Ontwerp-besluit wijziging Besluit opslaan in ondergrondse tanks

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer maakt ingevolge artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer bekend dat gedurende vier weken na dagtekening van deze Staatscourant een ieder schriftelijk zijn zienswijze naar voren kan brengen over onderstaand ontwerp van een algemene maatregel van bestuur.

Adres: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, CDJZ/afdeling Wetgeving (ipc 115), Postbus 20951, 2500 EZ, ’s-Gravenhage.

Besluit van No. tot wijziging van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks (invoering verwijderingsplicht en enkele andere wijzigingen)

Wij Beatrix, bij de gratie gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van , nr. MJZ , Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op de artikelen 6, 8, 10, 15, 16, eerste en tweede lid, 16a en 70 van de Wet bodembescherming en op de artikelen 8.40, 8.42, eerste lid, en 8.44 van de Wet milieubeheer;

Gezien het advies van de Technische commissie bodembescherming (advies van , nr. );

De Raad van State gehoord (advies van , nr. );

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van , nr. MJZ , Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel I

Het Besluit opslaan in ondergrondse tanks wordt als volgt gewijzigd.

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de begripsomschrijving van ’ondergrondse tank’ wordt na ’tank’ ingevoegd: , daaronder niet begrepen een septic tank,.

2. De begripsomschrijving van ’districtshoofd’ vervalt.

B

In artikel 2, eerste lid, onderdeel b, wordt ’Inrichtingen- en vergunningenbesluit Wet milieubeheer’ vervangen door: Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

C

In artikel 8, eerste lid, wordt in de eerste volzin na ’of’ ingevoegd: , indien verwijdering ervan als gevolg van de ligging van de tank redelijkerwijs niet kan worden gevergd,.

D

In artikel 9, derde en vierde lid, wordt ’het districtshoofd’ telkens vervangen door: de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet aangewezen bevoegde ambtenaar.

E

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt de zinsnede ’in de onmiddellijke nabijheid van de desbetreffende ondergrondse tank of, indien de desbetreffende tank wordt verwijderd,’.

2. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien ingevolge het vierde lid volstaan kan worden met het onklaar maken van de tank, wordt het onderzoek verricht in de onmiddellijke nabijheid van de desbetreffende tank.

3. In het vierde lid wordt na de zinsnede ’verwijdert de betrokken ondergrondse tank of’ ingevoegd: , indien verwijdering ervan als gevolg van de ligging van de tank redelijkerwijs niet kan worden gevergd,.

F

Na artikel 14 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 14a

Op het opslaan van huishoudelijk afvalwater in een ondergrondse tank binnen een inrichting, zijn de artikelen 6 tot en met 8 van overeenkomstige toepassing.

G

In artikel 17, eerste lid, wordt ’het districtshoofd’ vervangen door: de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet aangewezen bevoegde ambtenaar.

H

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt ’eigenaar’ vervangen door ’eigenaar of erfpachter’.

2. In het derde lid wordt vóór ’maakt die onklaar’ ingevoegd:

, indien verwijdering ervan als gevolg van de ligging van de tank redelijkerwijs niet kan worden gevergd,.

I

In artikel 19 wordt ’eigenaar’ vervangen door: eigenaar of erfpachter

J

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

1. In hoofdstuk I wordt in de begripsomschrijving van ’CPR 9-1’ ’(Concept) Richtlijn 9-1’ vervangen door ’Richtlijn 9-1’ en wordt ’1991’ vervangen door: 1993.

2. In voorschrift 2.11 wordt ’voorschrift 5.1.4.17 of 5.2.3.3’ vervangen door: voorschrift 5.1.4.17 of 5.2.1.3.

3. In voorschrift 2.16 wordt ’voorschrift 5.2.3.3’ vervangen door ’voorschrift 5.2.1.3’ en wordt ’voorschrift 5.2.3.4’ vervangen door: voorschrift 5.2.1.4.

4. Aan het slot van voorschrift 2.19 wordt de volgende volzin toegevoegd: Ten minste eenmaal per jaar wordt de bekleding van een tankinstallatie die niet is voorzien van een kathodische bescherming, beoordeeld door of namens het KIWA met behulp van een stroomopdrukproef als vermeld in voorschrift 5.2.3.4 van CPR 9-1, tenzij de specifieke elektrische weerstand van de bodem meer bedraagt dan 100 Ohm.m en beschadiging van de tankinstallatie door zwerfstromen niet te verwachten is.

