Besluit van 12 februari 2026, houdende invoering van regels met betrekking tot het loopbaanvervolg van bewindspersonen (Besluit regels vervolgfuncties bewindspersonen) [KetenID: WGK026980]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 november 2025, nr. 2025-0000643515;

Gelet op de artikelen 2, dertiende en veertiende lid, 3, vierde lid, en 4, vijfde lid, van de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 februari, nr. W04.25.00347/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 februari 2026, nr. 2026-0000052806;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen.

Artikel 2

  • 1. Bij ministeriële regeling worden ten behoeve van een advies als bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 3, derde lid, en 4, vierde lid, van de wet regels gesteld met betrekking tot de procedure die wordt gevolgd vanaf het tijdstip dat het verzoek om advies is ingediend tot aan het tijdstip dat het advies is uitgebracht.

  • 2. Een verzoek als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet wordt enkel in behandeling genomen indien een hiertoe bestemd bij ministeriële regeling vastgesteld formulier is ingevuld, waarin naast naam, adres, woonplaats en telefoonnummer tenminste gegevens zijn opgenomen met betrekking tot:

    • a. het voormalige ministerie of de voormalige ministeries waarvoor de bewindspersoon of gewezen bewindspersoon werkzaamheden heeft verricht;

    • b. beleidsterreinen van het eigen ministerie alsmede van andere ministeries waarbij de bewindspersoon of gewezen bewindspersoon intensief en meer dan incidenteel betrokken is geweest;

    • c. het dienstverband dat, of de opdracht die, de bewindspersoon of gewezen bewindspersoon wenst aan te gaan;

    • d. in hoeverre en op welke manier er tijdens de ambtsperiode contact is geweest met de toekomstige werkgever of opdrachtgever, en

    • e. andere relevante informatie die van belang kan zijn voor het advies.

  • 3. Ten behoeve van een advies als bedoeld in de artikelen 3, derde lid, en 4, vierde lid, van de wet worden door de bewindspersoon of gewezen bewindspersoon de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met e, verstrekt aan de Minister-President.

Artikel 3

  • 1. De gegevens die zijn verstrekt ten behoeve van een advies als bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 3, derde lid, en 4, vierde lid, van de wet worden niet langer dan zes weken na het uitbrengen van het advies bewaard. Na afloop van deze termijn worden de gegevens vernietigd.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kunnen de gegevens met het oog op een procedure in rechte langer worden bewaard, voor zover dat voor dit doeleinde noodzakelijk is.

  • 3. Adviezen als bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 3, derde lid, en 4, vierde lid, van de wet worden bewaard gedurende een periode van vijf jaar nadat ze zijn uitgebracht.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip dat de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen in werking treedt.

Artikel 5

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit regels vervolgfuncties bewindspersonen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 12 februari 2026

Willem-Alexander

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Uitgegeven de zeventiende februari 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

In de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen (hierna: de wet) worden regels gesteld die betrekking hebben op de voortzetting van de maatschappelijke carrière na het ambt van bewindspersoon. De wet voorziet in een verplichting om over de aanvaardbaarheid van een vervolgfunctie advies te vragen aan het Adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers (hierna: het adviescollege) (artikel 2 van de wet), een draaideurverbod (artikel 3 van de wet), een lobbyverbod (artikel 4 van de wet). Van het draaideurverbod en het lobbyverbod kan de minister-president in voorkomende gevallen ontheffing verlenen. Dat kan hij alleen doen nadat hij daarover advies aan het adviescollege heeft gevraagd. De regels van de wet gelden voor een periode van twee jaar na ontslag uit het ambt van bewindspersoon.

