Besluit van 29 september 2026, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vanwege de aanpassing van de gegevens die structureel door een Veilig Thuis-organisatie ten behoeve van beleidsinformatie worden verstrekt aan het Centraal Bureau voor de Statistiek [KetenID WGK025435]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van 29 juni 2026, kenmerk 4422360-1100525-WJZ, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid;

Gelet op artikel 4.2.12, vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 juli 2026, no. W13.26.00184/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport van 24 september 2026, kenmerk 4491309-1100525-WJZ, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4.3.1, tweede lid, wordt «de doelen, bedoeld in artikel 4.2.12, eerste lid van de wet» vervangen door «het doel, bedoeld in artikel 4.2.12, eerste lid, van de wet» en wordt «de doelen» vervangen door «dat doel».

B

Artikel 4.3.2 komt te luiden:

Artikel 4.3.2

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    – casus:

    een melding of een samenstel van meldingen van huiselijk geweld of kindermishandeling met betrekking tot personen die behoren tot dezelfde huiselijke kring;

    – dienst:

    dienst die een Veilig Thuis-organisatie verricht ter uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid, onderdelen b, c en d, van de wet;

    – directbetrokkenen:

    het vermoedelijke slachtoffer en de vermoedelijke pleger op wie een casus betrekking heeft alsmede personen uit hun huiselijke kring waar Veilig Thuis directe bemoeienis mee heeft;

    – triagebesluit:

    het besluit over de noodzakelijke vervolgstappen naar aanleiding van een melding.

  • 2. De structurele verstrekking van gegevens, bedoeld in artikel 4.2.12, eerste lid, van de wet, betreft:

    • a. het nummer van het advies, van de melding of van de dienst en het nummer van de casus waarop een melding of een dienst betrekking heeft;

    • b. de start- en einddatum van het advies, de dienst of de casus dan wel de datum van de melding;

    • c. de gemeente waar de adviesvrager woont of verblijft of de gemeente waarop de adviesvraag of de casus betrekking heeft;

    • d. de aard van het huiselijk geweld of kindermishandeling volgens de adviesvrager of de melder;

    • e. de duur van het huiselijk geweld of kindermishandeling volgens de adviesvrager of de melder;

    • f. de hoedanigheid van de adviesvrager of de melder;

    • g. het gegeven of de identiteit van de melder door een Veilig Thuis-organisatie aan de directbetrokkenen kenbaar is gemaakt;

    • h. het burgerservicenummer, de geboortedatum en het geslacht van de directbetrokkenen;

    • i. de datum en de inhoud van het triagebesluit en de veiligheidsbeoordeling op dat moment;

    • j. een ingezette dienst en de uitkomst van de dienst; en

    • k. een vervolgtraject na afronding van de dienst en de datum waarop dit vervolgtraject start.

  • 3. Een incidentele verstrekking van gegevens als bedoeld in artikel 4.2.12, eerste lid, van de wet betreft geen persoonsgegevens.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 29 september 2026

Willem-Alexander

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

Uitgegeven de dertiende oktober 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Veilig Thuis fungeert als advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling. In de Wmo 2015 is geregeld dat de Veilig Thuis-organisaties gegevens verstrekken ten behoeve van beleidsinformatie. Uit het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (hierna: het besluit) volgt dat de structurele verstrekking van deze gegevens geschiedt aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: het CBS). In artikel 4.3.2 van het besluit is geregeld welke gegevens het betreft. Het CBS verwerkt deze gegevens tot beleidsinformatie en maakt deze beleidsinformatie vervolgens openbaar. Hiermee verkrijgen de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, de Minister van Justitie en Veiligheid en colleges inzicht in het aantal adviesvragen en meldingen van huiselijk geweld en kindermishandeling dat Veilig Thuis ontvangt en de daaropvolgende aanpak door Veilig Thuis. Met het voorliggende wijzigingsbesluit wordt de verzameling van de te verstrekken gegevens op een aantal punten gewijzigd. Daarnaast wordt een paar technische wijzigingen in andere artikelen doorgevoerd.

Met de wijzigingen in onderhavig besluit sluiten de persoonsgegevens die de Veilig Thuis-organisaties verstrekken aan het CBS beter aan bij de werkwijze van Veilig Thuis. Dit is noodzakelijk vanwege de kwaliteit van de beleidsinformatie. Deze wijzigingen maken dat ook het informatieprotocol dat als bijlage A bij de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 is gevoegd, wordt aangepast. Zie daarover paragraaf 3 van deze nota van toelichting.

Deze toelichting wordt gegeven mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid.

