder andere voorwaarden wordt herplaatst in zijn dienstverhouding dan wel in een of meer andere dienstverhoudingen; en

b. niet volledig arbeidsongeschikt is; en

c. zijn resterende verdiencapaciteit volledig benut.

2. In afwijking van het eerste lid heeft de deelnemer die bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte voor ontslag wordt herplaatst niet eerder recht op een herplaatsingstoelage dan na afloop van de periode, bedoeld in artikel 19 van de WAO.

3. Van een herplaatsing als bedoeld in het eerste lid is sprake voor zolang wordt voldaan aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden.

4. Onverminderd de overige voorwaarden die in het eerste lid zijn gesteld, geldt in afwijking van onderdeel a van dat lid voor de deelnemer die recht heeft op een andere ontslaguitkering dan de suppletie, dat hij eerst recht heeft op een herplaatsingstoelage indien hij recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Artikel 9.2 Hoogte herplaatsingstoelage

1. De herplaatsingstoelage bedraagt het nadelige verschil tussen enerzijds de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 8.3, indien van toepassing vermenigvuldigd met de deeltijdfactor, en anderzijds het totaal van het daarmee overeenkomende inkomen uit de nieuwe dienstverhouding, de arbeidsongeschiktheidsuitkering en het invaliditeitspensioen.

2. Indien naast het recht op herplaatsingstoelage geen recht meer bestaat op invaliditeitspensioen blijft voor de vaststelling van de herplaatsingstoelage de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 8.3, waarnaar het invaliditeitspensioen werd berekend, aangepast overeenkomstig artikel 12.1, van toepassing.

3. Indien naast het recht op herplaatsingstoelage geen recht op invaliditeitspensioen bestaat en ook niet heeft bestaan, wordt voor de in het eerste lid bedoelde berekeningsgrondslag gelezen de berekeningsgrondslag, die is vastgesteld voor het jaar voorafgaande aan het jaar waarin het recht op herplaatsingstoelage is ontstaan.

4. Bij herplaatsing in een dienstverhouding op grond waarvan de belanghebbende deelnemer is, wordt bij de toepassing van het eerste lid als inkomen uit de nieuwe dienstverhouding aangemerkt het inkomen, bedoeld in artikel 3.1, in de nieuwe dienstverhouding, indien van toepassing vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.

5. Bij herplaatsing in een dienstverhouding waarin de belanghebbende geen deelnemer is, wordt bij de toepassing van het eerste lid als inkomen uit de nieuwe dienstverhouding aangemerkt het inkomen uit de nieuwe dienstverhouding dat wordt vastgesteld met zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing van het vierde lid en artikel 3.1.

6. Artikel 8.1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

7. In geval van toepassing van artikel 15.6 wordt voor de vaststelling van de hoogte van de herplaatsingstoelage uitgegaan van het invaliditeitspensioen zonder toepassing van dat artikel.

8. De loonsuppletie, bedoeld in artikel 60 WAO, wordt gerekend tot het inkomen uit de nieuwe dienstverhouding.

10. Aanspraken bij tussentijds eindigen van de deelneming

Artikel 10.1

1. De gewezen deelnemer verkrijgt bij het eindigen van zijn deelneming anders dan door het ingaan van het ouderdomspensioen of door overlijden een premievrije aanspraak op ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen.

2. De premievrije aanspraak op ouderdomspensioen wordt vastgesteld met inachtneming van hoofdstuk 6, met dien verstande dat voor de berekening:

a. wordt uitgegaan van de pensioengeldige tijd die is gelegen voor het tijdstip van het eindigen van de deelneming; en

b. als berekeningsgrondslag in aanmerking wordt genomen de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, die is vastgesteld voor het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de deelneming is geëindigd.

3. De premievrije aanspraken op partnerpensioen en wezenpensioen worden vastgesteld met inachtneming van hoofdstuk 7, met dien verstande dat deze worden afgeleid van de premievrije aanspraken op ouderdomspensioen.

11. Waarde-overdracht/overname en uitkering ineens tot afkoop van pensioen

Waarde-overdracht

Artikel 11.1

Het bestuur kan een pensioen of een aanspraak op pensioen, met inachtneming van de hiertoe door het fonds gestelde regels en artikel 32a van de PSW, afkopen.

Artikel 11.2

Op schriftelijk verzoek van de gewezen deelnemer wordt, overeenkomstig artikel 32b van de PSW, de afkoopsom van de aanspraak op pensioen rechtstreeks overgedragen aan een instelling als bedoeld in artikel 32b van de PSW, indien deze afkoopsom wordt aangewend om bij deze instelling een aanspraak op pensioen te verwerven.

Artikel 11.3 Waarde-overname algemeen

Op schriftelijk verzoek van de deelnemer wordt de afkoopsom, bedoeld in artikel 32b, eerste lid van de PSW, dan wel artikel 16a van de Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW, overeenkomstig dat artikel aangewend ter verwerving van een aanspraak op pensioen.

Artikel 11.4 Waarde-overname militaire tijd

1. Onverminderd artikel 11.3 verwerft de deelnemer voor zijn pensioengeldige tijd volgens de Amp-wet, ten minste een in jaren gelijke pensioengeldige tijd volgens dit reglement.

2. In afwijking van het eerste lid wordt de pensioengeldige tijd volgens de Amp-wet, in het geval de berekeningsgrondslag voor het jaar waarin de tijd als deelnemer is aangevangen meer dan vijfentwintig procent hoger is dan het tot een jaarbedrag herleide inkomen in de militaire dienstverhouding, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het genoemde jaarbedrag en de noemer wordt gevormd door de berekeningsgrondslag voor het jaar waarin de tijd als deelnemer is aangevangen.

Artikel 11.5 Afkoop van pensioen

1. Indien een pensioen op het tijdstip van ingang op jaarbasis het bedrag, bedoeld in artikel 32, vijfde en zesde lid, van de PSW niet te boven gaat, wordt aan de rechthebbende tot afkoop van dat pensioen een uitkering ineens betaald.

2. Op schriftelijk verzoek van de rechthebbende die zich in het buitenland heeft gevestigd, wordt diens aanspraak op pensioen vervangen door een uitkering ineens, mits diens aanspraak op pensioen het tweevoudige van het in het eerste lid bedoelde bedrag niet te boven gaat.

3. Dit artikel is niet van toepassing op een invaliditeitspensioen.

12. Indexatie

Artikel 12.1

1. De berekeningsgrondslag, bedoeld in de artikel 3.2, van een ingegaan pensioen dan wel een aanspraak op pensioen van een gewezen deelnemer dan wel een gewezen partner wordt aangepast overeenkomstig de algemene bezoldigingswijzigingen van het overheidspersoneel teneinde een aan die bezoldigingswijziging evenredige aanpassing van de pensioenen te bewerkstelligen, tenzij de financiële positie van het fonds zich dwingend tegen die aanpassing verzet.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de maximale bedragen, bedoeld in de artikelen 7.4, derde lid, en 7.8, tweede lid, alsmede ten aanzien van de bedragen, genoemd in artikel 6.4, eerste lid, met dien verstande dat het bedrag waarmee het pensioen wordt verhoogd, rekenkundig wordt afgerond op hele guldens.

3. Alvorens tot het achterwege laten van de in het eerste lid bedoelde aanpassing te besluiten, stelt het bestuur de externe actuaris, bedoeld in artikel 20 van de statuten, de raad van advies, bedoeld in artikel 17 van de statuten, en de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid in de gelegenheid over het voornemen daartoe binnen twee maanden te adviseren. Bij de adviesaanvraag aan de raad van advies, en de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid wordt het advies van de externe actuaris gevoegd.

4. De algemene bezoldigingswijziging is het gewogen gemiddelde van de wijziging van de salarissen van het overheidspersoneel in de onderscheiden sectoren in de zin van de WPA.

5. Het bestuur stelt de algemene bezoldigingswijziging, bedoeld in het vierde lid, en de datum waarop deze ingaat, vast.

6. Indien de salarissen, bedoeld in het vierde lid, in een sector een gedifferentieerde wijziging ondergaan, bepaalt het bestuur in hoeverre deze wijziging een algemeen karakter draagt, en wordt bij de toepassing van het vierde lid wat betreft de weging van de desbetreffende sectorale salarisontwikkeling uitgegaan of tevens uitgegaan van de aldus vastgestelde bezoldigingswijziging met algemeen karakter.

7. Bij de vaststelling van het gewogen gemiddelde, bedoeld in het vierde lid, wordt uitgegaan van de laatst vastgestelde jaarlijkse som van de met de deeltijdfactor vermenigvuldigde inkomens in de onderscheiden sectoren, afgerond op miljoenen guldens.

8. Indien aan het personeel, bedoeld in het vierde lid, een eenmalige uitkering is of wordt toegekend, bepaalt het bestuur in hoeverre deze uitkering een algemeen karakter draagt.

9. Het bestuur stelt regels voor de toepassing van het eerste lid en het tweede lid, en in voorkomend geval voorts over de wijze waarop eenmalige uitkeringen, bedoeld in het achtste lid, leiden tot eenmalige uitkeringen aan pensioengerechtigden.

10. De aanpassingen, bedoeld in het eerste lid, en de uitkeringen, bedoeld in het negende lid, vinden in beginsel slechts met ingang van 1 januari en met ingang van 1 juli plaats en zijn gebaseerd op de bezoldigingswijzigingen en de uitkeringen die zich tot en met die data hebben voorgedaan.

13. Toekenning, einde en betaling pensioen

Artikel 13.1 Toekenning pensioen

Het bestuur beslist over de toekenning van pensioen op schriftelijke aanvraag door of namens de belanghebbende.

Artikel 13.2 Ingangsdatum invaliditeitspensioen

Het invaliditeitspensioen gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering met overeenkomstige toepassing van artikel 35 van de WAO ingaat.

Artikel 13.3 Einde pensioen en herplaatsingstoelage

1. Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden.

2. Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand waarin:

a. de rechthebbende de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt of, voorafgaand aan het bereiken van de leeftijd van 21 jaar in het huwelijk is getreden dan wel partij is bij de aanmerking van een partner, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid;

b. de rechthebbende wettig kind is geworden van een ander dan de partner of gewezen partner die aan hetzelfde overlijden recht op partnerpensioen, onderscheidenlijk bijzonder partnerpensioen ontleent.

