Besluit van 16 september 2026, houdende regels in verband met de uitgifte van de Nederlandse identiteitskaart (Besluit Nederlandse identiteitskaart) [KetenID WGK02610]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 januari 2026, nr. 2025-0000700710;

Gelet op Verordening (EU) 2025/1208 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2025 betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen (PbEU 2025, L 2025/1208), de artikelen 2, derde lid, 3, eerste, derde, en zevende lid, 4, tweede, vierde en vijfde lid, 5, eerste lid, onderdeel f, derde en vierde lid, 9, eerste, derde en zesde lid, 15, aanhef en onderdeel d, 17, vierde lid, 25, aanhef en onderdeel d, 26, vierde lid, 27, vijfde lid, 30, vierde lid, 34, 37, zesde lid, 39, 41, eerste lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, de artikelen 2.7, tweede lid, 2.65 en 3.12, derde lid, van de Wet basisregistratie personen, en artikel 9, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 april 2026, nr. W04.26.00026/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 september 2026, nr. 2026-0000270559;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

basisadministratie:

de basisregistratie personen in het Europese deel van Nederland, dan wel een basisadministratie als bedoeld in artikel 2 van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES, dan wel een bij landsverordening van Aruba, Curaçao of Sint Maarten ingestelde bevolkingsadministratie;

gedetineerde:

gedetineerde als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Penitentiaire beginselenwet;

kosten:

de kosten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

leverancier:

het bedrijf dat in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties belast is met het verrichten van diensten in verband met de verstrekking van Nederlandse identiteitskaarten, waaronder de vervaardiging en levering van Nederlandse identiteitskaarten;

penitentiaire inrichting:

penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet;

rechten:

de rechten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de wet;

register paspoortsignaleringen:

het register, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de Paspoortwet;

wet:

Wet op de Nederlandse identiteitskaart.

Artikel 2. Plaatsing publiek identificatiemiddel

  • 1. Het publiek identificatiemiddel wordt geplaatst op de Nederlandse identiteitskaart in de vorm van een applet op de daarop aangebrachte chip.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde applet bevat de volgende gegevens:

    • a. het burgerservicenummer in versleutelde vorm ten behoeve van authenticatie van de houder van het document in het kader van elektronische dienstverlening en het burgerservicenummer in afgeleide vorm ten behoeve van authenticatie van de houder van het document in het kader van dienstverlening op elektronische wijze anders dan elektronische dienstverlening;

    • b. de initiële, door Onze Minister verstrekte PIN-code en de CAN-code ten behoeve van beveiligde toegang tot de applet om gebruik van het publieke identificatiemiddel mogelijk te maken;

    • c. een PUK-code waarmee de PIN-code kan worden gedeblokkeerd.

Artikel 3. Gekwalificeerd personeel

De werkzaamheden op grond van de wet en de daarop berustende bepalingen worden uitgevoerd door bevoegde en gekwalificeerde personen.

HOOFDSTUK 2. BEPALINGEN OVER DE NEDERLANDSE IDENTITEITSKAARTEN

Artikel 4. Vaststelling identiteit en Nederlanderschap

  • 1. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager, alsmede over zijn Nederlanderschap dan wel zijn behandeling als Nederlander, indien het een persoon betreft op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, maakt de in artikel 15 van de wet bedoelde autoriteit gebruik van de door de aanvrager overgelegde Nederlandse identiteitskaart of het door de aanvrager overlegde Nederlandse reisdocument, de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens, alsmede van de in de basisadministratie dan wel de in het basisregister reisdocumenten opgenomen gegevens en van overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten, waaronder in ieder geval worden verstaan documenten in verband met eerdere aanvragen van Nederlandse identiteitskaarten of reisdocumenten.

  • 2. Indien onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager stelt de in artikel 15 van de wet bedoelde autoriteit daarnaar een gericht onderzoek in. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de identiteit dan wel de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, Nederlandse identiteitskaarten of reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de door de betrokkene in het kader van het aanvraag- en uitgifteproces van identiteitskaarten over te leggen bescheiden en de beoordeling daarvan.

Artikel 5. Geldigheid Nederlandse identiteitskaart

  • 1. De Nederlandse identiteitskaart is geldig voor tien jaren. Indien de aanvrager bij de aanvraag de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is de Nederlandse identiteitskaart geldig voor vijf jaren.

  • 2. De vervangende Nederlandse identiteitskaart is geldig voor vijf jaren.

  • 3. Indien als gevolg van een tijdelijke verhindering bij de aanvrager geen vingerafdrukken op de Nederlandse identiteitskaart worden opgenomen, bedraagt de geldigheidsduur van de Nederlandse identiteitskaart één jaar.

Artikel 6. Aanvullende bevoegdheden burgemeesters aangewezen gemeenten bij aanvragen

  • 1. In de bij ministeriële regeling aangewezen gemeenten is de burgemeester tevens bevoegd aanvragen in ontvangst te nemen:

    • a. voor Nederlandse identiteitskaarten voor zover het personen betreft die niet in de basisregistratie personen als ingezetene zijn ingeschreven;

    • b. voor Nederlandse identiteitskaarten voor zover het gedetineerden betreft die verblijven in een penitentiaire inrichting in die aangewezen gemeente.

  • 2. De burgemeester van Haarlemmermeer is bevoegd tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor Nederlandse identiteitskaarten van personen die in de basisadministratie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn ingeschreven.

Artikel 7. Afzien opname vingerafdrukken

  • 1. Van het opnemen van vingerafdrukken overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van de wet, wordt afgezien, indien:

    • a. de aanvrager op het moment van het indienen van de aanvraag de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, of

    • b. de daartoe aangewezen persoon van oordeel is dat het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om van de aanvrager te verlangen dat bij hem op het moment van het indienen van de aanvraag een of meer vingerafdrukken worden opgenomen.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over situaties waarin aanvullende documenten kunnen worden gevraagd in verband met de beoordeling van het eerste lid, aanhef en onderdeel b.

Artikel 8. Onbekwaamheid plaatsen handtekening

Van het opnemen van een handtekening wordt afgezien, indien de persoon aan wie de aangevraagde Nederlandse identiteitskaart moet worden verstrekt door leeftijd of een handicap niet in staat is zijn handtekening te plaatsen.

Artikel 9. Aanvullende bevoegdheden burgemeesters aangewezen gemeenten bij verstrekking

  • 1. In de bij ministeriële regeling aangewezen gemeenten is de burgemeester tevens bevoegd tot verstrekking:

    • a. van Nederlandse identiteitskaarten voor zover het personen betreft die niet in de basisregistratie personen als ingezetene zijn ingeschreven;

    • b. van Nederlandse identiteitskaarten voor zover het gedetineerden betreft die verblijven in een penitentiaire inrichting in die aangewezen gemeente.

  • 2. De burgemeester van Haarlemmermeer is bevoegd tot verstrekking van Nederlandse identiteitskaarten aan personen die in de basisadministratie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn ingeschreven.

Artikel 10. Uitreiking

Tot uitreiking van de Nederlandse identiteitskaart wordt slechts overgegaan, nadat de identiteit van de aanvrager in zijn aanwezigheid is vastgesteld.

Artikel 11. Verificatie vingerafdrukken bij uitreiking

  • 1. Indien de tot uitreiking bevoegde persoon twijfelt aan de identiteit van de aanvrager worden de vingerafdrukken van de aanvrager geverifieerd tegen de vingerafdrukken die in de uit te reiken Nederlandse identiteitskaart zijn opgenomen.

  • 2. Indien de verificatie niet slaagt, wordt de Nederlandse identiteitskaart niet uitgereikt.

Artikel 12. Verval van rechtswege

  • 1. De burgemeester, de gezaghebber of Onze Minister van Buitenlandse Zaken deelt met het oog op een vermelding in het register paspoortsignaleringen op grond van artikel 30, derde lid, van de wet Onze Minister de gegevens mede van de houder van een Nederlandse identiteitskaart die van rechtswege is vervallen, indien de houder weigert het document in te leveren dan wel de woon- of verblijfplaats van de houder niet kan worden achterhaald.

