Bouwbedrijven UTA-personeel

Verbindendverklaring gewijzigde CAO-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

ALGEMEEN VERBINDENDVERKLARING VAN GEWIJZIGDE BEPALINGEN VAN DE COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR HET UITVOEREND, TECHNISCH EN ADMINISTRATIEF PERSONEEL IN DE BOUWBEDRIJVEN

8284

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelezen het verzoek van partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Uitvoerend, technisch en administratief personeel in de Bouwbedrijven, strekkende tot algemeen verbindendverklaring van gewijzigde bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Overwegende,

dat de wijziging van genoemde collectieve arbeidsovereenkomst in werking is getreden;

dat van het verzoek tot algemeen verbindendverklaring mededeling is gedaan in de Nederlandse Staatscourant;

dat naar aanleiding van dit verzoek geen bezwaren zijn ingediend;

dat de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst gelden voor een belangrijke meerderheid van de in de bedrijfstak werkzame personen;

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Gezien het advies van de Stichting van de Arbeid;

Besluit:

I. Verklaart algemeen verbindend tot en met 28 februari 1996, artikel 10 (roostervrije dagen) van de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Uitvoerend, technisch en administratief personeel in de Bouwbedrijven, zulks met inachtneming van hetgeen onder II, III en IV is bepaald:

HOOFDSTUK I WERKINGSSFEER EN DEFINITIES

Artikel 1 Definities

  • 1. Werkgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon, die bij een bedrijfsuitoefening als bedoeld in artikel 2 in Nederland arbeid doet verrichten door een of meer werknemers, alsmede samenwerkingsverbanden en scholings- en werkervaringsverbanden als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de CAO voor het Bouwbedrijf.

  • 2.

    • a. Werknemer: degene die krachtens een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 1637a Burgerlijk Wetboek, in Nederland werkzaamheden verricht, dan wel – anders dan in zelfstandige uitoefening van beroep of bedrijf – in aangenomen werk persoonlijk arbeid verricht, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.

    • b. Niet als werknemers worden beschouwd:

      • werknemers, vallend onder de werkingssfeer van de CAO voor het Bouwbedrijf;

      • praktikanten;

      • vakantiewerkers;

      • wakers, portiers en degenen, die soortgelijke arbeid verrichten;

      • degenen, die in het buitenland woonachtig zijn en in Nederland in dienst van een in het buitenland gevestigde werkgever werkzaam zijn, indien deze werkzaamheden van tijdelijke aard zijn. De werkzaamheden worden als tijdelijk aangemerkt, zolang de Nederlandse sociale verzekeringswetten nog niet op het dienstverband van toepassing zijn.

  • 3. Salaris: het in artikel 14 lid 2 en lid 3 bedoelde tussen werknemer en werkgever overeengekomen vaste bruto bedrag per periode, dat werknemers als loon voor zijn werkzaamheden in de door hem uitgeoefende functie ontvangt van de werkgever. Hierin zijn niet begrepen vakantietoeslag, vaste en/of variabele gratificaties, eindejaarsuitkeringen, uitkeringen ineens en alle andere toeslagen.

  • 4 Onder „het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken" wordt verstaan: het geheel of gedeeltelijk uitvoeren met alle daartoe dienstige materialen en werkwijzen van werken op het gebied van de Burgerlijke en Utiliteitsbouw; Grond-, Water-, Spoor- en Wegenbouw; het Straatmakersbedrijf; het Heibedrijf; de Kust- en Oeverwerken en het Grondborings- en Buizenleggersbedrijf, alsmede werken die naar hun aard tot het bouwbedrijf moeten worden gerekend. Elders dan op de bouwplaats verrichte werkzaamheden ter voorbereiding van de bouw worden mede tot het uitvoeren gerekend, indien zij worden verricht door de onderneming die het bouwwerk op de bouwplaats tot stand brengt.

  • Onder „bouwwerken" zoals hierboven bedoeld worden verstaan, respectievelijk daarmee gelijkgesteld: woningen, gebruiks- of bedrijfsgebouwen dan wel andere constructies van bouwkundige aard; ovenbouw en schoorsteenbouw, voor zover geen onderdeel van isolatiewerkzaamheden; alle dakbedekkingen niet zijnde bitumineuze, of van aluminium, zink, lood of koper; egalisatie van terreinen; bouwrijp maken; funderingen; steigerbouw; grondwerken anders dan van agrarische aard; riolerings- en kabelnetten; grondborings-, bronbemalings-, sondeer- en buizenlegwerken; zinkers; doorpersingen en regeninstallaties; kust- en oeverwerken; hei- en funderingswerkzaamheden; waterbouwkundige kunstwerken; spoorwerken; bouwkundige voorzieningen voor land-, water- en luchtverkeer; sloopwerken; wegenbouw en bestratingswerkzaamheden.

  • Onder „produktie voor derden" wordt mede verstaan: dienstverleningen aan derden; voorts ook het bouwen voor eigen rekening met het doel het gebouwde aan derden te verkopen of te verhuren, of op andere wijze ter beschikking te stellen. Het bouwen van woningen enz. voor eigen personeelsleden wordt als bouwen in eigen beheer (artikel 2, lid 3) aangemerkt.

