Besluit van 20 maart 2026 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet verbetering uitvoering Wet veiligheidsonderzoeken (Stb. 2025, 315) [KetenID 9863]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens Onze Minister van Defensie, van 18 maart 2026, nr. 2026-0000029772;

Gelet op artikel III van de Wet verbetering uitvoering Wet veiligheidsonderzoeken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

  • 1. De Wet verbetering uitvoering Wet veiligheidsonderzoeken treedt in werking met ingang van 1 juli 2026, met uitzondering van:

    • a. Artikel I, onderdeel A, eerste lid, onder b;

    • b. Artikel I, onderdeel B, tweede lid;

    • c. Artikel I, onderdeel E, eerste lid;

    • d. Artikel I, onderdeel F, tweede lid;

    • e. Artikel I, onderdeel J, voor zover het betreft het invoegen van artikel 10a, eerste, tweede en vierde lid.

  • 2. De in het eerste lid uitgezonderde onderdelen van de Wet verbetering uitvoering Wet veiligheidsonderzoeken treden in werking met ingang van 1 april 2026.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 20 maart 2026

Willem-Alexander

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma

Uitgegeven de dertigste maart 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

Met het onderhavige besluit wordt een gefaseerde inwerkingtreding van de Wet verbetering uitvoering Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de wet) geregeld.

In de eerste fase, per 1 april 2026, treden ten aanzien van twee zaken onderdelen van de wet in werking. Ten eerste betreft dit de grondslag voor wederzijdse erkenning van verklaringen door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) en de Minister van Defensie. Artikel I, onderdeel B, tweede lid, van de wet introduceert de wettelijke grondslag om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur deze erkenning te regelen. Ten tweede treden in de eerste fase enkele onderdelen in werking die het register betreffen. Hiermee wordt het register van actieve vertrouwensfunctionarissen als bedoeld in artikel 10a van de wet in het leven geroepen en wordt het mogelijk gemaakt om vertrouwenspersonen in dat register aan en af te melden. Dit biedt werkgevers een ruimere gelegenheid dan in de wet zelf voorzien om alvast hun werknemers die met een vertrouwensfunctie belast zijn aan te melden in het register. In de eerste fase treden nog geen verplichtingen voor werkgevers in werking.

In de tweede fase, per 1 juli 2026, treedt de rest van de wet in werking. Vanaf dit moment treden alle verplichtende bepalingen uit de wet in werking. Werkgevers hebben vanaf dan op grond van artikel 14a, vierde lid, van de gewijzigde Wet veiligheidsonderzoeken vier weken de tijd om bestaande vertrouwensfunctionarissen voor het register aan te melden. Aan de andere verplichtingen, zoals de verplichting om vertrouwensfunctionarissen die een vertrouwensfunctie verlaten af te melden in het register, hebben werkgevers direct vanaf 1 juli 2026 te voldoen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma

Naar boven