3. Het invaliditeitspensioen eindigt voorts met ingang van de eerste dag van de maand waarin de deelnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt.

4. De herplaatsingstoelage eindigt voorts met ingang van de eerste dag van de maand:

a. waarin de deelnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt;

b. volgende op die waarin niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 9.1.

Artikel 13.4 Betaling

1. Het bestuur draagt zorg voor de betaling van de pensioenen. De betaling geschiedt in maandelijkse termijnen in de tweede helft van de maand.

2. Ingeval artikel 8.2, vijfde lid, van toepassing is, kan de betaling van de herplaatsingstoelage en het invaliditeitspensioen geschieden door tussenkomst van de werkgever waarbij belanghebbende is herplaatst.

Artikel 13.5 Betaling bij pensioenverevening

1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 2 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vindt de uitbetaling van het ouderdomspensioen, als volgt plaats.

a. Aan de gewezen echtgenoot van de gepensioneerde wordt dat deel van het ouderdomspensioen uitbetaald dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 3 of 4 van die wet en met inachtneming van de berekeningsgrondslag van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de scheiding heeft plaatsgevonden, welke berekeningsgrondslag volgens artikel 12.1 is aangepast.

b. Aan de gepensioneerde wordt dat deel van het ouderdomspensioen uitbetaald dat resteert na aftrek van het in onderdeel a bedoelde deel.

2. Het recht op uitbetaling van de gewezen echtgenoot eindigt met het einde van de maand waarin:

a. de gewezen echtgenoot is overleden;

b. de gepensioneerde is overleden;

c. de betrokkenen aan het bestuur schriftelijk hebben medegedeeld dat zij met elkaar zijn hertrouwd dan wel - in geval van scheiding van tafel en bed - zich hebben verzoend.

14. Berichtgeving en inlichtingen

Artikel 14.1 Berichtgeving

1. Bij toetreding wordt de deelnemer schriftelijk op de hoogte gesteld van de inhoud van de geldende statuten en reglementen van het fonds. Jaarlijks wordt de deelnemer schriftelijk van de wijzigingen daarin op de hoogte gesteld.

2. De aangesloten werkgever verstrekt aan zijn werknemer bij indiensttreding en uitdiensttreding een bewijs van aanmelding respectievelijk afmelding bij het fonds.

3. Jaarlijks wordt aan de deelnemer een opgave van de opgebouwde aanspraak en het volgens het reglement te bereiken pensioen verstrekt.

4. Bij beëindiging van de deelneming wordt aan de gewezen deelnemer een opgave van de opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen en partnerpensioen verstrekt.

5. Onverminderd het derde en vierde lid wordt op schriftelijk verzoek van de deelnemer of de gewezen deelnemer binnen drie maanden een opgave van de hoogte van de opgebouwde aanspraak verstrekt. Het bestuur kan de kosten die verbonden zijn aan vorenbedoelde opgave ten laste van de verzoeker brengen.

6. Aan de degene die ingevolge artikel 7.5 aanspraak verkrijgt op bijzonder partnerpensioen, wordt een opgave van deze aanspraak verstrekt.

7. Belanghebbenden worden desgewenst in staat gesteld van de statuten en reglementen kennis te nemen.

8. Aan de gewezen echtgenoot die ingevolge artikel 6.7 recht heeft op een bijzonder ouderdomspensioen, wordt een opgave van dat recht verstrekt. De deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde ontvangt daarvan een afschrift en tevens een opgave van zijn verminderd pensioen.

9. Aan de gewezen echtgenoot die ingevolge het eerste lid van artikel 13.5, recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van de rechthebbende, wordt na ontvangst van het formulier als bedoeld in het tweede lid van artikel 2 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding opgave verstrekt van de opgebouwde aanspraak waarop de verevening zal worden gebaseerd, en van de ingangsdatum van de uitbetaling. De deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde ontvangt daarvan een afschrift.

Artikel 14.2 Inlichtingen en mededelingen

1. Degene aan wie een pensioen krachtens dit reglement is toegekend, berekend naar pensioengeldige tijd gelegen vóór 1 januari 1995, is, indien hij een pensioen in de zin van de AOW gaat genieten dan wel indien in dat pensioen een wijziging wordt aangebracht, gehouden daarvan onverwijld schriftelijk kennis te geven aan het bestuur.

2. Degene aan wie een pensioen krachtens dit reglement is toegekend, berekend naar pensioengeldige tijd gelegen voor 1 januari 1996, is, indien hij een pensioen of een uitkering in de zin van de AWW gaat genieten dan wel indien in dat pensioen of die uitkering een wijziging wordt aangebracht, gehouden daarvan onverwijld schriftelijk kennis te geven aan het bestuur.

3. Degene aan wie een invaliditeitspensioen is toegekend, is, indien hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat genieten dan wel indien die uitkering wijzigt, gehouden daarvan onverwijld schriftelijk kennis te geven aan het fonds.

4. Degene aan wie een partnerpensioen is toegekend, is, indien hij ingevolge een andere regeling partnerpensioen ontvangt of gaat ontvangen, gehouden daarvan onverwijld schriftelijk kennis te geven aan het bestuur.

5. De aangesloten werkgevers, de deelnemers en degenen die krachtens dit reglement aanspraak of recht op pensioen hebben, zijn verplicht aan het bestuur de opgaven, alsook de verklaringen en bescheiden over te leggen, en in het algemeen de inlichtingen te verstrekken, waarvan de verstrekking en overlegging voor de juiste uitvoering van dit reglement nodig is. De aangesloten werkgevers zijn bovendien verplicht aan door het bestuur aan te wijzen personen toegang te verlenen tot haar administratie. Deze verplichtingen eindigen niet door het eindigen van de hoedanigheid van aangesloten werkgever of deelnemer.

15. Sanctiebepalingen

Artikel 15.1

1. Bij de beoordeling van het recht op een invaliditeitspensioen of herplaatsingstoelage wordt onderzocht of een ontslag op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte overeenkomstig de procedure vermeld in de bij dit reglement behorende bijlage c tot stand is gekomen.

2. Indien de beëindiging van de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, niet overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde procedure tot stand is gekomen, kan het bestuur de kosten van het invaliditeitspensioen of de herplaatsingstoelage ten laste brengen van de werkgever die de deelnemer heeft ontslagen. Van deze bevoegdheid kan het bestuur slechts gebruik maken binnen vijf jaar na het tijdstip van ingang van het invaliditeitspensioen of de herplaatsingstoelage.

3. Het tweede lid vindt geen toepassing ten aanzien van de voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht.

Artikel 15.2

1. De in artikel 15.1, tweede lid, bedoelde bevoegdheid heeft het bestuur ook, indien de deelnemer is tewerkgesteld in strijd met een over hem uitgebracht medisch advies en dientengevolge recht op invaliditeitspensioen of herplaatsingstoelage ontstaat.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een of meer nabestaandenpensioenen indien de deelnemer is overleden.

Artikel 15.3

Indien de werkgever ten aanzien van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte deelnemer die door hem is ontslagen, geen suppletieregeling toepast die overeenkomt met de in de bij dit reglement behorende bijlage d neergelegde suppletieregeling en daardoor hogere lasten voor het fonds veroorzaakt, kan het bestuur de kosten van het invaliditeitspensioen of de herplaatsingstoelage ten laste van die werkgever brengen.

Artikel 15.4

1. Het bestuur kan beslissen dat een besluit van een aangesloten werkgever voor de toepassing van dit reglement geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing blijft, indien dat besluit van de werkgever leidt tot een recht of een aanspraak op pensioen in strijd met de kennelijke strekking van dit reglement.

2. Van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, kan het bestuur slechts gebruik maken binnen vijf jaar nadat het bestuur van dat besluit van de werkgever kennis heeft kunnen nemen. Deze termijn van vijf jaar geldt niet, indien de belanghebbende een hem voor de afloop van deze termijn gestelde vraag naar feiten of omstandigheden die van wezenlijke invloed zijn op een recht of een aanspraak op een recht krachtens dit reglement, niet of onjuist heeft beantwoord.

Artikel 15.5

1. Indien het bestuur van oordeel is dat een besluit van een aangesloten werkgever ten aanzien van een deelnemer of groep van deelnemers lasten op het fonds legt of in uitzicht stelt die het fonds belangrijk zwaarder belasten dan voor overeenkomstige deelnemers in het algemeen het geval is, kan het die zwaardere lasten in rekening brengen bij de betrokken werkgever.

2. Het bestuur kan het oordeel, bedoeld in het eerste lid, slechts uitspreken binnen een jaar nadat het van bedoeld besluit kennis heeft kunnen nemen en redelijkerwijs heeft kunnen onderkennen dat dit besluit de in het vorige lid bedoelde gevolgen heeft.

Artikel 15.6

Het bestuur kan een invaliditeitspensioen weigeren of verminderen indien ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsuitkering een sanctie overeenkomstig de WAO is toegepast, zoveel mogelijk met inachtneming van het sanctiebeleid dat ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegepast.

16. Vrijwillige deelneming, voortzetting, aanvullende voortzetting en aanvullende individuele regeling

Artikel 16.1 Vrijwillige deelneming, voortzetting, aanvullende voortzetting

1. Recht op vrijwillige deelneming heeft degene van wie de dienstverhouding met de aangesloten werkgever is ingegaan op of na de dag waarop hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, tot het tijdstip waarop de dienstverhouding eindigt.

2. Recht op vrijwillige voortzetting heeft:

a. de gewezen deelnemer van wie de deelneming is geëindigd voor het bereiken van de leeftijd van 55 jaar, voor een periode van maximaal een jaar;

b. de gewezen deelnemer van wie de deelneming is geëindigd op of na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar, tot de dag waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.

3. Recht op vrijwillige aanvullende voortzetting heeft:

a. de deelnemer, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, voor zolang hij een invaliditeitspensioen ontvangt;

b. de deelnemer, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, voor zolang hij een ontslaguitkering ontvangt.

4. Het recht op vrijwillige deelneming, voortzetting of aanvullende voortzetting van de deelneming vervalt indien de deelnemer of gewezen deelnemer niet binnen een jaar na het intreden van een situatie als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, daartoe een schriftelijk verzoek bij het bestuur heeft ingediend.