In de wet zijn enkele onderwerpen gedelegeerd naar het niveau van een algemene maatregel van bestuur. In het onderhavige besluit worden die delegatiebepalingen uitgewerkt. Het betreft de wijze waarop door een bewindspersoon of gewezen bewindspersoon bij het adviescollege een verzoek wordt gedaan voor een advies inzake de aanvaardbaarheid van een vervolgfunctie, alsmede welke gegevens ten behoeve van het kunnen uitbrengen van dat advies door het adviescollege dienen te worden aangeleverd en op welke wijze (artikel 2 van de wet). Daarnaast wordt de bewaartermijn voor de gegevens geregeld die ten behoeve van dergelijke verzoeken zijn aangeleverd aan het adviescollege, evenals voor de gegevens die aan het adviescollege worden verstrekt door de minister-president in het kader van een adviesaanvraag voor ontheffing van het draaideurverbod of van het lobbyverbod (artikelen 3 en 4 van de wet).

2. Inhoudelijk

2.1 Procedure van het verzoek en aanleveren van gegevens

Op grond van artikel 2, eerste lid, van het onderhavige besluit worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot de procedure die wordt gevolgd vanaf het tijdstip van het indienen van een verzoek om een advies, tot het tijdstip waarop een advies wordt uitgebracht. Hierbij moet worden gedacht aan onder andere regels met betrekking tot de wijze van indiening van een verzoek, het tijdstip waarop de adviestermijn aanvangt, de wijze waarop een verzoek gehoord te willen worden moet worden ingediend, en de wijze waarop en de termijn waarbinnen het adviescollege om aanvullende informatie kan vragen. Omdat het gaat om technische uitwerking van artikel 2, dertiende lid van de wet, en om indien nodig voortvarend aanpassingen te kunnen doen in dergelijke regels, is ervoor gekozen om deze vast te leggen op het niveau van een ministeriële regeling.

Ten aanzien van een verzoek om advies inzake een vervolgfunctie als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de wet met betrekking tot de aanvaardbaarheid van het accepteren van een vervolgfunctie, zal van de (gewezen) bewindspersoon verlangd worden online een formulier in te dienen. Bij dit verzoek moet de (gewezen) bewindspersoon alle voor het advies relevante gegevens bij het adviescollege aanleveren. Met het adviescollege wordt overleg gevoerd over de precieze inhoud van het formulier. Omdat bewindspersonen van de kabinetten-Rutte IV en -Schoof hebben afgesproken zich reeds aan het wetsvoorstel regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen te zullen houden, en zij in dat verband ook informeel het adviescollege kunnen raadplegen, heeft het adviescollege al enige praktijkervaring opgedaan, bijvoorbeeld voor wat betreft het type vragen dat aan een (gewezen) bewindspersoon wordt voorgelegd om te kunnen beoordelen of een beoogde vervolgfunctie aanvaardbaar is. In het Verenigd Koninkrijk is al langer sprake van een onafhankelijk adviesorgaan dat voormalig bewindspersonen adviseert over vervolgfuncties (Advisory Committee on Business Appointments; ACOBA). De vragen die het ACOBA in zijn formulier heeft opgenomen, zijn ook goed bruikbaar in de Nederlandse situatie. Het adviescollege gebruikt die vragen reeds als leidraad in de huidige praktijk. Bij het opstellen van de ministeriële regeling en het formulier zullen deze vragen, aangevuld met de praktijkervaring van het adviescollege, als uitgangspunt worden genomen.

Ten aanzien van het bepaalde in artikel 2, tweede lid (het aanleveren van informatie met betrekking tot beleidsterreinen van het eigen ministerie alsmede van andere ministeries waarbij de bewindspersoon of gewezen bewindspersoon intensief en meer dan incidenteel betrokken is geweest, de toekomstige werkgever of opdrachtgever, en in hoeverre en op welke manier er tijdens de ambtsperiode contact is geweest met de toekomstige werkgever of opdrachtgever), zal de door de bewindspersoon op te geven informatie beperkt zijn tot datgene wat van belang is voor het door het adviescollege op te stellen advies inzake de aanvaardbaarheid van de geambieerde vervolgfunctie. Het gaat hierbij om het beantwoorden van vragen in relatie tot de in de wet genoemde risico’s op belangenverstrengeling (artikel 2, derde lid, van de wet), zoals:

  • Ingeval er tijdens de ambtsperiode contact is geweest met de toekomstige werkgever of opdrachtgever: waar bestond dit contact uit en waar hebben die gesprekken toe geleid?