  • 2. De autoriteit die de in het eerste lid bedoelde Nederlandse identiteitskaart heeft ingehouden, dan wel bij wie de desbetreffende Nederlandse identiteitskaart is ingeleverd, deelt Onze Minister zulks terstond mede met het oog op de verwijdering van de in het eerste lid bedoelde vermelding uit het register paspoortsignaleringen.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de in het eerste en tweede lid bedoelde mededeling wordt gedaan.

Artikel 13. Redenen definitieve onttrekking aan het verkeer

  • 1. Een Nederlandse identiteitskaart wordt, naast het in artikel 27, vierde lid, van de wet gestelde, ook terstond definitief aan het verkeer onttrokken door de daartoe op grond van artikel 39 van de wet bevoegde autoriteit die het document onder zich heeft, indien:

    • a. het daartoe, al dan niet bij de uitreiking van een nieuwe of vervangende Nederlandse identiteitskaart of een nieuw reisdocument, is ingeleverd;

    • b. het ingevolge artikel 37, eerste lid, van de wet is ingehouden, tenzij nog een beroepstermijn open staat, een beroepsprocedure aanhangig is of het reisdocument anderszins in een gerechtelijke procedure nodig is;

    • c. het na uitreiking als onbruikbaar is beschouwd ten gevolge van misdruk of verkeerde personalisatie en dientengevolge is ingehouden of ingeleverd;

    • d. het als gevonden Nederlandse identiteitskaart is ontvangen, tenzij:

      • 1°. de gezaghebber in de gelegenheid is het terug te geven aan de in de basisadministratie als ingezetene van zijn openbaar lichaam ingeschreven houder die nog geen verklaring als bedoeld in artikel 19 van de wet heeft afgelegd; of

      • 2°. Onze Minister van Buitenlandse Zaken of de commandant, bedoeld in artikel 4.5 van het Paspoortbesluit, in de gelegenheid is het terug te geven aan de houder, die nog geen verklaring als bedoeld in artikel 19 van de wet heeft afgelegd.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze van onttrekking aan het verkeer.

HOOFDSTUK 3. VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS

Artikel 14. Passende maatregelen tot uitreiking bevoegde autoriteiten voor onder hen berustende gegevens

  • 1. De tot uitreiking bevoegde autoriteiten treffen passende technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging van de onder hen berustende gegevens tegen verlies of aantasting van deze gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of verstrekking van deze gegevens.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde maatregelen omvatten ten minste:

    • a. maatregelen gericht op personen die werkzaam zijn voor de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens;

    • b. maatregelen gericht op de toegang tot gebouwen en ruimten waarin de in registers dan wel administraties opgenomen gegevens aanwezig zijn;

    • c. maatregelen gericht op een deugdelijke werking en beveiliging van de apparatuur, programmatuur en opslagmedia;

    • d. maatregelen voor het geval de geheimhouding of integriteit van de gegevens is geschaad;

    • e. maatregelen bij calamiteiten.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de in het eerste en tweede lid bedoelde maatregelen.

Artikel 15. Eisen vervaardiging publiek identificatiemiddel

  • 1. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gesteld over de technische en organisatorische voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de vervaardiging van het publiek identificatiemiddel.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten ten minste eisen die zien op:

    • a. informatieveiligheid;

    • b. data-integriteit;

    • c. vertrouwelijkheid;

    • d. bescherming van persoonsgegevens.

HOOFDSTUK 4. KOSTEN, VERSCHULDIGD TER ZAKE VAN NEDERLANDSE IDENTITEITSKAARTEN

Paragraaf 1. In Nederland aan het Rijk verschuldigde kosten

Artikel 16. Kosten gemeente
  • 1. Een gemeente is aan het Rijk de in artikel 19, eerste lid, vastgelegde kosten verschuldigd in verband met door de leverancier geleverde Nederlandse identiteitskaarten en door de leverancier verrichte spoedleveringen. Van een spoedlevering als bedoeld in dit artikel is sprake, indien naar aanleiding van een daartoe vanuit de gemeente verstrekte opdracht, die de leverancier op werkdagen vóór 16.00 uur heeft bereikt, een gepersonaliseerde Nederlandse identiteitskaart de daarop volgende werkdag uiterlijk 16.00 uur is afgeleverd bij de in de aanvraag opgegeven uitgiftelocatie.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde kosten zijn niet dan wel gedeeltelijk verschuldigd naar rato van de aan de aanvrager verleende kwijtschelding van de rechten, die op grond van de toepasselijke gemeentelijke verordening voor de desbetreffende handeling geheven kunnen worden, indien de kwijtschelding is verleend overeenkomstig de krachtens artikel 255, tweede lid, van de Gemeentewet gestelde regels.

  • 3. De in artikel 19, eerste lid, onderdelen a tot en met c, vastgelegde kosten zijn niet verschuldigd in verband met de levering van een Nederlandse identiteitskaart ter vervanging van een eerder geleverde Nederlandse identiteitskaart, indien:

    • a. de eerder geleverde Nederlandse identiteitskaart door toedoen van de leverancier niet op de juiste wijze was vervaardigd, of

    • b. bij de uitreiking van de eerder geleverde Nederlandse identiteitskaart een verificatie van de vingerafdrukken heeft plaatsgevonden en bij deze verificatie anders dan door toedoen van de aanvrager niet kon worden vastgesteld dat diens vingerafdrukken overeenkomen met de vingerafdrukken, opgenomen in de Nederlandse identiteitskaart. In laatstgenoemde situatie wordt het verschil tussen het toepasselijke bedrag, genoemd in artikel 19, eerste lid, en het toepasselijke bedrag, genoemd in artikel 19, tweede lid, gerestitueerd aan de betreffende gemeente.

  • 4. De in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, vastgelegde kosten zijn niet verschuldigd, indien de spoedlevering door toedoen van de leverancier niet binnen de gestelde periode heeft plaatsgevonden, dan wel de met spoed geleverde Nederlandse identiteitskaarten door toedoen van de leverancier niet op de juiste wijze blijken te zijn vervaardigd.

Artikel 17. Kosten openbaar lichaam
  • 1. Een openbaar lichaam is aan het Rijk de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, vastgelegde kosten verschuldigd in verband met door de leverancier geleverde Nederlandse identiteitskaarten.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde kosten zijn niet dan wel gedeeltelijk verschuldigd naar rato van de aan de aanvrager verleende kwijtschelding van de rechten, die op grond van de toepasselijke eilandsverordening voor de desbetreffende handeling geheven kunnen worden, indien de kwijtschelding is verleend overeenkomstig de krachtens artikel 8.58, eerste lid, van de Belastingwet BES gestelde regels.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde kosten zijn niet verschuldigd in verband met de levering van een Nederlandse identiteitskaart, die plaatsvindt ter vervanging van een eerder geleverde Nederlandse identiteitskaart, die door toedoen van de leverancier niet op de juiste wijze was vervaardigd.

Artikel 18. Vaststelling kosten en wijze van afwikkeling
  • 1. Onze Minister stelt maandelijks het bedrag vast van de kosten die door een gemeente of een openbaar lichaam aan het Rijk moeten worden afgedragen. Deze vaststelling geschiedt:

    • a. voor een gemeente: aan de hand van de in de voorafgaande maand geleverde Nederlandse identiteitskaarten en verrichte spoedleveringen, bedoeld in artikel 16, eerste lid, verminderd met de in de voorafgaande maand geleverde Nederlandse identiteitskaarten, bedoeld in artikel 16, derde lid;

    • b. voor een openbaar lichaam: aan de hand van de in de voorafgaande maand geleverde Nederlandse identiteitskaarten, bedoeld in artikel 17, eerste lid, verminderd met de in de voorafgaande maand geleverde Nederlandse identiteitskaarten, bedoeld in artikel 17, derde lid.