5. Het bestuur kan met inachtneming van artikel 13 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 nadere regels stellen met betrekking tot vrijwillige deelneming, voortzetting, of aanvullende voortzetting van de deelneming, in het bijzonder ten aanzien van de vaststelling en betaling van pensioenpremie en verval van aanspraken als gevolg van niet of niet tijdig betalen van pensioenpremie, alsmede ten aanzien van de berekeningsgrondslag.

Artikel 16.2 Aanvullende individuele regeling

1. Het bestuur kan met een deelnemer een overeenkomst sluiten, waarbij de aanspraak op pensioen volgens dit reglement, wordt verhoogd, voor zover dit past binnen het raam van de regeling, bedoeld in artikel 13 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.

2. Het bestuur stelt de premie of de koopsom vast en bepaalt de overige voorwaarden met betrekking tot deze overeenkomst.

7. Vrijstelling van verplichte deelneming wegens gemoedsbezwaren

Artikel 17.1

1. De werknemer die gemoedsbezwaren heeft tegen iedere vorm van verzekering kan op zijn verzoek door het bestuur worden vrijgesteld van de verplichting tot naleving van het bij of krachtens de statuten en dit reglement met betrekking tot de pensioenregeling bepaalde.

2. Een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid kan ook worden verleend aan aangesloten werkgevers waaraan werknemers zijn verbonden die zodanige bezwaren hebben.

3. De voorwaarden en regels die gelden bij de vrijstelling, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn opgenomen in de bij dit reglement behorende bijlage e.

4. Het bestuur trekt een vrijstelling als bedoeld in het eerste en het tweede lid in:

a. op verzoek van de werknemer aan wie de vrijstelling is verleend;

b. indien naar het oordeel van het bestuur de gemoedsbezwaren op grond waarvan de vrijstelling is verleend, niet langer geacht kunnen worden te bestaan.

5. Het bestuur kan een vrijstelling als bedoeld in het eerste en tweede lid intrekken indien de vrijgestelde werknemer of werkgever de aan de vrijstelling gestelde voorwaarden niet naleeft.

6. Onverminderd het vierde en vijfde lid vervalt een vrijstelling die is verleend aan een aangesloten werkgever, na verloop van vijf jaren na de dag van ingang van de vrijstelling. Met ingang van de dag waarop de vrijstelling is vervallen, kan een nieuwe vrijstelling worden verleend.

7. Ter zake van beslissingen betreffende een vrijstelling kan bij de Verzekeringskamer binnen 30 dagen nadat de belanghebbende de beslissing van het bestuur heeft ontvangen bezwaar worden aangetekend.

18. Overgangsrecht in verband met de privatisering

Artikel 18.1 Pensioengeldige tijd voor 1 januari 1996

1. Als pensioengeldige tijd wordt in aanmerking genomen de tijd gelegen voor 1 januari 1996, die in aanmerking zou zijn genomen indien op 31 december 1995, met inachtneming van de desbetreffende bepalingen, een pensioen ingevolge de Abp-wet zou zijn toegekend.

2. Een pensioen krachtens dit reglement waarbij tijd, bedoeld in het eerste lid, in aanmerking is genomen, wordt herberekend of ingetrokken indien blijkt dat die tijd tevens in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensioen anders dan krachtens dit reglement. De herberekening of de intrekking vindt plaats met ingang van het tijdstip waarop dat andere pensioen ingaat.

Artikel 18.2 Omrekening aanspraken ouderdomspensioen algemeen

1. De op 31 december 1995 bestaande pensioenaanspraak van een deelnemer, berekend volgens de bepalingen van de Abp-wet, worden per die datum omgerekend naar gelijkwaardige aanspraken volgens de bepalingen van dit reglement.

2. Ten behoeve van de omrekening, bedoeld in het eerste lid, wordt een correctiefactor vastgesteld ten aanzien van de berekeningsgrondslag op zodanige wijze dat, bij vermenigvuldiging van de voor pensioen geldige tijd voorzover gelegen voor 1 januari 1996 met de bedoelde correctiefactor, voor alle voor pensioen geldige diensttijd kan worden uitgegaan van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2.

3. Ten behoeve van de omrekening, bedoeld in het eerste lid, wordt een correctiefactor vastgesteld ten aanzien van de franchise op zodanige wijze dat, bij vermenigvuldiging van de voor pensioengeldige tijd voorzover gelegen voor 1 januari 1996 met de bedoelde correctiefactor, voor alle voor pensioen geldige diensttijd kan worden uitgegaan van de franchise, bedoeld in artikel 4.2.

4. Per deelnemer wordt de pensioenaanspraak per 31 december 1995 en de daarbij behorende correctiefactoren, bedoeld in het tweede en derde lid, vastgesteld zowel uitgaande van een deelnemer die voor de toepassing van de AOW als gehuwd wordt aangemerkt, als uitgaande van een deelnemer die voor de toepassing van de AOW als ongehuwd wordt aangemerkt. Vanaf de datum van ingang van het pensioen wordt de correctiefactor gehanteerd die van toepassing is op de situatie ten tijde van de uitbetaling van het pensioen.

5. De correctiefactoren, bedoeld in het tweede en derde lid, worden vastgesteld overeenkomstig bijlage f. Van de aldus vastgestelde correctiefactoren wordt mededeling gedaan aan de belangheb-bende, welke mededeling is voorzien van een toereikende toelichting.

Artikel 18.3 Omrekening ten aanzien van de gewezen ambtenaar en degene die een ouderdomspensioen of een nabestaandenpensioen geniet ingevolge de Abp-wet

1. Artikel 18.2 is van overeenkomstige toepassing op het uitzicht, onderscheidenlijk het recht op pensioen op 31 december 1995 ingevolge de Abp-wet, met dien verstande dat de aanspraak, onderscheidenlijk het recht in afwijking van artikel A, eerste lid, van bijlage f, wordt berekend met toepassing van de aangepaste middelsom volgens de Abp-wet.

2. Indien er sprake is van meer dan een tijdvak wordt de aanspraak, onderscheidenlijk het recht nader vastgesteld met inachtneming van de aangepaste middelsom van het laatste tijdvak.

Artikel 18.4 Omrekening ten aanzien van degene die een invaliditeitspensioen geniet

Artikel 18.2 is van overeenkomstige toepassing op het uitzicht op ouderdomspensioen van degene die op 31 december 1995 recht heeft op invaliditeitspensioen ingevolge de Abp-wet, inclusief de doortelling van de onvoltooide diensttijd, bedoeld in artikel F 12 van die wet, met dien verstande dat die aanspraak in afwijking van artikel 18.2 wordt berekend met toepassing van de aangepaste middelsom volgens de Abp-wet.

Artikel 18.5 Toeslag in verband met omrekening: algemeen

1. Het recht op de toeslagen, bedoeld in de artikelen 18.6 tot en met 18.10, gaat in met ingang van de maand waarin wordt voldaan aan de voorwaarden voor het recht. Het recht op die toeslagen vervalt met ingang van de maand waarin niet meer wordt voldaan aan die voorwaarden.

2. De toeslagen, bedoeld in de artikelen 18.6 tot en met 18.10, bedragen per dienstjaar in het totaal, in geval van een deelnemer die voor de AOW als ongehuwd wordt aangemerkt niet meer dan een percentage van de franchise van f 26.500, dat overeenkomt met twee procent van het AOW-pensioen waarop een ongehuwde op 31 december 1995 recht heeft, onderscheidenlijk in geval van een deelnemer die voor de AOW als gehuwd wordt aangemerkt een percentage van de franchise van f 26.500, dat overeenkomt met twee procent van tweemaal het AOW-pensioen waarop een gehuwde op 31 december 1995 recht heeft.

3. Voor de toeslagen in dit hoofdstuk wordt onder echtgenoot verstaan degene die voor de toepassing van de AOW als echtgenoot of mede als echtgenoot wordt aangemerkt.

4. De artikelen 18.6 en 18.8 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een pensioen of uitkering toegekend krachtens een wettelijke regeling van de Nederlandse Antillen, van Aruba of van een vreemde mogendheid voor zover dat pensioen of die uitkering naar aard en strekking overeenkomt met een pensioen ingevolge de AOW.

5. De artikelen 18.6, 18.7, 18.8 en 18.10 zijn van overeenkomstige toepassing op een partnerpensioen en een bijzondere partnerpensioen, indien de belanghebbende recht heeft op een pensioen of uitkering krachtens de AWW of AOW of een pensioen of uitkering krachtens een wettelijke regeling van de Nederlandse Antillen, van Aruba of van een vreemde mogendheid voor zover naar aard en strekking overeenkomend met een pensioen ingevolge de AOW dan wel een pensioen of uitkering ingevolge de AWW.

6. Voor zover de toeslagen, bedoeld in de artikelen 18.6 en 18.8, betrekking hebben op een partnerpensioen of een bijzonder partnerpensioen worden die toeslagen tot de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, uitgedrukt in een percentage van de uniforme franchise van f 26.500, dat overeenkomt met respectievelijk een en twee procent van het AWW-pensioen of de uitkering krachtens artikel 19, elfde lid, onderdeel a, indien betrokkene op deze uitkering recht heeft, dan wel overeenkomt met respectievelijk een en twee procent van het pensioen of de uitkering krachtens artikel 19, elfde lid, onderdeel b, van de AWW, indien betrokkene op deze uitkering recht heeft.

7. Indien bij de vaststelling van de correctiefactor ten aanzien van de franchise toepassing is gegeven aan artikel J 12 van de Abp-wet wordt het bedrag van de toeslag, bedoeld in de artikelen 18.6, 18.7, 18.8, 18.10 en 18.11, vermenigvuldigd met de breuk, bedoeld in artikel J 12, zoals die bij de vaststelling van de correctiefactor ten aanzien van de franchise is toegepast.

8. Tenzij uit de desbetreffende bepaling het tegendeel blijkt, wordt voor de toepassing van de artikelen 18.6 tot en met 18.11 onder AOW-pensioen, AOW-toeslag, AWW-pensioen en een uitkering ingevolge de AWW verstaan het bedrag van dat pensioen of die uitkering, verhoogd met de daarbij behorende vakantie-uitkering.

Artikel 18.6 Toeslag in verband met omrekening: toeslag niet-verzekerde AOW-tijd/vrijwillige premiebetaling

1. Indien de diensttijd gelegen voor 1 januari 1986 samenvalt of geacht wordt samen te vallen met tijd gedurende welke de gepensioneerde of diens echtgenoot, niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW, dan wel vrijwillig verzekerd is geweest ingevolge die wet, wordt aan de gepensioneerde een toeslag toegekend.