5. In voorschrift 2.21 wordt ’voorschrift 5.2.3.3’ vervangen door: voorschrift 5.2.1.3.

6. In voorschrift 2.23 wordt ’de voorschriften 5.2.3.3 en 5.2.3.4’ vervangen door: de voorschriften 5.2.1.3 en 5.2.1.4.

7. In voorschrift 3.1 wordt ’paragrafen 5.2.2 en 5.2.4’ vervangen door: paragrafen 5.2 en 5.3.

8. Voorschrift 3.3 vervalt.

9. In de voorschriften 3.5 en 3.6 wordt ’voorschrift 5.2.3.3 en 5.2.3.4’ telkens vervangen door: voorschrift 5.2.1.3 en 5.2.1.4.

K

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

In hoofdstuk I wordt in de begripsomschrijving van ’CPR 9-1’ ’(Concept) Richtlijn 9-1’ vervangen door ’Richtlijn 9-1’ en wordt ’1991’ vervangen door: 1993.

L

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

1. In hoofdstuk I wordt in de begripsomschrijving van ’CPR 9-1’ ’(Concept) Richtlijn 9-1’ vervangen door: ’Richtlijn 9-1’ en wordt ’1991’ vervangen door: 1993.

2. In voorschrift 2.2 wordt ’voorschriften 2.13 tot en met 2.15 en 2.17’ vervangen door: voorschriften 2.12 tot en met 2.15 en 2.17.

3. In voorschrift 3.4 wordt ’voorschrift 5.2.3.3. en 5.2.3.4.’ vervangen door: voorschrift 5.2.1.3 en 5.2.1.4.

4. In voorschrift 3.5 wordt ’voorschrift 5.2.3.3 en 5.2.3.4’ vervangen door: voorschrift 5.2.1.3 en 5.2.1.4.

M

In bijlage V vervallen in de titel van Hoofdstuk II de woorden ’buiten inrichtingen’.

N

In bijlage VI vervalt in voorschrift 2 de zinsnede ’waarin het opslaan is beëindigd voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit,’.

Artikel II

Indien de eigenaar van een bestaande ondergrondse tank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks, welke tank is gelegen op in erfpacht uitgegeven grond, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit nog niet de in dat artikellid bedoelde melding heeft gedaan, wordt deze melding alsnog door de erfpachter gedaan uiterlijk zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. Op de erfpachter is artikel 4 van het in de eerste volzin genoemde besluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel III

Voor een periode, eindigend drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, wordt, in afwijking van artikel 14, eerste lid, van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks, een onderzoek als bedoeld in dat artikellid uitgevoerd overeenkomstig het ’Protocol nulsituatie-bodemonderzoek bij ondergrondse tanks’, uitgave ...... 1996.

Artikel IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van de onderdelen C, D en H, onder 2, van artikel I, die in werking treden met ingang van 1 maart 1998.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Nota van toelichting

Algemeen

§ 1. Inleiding

Met dit besluit wordt in het Besluit van 15 januari 1993, houdende regels met betrekking tot het opslaan van vloeistoffen in ondergrondse tanks (Besluit opslaan in ondergrondse tanks), een aantal wijzigingen aangebracht, die kunnen worden onderverdeeld in de volgende categorieën:

- invoering van een algemene verwijderingsplicht per 1 maart 1998 voor ondergrondse tanks die uit gebruik worden genomen en voor niet meer in gebruik zijnde tanks die voor die datum niet onklaar zijn gemaakt;

- een nadere regeling met betrekking tot tanks die gelegen zijn in erfpacht uitgegeven grond;

- wijzigingen in de tekst van de bijlagen I, II en III die ertoe dienen dat voor de opslag van vloeibare brandstoffen en afgewerkte olie in stalen tanks en de installatie van stalen leidingen wordt uitgegaan van de laatste (herziene) versie van richtlijn CPR 9-1, vijfde druk, 1993;

- redactionele verbeteringen in de tekst van het besluit en de bijlagen I, II, III en VI;