  • 2. Onze Minister zendt voor het einde van elke kalendermaand een factuur aan de gemeente of het openbaar lichaam, waarin het bedrag van de overeenkomstig het eerste lid vastgestelde kosten die aan het Rijk moeten worden afgedragen, wordt vermeld.

  • 3. Onze Minister stelt het bedrag vast van de kosten die aan een gemeente of een openbaar lichaam worden gerestitueerd en maakt, tegelijk met het verzenden van de factuur, bedoeld in het tweede lid, schriftelijk aan de gemeente of het openbaar lichaam bekend welk bedrag wordt gerestitueerd en op welke wijze de betaling daarvan zal plaatsvinden. De vaststelling van het te restitueren bedrag geschiedt:

    • a. voor een gemeente op basis van de door de gemeente verstrekte afschriften van de beschikkingen, inhoudende gehele of gedeeltelijke kwijtschelding als bedoeld in artikel 16, tweede lid, en de van de gemeente ontvangen en bij de leverancier geverifieerde mededelingen omtrent gevallen waarin een spoedlevering niet binnen de gestelde periode heeft plaatsgevonden dan wel de met spoed geleverde Nederlandse identiteitskaarten niet op de juiste wijze blijken te zijn vervaardigd, als bedoeld in artikel 16, vierde lid;

    • b. voor een openbaar lichaam op basis van de door het openbaar lichaam verstrekte afschriften van de beschikkingen, inhoudende gehele of gedeeltelijke kwijtschelding als bedoeld in artikel 17, tweede lid.

  • 4. De afdracht van de aan het Rijk verschuldigde kosten, bedoeld in het tweede lid, geschiedt:

    • a. door een gemeente in het kader van de rijksverrekening op grond van het Koninklijk Besluit van 28 maart 1925 (Stb. 1925, 125) tot regeling van de betalingen tusschen Rijk en Gemeenten, waarbij automatische verrekening bij de BNG Bank N.V. dient plaats te vinden, uiterlijk binnen vier weken na de verzending van de factuur, bedoeld in het tweede lid;

    • b. door een openbaar lichaam door middel van automatische incasso van een door het openbaar lichaam daartoe geopende bankrekening.

  • 5. Onze Minister regelt op welke wijze de juistheid van de bedragen die ter zake van de verschuldigde kosten aan het Rijk zijn afgedragen, wordt vastgesteld.

Paragraaf 2. De kosten

Artikel 19. Bedragen
  • 1. De aan het Rijk verschuldigde kosten bedragen:

    • a. voor een Nederlandse identiteitskaart:

      • 1°. ten behoeve van een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt:

        € 45,80

        USD 51,80;

      • 2°. ten behoeve van een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt:

        € 8,85

        USD 10,00;

    • b. voor een vervangende Nederlandse identiteitskaart voor personen met een uitreisverbod, ongeacht de leeftijd van de betrokken persoon:

      € 8,85;

    • c. voor de spoedlevering van een Nederlandse identiteitskaart, zijnde een toeslag op het in onderdeel a genoemde bedrag:

      € 60,30.

  • 2. De van de aanvrager op grond van de toepasselijke gemeentelijke verordening of eilandsverordening ten hoogste te heffen rechten bedragen:

    • a. voor een Nederlandse identiteitskaart:

      • 1°. ten behoeve van een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt:

        € 80,10 in een gemeentelijke verordening

        USD 126,50 in een eilandsverordening;

      • 2°. ten behoeve van een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt:

        € 43,20 in een gemeentelijke verordening

        USD 83,75 in een eilandsverordening;

    • b. voor een vervangende Nederlandse identiteitskaart voor personen met een uitreisverbod, ongeacht de leeftijd van de betrokken persoon:

      € 39,05;

    • c. voor de versnelde uitreiking van een Nederlandse identiteitskaart zijnde een toeslag op het in onderdeel a genoemde bedrag:

      € 60,30;

    • d. voor het bezorgen van een Nederlandse identiteitskaart zijnde een toeslag op de in de onderdelen a en b genoemde bedragen:

      € 19,00 in een gemeentelijke verordening

      USD 21,05 in een eilandsverordening.

  • 3. In afwijking van het tweede lid bedragen de op grond van de toepasselijke gemeentelijke verordening ten hoogste te heffen rechten voor een aanvrager die niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven:

    • a. voor een Nederlandse identiteitskaart:

      • 1°. ten behoeve van een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt:

        € 128,95

        USD 145,70

        XCG 260,80

        AWG 260,80;

      • 2°. ten behoeve van een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt:

        € 92,00

        USD 104,00

        XCG 186,15

        AWG 186,15;

    • b. voor een vervangende Nederlandse identiteitskaart voor personen met een uitreisverbod, ongeacht de leeftijd van de betrokken persoon:

      € 87,85;

    • c. voor het bezorgen van een Nederlandse identiteitskaart, zijnde een toeslag op de in de onderdelen a en b genoemde bedragen:

      € 31,70.

  • 4. De toeslag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt niet in rekening gebracht bij een aanvrager als bedoeld in het derde lid.

  • 5. De rechten, bedoeld in het tweede en derde lid, worden niet geheven voor een Nederlandse identiteitskaart indien deze Nederlandse identiteitskaart strekt tot vervanging van een eerder geleverde Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 16, derde lid, of artikel 17, derde lid.

HOOFDSTUK 5. RECHTEN, VERSCHULDIGD TER ZAKE VAN NEDERLANDSE IDENTITEITSKAARTEN

Paragraaf 1. Heffing van rechten buiten het Koninkrijk

Artikel 20. Bevoegden heffing

Bevoegd tot het heffen van de in artikel 24 vastgelegde rechten, dan wel tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding daarvan zijn:

  • a. buiten het Koninkrijk: de hoofden van de door Onze Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen consulaire posten;

  • b. Onze Minister van Buitenlandse Zaken.

Artikel 21. Kwijtschelding

Aan de aanvrager in het buitenland die woonachtig is in het ressort van de consulaire post waar hij zijn aanvraag indient en niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar de door hem aan het Rijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk te betalen kan geheel of gedeeltelijk kwijtschelding van deze rechten worden verleend.

Artikel 22. Invorderingswet 1990

Met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding zijn de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990 door Onze Minister van Financiën gestelde regels betreffende de kwijtschelding van rijksbelastingen in de privésfeer van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23. Valuta

De vaststelling van de valuta waarin de betaling van de in artikel 24 vastgelegde rechten in het buitenland plaatsvindt en de herleiding van deze rechten in de vastgestelde valuta geschieden overeenkomstig artikel 6 van de Rijkswet op de consulaire tarieven.

Paragraaf 2. De rechten

Artikel 24. Bedragen
  • 1. De rechten die ten bate van het Rijk van een aanvrager buiten het Koninkrijk kunnen worden geheven, bedragen:

    • a. voor een Nederlandse identiteitskaart:

      • 1°. ten behoeve van een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt:

        € 167,80;

      • 2°. ten behoeve van een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt:

        € 128,75;

    • b. voor een vervangende Nederlandse identiteitskaart voor personen met een uitreisverbod, ongeacht de leeftijd van de betrokken persoon:

      € 122,10;

    • c. indien de aanvrager kiest voor het bezorgen van het document: ten hoogste de kosten die de lokale bezorgdienst in rekening brengt voor het bezorgen van het document;

    • d. voor het versneld aanvragen van een document als bedoeld in onderdeel a, zijnde een toeslag op het in onderdeel a genoemde bedrag:

      € 12,40;

    • e. voor het aanvragen van een document als bedoeld in onderdeel a buiten het Koninkrijk op een andere locatie dan die van de door Onze Minister van Buitenlandse Zaken ter uitvoering van de artikelen 15, onderdeel c, en 27, eerste lid, van de wet aangewezen posten, zijnde een toeslag op het in onderdeel a genoemde bedrag:

      € 26,85.