  • 5. Met ondernemingen, die bouwwerken uitvoeren, worden gelijkgesteld: organisaties, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, voorzover zij bouwwerken uitvoeren.

  • 6. Horizontale werkingssfeer:

  • De horizontale werkingssfeer betreft de ondernemingen waarop deze CAO van toepassing is.

  • 7. Verticale werkingssfeer:

  • De verticale werkingssfeer betreft de werknemers waarop deze CAO van toepassing is.

Artikel 2 Horizontale werkingssfeer

  • 1. Bouwondernemingen.

  • Onder de werkingssfeer van deze CAO vallen – met inachtneming van de artikelen 1 en 3 en met inachtneming van de beperkingen omschreven in lid 4 van dit artikel – alle ondernemingen, waarvan het bedrijf gericht is op produktie voor derden op het gebied van:

    • a. het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken;

    • b. het uitvoeren van verbouwingen en/of onderhoudswerk aan bouwwerken en het herstellen, bekleden, conserveren en verfraaien van deuren;

    • c. het uitvoeren op bouwplaatsen van onderdelen van bouwwerken (respectievelijk verbouwingen of onderhoudswerk); het elders vervaardigen van deze onderdelen wordt hiermede gelijkgesteld, indien de onderneming, die de onderdelen vervaardigt, tevens zorgdraagt voor de verwerking daarvan in het bouwwerk;

    • d. het verlenen van diensten op bouwplaatsen;

    • e. het tot stand brengen van bedrijfsklare projecten indien de totstandkoming daarvan mede de uitvoering van een of meer bouwwerken omvat;

    • f. het slopen van bouwwerken;

    • g. het verrichten van grondwerken in relatie tot het uitvoeren van bouwwerkzaamheden voor zover betrekking hebbend op grondverzetwerkzaamheden ten behoeve van de in dit artikel onder lid 1 sub a t/m f en h genoemde werkzaamheden;

    • h. het verhuren van machines met bedienend personeel voor het verrichten van werkzaamheden bij de uitvoering van werken als onder a t/m g genoemd;

    • i. asfaltproduktie;

    • j. het aanbrengen van wegmarkeringen;

    • k. betonreparatie van constructieve aard en betoninjectering;

    • l. het afgraven van verontreinigde grond;

    • m. droge zandwinning;

    • n. het inspecteren, renoveren en reinigen van riolen, met uitzondering van huis- en bedrijfsrioleringen (loodgieterswerkzaamheden).

  • 2. Samengestelde ondernemingen.

  • Indien een onderneming, naast het bouwbedrijf als bedoeld in lid 1, tevens een ander bedrijf (andere produktie voor derden) uitoefent, geldt voor de toepasselijkheid van deze CAO het volgende:

    • a. Indien elk bedrijf in een afzonderlijke afdeling wordt uitgeoefend, is deze CAO van toepassing ten aanzien van de werknemers in de afdeling bouwbedrijf.

    • b. Indien in een afzonderlijke afdeling zowel het bouwbedrijf als een ander bedrijf wordt uitgeoefend en de produktie van het bouwbedrijf overweegt, geldt deze CAO voor de werknemers van deze afdeling.

    • c. Indien er geen afzonderlijke afdelingen zijn en de produktie van het bouwbedrijf overweegt, geldt deze CAO voor de werknemers van de onderneming.

  • Afzonderlijke afdelingen worden aanwezig geacht indien iedere bedrijfsuitoefening feitelijk als zelfstandige eenheid is georganiseerd. De overwegende produktie wordt bepaald door vergelijking van de in elke produktie verloonde bedragen.

  • 3. Bouwen in eigen beheer.

  • De bepalingen van deze CAO vinden voorts toepassing ten aanzien van:

    • a. Werkgevers, die bouwwerken of verbouwingen in eigen beheer doen uitvoeren met het doel het gebouwde voor zichzelf of voor de eigen onderneming in gebruik te nemen, dan wel ter beschikking van personeelsleden te stellen.

    • b. Werkgevers die verbouwingen en onderhoudswerken in eigen beheer doen uitvoeren aan gebouwen, die zij in eigendom bezitten of in beheer hebben.

  • In de hierbedoelde gevallen is deze CAO van toepassing ten aanzien van de werknemers, die bij de uitvoering, de verbouwing of het onderhoud van bouwwerken arbeid verrichten, met uitzondering van degenen waarop een andere collectieve arbeidsovereenkomst of loonregeling van toepassing is.

  • 4. Ondernemingen (nevenbedrijven werkzaam op bouwplaatsen) waarop deze overeenkomst niet van toepassing is.