2. Hoofdlijnen

2.1 De wijziging van artikel 4.3.2 van het besluit
2.1a. Algemeen: zicht op aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling

De gegevens die op grond van artikel 4.3.2 van het besluit aan het CBS worden verstrekt en die het CBS verwerkt tot beleidsinformatie, zijn nodig om inzicht te krijgen in de rol van Veilig Thuis in de keten- of netwerkaanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, nadat een adviesvraag of melding is ontvangen. Zo wordt bijvoorbeeld duidelijk wanneer Veilig Thuis de politie heeft ingeschakeld of wanneer Veilig Thuis hulpverlening heeft geïnitieerd. Tevens kan de beleidsinformatie van Veilig Thuis in combinatie met andere gegevens waarover het CBS beschikt (bijvoorbeeld met betrekking tot jeugdhulp en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, politie en justitie), inzicht bieden in de keten- of netwerkaanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling als zodanig. Daarnaast biedt het CBS door middel van verrijking met andere CBS-gegevens ook inzicht in kenmerken die te maken hebben met huiselijk geweld of kindermishandeling en die bekend zijn bij Veilig Thuis, zoals sociaal-economische status. Met deze CBS-data wordt ook nader onderzoek gedaan naar de overlap tussen de Veilig Thuis-doelgroep en die van andere organisaties of sectoren, naar mogelijke patronen in de wijze waarop mensen bij Veilig Thuis terechtkomen, hulp ontvangen en eventueel te maken krijgen met gedwongen interventies (civiel-, bestuurs- of strafrechtelijk) en naar de maatschappelijke impact van huiselijk geweld en kindermishandeling.

2.1b. Verstrekking van het burgerservicenummer, de geboortedatum en het geslacht van de directbetrokkenen

Bij Veilig Thuis kan niet alleen een melding worden gedaan over het (vermoedelijke) slachtoffer. Het kan ook om een melding over een (vermoedelijke) pleger gaan, of beide. Eenzijdige aandacht voor alleen slachtoffers, of alleen plegers, sluit niet aan bij de systemische en integrale benadering van Veilig Thuis ten aanzien van huiselijk geweld en kindermishandeling – die gericht is op de gehele huiselijke kring van slachtoffer en pleger. Om die reden registreert Veilig Thuis bewust niet wie slachtoffer of pleger is. Het is juist van belang dat Veilig Thuis integraal kijkt naar de geweldsdynamiek in de gehele huiselijke kring (het systeem) waarbij niet zelden sprake is van een cirkel van geweld of wederkerig geweld. De rol van slachtoffer of pleger kan daarbij ook wisselen of in beide rollen tegelijkertijd voorkomen. Om die reden wordt in het gewijzigde artikel 4.3.2 van het besluit niet van slachtoffer en pleger gesproken, maar van «directbetrokkenen». Zie verder over dit begrip de artikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel B.

Voorheen was in het besluit opgenomen dat het burgerservicenummer, de geboortedatum en het geslacht konden worden verstrekt van degene op wie de melding betrekking had. In de nota van toelichting op dat artikel was opgenomen dat daaronder het vermoedelijke slachtoffer van huiselijk geweld of kindermishandeling werd verstaan.1 Zoals hierboven reeds is toegelicht maakt Veilig Thuis geen onderscheid tussen slachtoffers of plegers. Daarom is in dit wijzigingsbesluit opgenomen dat Veilig Thuis deze gegevens moet verstrekken van alle directbetrokkenen. Voor het generen van betrouwbare beleidsinformatie is het noodzakelijk dat Veilig Thuis-organisaties het burgerservicenummer verstrekt van alle directbetrokkenen bij een casus, omdat alleen door middel van deze verstrekking middels onderzoek structureel inzichtelijk kan worden gemaakt wat de aanpak van Veilig Thuis is bij een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling. Heeft Veilig Thuis bijvoorbeeld onderzoek gedaan? Is bij een melding van kindermishandeling als vervolgtraject hulpverlening ingezet voor een kind of zijn ouder? Heeft op een later moment bijvoorbeeld een hermelding van bijvoorbeeld partnergeweld plaatsgevonden en was betrokkenheid van Veilig Thuis opnieuw nodig? Het is bekend dat er in geval van huiselijk geweld en kindermishandeling vaak sprake kan zijn van een «cirkel van geweld» die niet makkelijk doorbroken wordt en die vaak doorwerkt in de volgende generaties. Beleidsinformatie op dit gebied helpt deze cirkel beter te kunnen doorbreken.