  • 2. De in het eerste lid genoemde rechten worden niet geheven, indien de verstrekking van de Nederlandse identiteitskaart plaatsvindt in verband met een ambtelijke fout of indien de verstrekking plaatsvindt in verband met de vervanging van een eerder geleverd document als bedoeld in artikel 16, derde lid, of artikel 17, derde lid.

Artikel 25. Wijze van heffing

De in artikel 24 bedoelde rechten worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving.

HOOFDSTUK 6. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 26. Bevoegdheid vaststelling bij ministeriële regeling

Bij ministeriële regeling kunnen:

  • a. regels worden gesteld ter uitvoering van artikel 3, eerste en derde lid, 26, vierde lid, 29, 34 en 37, zesde lid, van de wet;

  • b. aanvullende regels worden gesteld ter uitvoering van de artikelen 2, derde lid, 3, derde lid, 3, zevende lid, 17, vierde lid, en 27, vijfde lid, en 41, eerste lid, van de wet.

Artikel 27. Wijzigingen in verband met vervallen Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding

Dit besluit wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 5, tweede lid, vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

2. In artikel 13, eerste lid, onderdeel a, vervalt «of vervangende».

3. Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid, onderdeel b, vervalt, onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel b.

b. Het tweede lid, onderdeel b, vervalt, onder verlettering van de onderdelen e en d tot b en c.

c. In het tweede lid, onderdeel c (nieuw), wordt «de in de onderdelen a en b genoemde bedragen» vervangen door «het in onderdeel a genoemde bedrag».

d. Het derde lid, onderdeel b, vervalt, onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel b.

e. In het derde lid, onderdeel b (nieuw), wordt «de in de onderdelen a en b genoemde bedragen» vervangen door «het in onderdeel a genoemde bedrag».

f. In het vierde lid wordt ‘tweede lid, onderdeel c» vervangen door «tweede lid, onderdeel b».

Artikel 28. Wijziging Besluit basisadministraties persoonsgegevens BES

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel 2 door een puntkomma wordt in bijlage I, onder B, van het Besluit basisadministraties persoonsgegevens BES, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 3. gegevens die noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart:

    • a) gegevens omtrent de Nederlandse identiteitskaart:

      • – soort Nederlandse identiteitskaart;

      • – documentnummer Nederlandse identiteitskaart;

      • – datum van verstrekking Nederlandse identiteitskaart;

      • – autoriteit die de Nederlandse identiteitskaart heeft verstrekt;

      • – datum einde van de geldigheidsduur Nederlandse identiteitskaart;

      • – datum inhouding dan wel vermissing Nederlandse identiteitskaart;

      • – aanduiding inhouding dan wel vermissing Nederlandse identiteitskaart;

      • – signalering met betrekking tot verstrekking of inhouding Nederlandse identiteitskaart;

      • – code van het openbaar lichaam waar het dossier met betrekking tot de Nederlandse identiteitskaart zich bevindt;

      • – beschrijving dossier waarin de aanvullende gegevens met betrekking tot de Nederlandse identiteitskaart zich bevinden;

      • – datum ingang rechtsgeldigheid gegeven.

    • b) aanduiding in onderzoek:

      • – aanduiding van de verzameling van gegevens in verband met de uitvoering van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, waarbinnen gegevens zijn opgenomen die onderzocht worden op onjuistheid:

      • – datum aanvang onderzoek;

      • – datum beëindiging onderzoek.

    • c) opnamedatum:

      • – datum van opneming van een gegeven in verband met de uitvoering van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart.

Artikel 29. Wijziging Besluit basisregistratie personen

Het Besluit basisregistratie personen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 31, onderdeel f, onder 2°, komt te luiden:

  • 2°. de taken betreffende de aanvraag, verstrekking en uitreiking van nationale paspoorten, nooddocumenten, tweede paspoorten op grond van onderscheidenlijk de artikelen 26, 40 en 42 van de Paspoortwet en van Nederlandse identiteitskaarten op grond van onderscheidenlijk de artikelen 15, 25 en 27 van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart;

B

Aan bijlage 1 wordt een rij toegevoegd, luidende:

Gegevens die noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart

Gegevens omtrent de Nederlandse identiteitskaart

soort Nederlandse identiteitskaart

x

   

documentnummer Nederlandse identiteitskaart

x

   

datum van verstrekking Nederlandse identiteitskaart

x

   

autoriteit die de Nederlandse identiteitskaart heeft verstrekt

x

   

datum einde van de geldigheidsduur Nederlandse identiteitskaart

x

   

datum inhouding, vermissing dan wel van rechtswege verval Nederlandse identiteitskaart

x

   

aanduiding inhouding, vermissing dan wel van rechtswege verval Nederlandse identiteitskaart

x

   

signalering met betrekking tot verstrekking of inhouding Nederlandse identiteitskaart

x

   

datum ingang rechtsgeldigheid gegeven

x

   

C

In bijlage 6 wordt «De algemene gegevens, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, 7° en 12°, van de wet» vervangen door «De algemene gegevens, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, 7°, 12° en 13°, van de wet.»

D

Bijlage 7 wordt als volgt gewijzigd

1. In de tweede kolom van de derde rij wordt «van een faciliteitenpaspoort en tweede paspoort als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b, van het Paspoortbesluit, alsmede van een Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet» vervangen door «alsmede van een faciliteitenpaspoort en tweede paspoort als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b, van het Paspoortbesluit».

2. Er wordt een rij toegevoegd, luidende:

De bevoegde autoriteiten, genoemd in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart

De taken betreffende de aanvraag, verstrekking en uitreiking van een document als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart.

• De verstrekte gegevens uit de basisregistratie worden niet voor andere doeleinden verwerkt dan voor de uitvoering van de taken.

• De uitvoering van de taken geschiedt zodanig dat geen gegevens aan derden worden verstrekt zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de ingeschrevene.

Uit de basisregistratie kunnen geen andere algemene gegevens worden verstrekt dan de algemene gegevens, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 3° tot en met 8°, 10° en 12°, van de wet.

 

x

Artikel 30. Wijziging Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens

Artikel 20 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Justitiële gegevens worden ten behoeve van de uitvoering van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart desgevraagd verstrekt aan:

    • a. de autoriteit, bedoeld in artikel 14, derde lid, van die wet, in verband met het vermelden van een persoon in het op grond van artikel 25 van de Paspoortwet bijgehouden register;

    • b. de autoriteiten, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van die wet, in verband met het nemen van een beslissing tot weigering van een Nederlandse identiteitskaart.

Artikel 31. Wijziging Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met vervallen Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding

Artikel 20, tweede lid, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid vervallen.

Artikel 32. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop Wet op de Nederlandse identiteitskaart in werking treedt, met uitzondering van de artikelen 27 en 31, die in werking treden met ingang van het tijdstip waarop de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding op grond van artikel 13, tweede lid, van die wet vervalt.

Artikel 33. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Nederlandse identiteitskaart.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 16 september 2026

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van der Burg

Uitgegeven de drieëntwintigste september 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

In dit besluit worden nadere regels gesteld ter uitwerking van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart (hierna: de wet). De meeste artikelen zijn ontleend aan het Paspoortbesluit en het Besluit paspoortgelden, maar dan voor zover ze nodig zijn voor de Nederlandse identiteitskaart (hierna: NIK) of vervangende NIK. Dat sluit aan bij de werkwijze die is gevolgd bij de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, waarin alle bepalingen over de (uitgifte van de) NIK en de vervangende NIK zijn ondergebracht die eerder in de Paspoortwet waren geregeld. Inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de huidige regelgeving zijn niet beoogd. Voor de reden en aanleiding tot deze wijzigingen wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Wet op de Nederlandse identiteitskaart.1 Daarin is ook ingegaan op de wijze waarop dit besluit mede uitvoering geeft aan Verordening (EU) 2019/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen (PbEU 2019, L 188).2