- tijdelijke vervanging van de voornorm NVN 5740 (Bodem Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek, uitgave 1991) door het protocol ’nulsituatie-bodemonderzoek bij ondergrondse tanks’

§ 2. Verwijdering van ondergrondse tanks bij buitengebruikstelling

In het bodembeschermingsbeleid geldt als algemeen uitgangspunt dat na afloop van de uitvoering van bodembedreigende handelingen de bodem in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht. Dit betekent niet alleen dat eventuele (rest)stoffen worden weggenomen, maar ook dat de aangebrachte bodembeschermende voorzieningen worden verwijderd. Onder bodembeschermende voorzieningen vallen onder andere tanks die worden gebruikt voor het opslaan van vloeistoffen. De verwijdering van een ondergrondse tank vormt een extra garantie dat ongecontroleerd gebruik niet mogelijk is. De richtlijnen van de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen voor de opslag van vloeistoffen in ondergrondse tanks gaan er sinds 1988 van uit dat een ondergrondse tank bij buitengebruikstelling wordt verwijderd.

In het Besluit opslaan in ondergrondse tanks werd - in afwachting van een wijziging van de Wet bodembescherming - als regel opgenomen dat een ondergrondse tank bij buitengebruikstelling onklaar dient te worden gemaakt of dient te worden verwijderd. De nota van toelichting vermeldt terzake het volgende: ’De keuzemogelijkheid tussen verwijderen en onklaar maken in plaats van een verwijderingsplicht zonder meer, is opgenomen omdat aan de artikelen 8 en 10 van de Wet bodembescherming een uitleg kan worden gegeven, die ertoe leidt dat deze artikelen niet voorzien in een wettelijke grondslag voor een verwijderingsplicht’.

Indien het voorstel van wet tot aanvulling van de Wet milieubeheer met een regeling ter waarborging dat gesloten stortplaatsen geen of zo min mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu hebben, alsmede wijziging van de Wet bodembescherming (Kamerstukken II 1994/95, 24 321, nrs. 1-2) tot wet is verheven en in werking is getreden, kan deze uitleg niet meer aan die artikelen worden gegeven, zodat de verwijderingsplicht wel kan worden opgenomen. De invoering van de verwijderingsplicht bij het buiten gebruik stellen van tanks is bereikt door wijzigingen van de artikelen 8 en 13 van het besluit in die zin dat de mogelijkheid om een tank bij buitengebruikstelling onklaar te doen maken, is komen te vervallen.

De ingangsdatum voor de verwijderingsplicht is 1 maart 1998. Dit houdt in dat ondergrondse tanks die op die datum in gebruik zijn of na die datum geïnstalleerd worden, bij buitengebruikstelling moeten worden verwijderd. De verwijderingsplicht geldt voorts ook voor tanks die op 1 maart 1998 niet meer in gebruik zijn en op die datum nog niet onklaar zijn gemaakt.

De datum van 1 maart 1998 is gekozen omdat dan de in het Besluit opslaan in ondergrondse tanks van 15 januari 1993 in artikel 18, derde lid, aangegeven termijn voor het onklaar maken van tanks waarvan het gebruik op 1 maart 1993 was beëindigd, voorbij is. Dit betekent dat met ingang van 1 maart 1998 bij de sanering van een ondergrondse tank, die tank verwijderd moet worden. Een uitzondering wordt slechts gemaakt voor die gevallen dat vanwege de ligging van de tank verwijdering redelijkerwijs niet mogelijk is. Dit doet zich voor als een tank zo moeilijk bereikbaar of op te graven is dat de kosten van verwijdering excessief hoger zouden uitvallen dan de gemiddelde kosten om een vergelijkbare tank te verwijderen. Als voorbeelden hiervan kunnen worden genoemd: een tank die gelegen is onder een bouwwerk of een tank die zodanig in een nauwe straat gelegen is dat de tank niet bereikbaar is voor ontgravingsmateriaal. De verwijderingsplicht is niet van toepassing op tanks die vóór 1 maart 1998 onklaar gemaakt zijn en in de bodem achterblijven. Dit laat onverlet dat bij een tank waarbij vóór 1 maart 1998 het onklaar maken niet goed is uitgevoerd, voor de tankeigenaar de verplichting kan ontstaan om met betrekking tot het onklaar maken aanvullende maatregelen te nemen.