2. De toeslag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per samenvallend dienstjaar:

a. voorzover de gepensioneerde voor de toepassing van de AOW als ongehuwd wordt aangemerkt dan wel indien het een vrouwelijke gepensioneerde betreft die voor de AOW als gehuwd wordt aangemerkt en hij niet-verzekerd of vrijwillig verzekerd is geweest ingevolge de AOW, een percentage van de franchise van f 26.500, dat overeenkomt met twee procent van het AOW-pensioen waarop een ongehuwde op 31 december 1995 recht heeft;

b. voorzover de mannelijke gepensioneerde voor de toepassing van de AOW als gehuwd wordt aangemerkt en zowel hij als zijn echtgenoot niet-verzekerd of vrijwillig verzekerd zijn geweest ingevolge de AOW, een percentage van de franchise van f 26.500, dat overeenkomt met twee procent van tweemaal het AOW-pensioen waarop een gehuwde op 31 december 1995 recht heeft;

c. voorzover de gepensioneerde voor de toepassing van de AOW als gehuwd wordt aangemerkt en hij dan wel zijn echtgenoot niet-verzekerd of vrijwillig verzekerd zijn geweest ingevolge de AOW, een percentage van de franchise van f 26.500, dat overeenkomt met één procent van tweemaal het AOW-pensioen waarop een gehuwde op 31 december 1995 recht heeft indien het een mannelijke gepensioneerde betreft en een procent van het AOW-pensioen waarop een ongehuwde op 31 december 1995 recht heeft indien het een vrouwelijke gepensioneerde betreft.

Artikel 18.7 Toeslag in verband met omrekening: toeslag inkomensafhankelijke AOW-toeslag

1. Indien de gepensioneerde in verband met het inkomen van de echtgenoot geen dan wel slechts een gedeeltelijk recht heeft op de toeslag, bedoeld in hoofdstuk III, paragraaf 1, van de AOW, wordt aan de gepensioneerde een toeslag toegekend.

2. De toeslag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per pensioengeldig dienstjaar gelegen voor 1 januari 1986 twee procent van het verschil tussen de maximaal toe te kennen AOW-toeslag en de toegekende AOW-toeslag.

3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de toeslag, bedoeld in het eerste lid, in het geval de gepensioneerde een gehuwde vrouw is, per pensioengeldig dienstjaar gelegen voor 1 januari 1986 twee procent van de maximaal toe te kennen AOW-toeslag verminderd met de toegekende AOW-toeslag en vervolgens zoveel mogelijk verminderd met 60 procent van de maximale AOW-toeslag.

Artikel 18.8 Toeslag in verband met omrekening: toeslag samenvallende diensttijd voor 1 januari 1986

1. Aan de belanghebbende ten aanzien van wiens pensioen bij toepassing van artikel J 14 of artikel J 15 van de Abp-wet een vermindering van het inbouwbedrag heeft of zou hebben plaatsgevonden, wordt op schriftelijk verzoek een toeslag verleend.

2. De toeslag bedraagt per dienstjaar waarin sprake is van samenloop van:

a. een eigen pensioen dat zijn oorsprong vindt in de Abp-wet met een eigen pensioen dan wel een pensioen van zijn echtgenoot dat zijn oorsprong vindt in de Abp-wet, een percentage van de franchise van f 26.500, dat:

1° indien de mannelijke gepensioneerde voor de toepassing van de AOW als gehuwde wordt aangemerkt, overeenkomt met één procent van tweemaal het AOW-pensioen waarop een gehuwde op 31 december 1995 recht heeft;

2° indien de vrouwelijke gepensioneerde voor de toepassing van de AOW als gehuwd wordt aangemerkt of indien de gepensioneerde voor de toepassing van de AOW als ongehuwde wordt aangemerkt, overeenkomt met één procent van het AOW-pensioen waarop een ongehuwde op 31 december 1995 recht heeft;

b. een eigen pensioen dat zijn oorsprong vindt in de Abp-wet met een eigen dan wel een pensioen van zijn echtgenoot dat zijn oorsprong niet vindt in de Abp-wet, een percentage van de franchise van f 26.500, dat:

1° indien de mannelijke gepensioneerde voor de toepassing van de AOW als gehuwde wordt aangemerkt, overeenkomt met twee procent van tweemaal het AOW-pensioen waarop een gehuwde op 31 december 1995 recht heeft;

2° indien de vrouwelijke gepensioneerde voor de toepassing van de AOW als gehuwd wordt aangemerkt of indien de gepensioneerde voor de toepassing van de AOW als ongehuwde wordt aangemerkt, overeenkomt met twee procent van het AOW-pensioen waarop een ongehuwde op 31 december 1995 recht heeft.

Artikel 18.9 Toeslag in verband met omrekening: toeslag samenvallende diensttijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995

1. Aan de gepensioneerde ten aanzien van wiens pensioen toepassing is of zou zijn gegeven aan artikel F 7c van de Abp-wet, wordt op schriftelijk verzoek een toeslag verleend.

2. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt per dienstjaar waarin toepassing zou zijn gegeven aan F 7c van de Abp-wet, een percentage van de franchise van f 26.500, dat overeenkomt met 0,525 procent van de franchise, bedoeld in artikel F 7a, derde lid, onderdeel a, van de Abp-wet.

Artikel 18.10 Toeslag in verband met omrekening: toeslag inbouw gehuwde vrouw (J 13), over diensttijd voor 1 januari 1986

1. Aan de belanghebbende ten aanzien van wiens pensioen artikel J 13 van de Abp-wet toepassing heeft of zou hebben gevonden, zodat over diensttijd voor 1 januari 1986 het AOW-pensioen voor ongehuwden wordt of zou worden ingebouwd, wordt een toeslag verleend.

2. De toeslag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per pensioengeldig jaar een percentage van de franchise van f 26.500, waarvan het bedrag overeenkomt met 2 procent van het verschil tussen tweemaal het AOW-pensioen waarop een gehuwde op 31 december 1995 recht heeft en het AOW-pensioen waarop een ongehuwde op 31 december 1995 recht heeft.

Artikel 18.11 Toeslag in verband met omrekening: toeslag nabestaandenpensioenen

1. Op het partnerpensioen, bijzonder partnerpensioen of wezenpensioen, berekend naar diensttijd voor 1 januari 1986, wordt een toeslag toegekend onderscheidenlijk een korting toegepast. Door deze toeslag onderscheidenlijk deze korting wordt het verschil tussen de vermindering in verband met het recht op algemeen pensioen volgens het reglement en die vermindering zoals die ingevolge de Abp-wet heeft of zou hebben plaatsgevonden, teniet gedaan.

2. De toeslag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor het partnerpensioen en het bijzonder partnerpensioen per dienstjaar het in een percentage van de franchise van f 26.500 uitgedrukte verschil tussen enerzijds vijf zevende gedeelte van twee procent van tweemaal het AOW-pensioen waarop een gehuwde recht heeft en anderzijds:

a. indien de belanghebbende nog geen 65 jaar is en geen recht heeft op een pensioen of uitkering krachtens de AWW, tot de eerste dag van de maand waarin betrokkene de 65-jarige leeftijd bereikt: nihil;

b. indien de belanghebbende recht heeft op een pensioen krachtens artikel 19, elfde lid, onderdeel a, van de AWW: twee procent van dat AWW-pensioen;

c. indien de belanghebbende recht heeft op een AOW-pensioen voor ongehuwden: twee procent van het AOW-pensioen voor ongehuwden.

3. De korting, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor het partnerpensioen en bijzonder partnerpensioen per dienstjaar het in een percentage van de franchise van f 26.500 uitgedrukte verschil tussen enerzijds:

a. indien de belanghebbende recht heeft op een pensioen krachtens artikel 19, elfde lid, onderdeel b, van de AWW: twee procent van dat AWW-pensioen; of

b. indien de belanghebbende recht heeft op een AOW-pensioen voor gehuwden en zijn partner eveneens recht heeft op een AOW-pensioen voor gehuwden: twee procent van tweemaal het AOW-pensioen voor gehuwden;

en anderzijds vijf zevende gedeelte van twee procent van tweemaal het AOW-pensioen waarop een gehuwde recht heeft.

4. De toeslag, bedoeld in het eerste lid, op het wezenpensioen bedraagt per dienstjaar het in een percentage van de franchise van f 26.500 uitgedrukte verschil tussen enerzijds een zevende gedeelte, indien artikel 7.7, eerste lid, onderdeel a, van toepassing is onderscheidenlijk twee zevende gedeelte, indien artikel 7.7, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is, van twee procent van tweemaal het AOW-pensioen waarop een gehuwde recht heeft en anderzijds:

a. indien de belanghebbende geen recht heeft op een pensioen krachtens de AWW: nihil;

b. indien de belanghebbende jonger is dan 10 jaar en recht heeft op een pensioen krachtens artikel 19, dertiende lid, onderdeel a, van de AWW: twee procent van dat AWW-pensioen.

5. De korting, bedoeld in het eerste lid, op het wezenpensioen bedraagt per dienstjaar het in een percentage van de franchise van f 26.500 uitgedrukte verschil tussen enerzijds:

a. indien de belanghebbende 10 jaar of ouder is maar jonger is dan 16 jaar en recht heeft op een pensioen krachtens artikel 19, dertiende lid, onderdeel b, van de AWW: twee procent van dat AWW-pensioen; of

b. indien de belanghebbende 16 jaar of ouder is en recht heeft op een AWW-pensioen krachtens artikel 19, dertiende lid, onderdeel c, van de AWW: twee procent van dat AWW-pensioen;

en anderzijds een zevende gedeelte van twee procent van tweemaal het AOW-pensioen waarop een gehuwde recht heeft, indien artikel 7.7, eerste lid, onderdeel a, van toepassing is, onderscheidenlijk twee zevende gedeelte van twee procent van tweemaal het AOW-pensioen waarop een gehuwde recht heeft, indien artikel 7.7, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.

6. Indien een partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen wordt berekend over diensttijd gelegen tussen 31 december 1985 en 1 januari 1996, wordt op dat pensioen een toeslag verleend voor zolang de belanghebbende nog geen 65 jaar is en geen recht heeft op een pensioen of uitkering krachtens de AWW. Deze toeslag bedraagt per pensioentellend jaar, tot de eerste dag van de maand waarin betrokkene de 65-jarige leeftijd bereikt, een percentage van de franchise van f 26.500 dat overeenkomt met 2,5 procent van het AWW-pensioen krachtens artikel 19, elfde lid, onderdeel a.

