Besluit van 28 maart 2026, houdende wijziging van het Besluit inburgering 2021 in verband met het aanpassen van de reserveringsregeling [KetenID WGK028227]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 februari 2026, nr. 2026-0000033741;

Gelet op artikel 42, vierde lid, van de Wet inburgering 2021;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 februari 2026, nr. W12.26.00031/III);

Gezien het nader rapport van de Minister van Werk en Participatie van 23 maart 2026, nr. 2026-0000070353,

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Artikel 10.5 van het Besluit inburgering 2021, komt te luiden:

Artikel 10.5. Reserveringsregeling

  • 1. Indien in een kalenderjaar de uitkering, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet, niet volledig is besteed, kan het college het niet bestede bedrag reserveren tot een maximum van de reserveringsruimte voor besteding aan inburgeringsvoorzieningen in het daaropvolgende kalenderjaar.

  • 2. De bepaling van de maximale reserveringsruimte, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

    Waarbij:

    • a. U staat voor het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet;

    • b. Jaar t staat voor het uitvoeringsjaar waarop de uitkering betrekking heeft; en

    • c. [a en b] staan voor de percentages die toegekend worden aan de afzonderlijke variabelen in de formule.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden de percentages, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, vastgesteld.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 28 maart 2026

Willem-Alexander

De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen

Uitgegeven de eerste april 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

Algemene toelichting

De Wet inburgering 2021 (hierna: Wi2021) heeft als doelstelling om nieuwkomers zo snel mogelijk volwaardig mee te laten doen in de Nederlandse maatschappij, liefst via betaald werk. Het inburgeringsstelsel is erop gericht dat inburgeringsplichtigen het voor hen hoogste haalbare taalniveau (liefst niveau B1) behalen en kennis van de Nederlandse maatschappij opdoen, in combinatie met gerichte inspanning op participeren naar vermogen vanaf de start van het inburgeringstraject.1

Om dit resultaat te bereiken zijn in de Wi2021 drie leerroutes gerealiseerd waarmee aan de inburgeringsplicht kan worden voldaan: de B1-route, de zelfredzaamheidsroute en de onderwijsroute. Met de regierol voor gemeenten is het aan gemeenten om voor asielstatushouders te voorzien in het aanbod van de leerroutes.

Gemeenten ontvangen elk jaar een budget van het Rijk voor de financiering van de leerroutes en andere voorzieningen die bijdragen aan het voldoen aan de inburgeringsplicht via een specifieke uitkering inburgeringsvoorzieningen.

Gemeenten verantwoorden na afloop van ieder jaar de bestedingen en baten van deze uitkering via de SiSa-systematiek (Single Information Single Audit). Wanneer bleek dat het ontvangen budget niet volledig was besteed, kon het college op grond van de reserveringsregeling zoals die gold voor inwerkingtreding van dit besluit, het niet bestede bedrag tot maximaal 100% van het voor een uitvoeringsjaar toegekende budget reserveren voor besteding in het daaropvolgende uitvoeringsjaar.

Uit de SiSa-informatie van gemeenten is gebleken dat een substantieel aantal gemeenten de eerder ontvangen uitkering niet binnen de bestedingstermijn heeft besteed. Dit leidde tot aanzienlijke terugvorderingen. Het terugvorderen van het niet bestede deel van de uitkering is onwenselijk, omdat gemeenten dit budget nodig hebben voor toekomstige verplichtingen voor onder andere taallessen van inburgeraars.

Om gemeenten in de gelegenheid te stellen om de noodzakelijke kosten te dekken voor inburgeringsvoorzieningen wordt de reserveringsruimte met terugwerkende kracht per 1 januari 2024 verruimd. De verruiming houdt in dat het niet bestede deel van de uitkering na aanpassing kan worden gereserveerd voor besteding in het volgende kalenderjaar tot maximaal:

  • a) 100% van de toegekende uitkering voor het uitvoeringsjaar (huidig regeling); en

  • b) 50% van de toegekende uitkering voor het voorafgaande uitvoeringsjaar (verruiming).

Advies Adviescollege toetsing regeldruk

Deze wijziging betreft een technische wijziging van bestaande regelgeving, waarmee de reserveringsregeling wordt verruimd. Dit resulteert niet in een hogere regeldruk in vergelijking met de huidige bepaling. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk van burgers en bedrijven heeft

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

Artikel I wijzigt artikel 10.5 van het Bi2021. In artikel 10.5 is bepaald dat indien de uitkering niet volledig is besteed aan inburgeringsvoorzieningen, het college het niet-bestede bedrag kan reserveren voor bestedingen in het daaropvolgende kalenderjaar tot een maximum van de reserveringsruimte. De percentages voor het vaststellen van de reserveringsruimte worden bij ministeriële regeling vastgesteld. De reserveringsruimte voor de jaren 2024 tot en met 2026 zal bestaan uit: 100% van de voor het uitvoeringsjaar toegekende uitkering en 50% van de voor het voorafgaande uitvoeringsjaar toegekende uitkering. Deze percentages worden opgenomen in de Regeling inburgering 2021 (Ri2021). Voor de periode na 2026 kunnen de percentages worden vastgesteld via een aanpassing van de Ri2021 (art. 10.5, derde lid, onderdeel c, Bi2021).

Artikel II

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit. Bepaald is dat het besluit in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024. De terugwerkende kracht is begunstigend voor gemeenten, omdat zij, vanwege de terugwerkende kracht, niet geconfronteerd worden met een terugvordering voor niet-bestede middelen vanaf het uitvoeringsjaar 2024.

De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen


X Noot
1

Kamerstukken II 2019/20, 35 483, nr. 3.


X Noot
1

Kamerstukken II 2019/20, 35 483, nr. 3.

Naar boven