§ 3. Niet meer gebruikte tanks op in erfpacht uitgegeven grond

Bij de totstandkoming van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks is met betrekking tot niet meer gebruikte tanks de verplichting tot het onklaar maken of verwijderen van die tanks gelegd bij de eigenaar van de tank. Met eigenaar is altijd bedoeld geweest degene die de zeggenschap over de tank heeft; doorgaans is dat de juridisch eigenaar van de tank. In het geval van doorverkoop van een pand met de daarbij behorende grond kon het in het verleden voorkomen dat geen aandacht werd geschonken aan de aanwezigheid van een niet meer gebruikte ondergrondse tank. In zo’n geval wordt ervan uit gegaan dat de eigendom van de tank berust bij de huidige eigenaar van de grond. In die context is bij de opstelling van het besluit niet gedacht aan erfpachtsituaties. Mede naar aanleiding van een bepaalde interpretatie van het begrip eigenaar in erfpachtsituaties in door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uitgegeven voorlichtingsmateriaal, is over de betekenis van artikel 18, derde lid, en artikel 19 in de praktijk onduidelijkheid gaan ontstaan, met name in gemeentes met veel in erfpacht uitgegeven grond. Er is een indruk ontstaan dat in erfpachtsituaties de verplichtingen ten aanzien van niet meer gebruikte tanks altijd bij de erfverpachter (bijvoorbeeld de gemeente) zouden berusten. De zeggenschap over de tank berust echter in het algemeen bij de erfpachter en niet bij de erfverpachter of bloot eigenaar. In de financiële paragraaf van het besluit is ook geen aandacht geschonken aan eventuele bijkomende kosten voor gemeenten met in erfpacht uitgegeven grond.

Om de ontstane onduidelijkheid over de toepassing van artikel 18, derde lid, en van artikel 19 weg te nemen, wordt in deze artikelen ’eigenaar’ gewijzigd in ’eigenaar of erfpachter’. Deze wijziging is in overeenstemming met de saneringsparagraaf van de Wet bodembescherming. In artikel 43 van die wet wordt in het derde lid, onder b, ook ’eigenaar of erfpachter’ genoemd als degene tot wie zich een bevel tot het treffen van maatregelen kan richten in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierbij is geen sprake van een keuze of een verplichte volgorde, hoogstens een voorkeursvolgorde.

De met artikel I, onder H en I, doorgevoerde wijziging geldt voor de toekomst. Bovenstaande uitleg heeft echter ook gevolgen voor reeds vóór de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit bestaande verplichtingen. Om melding van een niet meer gebruikte tank door de erfpachter mogelijk te kunnen maken, is in artikel II bepaald dat de termijn voor melding voor die categorie wordt gesteld op een half jaar na inwerkingtreding van dit besluit. Aldus kan door de erfpachter alsnog melding worden gedaan van een niet meer gebruikte tank in de gevallen dat de bloot eigenaar dat nog niet mocht hebben gedaan.

§ 4. Wijziging van technische voorschriften

In het oorspronkelijke besluit werd met betrekking tot de opslag van vloeibare brandstoffen en afgewerkte olie in stalen tanks en voor de uitvoering van stalen leidingen verwezen naar de in 1991 ten behoeve van de algemene inspraak uitgebrachte concept-versie van de herziene richtlijn CPR 9-1. In september 1993 is de richtlijn CPR 9-1 ’Vloeibare aardolieprodukten. Ondergrondse opslag in stalen tanks en afleverinstallaties voor motorbrandstof, opslag in grondwaterbeschermingsgebieden; vijfde druk 1993’ vastgesteld. Thans wordt verwezen naar deze meest recente versie van de richtlijn. In technische zin zijn hierdoor de voorschriften in de bijlagen I t/m III waarin naar het begrip ’CPR 9-1’ wordt verwezen niet gewijzigd. Echter, ten opzichte van de eerdere concept-versie is in de huidige CPR 9-1 de nummering van de voorschriften op enkele plaatsen gewijzigd. Dit heeft in de bijlagen I t/m III geleid tot enige wijzigingen in de verwijzingen naar de desbetreffende voorschriften. Door de verwijzing naar de laatste versie van CPR 9-1 wordt beter aangesloten bij de praktijk waarbij sinds de verschijningsdatum van deze versie wordt uitgegaan.