Daarnaast is verstrekking van het burgerservicenummer van alle directbetrokkenen door de Veilig Thuis-organisaties noodzakelijk voor het CBS om op persoonsniveau de koppeling te kunnen maken met andere gegevens waarover het CBS beschikt. De volgende werkwijze wordt daarvoor door het CBS gehanteerd. Het CBS zet bij ontvangst van een burgerservicenummer deze om in een gepseudonimiseerd persoonsnummer. Dit gepseudonimiseerd persoonsnummer is uniek en koppelt alleen aan een specifiek burgerservicenummer. Nadat het burgerservicenummer is omgezet tot dit unieke persoonsnummer worden de identificerende kenmerken (zoals burgerservicenummer, geboortedag of postcode) verwijderd uit de bestanden waardoor onderzoekers geen toegang hebben tot identificerende kenmerken. Met het unieke persoonsnummer kan vervolgens een koppeling tussen databestanden worden gemaakt en kan, zonder dat dit herleidbaar is tot personen, onder meer inzicht verkregen worden in de betrokkenheid van andere organisaties bij personen die bij Veilig Thuis in beeld komen, in het parallelle traject of vervolgtraject van deze personen en eventueel, op basis van nader onderzoek, de resultaten daarvan (bijvoorbeeld: in welke mate hebben de interventies geleid tot een veilige(r) situatie en was het vervolgtraject doelmatig en doeltreffend?). Benadrukt wordt dat door het CBS onderzoeken op groepsniveau worden gepubliceerd en dat het CBS niet op een wijze mag rapporteren die de gegevens herleidbaar maakt tot individuele personen.2 Door voornoemde werkwijze kan een gedegen en inhoudelijke beschrijving van de maatschappelijke impact van huiselijk geweld of kindermishandeling worden gemaakt. Op basis daarvan kunnen beleidskeuzes worden onderbouwd die nodig zijn om de keten- of netwerkaanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling te versterken, ter verbetering van de veiligheidssituatie en gezondheid van de directbetrokkenen. Verstrekking van het burgerservicenummer door de Veilig Thuis-organisaties aan het CBS is hiervoor een belangrijke voorwaarde.

Om de situatie binnen een huishouden in kaart te brengen registreert Veilig Thuis ook de geboortedatum en het geslacht van alle directbetrokkenen. Deze gegevens worden nu al aan het CBS verstrekt. De combinatie van deze drie gegevens verkleind de foutgevoeligheid. Bovendien kan het voorkomen dat een directbetrokkene niet over een burgerservicenummer beschikt. Omdat de geboortedatum en het geslacht ook worden verstrekt, kan de casus toch bruikbaar zijn om te komen tot beleidsinformatie.

Voor het inzicht in de manier waarop Veilig Thuis diens meldpunttaak uitvoert is het noodzakelijk om een duidelijk beeld te hebben of daadwerkelijk huiselijk geweld of kindermishandeling is gepleegd en wat de aard van het geweld was. Dit wijzigingsbesluit maakt het daarom mogelijk om ook de uitkomst van het eventueel door Veilig Thuis verrichte onderzoek (zie artikel 4.3.2, tweede lid, onderdeel i, van het besluit), bijvoorbeeld de uitkomst «kindermishandeling bevestigd», te verstrekken. Daarmee worden ook persoonsgegevens van strafrechtelijke aard verstrekt aan het CBS. Voor deze verstrekking bestaat een grondslag in artikel 4.2.12, tweede lid, van de Wmo 2015 op grond waarvan Veilig Thuis persoonsgegevens van strafrechtelijke aard mag verstrekken voor beleidsinformatie.

2.1c. Overige wijzigingen

De overige wijzigingen in artikel 4.3.2 van dit wijzigingsbesluit zijn doorontwikkelingen van de gegevensverstrekking, waardoor de gegevens betrouwbaarder worden. Zo is het begrip «casus» geïntroduceerd, waarmee verschillende meldingen van huiselijk geweld en kindermishandeling met betrekking tot personen die behoren tot dezelfde huiselijke kring aan elkaar kunnen worden gekoppeld. Dit is noodzakelijk om een systeemgericht inzicht te verkrijgen in de mate waarin Veilig Thuis ten aanzien van dezelfde gezinnen of huishoudens (opnieuw) meldingen ontvangt en diensten uitvoert. Daarnaast is geregeld dat niet alleen gegevens verstrekt worden met betrekking tot onderzoeken, maar ook met betrekking tot andere diensten van Veilig Thuis. Zie hierover de artikelsgewijze toelichting. Ook is geregeld dat aan het CBS wordt verstrekt uit welke gemeente de adviesvrager afkomstig is of op welke gemeente de adviesvraag of de casus betrekking heeft.

2.2 Het informatieprotocol

In het informatieprotocol dat als bijlage A bij de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 is gevoegd, is de gegevensverstrekking op grond van artikel 4.3.2 van het besluit uitgewerkt.

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van onderhavig wijzigingsbesluit zal een nieuwe versie van dit informatieprotocol als bijlage A bij artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 worden opgenomen.