  • Heeft u tijdens uw ambtsperiode als bewindspersoon kennisgenomen van informatie van vertrouwelijke of gevoelige aard in beleid of strategie, waaronder beleidsvoornemens die nog niet openbaar zijn gemaakt, of handelsgeheimen van concurrenten die voor uw nieuwe werkgever of opdrachtgever een concurrentievoordeel kan opleveren?

  • Bent u in een positie geweest waarbij een sterk vermoeden kan ontstaan dat uw vervolgfunctie een beloning is geweest voor eerdere gunsten?

  • Is er – op basis van de kennis en informatie die u heeft opgedaan op uw (voormalige) departement – een risico op schending van de geheimhoudingsplicht van bewindspersonen als bedoeld in artikel 98 van het Wetboek van Strafrecht?

Bij andere voor het advies van belang zijnde informatie (artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van het besluit) kan worden gedacht aan de antwoorden op vragen zoals: indien de vervolgfunctie onderwerp van publiek debat wordt, geeft u dat aanleiding tot zorg? Of: spelen er rond de vervolgfunctie en/of uw persoonlijke situatie nog andere zaken waarvan het adviescollege op de hoogte moet zijn?

Bepaald is dat een verzoek voor een dergelijk advies slechts in behandeling wordt genomen als het hiertoe bedoelde formulier volledig is ingevuld. Dit betekent dat de aanvraag niet door het adviescollege in behandeling wordt genomen als niet alle vragen zijn beantwoord. Er zal dan door het adviescollege worden aangegeven dat er informatie ontbreekt en dat de aanvraag pas in behandeling wordt genomen als die ontbrekende informatie is verstrekt.

In het kader van het aanleveren van gegevens aan het adviescollege, kan de vraag zich voordoen hoe lang in de carrière van de betrokken bewindspersoon moet worden teruggekeken. Dit speelt temeer als een (gewezen) bewindspersoon meerdere ambten als bewindspersoon heeft bekleed – in hetzelfde kabinet of in opeenvolgende kabinetten. Met andere woorden: welke periode is relevant voor toetsing door het adviescollege? De wet bepaalt dat de adviesverplichting geldt voor een periode van twee jaar na ontslag als bewindspersoon («afkoelperiode»). Uitgangspunt is het ambt dat betrokkene op dat moment achter laat. Bij het aanleveren van gegevens aan het adviescollege dient in elk geval de gehele ambtsperiode van betrokkene in ogenschouw te worden genomen, ongeacht of die de volledige duur van het kabinet heeft bestreken dan wel korter. Indien bijvoorbeeld een bewindspersoon vier jaar lang minister van Justitie en Veiligheid is geweest en hij binnen twee jaar na ontslag een bepaalde vervolgfunctie ambieert, dient hij voor wat betreft het aanleveren van gegevens aan het adviescollege terug te kijken over de gehele vier jaar. Indien zijn ministerschap als minister van Justitie en Veiligheid korter heeft geduurd, bijvoorbeeld één jaar, en hij in de periode daarvoor een ander ambt als bewindspersoon heeft bekleed, dient hij de relevante gegevens uit die ambtsperiode ook bij het adviescollege aan te leveren, indien er nog geen twee jaar zijn verstreken («afkoelperiode») na ontslag uit dat vorige ambt. Daarbij maakt het dus geen verschil of het andere ambt binnen hetzelfde kabinet of een voorgaand kabinet is bekleed. Indien er wel twee jaar zijn verstreken na ontslag, hoeft met betrekking tot een voorgaand ambt geen informatie te worden aangeleverd. Naast gegevens met betrekking tot voormalige ministerie(s) gaat het ook om beleidsterreinen van andere ministerie(s) waarop de (gewezen) bewindspersoon intensief en meer dan incidenteel betrokken is geweest.