    • A. Niet als bouwbedrijf in de zin van lid 1 van dit artikel worden beschouwd ondernemingen waarvan het bedrijf is gericht op produktie (respectievelijk dienstverlening) voor derden op het gebied van:

      • 1. baggerwerken;

      • 2. betonmortel en betonmorteltransport;

      • 3. betonwaren;

      • 4. bitumineuze dakbedekkingen;

      • 5. natuursteen;

      • 6. parketvloeren;

      • 7. schilderen en afwerken;

      • 8. steen, houtgraniet en kunststeen;

      • 9. stukadoors- en terrazzowerken;

      • 10. staalskeletbouw en het uitvoeren van werken (bruggen enz.) geheel of nagenoeg geheel in staal;

      • 11. fabrieksmatig timmerwerk;

      • 12. interieurbetimmeringen;

      • 13. loodgieters- en fittersbedrijf;

      • 14. centrale verwarmingsinstallaties;

      • 15. het maken van elektrotechnische verbindingen tussen kabels van kabelnetten;

      • 16. het verhuren van mobiele kranen.

    • B. Ten aanzien van ondernemingen met een afzonderlijke ondernemings-CAO geldt de CAO-UTA-Personeel slechts indien en voor zover het betreft de toepassing van lid 3 (bouwen in eigen beheer).

Artikel 3 Verticale werkingssfeer

  • 1. Deze CAO is van toepassing op de arbeidsovereenkomsten gesloten door werkgevers – met inachtneming van het bepaalde in artikel 2 – met hun, in lid 2 genoemde werknemers.

  • 2. Onder de in lid 1 bedoelde werknemers worden verstaan werknemers die op grond van de door hen verrichte werkzaamheden worden ingedeeld in de Functiestructuur UTA-CAO. Deze Functiestructuur UTA-CAO is als bijlage 1 opgenomen en maakt onderdeel uit van deze CAO.

Artikel 10 Roostervrije dagen

  • 2. De vaststelling van roostervrije dagen geschiedt in de onderneming door de werkgever, in goed en vroegtijdig overleg met de OR en bij het ontbreken daarvan in overleg met de werknemers. De vaststelling zal zoveel mogelijk geschieden overeenkomstig hetgeen in de onderneming voor onder de CAO voor het Bouwbedrijf vallende werknemers is afgesproken.

  • 3. Roostervrije dagen dienen tenminste twee weken tevoren aan de werknemer(s) bekend gemaakt te worden.

  • 4. Bij dienstverbanden die slechts een deel van de in lid 1 genoemde periode bestrijken, respectievelijk hebben bestreken wordt het recht op roostervrije dagen vastgesteld naar rato van de duur van het dienstverband.

  • 5. Indien bij opzegging van het dienstverband blijkt dat de werknemer op het tijdstip van beëindiging van het dienstverband recht zal kunnen doen gelden op een groter aantal dan de feitelijk opgenomen roostervrije dagen dienen deze dagen alsnog in overleg met de werkgever vóór de beëindiging van het dienstverband te worden opgenomen.

  • Alleen wanneer het dienstverband op verzoek van de werknemer wordt beëindigd, danwel bij beëindiging van het dienstverband om een dringende reden als bedoeld in artikel 1639o van het Burgerlijk Wetboek, kan in geval bij de beëindiging van het dienstverband de werknemer meer roostervrije dagen blijkt te hebben opgenomen dan waarop hij op de datum van beëindiging recht had, de werkgever deze meerdere dag(en) met de werknemer verrekenen.

  • 6. Wanneer sprake is van arbeidsongeschiktheid op een vastgestelde roostervrije dag als bedoeld in artikel 2, kan de werkgever in goed overleg met de werknemer besluiten dat de werknemer de betreffende roostervrije dag alsnog op een later tijdstip opneemt.

  • 7. De werkgever zal aan de werknemer over de roostervrije dag het overeengekomen salaris betalen.

  • 9. Indien de werknemer ingevolge artikel 27 en 28 voor cursussen in totaliteit meer dan drie dagen moet verzuimen, kunnen voor zover deze cursussen werkdagen omvatten roostervrije dagen worden aangewend tot een maximum van drie per jaar.

Tijdelijke inlevering roostervrije dagen in het kader van financiering VUT1

  • 10. Op het voor de periode van 1 maart 1995 tot en met 28 februari 1996 geldende aantal roostervrije dagen zullen 2 roostervrije dagen in mindering worden gebracht. Deze dagen zullen over het gehele jaar 1995 per periode worden uitbetaald hetgeen betekent dat het bruto-periodesalaris in de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995 met 0,8% wordt verhoogd.

II. Indien en voor zover de onder I opgenomen bepalingen strijdig zijn met (mede) ter zake van de vaststelling van lonen en/of andere arbeidsvoorwaarden bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.

III. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van publicatie in de Nederlandse Staatscourant.

IV. Dit besluit wordt gepubliceerd door plaatsing in een bijvoegsel bij de Nederlandse Staatscourant.

's-Gravenhage, 9 juni 1995

De Minister van sociale Zaken en Werkgelegenheid

Names deze,

De directeur van het Centraal kantoor van de Inspectiedienst SZW,

A. van Dijk.


XNoot
1

Algemeen verbindendverklaring heeft geen terugwerkende kracht.

Naar boven