3. Verhouding tot hoger recht

Op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) is de verwerking van persoonsgegevens alleen rechtmatig als de verwerking is gebaseerd op één van de grondslagen uit artikel 6 van de AVG. Uit artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de AVG, volgt dat de verwerking alleen rechtmatig is indien de verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust. Veilig Thuis is op basis van artikel 4.2.12 van de Wmo 2015 reeds verplicht aan het college en de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport en de Minister voor Justitie en Veiligheid persoonsgegevens te verstrekken ten behoeve van beleidsinformatie. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 regelt welke gegevens dat ingeval van een structurele verstrekking betreft en dat die verstrekking via het CBS plaatsvindt. De gegevens die Veilig Thuis op basis van deze verplichting dient te verstrekken, zijn gegevens die Veilig Thuis verwerkt in het kader van de in artikel 4.1.1, tweede en derde lid, van de Wmo 2015 omschreven taken. Onder de gegevens die ten behoeve van beleidsinformatie worden verstrekt, kunnen ook bijzondere persoonsgegevens vallen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij artikel 4.3.2, tweede lid, onderdeel i, van het besluit, dat onder meer over de inhoud van het triagebesluit gaat. Hieruit kan volgen dat het verlenen van passende professionele hulp door een instantie in de desbetreffende casus noodzakelijk is. Voor het verwerken van bijzondere persoonsgegevens is niet alleen een grondslag uit artikel 6 van de AVG nodig, maar is ook een uitzondering op het verwerkingsverbod noodzakelijk. Die uitzondering op het verwerkingsverbod is al opgenomen in artikel 4.2.12, tweede lid, van de Wmo 2015, namelijk dat Veilig Thuis bijzondere persoonsgegevens kan verstrekken, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor het inzicht in de wijze waarop een Veilig Thuis-organisatie de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid, uitoefent, en in de resultaten van die handelswijze.

Onder de te verstrekken gegevens aan het CBS, valt ook het burgerservicenummer van directbetrokkenen. In artikel 4, eerste lid, van de AVG, wordt een identificatienummer, zoals het burgerservicenummer, aangewezen als een persoonsgegeven. Artikel 87 AVG bepaalt dat lidstaten de specifieke voorwaarden voor de verwerking van een nationaal identificatienummer nader kunnen vaststellen. Artikel 46, eerste lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming bepaalt dat een nummer dat ter identificatie van een persoon bij wet is voorgeschreven, bij de verwerking van persoonsgegevens slechts wordt gebruikt ter uitvoering van de desbetreffende wet dan wel voor doeleinden bij de wet bepaald. Er moet derhalve een wettelijke grondslag bestaan voor het verwerken van burgerservicenummers ten behoeve van beleidsinformatie. Artikel 4.2.12, eerste lid, eerste zin, van de Wmo 2015 bepaalt dat Veilig Thuis kosteloos gegevens verstrekt aan het college en aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport en de Minister van Justitie en Veiligheid ten behoeve van de verwerking van gegevens voor beleidsinformatie. Uit artikel 5.2.9, tweede lid, van de Wmo 2015 volgt dat Veilig Thuis het burgerservicenummer van een persoon gebruikt met het doel te waarborgen dat de in het kader van de uitvoering van deze wet te verwerken persoonsgegevens op die persoon betrekking hebben. De verstrekking van burgerservicenummers was op basis van het besluit al mogelijk.

Met deze wijziging wordt slechts de kring van personen uitgebreid van wie burgerservicenummers verstrekt kunnen worden.3

Voorgaande maakt dat de gegevensverstrekking door Veilig Thuis aan het CBS in lijn is met de AVG.

4. Verhouding tot nationale regelgeving

Naast de AVG geeft ook de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek (hierna: Wet op het CBS) een juridisch kader waarbinnen het CBS met privacygevoelige informatie mag omgaan. Artikel 4.3.1, eerste lid, van het besluit bepaalt dat de structurele verstrekking van gegevens, bedoeld in artikel 4.2.12, eerste lid, van de Wmo 2015, door Veilig Thuis bij het CBS wordt aangeleverd. De Wet op het CBS bevat regels voor de verwerving, het gebruik en de verstrekking van gegevens. Zo is vastgelegd dat het CBS bevoegd is om gebruik te maken van gegevens uit registraties (artikel 33), dat het CBS het burgerservicenummer kan opnemen in een registratie en kan gebruiken voor statistische doeleinden (artikel 34), dat het CBS de ontvangen gegevens alleen kan gebruiken voor statistische doeleinden, dat deze gegevens niet worden verstrekt aan anderen, en dat deze gegevens slechts op zodanige wijze openbaar worden gemaakt dat daaruit geen herkenbare gegevens over een afzonderlijk persoon of huishouden kunnen worden ontleend (artikel 37). Ook zorgt het CBS voor de nodige technische en organisatorische voorzieningen ter beveiliging van zijn gegevens (artikel 38).

5. Gevolgen voor de regeldruk

Er zijn weinig gevolgen voor de regeldruk, omdat wordt aangesloten bij bestaande reguliere processen. Veilig Thuis-organisaties leveren op dit moment gegevens aan bij het CBS waarbij dit wijzigingsbesluit enkel het aantal en type gegevens uitbreidt dat moet worden aangeleverd. Als gevolg hiervan moeten alle Veilig Thuis-organisaties eenmalig een administratieve wijziging aanbrengen in de selectie van de aan te leveren gegevens. Dit dient te worden voorbereid, getest en geïmplementeerd in de systemen van de Veilig Thuis-organisaties.