2. Inhoud

Het besluit volgt in beginsel de opbouw van het Paspoortbesluit, al is een andere hoofdstukindeling gemaakt vanwege het geringer aantal bepalingen. In het besluit zijn alleen de in het Paspoortbesluit en het Besluit paspoortgelden opgenomen bepalingen overgenomen voor zover deze relevant zijn voor de NIK en vervangende NIK. Het betreft onder meer regels over het publieke identificatiemiddel op de NIK, de vaststelling van het Nederlanderschap van de aanvrager, de geldigheid van de NIK, over aanvullende bevoegdheden in aangewezen gemeenten voor aanvragen van niet-ingezetenen, gedetineerden en inwoners van de Caribische landen, aanvullende redenen voor de onttrekking aan het verkeer van de NIK en regels over de bescherming van persoonsgegevens. Daarbij is met betrekking tot de wijze waarop de nodige zekerheid kan worden verkregen over de identiteit en het Nederlanderschap van de aanvrager van een NIK een omissie uit het Paspoortbesluit hersteld. Hierop wordt in de toelichting bij artikel 4 nader ingegaan. Voor twee artikelen was het nodig om te verwijzen naar de Paspoortwet of het Paspoortbesluit, om ervoor te zorgen dat de bestaande praktijk wordt voortgezet nu de NIK in een eigen wet is ondergebracht (artikel 12 (in samenhang met artikel 1) en artikel 13).

Naast overheveling van bepalingen uit het Paspoortbesluit zijn ook enkele onderdelen van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (hierna: PUN) en Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (hierna: PUB), voor zover het de NIK betreft, overgeheveld en opgehoogd naar regeling in het onderhavige besluit. In paragraaf 3 van deze toelichting en in de toelichting bij de artikelen 7, 8 en 12 wordt daar nader op ingegaan.

Daar waar uitwerking van zaken erg gedetailleerd en procedureel van aard is of een hoge mate van flexibiliteit is geboden, worden deze aspecten, net als in de paspoortuitvoeringsregelingen, opgenomen in de Regeling Nederlandse identiteitskaart.

Op grond van artikel 2, tweede lid, van de wet is hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de NIK van overeenkomstige toepassing op de vervangende Nederlandse identiteitskaart, tenzij anders is bepaald. Derhalve is alles wat in dit besluit is bepaald van toepassing op zowel de NIK als de vervangende NIK, tenzij in de wet of dit besluit expliciet is bepaald dat voor de vervangende NIK iets anders geldt.

2.1 Afdracht van de aan het rijk verschuldigde kosten en heffing van de aan het rijk verschuldigde rechten

In het besluit zijn ook de tarieven overgenomen uit het Besluit paspoortgelden die betrekking hebben op of relevant zijn voor de NIK en de vervangende NIK. Deze zijn ondergebracht in hoofdstuk 4 van dit besluit. Wat die tarieven betreft, gaat het concreet om de vaststelling op grond van de artikelen 4 en 9 van de wet van:

  • a) de in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de wet bedoelde kosten die gemeenten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan het Rijk zijn verschuldigd voor de productie van NIK’s, indien de aanvragen voor die documenten zijn ingediend bij de burgemeesters onderscheidenlijk de gezaghebbers (artikel 19, eerste lid, van dit besluit);

  • b) de in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de wet bedoelde rechten die een aanvrager aan het Rijk moet voldoen als de aanvraag voor de NIK wordt ingediend bij een andere daartoe bevoegde autoriteit dan een autoriteit als bedoeld onder a, waarbij het voor de NIK gaat om een buitenlandse post en de Minister van Buitenlandse Zaken)(artikel 24, eerste lid, van dit besluit);

  • c) de rechten die een gemeente of openbaar lichaam ingevolge artikel 9, derde lid, van de wet maximaal aan een aanvrager van een NIK in rekening mag brengen (artikel 19, tweede en derde lid, van dit besluit);

  • d) de in artikel 4, vijfde lid, van de wet bedoelde kosten die ten laste worden gebracht voor vervaardiging en verstrekking van een publiek identificatiemiddel (verwerkt in de tarieven voor de NIK).

De hoogte van de tarieven in dit besluit is gelijk aan de hoogte van de tarieven zoals die voor het jaar waarin dit besluit in werking treedt, zijn vastgesteld in het Besluit paspoortgelden.

2.2 Concordantietabel

In de bijlage bij deze toelichting is een concordantietabel opgenomen. Daarin zijn de artikelen van het Paspoortbesluit en het Besluit paspoortgelden enerzijds en van het onderhavige besluit anderzijds op inhoud naast elkaar gezet. De tabel is een hulpmiddel om vergelijkbare bepalingen snel terug te kunnen vinden en moet niet gelezen worden als een absolute één op één verwijzing, in de zin dat (onderdelen uit) artikelen in het Paspoortbesluit en het Besluit paspoortgelden uitsluitend zijn overgenomen voor zover deze van toepassing zijn op de NIK en zijn aangepast aan de bewoording NIK. De tabel is ook nuttig bij raadpleging van de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen van dit besluit, die oorspronkelijk grotendeels onder het Paspoortbesluit en in met name de PUN en de PUB tot stand zijn gekomen.

3. Privacy

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is uitgebreid ingegaan op de verwerking van persoonsgegevens die op grond van de wet plaatsvindt in het kader van de aanvraag en uitgifte van de NIK.3 Deze verwerking betekent in het algemeen een inmenging in grondrechten van burgers en is daarom beoordeeld in het licht van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), de Grondwet, het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: EU-Handvest) en de Algemene Verordening gegevensbescherming (hierna: AVG).4 In de memorie van toelichting is aangegeven dat de verwerking niet anders is dan toen de (uitgifte van de) NIK nog onder de Paspoortwet werd geregeld en dat de verwerking aan de AVG voldoet. Voor de volledigheid is de uitwerking van alle algemene beginselen voor gegevensverwerking van de AVG in het wetsvoorstel besproken. Aangezien dit besluit een uitwerking is van de wet, is nadere uitwerking van deze beginselen van de AVG voor het besluit in deze nota van toelichting niet nodig.

Wel wordt op deze plek nog een keer aandacht besteed aan artikel 10, tweede lid, van de Grondwet. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Grondwet stelt de wet regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens. Dat impliceert dat de hoofdregels ter zake van de bescherming van de persoonsgegevens in de wet zelf moeten worden geregeld. Subdelegatie naar het niveau van de ministeriële regeling is mogelijk als het bijvoorbeeld gaat om voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling en voorschriften die dikwijls wijziging behoeven. Wat de verwerking van persoonsgegevens betreft zijn in dit besluit met name relevant de artikelen 4 (op basis van artikel 17, vierde lid, van de wet), 7 en 8 (op basis van artikel 3, derde lid, van de wet), 12 (op basis van artikel 30, vierde lid, van de wet) en 15 (op basis van artikel 4, vierde lid, van de wet). Waar relevant wordt in de artikelsgewijze toelichting, met name in de toelichting bij artikel 26 van dit besluit, nader ingegaan op de keuze voor (sub)delegatie.

4. Gevolgen

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is ingegaan op het feit dat de overheveling van de NIK van de Paspoortwet naar de nieuwe Wet op de Nederlandse identiteitskaart slechts zeer geringe gevolgen heeft qua regeldruk, verwachte neveneffecten van de regeling, financiën, ICT en bestuurlijke lasten.5

Kort gezegd komt het erop neer dat gevolgen voor de lasten voor burgers, bedrijven en professionals geheel afwezig zullen zijn, aangezien er in het aanvraag- en uitgifteproces van de NIK voor burgers helemaal niets verandert als gevolg van de overheveling van de regeling van de uitgifte van de NIK naar een eigen wet.

Voor de overheid hebben de wijzigingen tot gevolg dat in de (ICT-) systemen en de registraties, waarin eerder verwezen werd naar de Paspoortwet (en onderliggende regelgeving), na de inwerkingtreding van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart (en onderliggende regelgeving) ook naar die wet wordt verwezen. Hetzelfde geldt voor verwijzingen naar de Paspoortwet (en onderliggende regelgeving) in diverse verstrekkingenbesluiten en diverse voor de uitvoering van de wet te gebruiken formulieren en de communicatie en online informatievoorziening van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens.