Verder is na de inwerkingtreding van het besluit gebleken dat de formulering van een aantal voorschriften in de bijlagen I t/m III en in bijlage VI niet geheel correct waren. Met dit besluit is dat gecorrigeerd.

§ 5. Protocol ’nulsituatie-bodemonderzoek bij ondergrondse tanks’

Op basis van het in 1993 uitgegeven ’Protocol Nulsituatie/BSB-onderzoek’ dat is opgenomen in de Sdu uitgave ’Bodemonderzoek Milieu-vergunning en BSB’ is onlangs een protocol ontwikkeld ten behoeve van de uitvoering van nulsituatie-onderzoek van de bodem bij ondergrondse tanks. Het protocol voldoet aan de uitgangspunten voor het uitvoeren van bodemonderzoek die door de voornorm voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek NVN 5740 worden gesteld. In tegenstelling tot NVN 5740 dat een breed karakter heeft, is het nieuwe protocol echter specifiek op situaties van ondergrondse tanks en opgeslagen stoffen gericht waarop het besluit betrekking heeft. In het algemeen houdt dit een vereenvoudiging van de onderzoeksopzet bij ondergrondse tanks in.

Verwacht wordt dat binnen een termijn van drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit van de voornorm NVN 5740 een definitieve versie zal worden uitgebracht. Het thans ontwikkelde protocol ’nulsituatie- bodemonderzoek bij ondergrondse tanks’ zal in de definitieve versie van NVN 5740 worden opgenomen. In afwachting daarvan zal het protocol ’Nulsituatie-bodemonderzoek bij ondergrondse tanks’ gehanteerd worden. Daartoe is in artikel III van het besluit een tijdelijke vervanging van NVN 5740 door voornoemd protocol opgenomen.

§ 6. Opslaan van huishoudelijk afvalwater binnen inrichtingen

In het oorspronkelijke besluit zijn in de artikelen 6, 7 en 8, alsmede in bijlage V regels en voorschriften opgenomen voor het buiten inrichtingen in ondergrondse tanks opslaan van huishoudelijk afvalwater. Gebleken is dat in de praktijk voor het opslaan van huishoudelijk afvalwater in ondergrondse tanks binnen inrichtingen veelal van dezelfde voorschriften wordt uitgegaan. In vergunningsituaties worden dan de desbetreffende voorschriften letterlijk in de vergunning overgenomen. In technische zin zijn daar geen bezwaren tegen. Bezwaren ontstaan wel als bij het opslaan binnen een inrichting alleen omwille van het opslaan ven huishoudelijk afvalwater in een ondergrondse tank een vergunning noodzakelijk is. Met name om aan deze situaties tegemoet te komen worden de regels van de artikelen 6, 7 en 8 en de voorschriften van bijlage V ook van toepassing op het opslaan van huishoudelijk afvalwater binnen inrichtingen.

§ 7. Financiële aspecten

Met het verwijderen van een ondergrondse tank bij het buiten gebruik stellen zijn hogere kosten gemoeid dan met het onklaar maken van een tank door deze te reinigen en te vullen met zand. De kosten zijn afhankelijk van de grootte van een tank. Als voorbeeld: de verwijdering van een gemiddelde particuliere huisbrandolietank bedraagt ca. f 2.000,- , terwijl het onklaar maken ca. f 1.000,- bedraagt. De verhoging van kosten als gevolg van de invoering van een algemene verwijderingsplicht bij buitengebruikstelling zal zich met name voordoen als bij afkeuring van een tank, de tank niet wordt vervangen maar de gebruiker besluit tot het gebruik van een bovengrondse tank in plaats van een ondergrondse of om over te gaan op een andere vorm van brandstofvoorziening. Een dergelijke situatie zal in het bijzonder voorkomen bij particulieren met een huisbrandolietank. Bij bedrijven is het al veel langer gebruikelijk dat tanks bij het buiten gebruik stellen verwijderd worden. Bij de verlening van vergunningen wordt in het algemeen reeds vanaf 1988 in aansluiting op de CPR-richtlijnen uitgegaan van een verwijdering bij buitengebruikstelling.