De administratieve lasten van deze wijziging zijn in onderstaande tabel uitgedrukt in tijd en kosten. Het aantal uren is, in overleg met de Veilig Thuis-organisaties, ingeschat op circa 25 uur. Dit is voor alle Veilig Thuis-organisaties gezamenlijk. Het tarief is gebaseerd op het Handboek Overheidstarieven 2024.

Taak

Uitgevoerd door

Tarief p/u in €

Benodigde uren

Totale kosten

Voorbereiding, testen en implementeren wijziging

Hoogopgeleide kenniswerker (S12)

71

25 uur

€ 1.775

6. Uitvoeringstoets

Het Landelijk Netwerk Veilig Thuis heeft, als vertegenwoordiger van de Veilig Thuis organisaties, de voorgenomen wijziging getoetst en ziet geen bezwaren tegen invoering.

7. Advies en consultatie

Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)

Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen omvangrijke gevolgen heeft voor de regeldruk.

Autoriteit Persoonsgegevens (AP)

De Autoriteit Persoonsgegevens heeft een wetgevingstoets uitgevoerd en op basis daarvan aangegeven geen aanmerkingen te hebben op de concept stukken en voorgestelde wijzigingen.

Internetconsultatie

Het voorgestelde wijzigingsbesluit is van 20 januari tot en met 16 maart 2026 voorgelegd voor internetconsultatie. In de consultatieperiode zijn 12 reacties ontvangen. In de reacties wordt naar voren gebracht dat met het delen van het burgerservicenummer aan het CBS door de Veilig Thuis-organisaties de privacy van directbetrokkenen onvoldoende zou zijn gewaarborgd. Naar aanleiding van deze reacties is in paragraaf 2.1b van deze toelichting de gehanteerde werkwijze door het CBS verduidelijkt. Bij ontvangst van het burgerservicenummer worden door het CBS alle identificerende kenmerken, zoals het burgerservicenummer, uit de bestanden gehaald en wordt vervolgens enkel met gepseudonimiseerde gegevens gewerkt. Onderzoekers hebben geen toegang tot identificerende kenmerken en kunnen identificerende kenmerken ook niet construeren. De privacy van betrokkenen is zodoende geborgd.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

Onderdeel A

Met dit onderdeel wordt een kleine technische wijziging doorgevoerd in artikel 4.3.1, tweede lid: «de doelen» wordt vervangen door «dat doel».

Onderdeel B

Met dit artikel is de opsomming van structureel te verstrekken gegevens als bedoeld in artikel 4.2.12, eerste lid, van de Wmo 2015, in artikel 4.3.2 van het besluit, aangepast en aangevuld. Hiertoe is een nieuw eerste lid met begripsbepalingen ingevoegd, en is de opsomming van gegevens verplaatst naar het tweede lid, onder vernummering van het tweede tot derde lid.

Eerste lid

Het eerste lid (nieuw) bevat begripsbepalingen van casus, dienst, directbetrokkenen en triagebesluit. Onder «casus» wordt in dit artikel verstaan een melding of een samenstel van meldingen van huiselijk geweld of kindermishandeling met betrekking tot personen die behoren tot dezelfde huiselijke kring. Onder huiselijke kring wordt ingevolge artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, verstaan een familielid, een huisgenoot, de echtgenoot of voormalig echtgenoot of een mantelzorger. Onder echtgenoot wordt op grond van artikel 1.1.2, eerste en tweede lid, onderdeel a, van de Wmo 2015, ook de geregistreerde partner verstaan. De huiselijke kring omvat dus meer dan alleen het gezin of huishouden.

Het verstrekken van gegevens op casusniveau zorgt ervoor dat het CBS de meldingen en diensten die bij elkaar horen ook daadwerkelijk aan elkaar kan koppelen. Indien er bijvoorbeeld met betrekking tot een kind meerdere meldingen van kindermishandeling binnenkomen, maken deze meldingen onderdeel uit van één casus als het om dezelfde directbetrokkenen gaat.

Onder «dienst» wordt verstaan de dienst die een Veilig Thuis-organisatie verricht ter uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid, onderdelen b, c en d, van de Wmo 2015, naar aanleiding van een melding. Het gaat dan over het doen van onderzoek (onderdeel b), het beoordelen welke vervolgstappen naar aanleiding van een melding nodig zijn (onderdeel c) of het in kennis stellen van een instantie die passende professionele hulp kan verlenen (onderdeel d). Op deze wijze kan in het tweede lid (nieuw) van artikel 4.3.2 van het besluit specifieker worden onderscheiden welke gegevensverstrekking wanneer noodzakelijk is.