De wijzigingen in dit besluit geven geen extra of andere lasten dan die in die memorie van toelichting bij het wetsvoorstel al zijn beschreven.

5. Overgangsrecht en inwerkingtreding

De inwerkingtreding van dit besluit is gelijktijdig met de inwerkingtreding van de wet en de daarbij bijbehorende rijkswet tot wijziging van de Paspoortwet in verband met de ontvlechting van de Nederlandse identiteitskaart (Stb. 2026, 181); hierna: de rijkswet), en alle overige bijbehorende regelgeving.

Wat de overheveling van de tarieven uit het Besluit paspoortgelden naar nieuwe regelgeving onder de Wet op de Nederlandse identiteitskaart betreft is in artikel II van de rijkswet een voorziening getroffen om ervoor te zorgen dat belastingverordeningen van gemeenten en openbare lichamen voor de heffing van rechten voor de NIK en de vervangende NIK die berusten op de Paspoortwet, vanaf inwerkingtreding van de rijkswet berusten op de Wet op de Nederlandse identiteitskaart. Daarmee wordt voorkomen dat gemeenten en openbare lichamen reeds vastgestelde belastingverordeningen opnieuw zouden moeten vaststellen enkel en alleen vanwege de inwerkingtreding van de twee wetten. Omdat de tarieven voor de NIK en de vervangende NIK in dit besluit zonder aanpassingen zijn overgenomen uit het Besluit paspoortgelden, zullen de in de verordeningen vastgelegde rechten in overeenstemming blijven met de voor het lopende jaar vastgestelde maxima.

6. Advies en consultatie

Een ontwerp van dit besluit is voor advies voorgelegd aan de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB), de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG), de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ontwerpbesluit is ook voorgelegd aan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De NVVB kan zich vinden in het ontwerpbesluit. Als aandachtspunt geeft NVVB mee dat artikel 4 van het ontwerpbesluit niet duidelijk genoeg is over welke documenten vallen onder ‘overig aanwezige documenten’ bij uitgevende instanties, die gebruikt mogen worden bij het verkrijgen van zekerheid over de identiteit en het Nederlanderschap van de aanvrager van een NIK. De NVVB vraagt of bijvoorbeeld een Nederlands rijbewijs hier ook onder valt. Artikel 4 van het ontwerpbesluit is ontleend aan het huidige artikel 2.16 van het Paspoortbesluit (dat gaat vervallen met deze ontvlechting), en bepaalt in het eerste lid dat bij het verkrijgen van zekerheid over de identiteit en het Nederlanderschap van de aanvrager (mede) gebruikt kan worden gemaakt van ‘overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten’. Hieronder vallen ook documenten die zijn overlegd in het kader van eerdere aanvragen en toen hebben geholpen om de identiteit en nationaliteit vast te stellen. Een kopie van een rijbewijs die bij een vorige aanvraag is gebruikt voor identiteitsvaststelling en daarom is opgeslagen, kan in dat geval dus ook worden gebruikt. Voorts bepaalt artikel 4, tweede lid, dat als er twijfel over de identiteit of het Nederlanderschap bestaat, hiernaar een gericht onderzoek kan worden ingesteld, waarbij (mede) gebruik kan worden gemaakt van een ‘eventueel ander bewijsstuk’. Ook hier kan een rijbewijs voor worden gebruikt. Een rijbewijs is echter op zichzelf niet voldoende om de identiteit én het Nederlanderschap van de aanvrager vast te stellen, omdat het rijbewijs wel een identiteitsbewijs is, maar geen bewijs van het hebben van de Nederlandse nationaliteit. De artikelsgewijze toelichting bij artikel 4 van het besluit is aangevuld om dit te verduidelijken. De NVVB geeft daarnaast mee dat er goede en tijdige communicatie benodigd is richting gemeenten, omdat gemeenten hun eigen correspondentieformats en formulieren moeten doorlopen om benodigde verwijzingen naar het Paspoortbesluit aan te passen.

De VNG heeft de gevolgen van het besluit voor gemeenten nader getoetst en concludeert dat de impact voor gemeenten gering is. Voor gemeenten is het gevolg enkel dat eigen communicatie en eigen lokale regelgeving moet worden aangepast, voor zover die betrekking heeft op de NIK en verwijst naar het Paspoortbesluit of het Besluit paspoortgelden. Voortaan zal daarbij ook naar dit besluit moeten worden verwezen. De VNG heeft in haar reactie gevraagd of artikel 12 van het besluit een nieuwe verplichting oplevert voor gemeenten. Artikel 12 regelt een verplichting voor de burgemeester, gezaghebber of de Minister van Buitenlandse Zaken om een melding te doen ten behoeve van registratie in het register paspoortsignaleringen (RPS) als een NIK van rechtswege is vervallen en de houder weigert het document in te leveren, of als de woon- of verblijfplaats van de houder niet kan worden vastgesteld. Deze verplichting stond weliswaar niet in het Paspoortbesluit, maar is overgenomen uit artikel 65, eerste lid, van de PUN. Het betreft dus geen nieuwe verplichting, maar één van de bepalingen die met dit besluit worden overgeheveld naar het niveau van een algemene maatregel van bestuur.

De AP heeft laten weten geen opmerkingen te hebben bij het ontwerpbesluit.

Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.

Bonaire heeft laten weten geen opmerkingen te hebben bij het ontwerpbesluit. Van Sint Eustatius en Saba zijn geen reacties ontvangen.

Het ontwerpbesluit is ook openbaar in internetconsultatie geweest. In de internetconsultatie is gevraagd wat men van het ontwerpbesluit vindt. De internetconsultatie heeft één reactie opgeleverd. In de reactie wordt voorgesteld om tegelijk met de invoering van dit besluit een inhoudelijke verandering door te voeren, namelijk het vervangen van de papieren pasfoto door een digitale foto die gratis door de gemeente wordt gemaakt. De ontvlechting van de NIK en het paspoort in de Paspoortwet en de daaronder liggende regelgeving, waar dit besluit deel van uit maakt, is enkel bedoeld als juridisch-technische operatie. Het is niet de bedoeling om inhoudelijke wijzigingen door te voeren in het aanvraag- en uitgifteproces van NIK’s. In het huidige aanvraag- en uitgifteproces van paspoorten en NIK’s wordt gewerkt met een papieren foto. De medewerker scant deze in en voegt de foto vervolgens toe aan het aanvraagbestand. Een digitaal aangeleverde foto is van hogere kwaliteit dan een ingescande papieren foto. Bovendien is er minder kans op fraude met de foto wanneer deze bij de gemeente of een vakfotograaf wordt gemaakt en direct digitaal wordt aangeleverd. Ook is een digitaal aangeleverde foto makkelijker voor zowel de aanvrager als de medewerker aan de balie. Daarom worden momenteel de mogelijkheden onderzocht om een digitaal aangeleverde pasfoto in te voeren. Daarbij wordt zowel gekeken naar het plaatsen van cameraopstellingen bij gemeenten, als ook het faciliteren van vakfotografen die een foto digitaal bij de gemeente aanleveren. Op dit moment wordt onderzocht wat voor beide opties de technische en juridische gevolgen zijn.

Artikelsgewijs

Artikel 1

In artikel 1 van dit besluit zijn begripsbepalingen uit het Paspoortbesluit overgenomen voor zover deze nodig zijn voor dit besluit, waar nodig aangepast aan de Wet op de Nederlandse identiteitskaart en zo nodig toegespitst op de NIK. Voor de leesbaarheid van artikel 12 is ook een begripsbepaling opgenomen voor het register paspoortsignaleringen (gelijk aan de begripsbepaling daarvoor in bv. de PUN).