7. Indien een wezenpensioen wordt berekend over diensttijd gelegen tussen 31 december 1985 en 1 januari 1996, wordt op dat pensioen een toeslag verleend aan de wees die geen recht heeft op een pensioen krachtens de AWW en waarvan de overlevende ouder geen recht heeft op een pensioen krachtens artikel 19, elfde lid, onderdeel b, van de AWW. Deze toeslag bedraagt per pensioentellend jaar een percentage van de franchise van f 26.500 dat overeenkomt met:

a. 0,375% van het pensioen krachtens artikel 19, elfde lid, onderdeel b, van de AWW, voor de wees bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, onderdeel a;

b. 0,75% van het pensioen krachtens artikel 19, elfde lid, onderdeel b, van de AWW, voor de wees bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, onderdeel b.

8. Het percentage van de franchise van f 26.500, genoemd in de voorgaande leden, wordt vastgesteld aan de hand van de op 31 december 1995 geldende AOW- en AWW-bedragen.

Artikel 18.12 Peildatum bij recht op pensioen met ingang van een datum gelegen in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996

1. Indien het recht op een invaliditeitspensioen, ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen is ontstaan in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 wordt in afwijking van artikel 8.3 onderscheidenlijk artikel 6.2 als berekeningsgrondslag aangemerkt de middelsom van de berekeningsgrondslagen over 1994 en 1995 volgens de bepalingen van de Abp-wet, met dien verstande dat de berekeningsgrondslag over 1994 wordt gedeeld door de debruteringsfactor, bedoeld in artikel F 6, zesde lid, van de Abp-wet.

2. In geval van samenloop van dienstverhoudingen wordt rekening gehouden met het naar rato van de bij die dienstverhoudingen behorende deeltijdfactoren gewogen gemiddelde van de middelsommen.

Artikel 18.13 Keuze als ambtenaar bindt deelnemer

De keuze die de deelnemer als ambtenaar in de zin van de Abp-wet heeft gemaakt ten aanzien van de individuele bijverzekering tegen de gevolgen van de verlaging van zijn invaliditeitspensioen in de periode, bedoeld in artikel 21b van de WAO, bindt hem op overeenkomstige wijze als deelnemer.

Artikel 18.14 Invaliditeitspensioen algemeen

1. Indien op 31 december 1995 recht bestaat op invaliditeitspensioen op grond van de Abp-wet, wordt met ingang van 1 januari 1996, overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van de WPA, een invaliditeitspensioen toegekend. Hierbij zijn hoofdstuk 8, dit artikel en de artikelen 18.15, 18.16 en 18.17 van toepassing.

2. Als berekeningsgrondslag geldt in afwijking van de artikelen 8.3 en 8.1, eerste lid, onderdeel c, voor de deelnemer met recht op het in het eerste lid bedoelde pensioen, de middelsom, bedoeld in artikel F 6 van de Abp-wet en tot en met 31 december 1995 aangepast overeenkomstig artikel A 8 van die wet, welke middelsom, indien van toepassing, wordt vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.

3. Indien het recht op het in het eerste lid genoemde pensioen is ingegaan voor 1 januari 1986 geldt in afwijking van de artikelen 8.3 en 8.1, eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid als berekeningsgrondslag de middelsom, bedoeld in artikel F 6 van de Abp-wet en tot en met 31 december 1995 aangepast overeenkomstig artikel A 8 van die wet, welke middelsom is verhoogd met tien procent doch niet meer dan met f 7.276,82.

4. Indien het invaliditeitspensioen is berekend met toepassing van artikel F 9, vijfde lid, van de Abp-wet, zoals dit artikel gold op 31 augustus 1983, wordt voor de toepassing van het derde lid uitgegaan van de aangepaste middelsom waarnaar het invaliditeitspensioen werd berekend.

Artikel 18.15 Invaliditeitspensioen naar diensttijd

1. Ten aanzien van het invaliditeitspensioen, bedoeld in artikel 18.14, geldt in afwijking van artikel 8.6 het diensttijdpensioen, bedoeld in artikel F 9, van de Abp-wet, als het bedrag dat het ouderdomspensioen in de zin van artikel 8.6 zou bedragen. Dit bedrag wordt uitgedrukt in een percentage van de berekeningsgrondslag die overeenkomstig artikel 18.14 op 1 januari 1996 is vastgesteld.

2. In de in het eerste lid bedoelde gevallen blijft in afwijking van de artikelen 8.2 en 8.6 recht bestaan op een invaliditeitspensioen berekend overeenkomstig artikel 8.6 en met inachtneming van het eerste lid, indien de deelnemer geen recht meer heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Artikel 18.16 Invaliditeitspensioen garantie

1. Indien op 31 december 1995 recht bestaat op invaliditeitspensioen op grond van de Abp-wet dat niet uitsluitend naar diensttijd is berekend, geldt in afwijking van artikel 8.4, eerste lid, en artikel 8.5, tweede lid, als uitkeringspercentage het in het vierde lid van artikel F 8b van de Abp-wet, zoals dit luidde op 31 december 1995, genoemde percentage.

2. Indien de deelnemer als ambtenaar in de zin van de Abp-wet de keuze heeft gemaakt als bedoeld in artikel F 8f, derde lid, van de Abp-wet, zoals dit luidde op 31 december 1995, geldt in de periode, bedoeld in artikel 21b van de WAO, in afwijking van artikel 8.4, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8.5, derde lid, als uitkeringspercentage het in het vierde lid van artikel F 8b van de Abp-wet, zoals dit luidde op 31 december 1995, genoemde percentage.

3. Degene die op 31 december 1995 recht heeft op de toeslag, bedoeld in artikel 10 van de wet van 20 december 1984, Stb. 657, zoals die gold op 30 april 1994, behoudt het recht op die toeslag.

4. Degene die op 31 december 1995 recht heeft op de toeslag, bedoeld in artikel F 9a van de Abp-wet, zoals dit artikel gold op 30 april 1994, heeft recht op een toeslag van vier en een half procent van het bedrag van het invaliditeitspensioen, echter niet meer dan vier en een half procent van 72.768,22.

5. Degene die op 31 december 1995 recht heeft op de toeslag, bedoeld in artikel 83 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, behoudt het recht op die toeslag.

6. Het eerste tot en met vierde lid zijn van toepassing voor zolang de mate van arbeidsongeschiktheid van de deelnemer niet wijzigt.

Artikel 18.17 Samenloop invaliditeitspensioenen

Indien er op 31 december 1995 sprake is van samenloop van twee of meer invaliditeitspensioenen of herplaatsingstoelagen ingevolge de Abp-wet, worden die aanspraken samengevoegd tot een invaliditeitspensioen of een herplaatsingstoelage op een wijze die aansluit bij de systematiek van de ministeriële regeling op grond van artikel 52 van de WPA.

Artikel 18.18 Herplaatsingstoelage

1. Indien op 31 december 1995 recht bestaat op een herplaatsingstoelage op grond van de Abp-wet, wordt met ingang van 1 januari 1996, overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van de WPA, een invaliditeitspensioen toegekend. Hoofdstuk 8 en de artikelen 18.15, 18.16 en 18.17 zijn hierop van overeenkomstige toepassing.

2. Als berekeningsgrondslag voor het in het eerste lid bedoelde invaliditeitspensioen geldt in afwijking van artikel 8.3, het tot een jaarbedrag herleide ambtelijk inkomen uit de oorspronkelijke functie aangepast tot en met 31 december 1995 overeenkomstig artikel A 8 van de Abp-wet en, indien van toepassing, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.

3. In de in het eerste lid bedoelde gevallen wordt met ingang van 1 januari 1996, overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van de WPA een herplaatsingstoelage toegekend. Hoofdstuk 9 is hierop van toepassing, met dien verstande dat in afwijking van artikel 9.2, eerste lid, als berekeningsgrondslag geldt, het tot een jaarbedrag herleide ambtelijk inkomen uit de oorspronkelijke betrekking, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 18.19 Nabestaandenpensioen

1. Het recht op nabestaandenpensioen, bijzonder nabestaandenpensioen en wezenpensioen op 31 december 1995 ingevolge de Abp-wet wordt nader vastgesteld met inachtneming van hoofdstuk 7 en 18 van dit reglement, met dien verstande dat het bijzonder nabestaandenpensioen berekend wordt naar de diensttijd die volgens de Abp-wet bij de berekening van dat pensioen in aanmerking is genomen.

2. In afwijking van het eerste lid blijft ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde nabestaandenpensioen en bijzonder nabestaandenpensioen artikel J 3 van de Abp-wet, zoals dat luidde op 31 december 1995, van toepassing.

3. Indien toepassing van het eerste lid leidt tot een vermindering van het recht, wordt een toeslag toegekend ter grootte van het verschil op 1 januari 1996 tussen enerzijds het recht ingevolge de Abp-wet, zoals dat zou luiden indien die wet niet zou zijn ingetrokken, en met inachtneming van de aanpassing van die rechten aan een algemene salariswijziging volgens die wet, anderzijds het recht ingevolge dit reglement.

4. De toeslag, bedoeld in het derde lid, wordt op overeenkomstige wijze aangepast aan algemene salariswijzigingen als de aangepaste middelsom die is gehanteerd voor de berekening van het ouderdomspensioen waarvan het in het eerste lid bedoelde recht is afgeleid.

Artikel 18.20 Uitzicht op bijzonder nabestaandenpensioen

1. Het uitzicht op een bijzonder nabestaandenpensioen dat de gewezen echtgenoot van de ambtenaar, gewezen ambtenaar of gepensioneerde ambtenaar op 31 december 1995 heeft ingevolge de Abp-wet wordt nader vastgesteld met inachtneming van hoofdstuk 7 en 18 van dit reglement.

2. Artikel 18.19, eerste, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het uitzicht op een bijzonder nabestaandenpensioen dat de gewezen echtgenoot van de ambtenaar, gewezen ambtenaar of van de gepensioneerde ambtenaar op 31 december 1995 heeft ingevolge de Abp-wet.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt dat het uitzicht dat de gewezen echtgenoot van de ambtenaar die zijn dienstverhouding waaraan hij het ambtenaarschap ingevolge de Abp-wet ontleende na 31 december 1995 voortzet, op 31 december 1995 heeft ingevolge de Abp-wet, wordt bepaald met inachtneming van de berekeningsgrondslag van het jaar 1995.

