Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatsblad 2026, 85 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatsblad 2026, 85 | AMvB |
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 9 maart 2026, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 7266307;
Gelet op artikel 9, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 maart 2026, nr. W16.26.00064/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 7 april 2026, nr. 7459098;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Het Besluit regels landelijk parket en functioneel parket, alsmede ten aanzien van mandateren bevoegdheden officier van justitie wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 2 komt te luiden:
De officier van justitie bij het functioneel parket is belast met de vervolging van:
a. strafbare feiten waarvan de strafrechtelijke handhaving en opsporing op grond van artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten is opgedragen aan een bijzondere opsporingsdienst als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van die wet;
b. milieudelicten en economische delicten die worden opgespoord door andere opsporingsambtenaren dan die, bedoeld in onderdeel a;
c. andere strafbare feiten die naar aard, ernst, complexiteit, frequentie of het georganiseerd verband waarin de feiten zijn gepleegd, soortgelijk zijn aan de feiten, bedoeld in onderdeel a, en voor de opsporing en vervolging waarvan bijzondere deskundigheid noodzakelijk is.
B
Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 16 april 2026
Willem-Alexander
De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel
Uitgegeven de tweeëntwintigste april 2026
De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel
Met de Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II wordt binnen het kader van de competentieverdeling van het openbaar ministerie de wettelijke taakomschrijving van het functioneel parket (hierna: FP) gewijzigd. Die taakomschrijving is neergelegd in artikel 9, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De wijziging strekt ertoe de aanduiding van de vervolgingsbevoegdheid van officieren van justitie bij het functioneel parket te actualiseren. Deze is nu beperkt tot de vervolging van strafbare feiten waarvan de opsporing ingevolge artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten tot de taken van een bijzondere opsporingsdienst behoort. Die aanduiding spoort niet meer met de praktijk, waarin het taakgebied van het functioneel parket aanmerkelijk breder is (Kamerstukken II 2023/24, 36 463, nr. 3, p. 21). Artikel 9, derde lid, Sv komt daarom aldus te luiden dat de officier van justitie bij het functioneel parket is belast met de vervolging van de strafbare feiten ten aanzien waarvan dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald. Met het oog daarop is de aanduiding van de strafbare feiten met de vervolging waarvan de officier van justitie bij het functioneel parket is belast in artikel 2 van het Besluit regels landelijk parket en functioneel parket, alsmede ten aanzien van mandateren bevoegdheden officier van justitie (hierna: het besluit) aangepast. Het gaat dan, zoals nu al het geval is, om strafbare feiten waarvan de opsporing is opgedragen aan de bijzondere opsporingsdiensten en om milieudelicten. Maar de officier van justitie bij het functioneel parket vervolgt ook milieudelicten en economische delicten die niet worden opgespoord door ambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten en andere strafbare feiten die naar aard, ernst, complexiteit, frequentie of het georganiseerd verband waarin de feiten zijn gepleegd, soortgelijk zijn aan de hiervoor genoemde strafbare feiten, en voor de opsporing en vervolging waarvan bijzondere deskundigheid noodzakelijk is.
Het besluit en de bijbehorende nota van toelichting zijn ter formele consultatie voorgelegd aan de volgende organisaties: het Platform Bijzondere opsporingsdiensten (BOD’en), de Raad voor de rechtspraak (Rvdr), het College van procureurs-generaal (OM), de politie, de Koninklijke Marechaussee (KMar), de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR). De NOvA, de politie, de KMar en de NVvR hebben geen advies uitgebracht. De Rvdr heeft blanco geadviseerd. De BOD’en hebben in hun advies aangegeven geen inhoudelijke bezwaren tegen het voorstel te hebben en het OM heeft geschreven de voorgestelde wijzigingen van harte te onderschrijven en verheugd te zijn dat gehoor is gegeven aan de eerder door het OM geuite wens om het wettelijk kader en de praktijk weer met elkaar te laten overeenkomen. De in het Besluit voorgestelde regeling acht het OM goed werkbaar, en het heeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.
Het wetsvoorstel is ook in internetconsultatie gebracht; dit heeft geen reacties van burgers opgeleverd.
Gelet op het voorgaande, zijn het besluit en de toelichting niet verder aangepast.
De voorgestelde wijziging zorgt ervoor dat de bevoegdheidsregeling voor het functioneel parket beter aansluit op het huidige takenpakket en ook eenvoudiger kan worden aangepast indien daarin veranderingen optreden. Deze actualisering van de taakomschrijving van het functioneel parket heeft op zichzelf beschouwd geen financiële consequenties.