Met betrekking tot de adviezen als bedoeld in artikel 3, derde lid, (de wenselijkheid van een ontheffing op het draaideurverbod) en artikel 4, vierde lid, (de wenselijkheid en de reikwijdte van een ontheffing op een lobbyverbod) van de wet zal de minister-president zich wenden tot (de voorzitter van) het adviescollege. Voor deze situatie zal er geen sprake zijn van een algemeen formulier dat kan worden ingevuld op de website waarmee het verzoek om een advies wordt ingediend en de procedure wordt gestart. De minister-president zal in een dergelijk geval het verzoek schriftelijk en voorzien van een onderbouwing indienen bij (de voorzitter van) het adviescollege. Deze onderbouwing zal met name argumentatie dienen te bevatten waarom er in dit voorkomende geval, naar de opvatting van de minister-president al dan niet sprake zou moeten zijn van een uitzondering op het draaideurverbod of het lobbyverbod. De (gewezen) bewindspersoon zal hiertoe op grond van artikel 2, derde lid, van dit besluit de benodigde gegevens aan de minister-president moeten verstrekken.

2.2 Bewaartermijn

In artikel 2, veertiende lid, van de wet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de bewaartermijn van de ten behoeve van een verzoek aan te leveren gegevens. Ten aanzien van de in het kader van de adviezen als bedoeld in artikel 2, eerste lid (met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een beoogde vervolgfunctie van een (gewezen) bewindspersoon), artikel 3, derde lid, en artikel 4, vierde lid, aangeleverde informatie geldt een bewaartermijn van zes weken vanaf het tijdstip van het uitbrengen van het advies (artikel 3, eerste lid). Dit betekent dat de door de bewindspersoon in het kader van een van de genoemde adviezen aangeleverde gegevens bewaard zullen worden voor de periode van zes weken. Het advies van het adviescollege is geen besluit in de zin van de Awb. Er staat na het uitbrengen van het advies voor de betrokken (gewezen) bewindspersoon daartegen geen rechtsbescherming open bij de bestuursrechter. Een gang naar de burgerlijke rechter op grond van een actie uit onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW is in theorie mogelijk. Ingeval van spoed, waarbij vooral gedacht kan worden aan de situatie waarin de betrokken (gewezen) bewindspersoon wil voorkomen dat een negatief advies op de website wordt gepubliceerd, bestaat de mogelijkheid een kort geding aan te spannen. Vanwege deze mogelijkheid van een civiele procedure is het noodzakelijk dat de achterliggende informatie enige tijd bewaard wordt. De verwachting is dat het in de praktijk waarschijnlijk alleen zal gaan om een civiele procedure in de vorm van een kort geding. Om die reden is gekozen voor een bewaarperiode van zes weken. Als binnen de periode van zes weken een civiele procedure gestart wordt, dan worden de gegevens evenwel pas vernietigd zodra ze voor dat doeleinde niet meer noodzakelijk zijn, zoals is bepaald in artikel 3, tweede lid.

Na afloop van die zes weken wordt de ten behoeve van de adviezen aangeleverde, vaak zeer vertrouwelijke informatie, vernietigd. De aangeleverde informatie betreft immers de onderwerpen waarmee de (gewezen) bewindspersoon zich tijdens zijn aanstelling heeft beziggehouden of nog bezighoudt. Daarbij kan het bijvoorbeeld ook gaan om beleidsvoornemens die nog niet openbaar zijn gemaakt. Het is daarom van belang dat deze gegevens niet openbaar worden. In de artikelen 2, twaalfde lid, 3, vierde lid, en 4, vijfde lid, van de wet is reeds bepaald dat deze aangeleverde gegevens zijn uitgezonderd van de Wet open overheid. Na verloop van de zes weken (of na afloop van een civiele procedure) is het bewaren van de gegevens (die bijzondere persoonsgegevens, zoals politieke opvattingen, kunnen bevatten) niet langer proportioneel en noodzakelijk voor het doel waarvoor ze nodig zijn, namelijk het opstellen van het gemotiveerde advies door het adviescollege. Met het oog hierop is in het tweede lid van artikel 2 bepaald dat de aangeleverde gegevens na afloop van de in het eerste lid bedoelde bewaartermijn worden vernietigd.