19. Slotbepalingen

Artikel 19.1 Bijzondere gevallen

In bijzondere gevallen of groepen van gevallen waarin de toepassing van het reglement tot een naar het oordeel van het bestuur onredelijke uitkomst leidt, kan het bestuur ten gunste van de belanghebbende een beslissing nemen die met de strekking van het reglement overeenkomt.

Artikel 19.2 Bestuursvoorschriften

Het bestuur kan voorschriften geven voor de uitvoering van dit reglement.

Artikel 19.3

In gevallen waarin dit reglement niet voorziet beslist het bestuur.

Artikel 19.4 Beroep en bezwaar

1. Degene die bezwaar heeft tegen een beslissing ingevolge dit reglement waardoor hij rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen, dient - alvorens dit bezwaar voor te leggen aan de ter zake bevoegde rechter - de in dit artikel neergelegde procedure te volgen.

2. Bezwaren als bedoeld in het eerste lid dienen schriftelijk kenbaar te worden gemaakt aan het fonds. Omtrent het bezwaar wordt zo spoedig mogelijk beslist. In die beslissing wordt tevens aangegeven dat beroep openstaat bij de Commissie van Beroep.

3. De belanghebbende die bezwaar heeft tegen de beslissing, bedoeld in het tweede lid, en zich daarbij niet wenst neer te leggen, dient daartegen bij aangetekende brief beroep in te stellen bij de Commissie van Beroep. De Commissie van Beroep geeft daaromtrent zo spoedig mogelijk een beslissing, die bij aangetekende brief aan de belanghebbende ter kennis wordt gebracht.

4. Het bestuur stelt nadere regels omtrent de beroepsprocedure in het reglement van de Commissie van Beroep.

Artikel 19.5 Inwerkingtreding

Dit reglement treedt in werking op 1 januari 1996.

Bijlage a, behorende bij de artikelen 2.2 en 2.3 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP

1. Overheidswerknemer is degene die:

a. bij een publiekrechtelijk lichaam is aangesteld of in dienst is genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en die deswege bezoldigd of beloond wordt rechtstreeks ten laste van een publiekrechtelijk lichaam;

b. in dienst is van een privaatrechtelijk lichaam dat zich het geven van onderwijs aan instellingen als bedoeld in dit onderdeel ten doel stelt, bezoldigd of beloond wordt rechtstreeks ten laste van dat lichaam en uit dien hoofde werkzaam is aan:

l° een Nederlandse bijzondere instelling van wetenschappelijk onderwijs, een bijzondere instelling voor hoger beroepsonderwijs, een school, cursus, opleiding of andere instelling voor bijzonder onderwijs, indien de personeelskosten hiervan voor ten minste 51 procent door de overheid worden vergoed ingevolge een regeling houdende voorwaarden voor bekostiging, toegepast of tot stand gekomen onder verantwoordelijkheid van Onze Minister onder wiens departement de instelling ressorteert;

2° een Nederlandse bijzondere instelling voor hoger beroepsonderwijs, een school, cursus, opleiding of andere instelling voor bijzonder onderwijs, die ingevolge wettelijke bepaling door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zijn aangewezen als bevoegd om aan de studenten of leerlingen op grond van met gunstig gevolg afgelegde examens dezelfde diploma’s of getuigschriften uit te reiken als die uitgereikt worden door overeenkomstige door de overheid bekostigde instellingen;

3° een Nederlandse school voor bijzonder basisonderwijs, bijzonder speciaal onderwijs, bijzonder voortgezet speciaal onderwijs of een Nederlandse school of instelling voor bijzonder speciaal en voortgezet speciaal onderwijs - anders dan bedoeld onder 1° - waarvan het schoolwerkplan blijkens een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan het privaatrechtelijk lichaam op verzoek afgegeven beschikking voldoet aan het bij of krachtens de Wet op het basisonderwijs of de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs bepaalde omtrent onderwijsactiviteiten of vakken, en aantal lesuren, voor zo lang dat lichaam voldoet aan de in deze beschikking op te nemen voorwaarden en bedingen;

c. in dienst is van en werkzaam bij een privaatrechtelijk lichaam dat zich ingevolge de Wet op de onderwijsverzorging het verlenen van onderwijsverzorging ten doel stelt en die bezoldigd of beloond wordt rechtstreeks ten laste van dat lichaam;

d. in dienst is van een privaatrechtelijk lichaam dat zich het verlenen van ondersteuning van volwasseneneducatie ten doel stelt, bezoldigd of beloond wordt rechtstreeks ten laste van dat lichaam en uit dien hoofde werkzaam is aan een privaatrechtelijke ondersteuningsinstelling, waarvan de personeelskosten voor ten minste 51 procent door de overheid dan wel uit middelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet, worden vergoed;

e. in dienst is van een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het basisonderwijs, artikel 56 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en artikel 53b van de Wet op het voortgezet onderwijs, waarvan de personeelskosten voor ten minste 51 procent ten laste van de overheidskassen door de scholen worden bekostigd;

f. in dienst is van een B 3-lichaam;

g. die op 31 december 1995 ambtenaar in de zin van de Abp-wet is ingevolge artikel U 1 van die wet, dan wel op grond van artikel 65 van de Organisatiewet sociale verzekeringen, zoals dat artikel luidde op 31 december 1994, en wiens dienstverband op 1 januari 1996 niet is beëindigd.

2. In afwijking van het eerste lid zijn geen overheidswerknemer:

a. personen waarvan de dienstverhouding is ingegaan op of na het tijdstip waarop zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt;

b. ministers, staatssecretarissen, gedeputeerden, wethouders en voorzitters van deelgemeenteraden;

c. voorzitters en leden van besturen van waterschappen, tenzij de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen en zij deswege bezoldigd of beloond worden rechtstreeks ten laste van het waterschap;

d. voorzitters en leden van besturen van andere publiekrechtelijke lichamen dan in onderdeel c genoemd, wier functie overwegend een vertegenwoordigend karakter draagt, tenzij de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen en zij deswege bezoldigd of beloond worden rechtstreeks ten laste van een publiekrechtelijk lichaam, niet zijnde een openbaar lichaam voor beroep en bedrijf als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet;

e. de gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba;

f. militairen, bedoeld in artikel A 1, eerste lid, van de Amp-wet, alsmede degenen die ingevolge het tweede lid van dat artikel daaronder worden begrepen, met inachtneming van artikel A 4 van die wet;

g. personen in dienst van de openbare lichamen voor beroep en bedrijf bedoeld in artikel 134 van de Grondwet;

h. personen in dienst van de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (T.N.O.);

i. de Nationale ombudsman en substituut-ombudsmannen;

j. de personen en groepen van personen die bij door onze Minister te stellen regels, welke regels in overeenstemming met het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP worden vastgesteld, op grond van hun bijzondere arbeidsvoorwaarden of de bijzondere aard van hun werkzaamheden zijn aangewezen;

k. personen in dienst van een B 3-instelling ten aanzien van wie bij de aanwijzing, bedoeld in artikel B 3 van de Abp-wet, is bepaald dat zij geen ambtenaar in de zin van die wet zijn;

l. personen in dienst van een B 3-instelling waarvan de aanwijzing op of na 1 januari 1996 is of wordt ingetrokken, met ingang van de datum van die intrekking.

3. Tevens wordt als overheidswerknemer aangemerkt degene die in dienst is van:

a. de Stichting Pensioenfonds ABP;

b. een privaatrechtelijk lichaam dat met ingang van een datum gelegen na 31 december 1995 en voor 1 januari 2001, door Onze Minister, op grond van de doelstelling en financiële verhouding tot een of meer publiekrechtelijke lichamen, met inachtneming van artikel 3 is aangewezen als lichaam waarvan de werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP.

Bijlage b, behorende bij artikel 4.5 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP

1. De keuze, bedoeld in artikel 4.5, vierde lid, van het pensioenreglement, om af te zien van de individuele bijverzekering, bedoeld in artikel 8.4 van het pensioenreglement, dan wel het achterwege laten van die keuze binnen de daarvoor gestelde termijn, bindt de werknemer wat betreft de betaling van de pensioenpremie en de aan het pensioenreglement te ontlenen aanspraken in al zijn huidige en toekomstige dienstverhoudingen.

2. De werknemer die in dienst treedt en niet eerder als werknemer in de zin van het pensioenreglement, onderscheidenlijk als ambtenaar in de zin van de Abp-wet is aangemerkt, dient binnen een maand na de datum met ingang waarvan hij werknemer in de zin van het reglement is geworden de onderhavige keuze te maken.

3. De werknemer dient zijn keuze door tussenkomst van zijn werkgever kenbaar te maken aan het bestuur door inzending van het door hem ingevulde model-keuzeformulier, welk formulier door of vanwege de werkgever wordt verstrekt.

4. De werkgever zendt het keuzeformulier, voorzien van een verklaring over de datum van ontvangst, binnen een maand door aan het bestuur.

5. Het bestuur beslist of de werknemer zijn keuze tijdig kenbaar heeft gemaakt op basis van de datum waarop het formulier, blijkens diens verklaring, is ontvangen door de werkgever.

6. Het besluit van het bestuur wordt schriftelijk ter kennis gebracht aan de ambtenaar. Van die kennisgeving wordt een afschrift gezonden aan de werkgever.

7. Na een besluit van het bestuur dat de werknemer zijn keuze tijdig kenbaar heeft gemaakt, gaat de verlaging van de pensioenpremie voor het invaliditeitspensioen van de betrokken werknemer in met ingang van de dag waarop hij in dienst is getreden.

Bijlage c, behorende bij artikel 15.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP

Bij een ontslag op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 15.1 van het pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP dient de volgende procedure, zoals vermeld in onderdeel 4 van het onderhandelingsresultaat Centraal Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken met betrekking tot bovenwettelijke arbeidsonge-

schiktheid overheidspersoneel van 14 september 1994, in acht te zijn genomen. 1. Niet eerder dan na een onafgebroken periode1 van 18 maanden na aanvang van ziekte zegt de werkgever de werknemer schriftelijk aan dat de procedure inzake ontslag op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte begint.