Onder «directbetrokkenen» wordt verstaan het vermoedelijke slachtoffer en de vermoedelijke pleger op wie een casus betrekking heeft alsmede personen uit hun huiselijke kring behoren waar Veilig Thuis directe bemoeienis mee heeft. De definitie directbetrokkenen heeft dus betrekking op een melding. Het is de bedoeling dat een Veilig Thuis-organisatie met betrekking tot deze personen gegevens verstrekt aan het CBS, zie ook de artikelsgewijze toelichting bij het tweede lid, onderdeel h. De laatste zinsnede van deze definitie ziet specifiek op «personen uit hun huiselijke kring». Deze beperking van huiselijke kring is opgenomen, omdat het voor een goede uitvoering van haar taken voor Veilig Thuis niet altijd nodig is ieder lid van de huiselijke kring te spreken. Als een gezinslid bijvoorbeeld ver weg woont en geen contact meer heeft met het gezin zal daarmee doorgaans niet worden gesproken. Het is dan ook niet noodzakelijk dat diens gegevens aan het CBS worden verstrekt.

Onder «triagebesluit» wordt verstaan het besluit over de noodzakelijke vervolgstappen naar aanleiding van een melding. Artikel 4.1.7, eerste lid, van het besluit bepaalt dat Veilig Thuis binnen vijf dagen na ontvangst van een melding, nadat is vastgesteld dat onderzoek moet plaatsvinden, het onderzoek naar huiselijk geweld of kindermishandeling start. Met het triagebesluit wordt onder meer vastgesteld of er onderzoek moet plaatsvinden. Ook kan het zijn dat geen onderzoek behoeft plaats te vinden, maar dat bijvoorbeeld andere vervolgstappen bij Veilig Thuis (dienst »Voorwaarden en vervolg») moeten worden ondernomen of dat er elders een vervolgtraject dient plaats te vinden (bij een andere instantie of door het cliëntsysteem zelf, bijvoorbeeld als een kind een periode door een tante kan worden verzorgd).

Tweede lid

In het tweede lid van het besluit is de opsomming van de structureel te verstrekken gegevens opgenomen, die voorheen in het eerste lid stond. Behalve dat het lid is vernummerd, is het ook opnieuw vastgesteld, omdat er een aantal wijzigingen is doorgevoerd ten opzichte van het voormalige eerste lid.

De taken van Veilig Thuis worden hierdoor beter onderscheiden. Zo was de structurele gegevensverstrekking in artikel 4.3.2, eerste lid, van het besluit voorheen gericht op de in het kader van een melding verrichte onderzoeken. Veilig Thuis-organisaties verrichten naar aanleiding van een melding echter ook andere diensten dan onderzoeken. Uiteraard alleen indien en voor zover deze diensten vallen onder taken van Veilig Thuis zoals omschreven in artikel 4.1.1 van de Wmo 2015.

Zo verricht Veilig Thuis bijvoorbeeld de in het Handelingsprotocol Veilig Thuis opgenomen dienst »Voorwaarden en vervolg» voor gevallen waarin kort na een melding blijkt dat een Veilig Thuis-organisatie en betrokkenen uit het gezin of het huishouden het eens zijn over de gemelde zorgen en wat er moet gebeuren om die zorgen weg te nemen. In een dergelijk geval hoeft geen onderzoek te worden gedaan, maar wordt met betrokkenen en zorgprofessionals gesproken over het opstellen van veiligheidsvoorwaarden en de inzet van ondersteuning. Een andere dienst is het initiëren van een vervolgtraject. Daarnaast voert Veilig Thuis monitoring uit waarbij Veilig Thuis in meerdere contactmomenten nagaat of de gemaakte afspraken in het kader van de gestelde veiligheidsvoorwaarden zijn nagekomen en of deze hebben geleid tot directe veiligheid, stabiele veiligheid en herstel van de opgelopen schade van het huiselijk geweld en kindermishandeling. Per dienst kan verschillen of, en zo ja, welke gegevens aan het CBS moeten worden verstrekt. In het informatieprotocol in de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 wordt dat verder uitgewerkt. Gelet op het voorgaande ziet de verstrekking van gegevens naar aanleiding van een melding op meer dan alleen de verstrekking van gegevens met betrekking tot onderzoeken. Vandaar dat ervoor is gekozen de term dienst te gebruiken.

