Besluit van 16 februari 2026, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikelen van de Wet vrachtwagenheffing, van de Wet van 19 november 2025 tot wijziging van de Wet vrachtwagenheffing in verband met de implementatie van de herziene Europese tolheffingsregels (Stb. 2025, 402), van artikelen van het Belastingplan 2026 en van het Besluit van 17 december 2025 tot wijziging van het Besluit vrachtwagenheffing in verband met de implementatie van de herziene Europese tolheffingsregels (Stb. 2026, 6)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 10 februari 2026, nr. IenW/BSK-2025/321702, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 36 van de Wet vrachtwagenheffing, artikel III van de Wet van 19 november 2025 tot wijziging van de Wet vrachtwagenheffing in verband met de implementatie van de herziene Europese tolheffingsregels (Stb. 2025, 402), artikel L, derde lid, van het Belastingplan 2026 en artikel II van het Besluit van 17 december 2025 tot wijziging van het Besluit vrachtwagenheffing in verband met de implementatie van de herziene Europese tolheffingsregels (Stb. 2026, 6);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

De artikelen 3, 5, 6 en 34 van de Wet vrachtwagenheffing treden in werking met ingang van 1 maart 2026.

Artikel 2

Onmiddellijk na inwerkingtreding van de in artikel 1 genoemde bepalingen treedt met ingang van 1 maart 2026 de Wet van 19 november 2025 tot wijziging van de Wet vrachtwagenheffing in verband met de implementatie van de herziene Europese tolheffingsregels (Stb. 2025, 402) in werking, met uitzondering van artikel II, en met dien verstande dat artikel I, onderdeel G van die wet (wijziging van artikel 22 van de Wet vrachtwagenheffing) terugwerkt tot en met 1 september 2025.

Artikel 3

Onmiddellijk na inwerkingtreding van de in artikel 2 genoemde wet treedt met ingang van 1 maart 2026 artikel XXXVA van het Belastingplan 2026 in werking.

Artikel 4

Onmiddellijk na inwerkingtreding van de in artikel 2 genoemde wet treedt met ingang van 1 maart 2026 het Besluit van 17 december 2025 tot wijziging van het Besluit vrachtwagenheffing in verband met de implementatie van de herziene Europese tolheffingsregels (Stb. 2026, 6) in werking, met dien verstande dat artikel I, onderdeel B van dat besluit (wijziging van artikel 4 van het Besluit vrachtwagenheffing) terugwerkt tot en met 1 september 2025.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 16 februari 2026

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, R. Tieman

Uitgegeven de negentiende februari 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten

NOTA VAN TOELICHTING

Met dit besluit wordt de inwerkingtreding gerealiseerd van een aantal artikelen van de Wet vrachtwagenheffing, van een aantal wijzigingen van de Wet vrachtwagenheffing en van een aantal wijzigingen van het Besluit vrachtwagenheffing.

Artikel 1

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de artikelen 3, 5, 6 en 34 van de Wet vrachtwagenheffing met ingang van 1 maart 2026. Daarmee wordt afgeweken van de zogenoemde vaste verandermomenten, bedoeld in de Aanwijzingen voor de regelgeving (aanwijzing 4.17). Weliswaar gaat de vrachtwagenheffing pas van start op 1 juli 2026, maar inwerkingtreding van de genoemde artikelen 3, 5, 6 en 34 kan niet tot dan wachten. Dat heeft de volgende achtergrond.

De inwerkingtreding van de artikelen 3, 5 en 6 is nodig in voorbereiding op de start van de vrachtwagenheffing. Inwerkingtreding van artikel 3 maakt het mogelijk dat houders van daarvoor in aanmerking komende vrachtwagens alvast ontheffing kunnen vragen van de vrachtwagenheffing. Inwerkingtreding van de artikelen 5 en 6 creëert in aanloop naar de start van de vrachtwagenheffing duidelijkheid voor vervoersondernemers en andere belangstellenden over de tarieven van de vrachtwagenheffing en de manier waarop de heffing wordt berekend.

Bovendien worden de artikelen 3, 5 en 34 gewijzigd in de Wet van 19 november 2025 tot wijziging van de Wet vrachtwagenheffing in verband met de implementatie van de herziene Europese tolheffingsregels (Stb. 2025, 402). Inwerkingtreding van de oorspronkelijke artikelen 3, 5 en 34 maakt het mogelijk dat – door middel van artikel 2 van dit inwerkingtredingsbesluit – onmiddellijk daarna ook de wijziging van deze artikelen in werking kan treden.