In het derde lid van artikel 3 is geregeld dat uitgebrachte adviezen door het adviescollege worden bewaard voor een periode van vijf jaar na de datum van uitbrengen van het advies. Deze bepaling geldt voor alle adviezen, niet alleen de adviezen als bedoeld in artikel 2 van de wet die door het adviescollege worden uitgebracht aan (gewezen) bewindspersonen en die worden gepubliceerd op de website van het adviescollege, maar ook de uitgebrachte adviezen die niet worden gepubliceerd, omdat de vervolgfunctie niet is aanvaard. Eenzelfde bewaartermijn geldt voor de adviezen die in het kader van het draaideurverbod en het lobbyverbod worden uitgebracht aan de minister-president. De reden voor deze bewaarperiode van vijf jaar voor de uitgebrachte adviezen is dat op die manier het adviescollege kan komen tot een consistente advisering.

3. Gevolgen voor de regeldruk

De gevolgen voor de regeldruk zijn weergegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen.1 Dit besluit brengt geen additionele administratieve lasten met zich mee.

Het adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.

4. (Internet)consultatie

Via de internetconsultatie zijn enkele reacties van burgers op het concept-besluit ontvangen. Daarin wordt gevraagd om strengere regels voor bewindspersonen die een vervolgfunctie ambiëren. Aangezien de regels waarop in de reacties wordt gedoeld zijn opgenomen in de wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen, is het niet mogelijk om deze via een besluit aan te passen – nog daargelaten de wenselijkheid daarvan. De wet zal drie jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Dan kan worden bezien of de regels die in de wet zijn opgenomen toereikend zijn of moeten worden aangescherpt.

Voorts heeft het adviescollege een reactie op het concept-besluit ingezonden. Het adviescollege vraagt of de citeertitel van het besluit (besluit regels vervolgfuncties bewindspersonen) niet zou moeten aansluiten bij de citeertitel van de wet (wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen). Naar de mening van de regering is het niet nodig om de citeertitel van het besluit aan te passen, aangezien het besluit alleen ziet op regels voor vervolgfuncties van bewindspersonen. De nu voorgestelde citeertitel dekt de lading van hetgeen in het besluit wordt geregeld.

5. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking tegelijk met de wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen.

Artikelsgewijs

Artikel 2

In dit artikel wordt geregeld dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld die betrekking hebben op ten eerste de procedure van een adviesaanvraag (eerste lid). Ten tweede wordt geregeld dat bij die ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot de door de (gewezen) bewindspersoon aan te leveren gegevens aan het adviescollege in het kader van een adviesaanvraag als bedoeld in artikel 2 van de wet inzake de wenselijkheid van een vervolgfunctie (tweede lid). Tot slot wordt in het derde lid geregeld dat ten behoeve van een door de minister-president bij het adviescollege aan te vragen advies inzake de wenselijkheid van een ontheffing op het draaideurverbod (artikel 3, derde lid, van de wet), dan wel het lobbyverbod (artikel 4, vierde lid, van de wet) door de (gewezen) bewindspersoon de gegevens genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdelen a tot en met e, worden verstrekt. De gegevens die op grond van het tweede en derde lid van artikel 2 dienen te worden verstrekt zijn voor het adviescollege noodzakelijk om te kunnen komen tot een gemotiveerd advies inzake de in dit artikel genoemde adviesaanvragen. Zie ook paragraaf 2.1 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Artikel 3

In dit artikel wordt de bewaartermijn van de gegevens die worden aangeleverd ten behoeve van een advies gesteld op zes weken en de bewaartermijn voor uitgebrachte adviezen op vijf jaar. Zie paragraaf 2.2 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.

Artikel 5

Er is voor gekozen het onderhavige besluit de citeertitel Besluit regels vervolgfuncties bewindspersonen te geven, zoals hierboven is toegelicht in paragraaf 4.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart


X Noot
1

Kamerstukken II 2023/24, 36 549, nr. 3, p.19.


X Noot
1

Kamerstukken II 2023/24, 36 549, nr. 3, p.19.

Naar boven