Besluit van 12 januari 2026 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel H, van de Wet van 19 februari 2025 tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met het herstel van omissies en het aanbrengen van verduidelijkingen (Stb. 2025, 62)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 januari 2026, nr. 2025-0000692722;

Gelet op artikel III van de Wet van 19 februari 2025 tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met het herstel van omissies en het aanbrengen van verduidelijkingen (Stb. 2025, 62);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

Artikel I, onderdeel H, van de Wet van 19 februari 2025 tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met het herstel van omissies en het aanbrengen van verduidelijkingen (Stb. 2025, 62) treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 12 januari 2026

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van Marum

Uitgegeven de eenentwintigste januari 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten

NOTA VAN TOELICHTING

Dit besluit regelt de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel H, van de Wet van 19 februari 2025 tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met het herstel van omissies en het aanbrengen van verduidelijkingen (Stb. 2025, 62) (hierna: wet Omissies). Het betreft een onderdeel waarin een uitbreiding is geregeld van de mogelijkheid voor eigenaren om kosteloos advies van deskundigen of rechtsbijstand in te roepen bij (de voorbereiding van) een besluit met betrekking tot schadeafhandeling of versterking van gebouwen.

Artikel I, onderdelen D, subonderdelen 2 en 3, en E, subonderdeel 1, subonderdeel a, is al op grond van artikel III van de wet Omissies in werking getreden per 14 maart 2025 en werkt terug tot en met 1 juli 2023.

Artikel I, onderdelen A tot en met C, D, subonderdelen 1, en 4 tot en met 7, E, subonderdeel 1, subonderdeel b, en subonderdelen 2 en 3, F, G, en I tot en met K, is al op grond van het Besluit van 14 juli 2025 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 19 februari 2025 tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met het herstel van omissies en het aanbrengen van verduidelijkingen (Stb. 2025, 62) in werking getreden per 17 juli 2025.

Met de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel H, van de wet Omissies met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt afgeweken van het in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving vastgelegde beleid met betrekking tot de vaste verandermomenten, zijnde 1 januari of 1 juli, en een minimale invoeringstermijn van twee maanden tussen publicatie en inwerkingtreding. De reden hiervoor is dat daarmee aanmerkelijke ongewenste nadelen voor de doelgroep van de wet Omissies als bedoeld in aanwijzing 4.17, vijfde lid, onderdeel a, die zouden ontstaan door uitgestelde inwerkingtreding conform het genoemde beleid, worden voorkomen. De inwerkingtreding van het onderdeel over (rechts)bijstand van de wet Omissies is namelijk ten gunste van de doelgroep en uitstel zou daardoor juist niet in hun belang zijn.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van Marum

Naar boven