Artikel 2

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de Wet van 19 november 2025 tot wijziging van de Wet vrachtwagenheffing in verband met de implementatie van de herziene Europese tolheffingsregels (Stb. 2025, 402), eveneens met ingang van 1 maart 2026, doch nadat eerst de oorspronkelijke artikelen 3, 5, 6 en 34 van de Wet vrachtwagenheffing in werking zijn getreden (artikel 1 van dit inwerkingtredingsbesluit).

Om verwarring te voorkomen over de tarieven die gelden vanaf de start van de heffing tot en met de eerstvolgende indexering ex artikel 5, tweede lid, van de Wet vrachtwagenheffing, is besloten de vervalbepaling van artikel II niet in werking te laten treden. Bij gelegenheid zullen dit artikel en het artikel waarvan deze vervalbepaling het verval regelt (artikel 5, vierde lid, van de Wet vrachtwagenheffing), worden geschrapt.

De inwerkingtreding van artikel I, onderdeel G, krijgt terugwerkende kracht tot 1 september 2025. Dit onderdeel wijzigt artikel 22 van de Wet vrachtwagenheffing. De oorspronkelijke bepaling legde de bevoegdheid om persoonsgegevens te verwerken voor het informeren van kentekenhouders die (nog) geen dienstverleningsovereenkomst hebben gesloten, abusievelijk neer bij de toezichthouder (artikel 22, eerste lid, onderdeel c). Omdat deze bevoegdheid thuishoort bij de tolheffer1, is het genoemde onderdeel c geschrapt, samen met artikel 22, tweede lid, onderdeel c (dat de bewaartermijn regelde van de verwerking van deze persoonsgegevens door de toezichthouder). In het najaar van 2025 heeft de Dienst Wegverkeer (RDW), als gemandateerd tolheffer, brieven verstuurd aan houders van vrachtwagens, om hen te informeren over hun verplichting om voor de komende vrachtwagenheffing een dienstverleningsovereenkomst te sluiten. De bevoegdheid van de RDW om voor het versturen van die brieven persoonsgegevens te verwerken, ligt besloten in artikel 21, eerste lid, onder a, van de Wet vrachtwagenheffing. Door in dit besluit te regelen dat het schrappen van artikel 22, eerste lid, onderdeel c en artikel 22, tweede lid, onderdeel c, terugwerkt tot 1 september 2025, wordt buiten twijfel gesteld dat de verwerking van de voor het versturen van bovengenoemde brieven benodigde persoonsgegevens geen bevoegdheid is van de toezichthouder.

Artikel 3

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de wijziging van de Wet vrachtwagenheffing in artikel XXXVA van het Belastingplan 2026. In het genoemde artikel van het Belastingplan worden bepalingen van de Wet vrachtwagenheffing gewijzigd die óók worden gewijzigd in de Wet van 19 november 2025 tot wijziging van de Wet vrachtwagenheffing in verband met de implementatie van de herziene Europese tolheffingsregels (Stb. 2025, 402). Daarom bepaalt artikel 3 van dit inwerkingtredingsbesluit dat de wijzigingen van de Wet vrachtwagenheffing in het Belastingplan 2026 met ingang van 1 maart 2026, doch onmiddellijk na de genoemde wet in werking treden.

Artikel 4

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het Besluit van 17 december 2025 tot wijziging van het Besluit vrachtwagenheffing in verband met de implementatie van de herziene Europese tolheffingsregels (Stb. 2026, 6). In het oude Besluit vrachtwagenheffing was in artikel 5, onderdeel c, geregeld welke persoonsgegevens de toezichthouder mag verwerken voor het informeren van houders zonder dienstverleningsovereenkomst. Artikel I, onderdeel B van het wijzigingsbesluit verplaatst deze persoonsgegevens naar artikel 4, dat regelt welke persoonsgegevens de tolheffer mag verwerken. Om dezelfde reden als genoemd in de toelichting op artikel 2 van dit inwerkingtredingsbesluit, krijgt deze wijziging terugwerkende kracht tot en met 1 september 2025.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, R. Tieman


X Noot
1

Zie voor een uitgebreidere toelichting: Kamerstukken II 2024/25, 36 626, nr. 3, p. 26/27.


X Noot
1

Zie voor een uitgebreidere toelichting: Kamerstukken II 2024/25, 36 626, nr. 3, p. 26/27.

Naar boven