Besluit van 11 februari 2026 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van enkele artikelen van de Wet collectieve warmte

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Klimaat en Groene Groei van 9 februari 2026, nr. WJZ / 103842314;

Gelet op artikel 13.32, eerste lid, van de Wet collectieve warmte;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

De artikelen 7.11, eerste lid, 12.7, en 13.30, onderdelen A, B, subonderdeel 2, C en D, van de Wet collectieve warmte treden in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Onze Minister van Klimaat en Groene Groei is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 11 februari 2026

Willem-Alexander

De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans

Uitgegeven de dertiende februari 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten

NOTA VAN TOELICHTING

In de Wet collectieve warmte (hierna: Wcw) zijn regels gesteld die noodzakelijk zijn in het belang van een betrouwbare, betaalbare en broeikasgassen-vrije warmtevoorziening. De Wcw bepaalt dat de artikelen in werking treden bij een bij koninklijk besluit te bepalen moment. Met dit besluit treden de artikelen in werking over de vaststelling van de methode voor de gestandaardiseerde activawaarde, de extra mogelijkheden voor infrastructuurbedrijven door de wijziging van de Energiewet en de bevoegdheid voor de Minister van Klimaat en Groene Groei (hierna: minister) om een nationale deelneming aan te wijzen. Het merendeel van de artikelen zullen pas gelijktijdig met het Besluit collectieve warmte in werking treden.

Gestandaardiseerde activawaarde

Artikel 7.11, eerste lid, bepaalt dat de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) bij besluit de methode vaststelt op basis waarvan de gestandaardiseerde activawaarde (hierna: GAW) van het warmtenet en de overige activa van het aangewezen warmtebedrijf zal worden berekend. De GAW is medebepalend zowel voor de toekomstige kostengebaseerde tariefregulering als voor de tegenprestatie bij de overdracht van het warmtenet na afloop van de aanwijzing. Zowel de onzekerheid over de toekomstige tariefregulering als de tegenprestatie worden door bestaande warmtebedrijven als redenen aangevoerd voor de door hen ervaren investeringsonzekerheid. Door artikel 7.11, eerste lid, direct in werking te laten treden krijgt de ACM de bevoegdheid om een methodebesluit vast te stellen. Na vaststelling van het methodebesluit zal de ACM op grond van de vastgestelde methode de GAW van het warmtenet en de overige activa van elk warmtebedrijf vaststellen. Door dit artikel met dit besluit in werking te laten treden zal de GAW sneller vastgesteld kunnen worden en kan de ervaren investeringsonzekerheid en onzekerheid over de toekomstige tariefregulering worden beperkt.

Mogelijkheden infrastructuurbedrijven

Artikel 13.30 wijzigt de Energiewet. Door deze wijziging kunnen infrastructuurbedrijven (thans: netwerkbedrijven) een volwaardige rol spelen in de warmtetransitie. Infrastructuurbedrijven zijn publieke bedrijven met lange ervaring op het gebied van de aanleg en het beheer van energiesystemen. In de Wcw is geregeld dat infrastructuurbedrijven, die deel uitmaken van een groep waartoe ook de systeembeheerder elektriciteit en gas behoort, de mogelijkheid hebben een aangewezen warmtebedrijf te zijn. Hierdoor kan een infrastructuurbedrijf naast de aanleg en het beheer van de infrastructuur van warmte en het transport van warmte ook actief te worden als warmtebedrijf dat een collectieve warmtevoorziening in een warmtekavel aanlegt en exploiteert. Verder zorgt artikel 13.30 ervoor dat infrastructuurbedrijven ook actief mogen worden op de warmtemarkt door de oprichting van een warmteservicebedrijf en het uitvoeren van werkzaamheden voor een aangewezen warmtebedrijf. Door artikel 13.30 in werking te laten treden worden infrastructuurbedrijven in staat gesteld reeds in 2026 de gewenste voorbereidingen te treffen om actief te worden op de warmtemarkt. Dit vergroot de publieke realisatiekracht.

Nationale deelneming warmte

Artikel 12.7 voorziet in de mogelijkheid om een deelneming op te richten die kan participeren in warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang. Aanleiding voor de mogelijke inzet van een deelneming is de verplichting in de Wcw dat de meerderheid van de aandelen in een warmtebedrijf in de toekomst direct of indirect in handen moet zijn van één of meerdere publieke partijen, zoals gemeente, provincie of rijk. Uit verschillende onderzoeken naar de publieke realisatiekracht1 blijkt echter dat de investeringsopgave van zodanige omvang is dat niet van lokale overheden kan worden verwacht dat ze in alle gevallen voldoende middelen inbrengen om tijdig – al dan niet in onderlinge samenwerking – de meerderheid van de aandelen in een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang te verkrijgen. Ook ontbreekt het bij sommige lokale overheden nog aan voldoende expertise om op een goede manier invulling te geven aan het publieke aandeelhouderschap. Om het maatschappelijke belang van een betrouwbare, betaalbare, en duurzame warmtevoorziening op korte termijn te stimuleren, is ook betrokkenheid vanuit het rijk gewenst, door middel van een nationale deelneming. In de Kamerbrief van 10 oktober 20252 is toegelicht dat vanwege de opschaling van de publieke realisatiekracht het gewenst is om de nationale deelneming zo snel mogelijk aan te kunnen wijzen. Om die reden treedt op grond van dit besluit artikel 12.7 reeds nu in werking.

Vaste verandermomenten

De invoeringstermijn bedraagt minder dan 6 maanden. Zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de bepalingen waarop dit besluit ziet is echter gewenst om de hierboven toegelichte redenen. Met het oog hierop wordt daarmee afgeweken van het beleid ten aanzien van de vaste verandermomenten; uitzonderingsgrond 1, «dit, gelet op de doelgroep of de jaarindeling, aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor- of nadelen voorkomt» is hier van toepassing.

De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans


X Noot
1

Kamerstukken II 2022/23, 30 196, nr. 800.

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 36 576, nr. 118.


X Noot
1

Kamerstukken II 2022/23, 30 196, nr. 800.

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 36 576, nr. 118.

Naar boven