Met betrekking tot de tanks die thans in gebruik zijn, zal definitieve verwijdering zich eerst over geruime tijd (enkele jaren tot enkele tientallen jaren) voordoen. De tijd die hiermee gemoeid is, biedt tankeigenaren voldoende mogelijkheid tot het maken van de nodige reserveringen.

Op tanks die thans niet meer in gebruik zijn, rust een verplichting om deze voor 1 maart 1998 te verwijderen of onklaar te maken. Indien niet aan die verplichting wordt voldaan, moeten deze tanks na 1 maart 1998 worden verwijderd. Aangezien degenen die voor 1 maart 1998 wel aan de verplichting tot het verwijderen of onklaar maken van een tank hebben voldaan, in de regel de kosten zelf hebben gedragen, ligt het in de rede dat de kosten die voortvloeien uit de verwijdering van een tank na 1 maart 1998 voor rekening van de desbetreffende tankeigenaar komen.

§ 8. Voorlichting

De inwerkingtreding van het besluit zal gepaard gaan met voorlichting, waarbij rekening zal worden gehouden met de verschillende doelgroepen.

§ 9. Informatie over de uitvoering van het besluit

De uitvoering van het besluit zal tenminste gedurende de overgangsperioden een of meerdere malen geëvalueerd worden. Deze evaluaties hebben tot doel na te gaan hoe de tankkeuringen en tanksaneringen landelijk gezien vorderen en te inventariseren welke knelpunten zich bij de uitvoering voordoen. Ten behoeve van de uit te voeren evaluaties is begin 1995 de Evaluatie-commissie BOOT ingesteld. In mei 1995 heeft de commissie een eerste advies uitgebracht over de stand van zaken van de uitvoering van het besluit en de bij de uitvoering gebleken knelpunten. Voor de eerste evaluatie heeft de commissie gebruik gemaakt van informatie die verkregen is door middel van een gemeentelijke steekproef. Voorts is gebruik gemaakt van de informatie inzake het installeren, het keuren en het saneren van ondergrondse tanks die het certificatie-instituut Kiwa n.v. binnen krijgt via de desbetreffende erkenningsregelingen. Naar deze erkennings-regelingen wordt in het besluit verwezen.

In haar eerste advies geeft de commissie aan dat voor volgende evaluaties de gegevens van het Kiwa een voldoende betrouwbare basis bieden om een voortschrijdend beeld te krijgen van de stand van zaken van de uitvoering van het besluit. Deze gegevens kunnen worden aangevuld met informatie die verkregen wordt uit de jaarlijkse gemeentelijke rapportages in het kader van de Vervolg-bijdrageregeling ontwikkeling gemeentelijk milieubeleid (VOGM) inzake aantallen nieuwe, in gebruik zijnde, te saneren en gesaneerde ondergrondse tanks bij bedrijven en particulieren. Het uitdiepen van bepaalde uitvoeringsaspecten kan volgens de Evaluatiecommissie BOOT waarschijnlijk het beste plaatsvinden aan de hand van gerichte vraaggesprekken met betrokken deskundigen of door literatuurstudie. Naar aanleiding van het onderhavige advies van de Evaluatiecommissie BOOT zal worden nagegaan op welke wijze een meer structurele toelevering van Kiwa-gegevens aan het Ministerie van VROM kan worden geregeld. In aanvulling hierop zal verder het formulier voor de jaarlijkse VOGM-rapportages worden bezien ten aanzien van gemeentelijke informatie inzake de uitvoering van het BOOT.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onder A, onderdeel 1

De definitie van ’ondergrondse tank’ in het oorspronkelijke besluit was zodanig dat - mede in combinatie met de ruime definitie van het begrip ’opslaan van een vloeistof in een ondergrondse tank’ - daaronder strikt genomen ook een septic tank zou kunnen worden verstaan. De aard van de technische voorschriften in de bijlagen maakt echter duidelijk dat het besluit niet op septic tanks is gericht. Door de toevoeging ’, daaronder niet begrepen een septic tank,’ in de definitie van ’ondergrondse tank’ is die definitie in overeenstemming gebracht met de bedoeling van het besluit. Daarmee is ook een mogelijke onduidelijkheid weggenomen.