De taakomschrijving van het functioneel parket is aangepast aan de gewijzigde wettelijke regeling. De verwijzing naar de opsporingsbevoegdheid van de bijzondere opsporingsdiensten op grond van artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten die in artikel 9, derde lid, van de wet was opgenomen, komt in de aangepaste wettelijke bepaling niet terug, maar wordt wel behouden in artikel 2, onderdeel a, van dit besluit. Het functioneel parket is bij zijn bevoegdheidsuitoefening dus in de eerste plaats belast met de vervolging van alle strafbare feiten die worden opgespoord door de bijzondere opsporingsdiensten. Door samenvoeging van verschillende handhavende diensten in de afgelopen jaren draagt het functioneel parket inmiddels ook zorg voor de vervolging van strafbare feiten die worden opgespoord door aan de bijzondere opsporingsdiensten verwante, of daarmee samengevoegde diensten. Zo zijn de Arbeidsinspectie, de Inspectie Werk en Inkomen en de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst samengevoegd in de Nederlandse Arbeidsinspectie. Als gevolg daarvan is het spectrum van strafbare feiten waarmee het functioneel parket zich bezighoudt verbreed. Het functioneel parket vervolgt bijvoorbeeld ook overtredingen van de Arbeidstijdenwet die worden opgespoord door de Nederlandse Arbeidsinspectie. Mede daarom is in de aanduiding van de strafbare feiten in onderdeel a de beperking tot misdrijven voor zover deze gezien hun ernst of frequentie dan wel het georganiseerde verband waarin deze worden gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken en voor de bestrijding ervan een hoge mate van deskundigheid noodzakelijk is (welke beperking in de aanhef van het huidige artikel 2 staat), niet overgenomen.
Onderdeel b betreft milieudelicten die door de opsporingsambtenaar met een algemene opsporingsbevoegdheid of een buitengewoon opsporingsambtenaar worden opgespoord, bijvoorbeeld overtreding van artikel 173a van het Wetboek van Strafrecht, of milieudelicten aangebracht door bijzondere toezichthouders, zoals het Staatstoezicht op de mijnen op grond van de Mijnbouwwet. Toegevoegd aan dit onderdeel zijn economische delicten. Ook hierbij kan het gaan om delicten die worden opgespoord door opsporingsambtenaren met een algemene opsporingsbevoegdheid of buitengewone opsporingsambtenaren en die overeenkomsten vertonen met economische delicten zoals aangedragen door de bijzondere opsporingsdiensten, bijvoorbeeld overtreding van artikel 174 Sr of andere delicten uit titel VII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht. Voor deze delicten geldt dat zij bij constatering door de politie, gelet op de relatieve bevoegdheid van de arrondissementsrechtbanken om strafbare feiten te berechten die zijn begaan binnen hun rechtsgebied, evengoed aan het arrondissementsparket zouden kunnen worden ingezonden. De specifieke kenmerken van het strafbare feit of de samenhang met een casus die al door het functioneel parket wordt vervolgd of onder leiding van het functioneel parket wordt onderzocht kunnen aanleiding zijn de vervolging aan het functioneel parket over te laten.
Onderdeel c betreft een nieuw onderdeel en duidt strafbare feiten aan die in hun verschijningsvorm soortgelijk zijn aan de feiten zoals aangeduid in onderdeel a, die worden opgespoord door de bijzondere opsporingsdiensten. Het gaat om zaken die zodanig verwant zijn aan die welke het functioneel parket primair behandelt, dat gebruikmaking van de ervaring en de inzet van de bijzondere expertise bij het functioneel parket gewenst en aangewezen is. Meer in het bijzonder gaat het om strafbare feiten bij de opsporing en vervolging waarvan gelijkaardige vragen en problemen aan de orde zijn als bij de strafbare feiten op het gebied van fraude, economie en milieu, waarover het functioneel parket een hoge mate van deskundigheid beschikt. De in onderdeel c bedoelde zaken worden gekenmerkt door een bepaalde complexiteit die daaraan verwant is. Dit kan voortkomen uit de ingewikkeldheid van (het) toepasselijke (geheel van) (vergunnings-)voorschriften, de betrokkenheid van meerdere overheidsorganisaties, de omstandigheid dat de strafbare feiten gepleegd zijn binnen de uitoefening van een bedrijf of beroep, de (mogelijke) impact van het strafbare feit op infrastructurele voorzieningen (denk aan strafrechtelijk onderzoek naar ernstige nautische zaken, zoals aanvaringen met dodelijk gevolg en/of met gevolgen voor de infrastructuur), de gevolgen of risico’s voor de volksgezondheid of vragen die in dat verband rijzen met betrekking tot productveiligheid. Het zal gaan om een beperkt aantal zaken per jaar waarin het functioneel parket vanwege zijn specifieke expertise het aangewezen parket wordt geacht om de vervolging op zich te nemen. Als dat gebeurt, zal vervolging op grond van artikel 2, eerste lid, laatste onderdeel, van de wet, ook kunnen plaatsvinden voor de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel of de rechtbank Rotterdam. Vanwege het gespecialiseerde karakter van dergelijke zaken en de verwantschap met feiten als bedoeld in onderdelen a en b kan ook een afdoening door rechters die in dat type zaken gespecialiseerd zijn, wenselijk zijn.
In het besluit wordt een nieuw artikel – artikel 4a – ingevoegd om de grondslag daarvan te wijzigen. De in het opschrift opgenomen grondslagen van dit besluit zijn artikel 126, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie en de artikelen 2, eerste lid, en 9, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het besluit zal – gelet op het Wetsvoorstel versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II – ook op artikel 9, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gaan berusten. Dit besluit berust al langer mede op artikel 9, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (zie Stb. 2018, 448), maar dat kwam nog niet in het besluit zelf tot uitdrukking. Daarvoor wordt nu alsnog gezorgd. En aangezien de delegatiegrondslag in artikel 2, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering met het Wetsvoorstel versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II verdwijnt, berust dit besluit niet langer op die bepaling. Ook dat wordt in artikel 4a bepaald.
De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2026-85.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.