Naast de meldingstaak heeft Veilig Thuis een advies- en ondersteuningstaak. Voor adviezen blijft gelden dat, anders dan bij meldingen, geen persoonsgegevens worden (verwerkt en dus ook niet) verstrekt van degenen op wie een advies betrekking heeft. Duidelijkheidshalve wordt opgemerkt dat de gegevens in onderdelen a tot en met f van het tweede lid dus zowel in het kader van adviezen als meldingen aan het CBS worden verstrekt. In aanvulling daarop worden bij meldingen ook de gegevens uit de onderdelen g tot en met k van het tweede lid verstrekt.

a. het nummer van het advies, van de melding of van de dienst en het nummer van de casus waarop een melding of een dienst betrekking heeft

Ieder advies en iedere melding, dienst en casus krijgt een eigen uniek nummer. Onderdeel a bepaalt dat dit nummer dient te worden verstrekt. Daarnaast wordt bij deze nummers ook het daaraan gekoppelde casusnummer verstrekt. Op die manier kan het CBS per casus inzichtelijk maken welke meldingen met betrekking tot de betreffende huiselijke kring zijn gedaan, welke diensten zijn ingezet en welk vervolgtraject is ingezet.

b. de start- en einddatum van de adviesvraag, de dienst of de casus dan wel de datum van de melding

Onderdeel b bepaalt dat van ieder advies en iedere dienst en casus de start- en einddatum worden verstrekt en de datum dat de melding wordt gedaan, wordt verstrekt. Voor adviezen gaat het om de datum van de adviesvraag en de datum waarop het advies is afgerond. Met betrekking tot diensten wordt de datum van de start van de dienst en de datum van beëindiging van de dienst verstrekt en voor casussen gaat het om de datum van de eerste melding en de datum van het afsluiten van de casus. Indien op het moment van gegevensverstrekking aan het CBS alleen nog maar een startdatum bekend is, omdat bijvoorbeeld een advies nog niet is afgerond of een casus nog niet is afgesloten, wordt alleen de startdatum verstrekt. Voor meldingen betreft het de datum van de melding. Met de gegevens onder a en b en de overige gegevens kan het CBS zelf het aantal gegeven adviezen, het aantal ontvangen meldingen en het aantal verrichte diensten per periode tellen. Het is dus niet zo dat Veilig Thuis deze aantallen aan het CBS verstrekt, zoals het voormalige artikel 4.3.2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het besluit voorschreef.

c. de gemeente waar de adviesvrager woont of verblijft of de gemeente waarop de adviesvraag of de casus betrekking heeft;

Bij een adviesvraag die binnenkomt bij een Veilig Thuis-organisatie wordt geregistreerd in welke gemeente de personen waarop de adviesvraag betrekking heeft wonen of verblijven. Omdat een adviesvraag doorgaans anoniem is, wordt echter niet altijd doorgevraagd waar deze personen wonen of verblijven. Daarom kan ook worden geregistreerd in welke gemeente de adviesvrager woont of verblijft. Per casus wordt geregistreerd aan welke gemeente de casus moet worden toegekend op basis van de woon- of verblijfplaats van de directbetrokkenen. Onderdeel c regelt dat dit gegeven verstrekt moet worden.

d. de aard van het huiselijk geweld of de kindermishandeling volgens de adviesvrager of de melder

Veilig Thuis registreert per adviesvraag en melding wat de aard van het huiselijk geweld of de kindermishandeling volgens de adviesvrager of de melder is, waaronder aanvullende informatie over veiligheidsproblematiek, en verstrekt deze gegevens aan het CBS. Op grond van het voormalige artikel 4.3.2, eerste lid, onderdelen a en b, van het besluit werd bij de gegevensverstrekking onderscheid gemaakt tussen kindermishandeling en huiselijk geweld of de aard van het huiselijk geweld. Met het nieuwe onderdeel d wordt geregeld dat in alle gevallen de vermoedelijk specifieke aard van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt geregistreerd. Op grond daarvan dient te worden geregistreerd tot welke categorie personen het vermoedelijke slachtoffer behoort, bijvoorbeeld kind, ouder, (ex-) partner of oudere, en om welke vorm van huiselijk geweld of kindermishandeling het gaat, bijvoorbeeld fysieke mishandeling of seksueel misbruik. Daarnaast registreert Veilig Thuis aanvullende informatie over veiligheidsproblematiek, bijvoorbeeld dat sprake is van een conflictscheiding of eergerelateerd geweld.

e. de duur van het huiselijk geweld of de kindermishandeling volgens de adviesvrager of de melder

Een Veilig Thuis-organisatie registreert hoelang het huiselijk geweld of de kindermishandeling volgens de adviesvrager of de melder al plaatsvindt.

f. de hoedanigheid van de adviesvrager of de melder

Dit onderdeel komt op hetzelfde neer als het voorheen geldende eerste lid, onderdeel d, en is slechts redactioneel gewijzigd. Bij de hoedanigheid van een adviesvrager of een melder bestaat een verschil tussen een beroepsmatige adviesvrager of melder en een niet-beroepsmatige adviesvrager of melder. Bij een niet-beroepsmatige adviesvrager of melder gaat het over de relatie ten opzichte van de persoon op wie het advies betrekking heeft of de directbetrokkene, bijvoorbeeld het gegeven dat het een familielid betreft of een persoon die tot zijn sociale netwerk behoort. Het kan ook gaan om een beroepsmatige adviesvrager of melder, zoals een leerkracht of een huisarts. In dat geval ziet de hoedanigheid op de organisatie waar de adviesvrager of melder werkt.