Artikel 2

Artikel 1.6 van het Paspoortbesluit is overgeheveld naar artikel 2 van dit besluit (gebaseerd op artikel 4, tweede lid, van de wet), omdat de NIK het enige document is in het reisdocumentenstelsel waarop het publiek identificatiemiddel wordt geplaatst. Enige verschil met artikel 1.6 van het Paspoortbesluit is een juridisch-technische verbetering in het tweede lid, onderdeel a: in plaats van «elektronische dienstverlening anders dan bedoeld in artikel 2 van de wet» wordt nu gesproken over «dienstverlening op elektronische wijze anders dan elektronische dienstverlening als bedoeld in artikel 2 van de wet». Inhoudelijk is er geen verschil. Uit artikel 4, eerste lid, van de wet volgt dat het publiek identificatiemiddel niet wordt geplaatst op een vervangende NIK.

Artikel 3

Artikel 3 van dit besluit is gelijk aan artikel 1.7 van het Paspoortbesluit, dat weer is overgeheveld vanuit de PUN en PUB. De bepaling is 20166 in die regelingen opgenomen om het mogelijk te maken feitelijke handelingen in het kader van de Paspoortwet niet uitsluitend door ambtenaren, maar ook door gekwalificeerd en bevoegd personeel te laten uitvoeren. Die mogelijkheid moet blijven bestaan voor feitelijke handelingen met betrekking tot de NIK. De betreffende autoriteit aan wie een taak is opgedragen op grond van de wet blijft verantwoordelijk voor de goede uitvoering van de in de bij of krachtens de wet opgedragen werkzaamheden.

Artikel 4

In artikel 4 van dit besluit is, op grond van artikel 17, vierde lid, van de wet, geregeld op welke wijze de nodige zekerheid kan worden verkregen over de identiteit en het Nederlanderschap van de aanvrager van een NIK. Daarbij wordt, net als toen de regelgeving rond de uitgifte van de NIK nog in de paspoortwetgeving was geregeld, zowel gebruik gemaakt van de NIK’s als de reisdocumenten die op naam van de aanvrager zijn gesteld. Deze bepaling sluit aan bij artikel 18 van de wet, waarin is bepaald dat de aanvrager bij zijn aanvraag onder andere alle NIK’s of reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld ter inzage moet overleggen, ongeacht of hun geldigheidsduur is verstreken.

Artikel 4 van dit besluit is ontleend aan het vervallen artikel 2.16 van het Paspoortbesluit, waarin voor de NIK werd bepaald hoe zekerheid kan worden verkregen over het Nederlanderschap. Het bepaalde in dat artikel had ook betrekking moeten hebben op het verkrijgen van zekerheid over de identiteit, zoals dat in artikel 2.1 van het Paspoortbesluit voor bijvoorbeeld nationale paspoorten7 wel is geregeld. Vóór de totstandkoming van het Paspoortbesluit op 1 januari 2021 was de wijze van het verkrijgen van zekerheid over de identiteit, ook bij de aanvraag voor een NIK, geregeld in artikel 22 van de PUN 2001 en in de praktijk is uiteraard ook altijd onderzoek naar de identiteit gedaan bij aanvragen voor een NIK. Dit gebrek is nu hersteld.

Daarnaast is de formulering in plaats van passief nu actief, waarmee ook verduidelijkt is dat het de in artikel 15 van de wet bedoelde autoriteit is die documenten en gegevens gebruikt (eerste lid) en een gericht onderzoek instelt (tweede lid) om duidelijkheid te krijgen over de identiteit en het Nederlanderschap van de aanvrager.

Voorts is in lijn met artikel 2.1 van het Paspoortbesluit voor alle duidelijkheid toegevoegd dat onderzoek naar het Nederlanderschap ook onderzoek omvat naar de behandeling als Nederlander, indien het een persoon betreft op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is.

Verder is verduidelijkt dat, net als toen de regelgeving over de NIK nog onder de Paspoortwet viel, onder de overige bij de tot uitreiking bevoegde autoriteit aanwezige documenten die kunnen worden onderzocht, in ieder geval worden verstaan documenten in verband met eerdere aanvragen van niet alleen Nederlandse identiteitskaarten, maar ook van reisdocumenten. Indien aanwezig kan hierbij overigens ook een kopie van een rijbewijs worden gebruikt om de identiteit vast te stellen, mits uit andere documenten tevens het Nederlanderschap blijkt. Indien onzekerheid bestaat over de identiteit of het Nederlanderschap van de aanvrager, wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, NIK’s of reisdocumenten die op naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken. Ook bij dat laatste geldt dat ook een rijbewijs kan worden gebruikt om de identiteit mee vast te stellen, maar dat uit een ander document daarbij tevens het Nederlanderschap moet blijken omdat het rijbewijs geen bewijs geeft van het bezitten van het Nederlanderschap.

Ten slotte is in het derde lid een delegatiebepaling opgenomen ten behoeve van regeling voor NIK’s van wat nu bijvoorbeeld in artikel 22 van de PUN 2001 is bepaald.

Artikelen 6 en 9

De artikelen 6 en 9 van dit besluit zijn gelijk aan de artikelen 3.2 en 4.2 van het Paspoortbesluit, met dien verstande dat ze alleen van toepassing zijn op de bevoegdheden van de burgemeesters van de aangewezen gemeenten voor het in ontvangst nemen van aanvragen voor respectievelijk verstrekking van (vervangende) NIK’s. Het betreft aanvullende bevoegdheden ten opzichte van artikel 15 en artikel 25 van de wet op grond van de onderdelen d van beide artikelen.

Artikel 6, eerste lid, onderdeel a, en artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van dit besluit betreffen het verrichten van taken door de zogenoemde «grensgemeenten». Deze gemeenten, die niet in het besluit zelf bij naam worden genoemd, maar in de Regeling Nederlandse identiteitskaart zijn opgenomen, zijn ook bevoegd ten aanzien van aanvragers die niet in een gemeente in Nederland in de basisregistratie personen staan ingeschreven om aanvragen in ontvangst te nemen en NIK’s te verstrekken. Hiermee wordt Nederlanders die in het buitenland wonen of tijdelijk in het buitenland verblijven een extra mogelijkheid geboden hun NIK aan te vragen en verstrekt te krijgen. Naast de optie dit bij een post in het buitenland te doen, kan dit ook bij een van de in de Regeling Nederlandse identiteitskaart daartoe aangewezen gemeenten.

Artikel 6, eerste lid, onderdeel b, en artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van dit besluit betreffen het verrichten van taken door aangewezen gemeenten voor het aanvragen en verstrekken van NIK’s aan gedetineerden die verblijven in een penitentiaire inrichting (PI) in die aangewezen gemeente. Zo kunnen zij tijdens hun detentie gemakkelijker een NIK aanvragen, wat hun re-integratie na het verlaten van de PI ten goede komt. Ook deze gemeenten zijn aangewezen in de Regeling Nederlandse identiteitskaart. Deze bevoegdheden zijn in 2023 in het Paspoortbesluit opgenomen8 en zijn nu overgeheveld naar het onderhavige besluit.

Het tweede lid van de artikelen 6 en 9 van dit besluit regelt de bevoegdheid die specifiek aan de burgemeester van Haarlemmermeer is toegekend. Omdat de NIK tevens een inlogmiddel is voor DigiD Hoog, is het belangrijk om ook inwoners van de Caribische landen en Caribisch Nederland in staat te stellen een NIK aan te vragen en te verkrijgen in hun eigen woonplaats. Hiervoor geldt overigens wel dat zij moeten beschikken over een burgerservicenummer. In Caribisch Nederland worden de NIK’s op grond van artikel 15, onderdeel b, van de wet uitgegeven door de gezaghebber. Voor de uitgifte in de Caribische landen kunnen aanvragers voor het aanvragen en verstrekt krijgen van de NIK (en de bijbehorende pinbrief) terecht bij de vestigingen van de Vertegenwoordiging van de Nederlandse regering bij de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Van daaruit wordt de aanvraag doorgezet naar de gemeente Haarlemmermeer. De Nederlandse vertegenwoordigingen vervullen daarmee als het ware een front-officefunctie. De aanvraag wordt in behandeling genomen en inhoudelijk getoetst door de gemeente Haarlemmermeer.