2. Ten aanzien van de werknemer dienen in deze procedure de volgende vragen beantwoord te worden.

a. Zal de werknemer twee jaar na aanvang ziekte niet meer aan de aan de functie gestelde eisen voldoen vanwege ziekte (de medische geschiktheid voor de functie)?

b. Is redelijkerwijs te verwachten dat de werknemer binnen een periode van zes maanden na afloop van de termijn van twee jaar na aanvang ziekte hersteld zal zijn van zijn ziekte?

c. Zijn er voor de werknemer reële herplaatsingsmogelijkheden bij de werkgever aanwezig?

3. De beantwoording van de vragen 2a en 2b geschiedt door een arts van het FAOP, bijgestaan door een arts aangewezen door de werkgever en desgewenst door een arts aangewezen door de werknemer.

4. Van de uitkomst van het onderzoek naar de vragen 2a en 2b zoals dat aan de werkgever zal worden gezonden ontvangt de werknemer een afschrift.

5. Uit het onderzoek naar mogelijkheden van herplaatsing (vraag 2c) dient te blijken dat de werkgever:

a. gedurende het eerste jaar na aanvang ziekte heeft gezocht naar passende arbeid voor de werknemer en dat gedurende het tweede jaar na aanvang ziekte tevens gezocht is naar gangbare arbeid;

b. het oordeel van het FAOP heeft betrokken ter zake van de plannen en meldingen die zijn voorgeschreven op (overeenkomstige) basis van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.

6. Van het oordeel van het FAOP als bedoeld bij 5.b. wordt de werknemer desgewenst op de hoogte gesteld.

7. Het ontslag op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte kan niet eerder ingaan dan nadat betrokkene twee jaar onafgebroken1 ziek is geweest.

1 Perioden van ziekte die elkaar binnen een tijdvak van vier weken opvolgen worden samengeteld.

Bijlage d, behorende bij artikel 15.3 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP

Een suppletieregeling als bedoeld in artikel 15.3, dient ten minste de volgende elementen te bevatten.

A. De betrokkene

Als betrokkene dient te worden aangemerkt de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering ABP, aan wie uit een dienstbetrekking bij de desbetreffende werkgever ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% (ook minder dan 15%) arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, met uitzondering van degene die zijn resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden betrekkingen.

B. De berekeningsgrondslag van de suppletie

Als berekeningsgrondslag van de suppletie dient ze worden aangemerkt het dagloon van betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op suppletie wordt ontleend. Het dagloon is het dagloon in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Co□rdinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd met het bedrag aan pensioenbijdrageverhaal, bedoeld in de pensioenovereenkomst, en in voorkomend geval verminderd met bijdragen strekkende tot betaling van de premie van een door of voor de betrokkene afgesloten particuliere ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene Dagloonregelen WAO.

C. Het recht op suppletie

Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij bedoeld ontslag wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

D. Hoogte en duur

1. De suppletie bedraagt gedurende de eerste drieëndertig maanden 80% en gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70% van de berekeningsgrondslag van de suppletie.

2. Indien het ontslag ter zake waarvan het recht op suppletie wordt toegekend, is verleend op een latere datum dan het moment waarop de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, wordt de in het eerste lid genoemde periode verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie. Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

E. Indexering

De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast aan de voor de sector geldende algemene bezoldigingswijziging.

F. Het verplichtingen- en sanctieregime

1. Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de suppletieregeling.

2. Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de Werkloosheidswet voor de toepassing op de suppletie mede gangbare arbeid. Hierbij is onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

G. Anticumulatie

Met betrekking tot de anticumulatie bij suppletie dienen de volgende drie artikelen te zijn opgenomen.

Artikel I

1. Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-conforme uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.

2. Indien de betrokkene recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum, gelegen voor de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na laatstgenoemde datum, wordt, ingeval van een verhoging van de mate van de arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het bedrag van die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-conforme uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.

3. Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede, in een individueel geval naar het oordeel van het bevoegd gezag leidt tot een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het bevoegd gezag ten gunste van die betrokkene tot een wijze van toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel overeenkomt.

Artikel II

1. Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan bedoeld in artikel I, wordt de berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.

2. Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:

a. met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is aangezegd;

b. gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend;

c. voor de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en b en artikel I, tweede lid, voor zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die dag inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de betrokkene, terwijl die inkomsten of die meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met het ontslag.

3. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag ten gunste van betrokkene afwijken van het tweede lid.

Artikel III

Voor de toepassing van artikel I en II, worden uitkeringen steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, een of meer werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschikt-

heidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft:

a. vermindering ondergaan;

b. blijvend geheel geweigerd worden;

c. tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; danwel

d. in uitkeringsduur beperkt worden.

H. Het niet tot uitbetaling komen van de suppletie

Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang:

a. betrokkene een WAO-conforme uitkering ontvangt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;

b. betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in paragraaf 9 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

I. Het einde van het recht op suppletie

Het recht op suppletie eindigt:

a. na ommekomst van de duur van de suppletie;

b. met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is overleden;

c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.

J. Een overlijdensuitkering

1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een suppletie is toegekend, keert het bevoegd gezag een bedrag uit, gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene over een tijdvak van drie maanden.

2. Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:

a. aan de langstlevende der echtgenoten indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;

b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;

c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.

3. Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.

4. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding danwel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

5. Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet danwel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht had.

K. Bepalingen inzake aanvraag en betaling

Of er recht op suppletie bestaat, wordt op aanvraag vastgesteld. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het bevoegd gezag beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De suppletie wordt zo spoedig mogelijk uitbetaald, doch uiterlijk binnen een maand nadat het recht op die suppletie is vastgesteld. De suppletie wordt in de regel per maand achteraf betaald. De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen drie maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. In bijzondere gevallen kan ten gunste van betrokkene worden afgeweken van de vorige volzin.

L. Conversie herplaatsingswachtgeld

1. Degene die op 31 december 1995 recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K 6 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die datum, waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is verstreken, heeft recht op suppletie.

2. Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld van:

1 maand: gedurende de eerste 27 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

2 maanden: gedurende de eerste 26 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

3 maanden: gedurende de eerste 25 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

4 maanden: gedurende de eerste 24 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

5 maanden: gedurende de eerste 22 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

6 maanden: gedurende de eerste 21 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

7 maanden: gedurende de eerste 20 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

8 maanden: gedurende de eerste 19 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

9 maanden: gedurende de eerste 18 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

10 maanden: gedurende de eerste 17 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

11 maanden: gedurende de eerste 16 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

12 maanden: gedurende de eerste 15 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

13 maanden: gedurende de eerste 14 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

14 maanden: gedurende de eerste 13 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

15 maanden: gedurende de eerste 12 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

16 maanden: gedurende de eerste 11 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

17 maanden: gedurende de eerste 10 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

18 maanden: gedurende de eerste 9 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

19 maanden: gedurende de eerste 9 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

20 maanden: gedurende de eerste 8 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

21 maanden: gedurende de eerste 7 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

22 maanden: gedurende de eerste 6 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

23 maanden: gedurende de eerste 5 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

24 maanden: gedurende de eerste 4 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

25 maanden: gedurende de eerste 3 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

26 maanden: gedurende de eerste 2 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

27 maanden: gedurende de eerste 1 maand 80%, vervolgens 33 maanden 70%;

28 maanden: gedurende 33 maanden 70%;

29 maanden: gedurende 32 maanden 70%;

30 maanden: gedurende 31 maanden 70%;

31 maanden: gedurende 30 maanden 70%;

32 maanden: gedurende 29 maanden 70%;

33 maanden: gedurende 28 maanden 70%;

34 maanden: gedurende 27 maanden 70%;

35 maanden: gedurende 26 maanden 70%;

36 maanden: gedurende 25 maanden 70%;

37 maanden: gedurende 24 maanden 70%;

38 maanden: gedurende 23 maanden 70%;

39 maanden: gedurende 22 maanden 70%;

40 maanden: gedurende 21 maanden 70%;

41 maanden: gedurende 20 maanden 70%;

42 maanden: gedurende 19 maanden 70%;

43 maanden: gedurende 18 maanden 70%;

44 maanden: gedurende 17 maanden 70%;

45 maanden: gedurende 16 maanden 70%;

46 maanden: gedurende 15 maanden 70%;

47 maanden: gedurende 14 maanden 70%;

48 maanden: gedurende 13 maanden 70%;

49 maanden: gedurende 11 maanden 70%;

50 maanden: gedurende 10 maanden 70%;

51 maanden: gedurende 9 maanden 70%;

52 maanden: gedurende 8 maanden 70%;

53 maanden: gedurende 7 maanden 70%;

54 maanden: gedurende 6 maanden 70%;

55 maanden: gedurende 5 maanden 70%;

56 maanden: gedurende 4 maanden 70%;

57 maanden: gedurende 3 maanden 70%;

58 maanden: gedurende 2 maanden 70%;

59 maanden: gedurende 1 maand 70%.

3. Alle artikelen van de suppletieregeling, behalve die betreffende de hoogte, de duur en de aanvraag, zijn van overeenkomstige toepassing.

4. Het bevoegd gezag stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer als bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met inachtneming van het in dit artikel bepaalde.

5. Voor de berekeningsgrondslag van de in het tweede lid bedoelde suppletie geldt als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde of vierde lid, van de Wet privatisering ABP, zonder toepassing van de minimumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Cordinatiewet Sociale Verzekering.

6. Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden afgerond op een hele maand.

M. Conversie bezoldiging of uitkering wegens ziekte naar dagloon voor de suppletie

Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering ABP, op 1 januari 1996 gedurende een periode van 52 weken of langer onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn algemene invaliditeit op grond van de Algemene burgerlijke pensioenwet is vastgesteld op ten minste 15 procent danwel de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent, binnen een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene, geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39, vierde of vijfde lid, van de Wet privatisering ABP, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

N. Algemene neerwaartse wijzigingen

Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf 9 van de Wet privatisering ABP een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, behoudens indien sociale partners anders overeenkomen binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad waarin die maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie doorgevoerd, vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.

O. Inwerkingtredingsdatum

De suppletieregeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.