g. het gegeven of de identiteit van de melder door een Veilig Thuis-organisatie aan de directbetrokkenen kenbaar is gemaakt

Onderdeel g regelt dat per melding aan het CBS wordt doorgegeven of de directbetrokkenen al dan niet op de hoogte zijn gesteld van de identiteit van de melder door een Veilig Thuis-organisatie, dus of de melding ten opzichte van de directbetrokkene anoniem is. In artikel 4.1.8, derde lid, van het besluit is geregeld in welke gevallen hiervan sprake is. Een eventuele anonieme melding laat onverlet dat Veilig Thuis de hoedanigheid waarin de melder de melding doet registreert en aan het CBS verstrekt, zie onderdeel f.

h. het burgerservicenummer, de geboortedatum en het geslacht van de directbetrokkenen bij een casus

In dit besluit wordt geregeld dat het burgerservicenummer, de geboortedatum en het geslacht van alle directbetrokkenen worden verstrekt (zie de begripsbepaling van «directbetrokkenen» in het eerste lid). Zie over de noodzaak om deze gegevens over alle directbetrokkenen te verstrekken paragraaf 2.1b van het algemeen deel van de nota van toelichting.

i. de datum en de inhoud van het triagebesluit en de veiligheidsbeoordeling op dat moment

Geregeld wordt dat de datum waarop het besluit over de naar aanleiding van een melding noodzakelijke vervolgstappen wordt genomen worden verstrekt en dat ook wordt gemeld wat die vervolgstappen zijn. Een van de vervolgstappen kan zijn dat Veilig Thuis een onderzoek start. Uit artikel 4.1.7, eerste lid, van het besluit, volgt dat dit binnen vijf dagen na ontvangst van een melding dient te gebeuren. Een vervolgstap kan daarnaast bijvoorbeeld het verlenen van passende professionele hulp door een instantie zijn. Van de gegevensverstrekking maakt ook de veiligheidsbeoordeling onderdeel uit. Voor de beoordeling van de noodzakelijke vervolgstappen is ook de inschatting van de veiligheidssituatie op dat moment relevant. Zo kan bijvoorbeeld een vermoeden van acute onveiligheid of structurele onveiligheid bestaan of kan daarvan daadwerkelijk sprake zijn.

j. de ingezette dienst en de uitkomst van de dienst

Onderdeel j regelt dat verstrekt wordt welke dienst is ingezet en wat de uitkomst van die dienst is. Dit betreft dus de conclusie van Veilig Thuis na inzet van de dienst over onder meer de aard van huiselijk geweld of kindermishandeling. Indien de dienst onderzoek heeft plaatsgevonden wordt de uitkomst van het onderzoek verstrekt (kan het vermoeden tot huiselijk geweld of kindermishandeling worden bevestigd of weerlegd?). Bij de uitkomst van de dienst gaat het voorts over aanvullende informatie over veiligheidsproblematiek en duur van het geweld volgens Veilig Thuis.

k. het vervolgtraject na afronding van de dienst en de datum waarop dit vervolgtraject start

Onderdeel k regelt dat gegevens inzake het vervolgtraject na afronding van de dienst worden verstrekt en dat daarnaast ook de datum waarop dit vervolgtraject start wordt verstrekt. Deze onderdelen zijn ruimer geformuleerd dan het voorheen geldende artikel 4.3.2, eerste lid, onderdelen h en i, van het besluit, omdat het daarin alleen om de verrichte onderzoeken ging. Omdat Veilig Thuis niet alleen de dienst onderzoek verricht, zijn deze onderdelen aangepast zodat deze gegevens ook verstrekt worden indien het een andere dienst betreft.

Derde lid

De tekst van het derde lid stond aanvankelijk in het tweede lid en is verband met het nieuw ingevoegde eerste lid vernummerd naar het derde lid. Inhoudelijk is het artikellid hetzelfde gebleven.

Artikel II

Dit artikel bepaalt dat dit wijzigingsbesluit in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk


X Noot
1

Nota van toelichting op artikel 9.25 van het Besluit Jeugdwet, Staatsblad 2014, 441, p. 138.

X Noot
2

Artikel 37, derde lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek.

X Noot
3

Zie nota van toelichting op artikel 9.25 van het Besluit Jeugdwet, Staatsblad 2014, 441, p. 138 en 139. In het Besluit Jeugdwet is destijds ook geregeld dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen het burgerservicenummer, de geboortedatum en het geslacht van de jeugdige voor beleidsinformatie verstrekken, zie artikel 7.5.3, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit Jeugdwet en de nota van toelichting op dat artikel van het Besluit Jeugdwet, Staatsblad 2014, 441, p. 118 en 119.

Naar boven