Artikel I, onder A, onderdeel 2, en onder D en G

De naam van de Arbeidsinspectie is onlangs bij de wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 32, eerste lid) vervallen. De term ’districtshoofd’ komt dan ook niet meer in die wet voor. Ingevolge artikel 32 van voornoemde wet worden ambtenaren, belast met het toezicht op de Arbeidsomstandighedenwet, door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen. Daarom is de begripsomschrijving van ’districtshoofd’ in het besluit vervallen en is op de plaatsen waar die term in het besluit voorkwam een verwijzing opgenomen naar voornoemd artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet.

Artikel I, onder B

Deze wijziging strekt ertoe een niet geheel juiste aanhaling in artikel 2 van het genoemde besluit te corrigeren.

Artikel I, onder C en E

De wijzigingen in de artikelen 8 en 13 hebben betrekking op het laten vervallen van de mogelijkheid om bij het buiten gebruik stellen van een ondergrondse tank deze onklaar te maken. In alle gevallen dient een tank in een dergelijke situatie te worden verwijderd. In paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting is deze wijziging toegelicht.

Artikel I, onder F

Voor een toelichting op de wijziging van het regime voor het opslaan van huishoudelijk afvalwater in ondergrondse tanks binnen inrichtingen, wordt verwezen naar paragraaf 6 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel I, onder H en I

Op het invoegen van het begrip erfpachter is ingegaan in paragraaf 3 van het algemeen deel van deze toelichting, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen.

Artikel I, onder J, onderdeel 1

In plaats van de (concept) richtlijn CPR 9-1 van 1991 is de inmiddels vastgestelde definitieve richtlijn CPR 9-1, vijfde druk, 1993, aangewezen als basis voor de in het besluit opgenomen technische voorschriften voor de opslag van vloeibare brandstof en afgewerkte olie in stalen tanks.

Artikel I, onder J, onderdelen 2, 3, 5, 6 en 9

De aangegeven wijzigingen zijn het gevolg van wijziging in de nummering van de voorschriften opgenomen in de richtlijn CPR

9-1, vijfde druk, 1993.

Artikel I, onder J, onderdeel 4

De toegevoegde zin was abusievelijk bij de inwerkingtreding niet opgenomen in het besluit.

Artikel I, onder J, onderdeel 7

In de voorschriften van bijlage I, hoofdstuk III, met betrekking tot de opslag van vloeibare brandstof in bestaande stalen tanks, was per abuis niet verwezen naar de paragraaf in de richtlijn CPR 9-1 voor nieuwe en bestaande leidingen. Deze verwijzing is alsnog opgenomen.

Artikel I, onder J, onderdeel 8

Het vervallen voorschrift was ten onrechte in bijlage I opgenomen.

Artikel I, onder K en L

Deze wijzigingen houden verband met de aanwijzing van de richtlijn CPR 9-1, vijfde, druk 1993, in plaats van het concept van de richtlijn CPR 9-1 van 1991 (zie artikel I, onder J, onderdeel I).

Artikel I, onder M

Bijlage VI is niet alleen van toepassing op ondergrondse tanks waarin het opslaan is beëindigd voor 1 maart 1993, zoals in de oorspronkelijke bijlage VI was aangegeven, maar dient overeenkomstig de artikelen 8 en 13, ook van toepassing te zijn op tanks die na die datum buiten gebruik zijn of worden gesteld. Deze wijziging strekt ertoe dat te bewerkstelligen.

Artikel II

In paragraaf 3 van het algemeen deel van deze toelichting is op de betekenis van dit artikel ingegaan.

Artikel III

In paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting is ingegaan op de relatie tussen het onlangs uitgekomen protocol ’Nulsituatie- bodemonderzoek bij ondergrondse tanks’ en de voorlopige norm voor verkennend bodemonderzoek NVN 5740. Dit artikel regelt dat in afwachting van de definitieve vaststelling van NVN 5740 - naar verwachting binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit - ter uitvoering van artikel 14 van het besluit in plaats van NVN 5740 het onderhavige protocol wordt gehanteerd.

Zodra definitieve vaststelling van NVN 5740 met de inhoud van het protocol heeft plaatsgevonden, zal dit artikel worden geschrapt.

De Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Naar boven