P. Ondertekening door het bevoegd gezag

Bijlage e, behorende bij artikel 17.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP

1. Het verzoek om vrijstelling, bedoeld in artikel 17.1 van het pensioenreglement, geschiedt door indiening van een door de werknemer ondertekende verklaring. Deze verklaring houdt ten minste in dat de werknemer die de verklaring indient, overwegende gemoedsbezwaren heeft tegen iedere vorm van verzekering en dat hij mitsdien noch zichzelf, noch iemand anders, noch zijn eigendommen heeft verzekerd. Uit een door een aangesloten werkgever ingediende verklaring moet voorts blijken of deze ook gemoedsbezwaren heeft tegen de nakoming van de aan hem als aangesloten

werkgever opgelegde verplichtingen.

2. Wanneer het verzoek een aangesloten werkgever betreft, wordt de verklaring ingediend door het ingevolge de wet of statuten van die aangesloten werkgever daartoe bevoegde orgaan.

3. Onverminderd het eerste lid houdt de verklaring, bedoeld in het tweede lid, tevens in dat degenen, die behoren tot het orgaan van de aangesloten werkgever dat ingevolge de wet of statuten bevoegd is te besluiten de vrijstelling aan te vragen, in meerderheid overwegende gemoedsbezwaren hebben.

4. Bij het verzoek, bedoeld in het tweede lid, worden gevoegd:

a. een gewaarmerkt afschrift van de statuten van de aangesloten werkgever en

b. een gewaarmerkt afschrift van de notulen van de vergadering, waarin het besluit tot het aanvragen van de vrijstelling is genomen.

5. Het bestuur verleent, indien de verklaring naar zijn mening overeenkomstig de waarheid is, de vrijstelling. Aan een vrijstelling kunnen voorwaarden worden verbonden die noodzakelijk zijn in verband met de administratie van het fonds.

6. Van de verleende vrijstelling wordt door het bestuur een bewijs uitgereikt.

7. Ieder die vrijgesteld is van zijn verplichtingen als aangesloten werkgever, is verplicht te zorgen dat het hem uitgereikte bewijs van vrijstelling of een afschrift daarvan wordt en blijft opgehangen op een plaats, die vrij toegankelijk is voor alle in zijn dienst zijnde werknemers en waar deze geregeld plegen te komen, op zodanige wijze, dat van hetgeen op het desbetreffende stuk staat vermeld, gemakkelijk kan worden kennis genomen.

8. Ieder die vrijstelling, bedoeld in artikel 17.1 van het reglement, heeft, is verplicht dezelfde bijdragen die hij verschuldigd zou zijn indien hij geen vrijstelling had, aan het fonds te betalen in de vorm van spaarbijdragen. Deze bepaling geldt mede voor een aangesloten werkgever die geen vrijstelling heeft, met betrekking tot de bijdragen die hij verschuldigd is voor een werknemer die wel vrijstelling heeft.

9. Een werknemer die geen vrijstelling heeft en verbonden is aan een aangesloten werkgever die wel vrijstelling heeft, betaalt de door hem verschuldigde bijdragen rechtstreeks aan het fonds. De betaling geschiedt in maandelijkse termijnen. De door de werknemer betaalde bijdragen worden omgezet in evenredige pensioenaanspraken van deze werknemer en zijn nagelaten betrekkingen.

10. Indien een werknemer die geen vrijstelling heeft en in dienst is van een aangesloten werkgever die wel vrijstelling heeft, daartoe aan het fonds een verzoek richt, worden ook de door de aangesloten werkgever reeds betaalde en door het fonds nog niet uitgekeerde, alsmede de door aangesloten werkgever nog verschuldigde spaarbijdragen omgezet in evenredige pensioenaanspraken ten behoeve van die werknemer.

11. De ingevolge het achtste lid ten behoeve van een werknemer betaalde spaarbijdragen worden door het bestuur geboekt op een die werknemer betreffende spaarrekening bij het fonds. Over het spaartegoed wordt een rentevergoeding gegeven waarvan de hoogte gerelateerd is aan het rendement dat het fonds in dat jaar op zijn belegd vermogen heeft behaald; de rentevergoeding vindt plaats door verhoging van het spaartegoed met het bedrag van die rentevergoeding. Jaarlijks na de bijschrijving van de rentevergoeding doet het bestuur schriftelijk aan de werknemer opgave van zijn spaartegoed. Het spaartegoed wordt pas aan de werknemer uitgekeerd bij het bereiken van de leeftijd waarop hij pensioengerechtigd zou zijn geweest, indien hij geen vrijstelling had gehad; bij eerder overlijden wordt het spaartegoed terstond uitgekeerd aan hem die blijkens schriftelijke volmacht namens de erfgenamen tot inontvangstneming gerechtigd is.

12. Indien een werknemer, die geen vrijstelling heeft, ophoudt verbonden te zijn aan een aangesloten werkgever die wel vrijstelling heeft, vervalt zijn aanspraak op het tegoed van zijn spaarrekening en bepaalt het bestuur tot welke bedrag hij pensioenaanspraken verkrijgt of zijn pensioenaanspraken krachtens het negende lid worden verhoogd.

13. Indien een vrijstelling ingevolge het vierde lid van artikel 17.1 van het pensioenreglement is ingetrokken, vervalt de aanspraak van de betrokkene op het tegoed van zijn spaarrekening en bepaalt het bestuur tot welke bedrag hij pensioenaanspraken verkrijgt of zijn pensioenaanspraken krachtens het negende lid worden verhoogd.

Bijlage f, behorende bij artikel 18.2 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP

Artikel A Bepaling correctiefactoren algemeen

1. Voor de bepaling van de correctiefactoren, bedoeld in artikel 18.2, wordt de op 31 december 1995 bestaande aanspraak vastgesteld met inachtneming van een middelsom die gelijk is aan de berekeningsgrondslag voor het jaar 1995, aangepast aan de algemene bezoldigingswijzigingen tot genoemde datum.

2. Voor diensttijd gelegen voor 1 januari 1995 wordt de aangepaste middelsom, bedoeld in het eerste lid, aangepast volgens artikel F 6, zesde lid, van de Abp-wet.

3. Voor diensttijd gelegen voor 1 januari 1986 wordt de aangepaste middelsom, bedoeld in het tweede lid, aangepast volgens artikel F 6, vierde en vijfde lid, van de Abp-wet.

4. De aanspraak, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld met toepassing van de bepalingen van de Abp-wet, met dien verstande dat geen toepassing wordt gegeven aan de artikelen F 7c, J 6, voor zover dat artikel betrekking heeft op niet-verzekerde tijd krachtens de AOW, J 9, onderdeel d, J 14 en J 15.

5. Voor de inbouw wordt per dienstjaar uitgegaan van een bedrag ter grootte van twee procent van:

a. het tot een jaarbedrag herleide bedrag aan ouderdomspensioen alsmede de vakantie-uitkering ingevolge de AOW waarop de gepensioneerde die voor de toepassing van die wet als ongehuwd wordt aangemerkt op 31 december 1995 recht heeft dan wel recht zou hebben gehad indien hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest;

b. twee maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag aan ouderdomspensioen alsmede de vakantie-uitkering ingevolge de AOW waarop de gepensioneerde die voor de toepassing van die wet als gehuwd wordt aangemerkt, op 31 december 1995 recht heeft dan wel recht zou hebben gehad indien hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest.

Artikel B Correctiefactor ten aanzien van de berekeningsgrondslag

1. De correctiefactor ten aanzien van de berekeningsgrondslag wordt als volgt vastgesteld:

2. In het eerste lid wordt verstaan onder:

T0: de diensttijd over een afgesloten tijdvak;

T1: de diensttijd gelegen vóór 1 januari 1986, exclusief T0;

T2: de diensttijd gelegen tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995, exclusief T0;

T3: de diensttijd gelegen tussen 31 december 1994 en 1 januari 1996, exclusief T0;

T4: de totale diensttijd gelegen vóór 1 januari 1996 inclusief T0;

BG0: de aangepaste middelsom op 31 december 1995 voor een afgesloten tijdvak, volgens de bepalingen van de ABP-wet;

BG1: de aangepaste middelsom, bedoeld in artikel A, voor periode T1;

BG2: de aangepaste middelsom, bedoeld in artikel A, voor periode T2;

BG3: de aangepaste middelsom, bedoeld in artikel A, voor periode T3;

BG4: de aangepaste middelsom, bedoeld in artikel A, met dien verstande dat indien er sprake is van samenlopende dienstlijnen uitgegaan dient te worden van het gewogen gemiddelde;

M0: de in een bedrag per dienstjaar uitgedrukte toepassing van de minimumvoorziening voor een afgesloten tijdvak volgens de bepalingen van de Abp-wet;

M1: de in een bedrag per dienstjaar uitgedrukte toepassing van de minimumvoorziening, bedoeld in artikel F 7 van de Abp-wet, uitgaande van BG1 en T1;

M2: de in een bedrag per dienstjaar uitgedrukte toepassing van de minimumvoorziening, bedoeld in artikel F 7b van de Abp-wet, uitgaande van BG2 en T2;

M3: de in een bedrag per dienstjaar uitgedrukte toepassing van de minimumvoorziening, bedoeld in artikel F 7b van de Abp-wet, uitgaande van BG3 en T3;

M4: de in een bedrag per dienstjaar uitgedrukte toepassing van de minimumvoorziening, bedoeld in artikel F 7b van de Abp-wet, uitgaande van BG4 en T4.

3. Indien er sprake is van meer knippen in de dienstlijn wordt de in het eerste lid vermelde formule overeenkomstig aangepast, dat wil zeggen dat per afgesloten tijdvak aan de teller wordt toegevoegd T0(1,75% x BG0 + M0).

4. De correctiefactor wordt zodanig vastgesteld dat het nominaal pensioen op het tijdstip van omrekening niet minder bedraagt dan het nominaal pensioen berekend volgens de bepalingen van de Abp-wet.

Artikel C Correctiefactor ten aanzien van de franchise

1. De correctiefactor ten aanzien van de franchise wordt als volgt vastgesteld:

2. In het eerste lid wordt verstaan onder:

T1: de diensttijd gelegen vóór 1 januari 1986;

T2: de diensttijd gelegen tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995;

T3: de diensttijd gelegen tussen 31 december 1994 en 1 januari 1996;

T4: de totale diensttijd gelegen vóór 1 januari 1996;

F1: het AOW-pensioen, bedoeld in artikel A, vijfde lid;

F2: de franchise, bedoeld in artikel F 7a van de Abp-wet;

F3: de franchise, bedoeld in artikel F 7aa van de Abp-wet, op 31 december 1995.

Naar boven