Artikel 7

Artikel 7 van dit besluit is ontleend aan artikel 28a van de PUN en het gelijkluidende artikel 42a van de PUB. In artikel 28a, vierde lid, van de PUN is geregeld dat geen vingerafdrukken worden opgenomen indien de aanvrager op het moment van de aanvraag jonger is dan twaalf jaar. Nu artikel 3, derde lid, van de wet een grondslag biedt om dit ook op het niveau van een algemene maatregel van bestuur te regelen en het bepaalde in die artikelen uit de PUN en de PUB zich minder leent voor regeling op het niveau van een ministeriële regeling (er is geen sprake van voorschriften van administratieve of gedetailleerde aard), is er voor dit nieuwe besluit voor gekozen dit te regelen in artikel 7, onderdeel a.

In artikel 28a, vijfde lid, van de PUN is geregeld dat indien van de aanvrager geen vingerafdrukken worden opgenomen, in de aanvraag de reden daarvoor wordt vermeld. Zo geformuleerd lijkt het enkel een administratieve bepaling, maar inhoudelijk volgt uit de bepaling feitelijk ook dat in bepaalde gevallen geheel kan worden afgezien van het opnemen van vingerafdrukken. Het regelen van de gevallen waarin kan worden afgezien van het opnemen van twee vingerafdrukken leent zich voor regeling in een algemene maatregel van bestuur. Uit het vijfde lid van artikel 28a PUN valt in samenhang met het zesde lid af te leiden dat in het geheel van het nemen van vingerafdrukken wordt afgezien, indien de daartoe aangewezen persoon van oordeel is dat het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om van de aanvrager te verlangen dat bij hem op het moment van het indienen van de aanvraag überhaupt vingerafdrukken worden opgenomen. Uit artikel 28a, derde lid, van de PUN volgt dat indien van slechts één vinger een afdruk van voldoende kwaliteit kan worden opgenomen, uitsluitend de afdruk van die vinger wordt opgenomen. Ook dat is een bepaling waarin wordt afgezien van het opnemen van vingerafdrukken, nu op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet de opname van twee vingerafdrukken is voorgeschreven. Gelet op het voorgaande is de formulering aangepast en zijn nu in artikel 7, aanhef en onderdeel b, van dit besluit de gevallen omschreven waarin van het opnemen van vingerafdrukken overeenkomstig artikel 3, derde lid, van de wet (dus in samenhang met de uitwerking daarvan in de Regeling Nederlandse identiteitskaart (zie ook volgend alinea)) van een of meer vingerafdrukken wordt afgezien.

Het vijfde lid van de PUN bepaalt overigens nog dat bij gerede twijfel of het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om twee vingerafdrukken op te nemen, van de aanvrager kan worden verlangd, dat deze daartoe een door een bevoegde arts of medische instelling ondertekende verklaring overlegt. Op grond van artikel 7, derde lid, kan dat worden geregeld bij ministeriële regeling.

Het eerste, tweede en derde lid van artikel 28a van de PUN gaan gedetailleerd in op van welke vingers exact afdrukken worden gemaakt. Deze regels zijn, net als het al genoemde zesde lid over het vermelden in de aanvraag dat geen vingerafdrukken worden opgenomen, gedetailleerd of administratief van aard, zodat zij zich lenen voor regeling bij ministeriële regeling op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet, respectievelijk artikel 26, onderdeel b, van dit besluit in samenhang met artikel 17, vierde lid, van de wet.

Uit artikel 3, tweede lid, van de wet volgt dat de vervangende NIK niet is voorzien van vingerafdrukken.

Artikel 8

Artikel 8 van dit besluit is gebaseerd op artikel 3, derde lid, van de wet en is ontleend aan artikel 29 van de PUN en het gelijkluidende artikel 43 van de PUB. In artikel 29 van de PUN is geregeld dat indien de persoon aan wie het aangevraagde reisdocument moet worden verstrekt door leeftijd of een handicap niet in staat is zijn handtekening te plaatsen, daarvan melding wordt gemaakt in de aanvraag. Zo geformuleerd lijkt het enkel een administratieve bepaling, maar inhoudelijk volgt uit de bepaling feitelijk ook dat in bepaalde gevallen kan worden afgezien van het opnemen van een handtekening. Dat is relevant voor de aanvrager en leent zich daarom voor regeling in een algemene maatregel van bestuur. De formulering is daarom aangepast en nu omschreven als gevallen waarin van het opnemen van een handtekening kan worden afgezien. Dat van het afzien ook een vermelding wordt gedaan in de aanvraag, is, net als bij de vermelding van het afzien van het opnemen van vingerafdrukken, op grond van artikel 26, onderdeel b, van dit besluit, in samenhang met artikel 17, vierde lid, van de wet, geregeld in de Regeling Nederlandse identiteitskaart.

Artikel 10

Artikel 10 van dit besluit is gebaseerd op artikel 27, vijfde lid, van de wet. Dat tot uitreiking van een NIK slechts wordt overgegaan nadat de identiteit van de aanvrager in zijn aanwezigheid is vastgesteld, gold eerder op grond van artikel 4.6 van het Paspoortbesluit. In dat artikel van het Paspoortbesluit is nog toegevoegd dat artikel 28, derde lid, van de wet, van overeenkomstige toepassing is. In dat artikel is bepaald dat persoonlijke verschijning niet aan de orde is, indien dat om zwaarwegende redenen niet van de aanvrager kan worden gevergd en de betreffende autoriteit van oordeel is dat op andere wijze voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit, de nationaliteit en de verblijfstitel van de aanvrager. De uitzondering gold niet bij het aanvragen van een NIK en om die reden is die uitzondering ook niet opgenomen in het met artikel 28 van de Paspoortwet corresponderende artikel 17 van de wet.9 In artikel 17 van de wet is de uitzondering ook niet van toepassing op de vervangende NIK.10 Derhalve is verwijzing naar die uitzondering in artikel 4.2 van dit besluit niet aan de orde.

Artikel 12

De inhoud van artikel 12, eerste en tweede lid, van dit besluit is overgenomen van artikel 65, eerste en tweede lid, van de PUN en artikel 76, eerste en tweede lid, van de PUB en toegespitst op de NIK. In dit artikel wordt bepaald welke autoriteiten in welke gevallen bepaalde gegevens moeten melden aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: Minister van BZK) in verband met vermelding in het register paspoortsignalering (het register dat wordt bijgehouden op grond van artikel 25 van de Paspoortwet, hierna: RPS) van de houder van een van rechtswege vervallen NIK. Deze bepaling is bepalend voor het al dan niet opnemen van iemand in het RPS en leent zich daarom beter voor regeling in een algemene maatregel van bestuur dan in een ministeriële regeling. De vermelding in het RPS in deze gevallen hangt samen met de inleverplicht die is geregeld in artikel 38 van de wet. Welke gegevens in deze gevallen worden geregistreerd in het RPS is bepaald in artikel 30, tweede lid, van de wet.

Artikel 12, derde lid, van dit besluit biedt de grondslag om bij ministeriële regeling administratieve regels te stellen over de wijze waarop de betreffende mededeling moet worden gedaan, zoals dat voor de reisdocumenten was gedaan in artikel 65, derde lid, van de PUN (vaststelling van een te gebruiken formulier).

Overigens is er bewust voor gekozen om artikel 65, vierde tot en met zesde lid, van de PUN (en daarmee vergelijkbare bepalingen in bv. de PUB) niet op vergelijkbare wijze als artikel 65, eerste tot en met derde lid, van de PUN, op te nemen in dit besluit. Die artikelleden hebben betrekking op het register vermiste of vervallen reisdocumenten en dat register zal binnen afzienbare tijd (naar verwachting halverwege 2025) komen te vervallen. Die bepalingen zijn dan dus niet meer nodig. Zie verder de toelichting bij de artikelen 5a en 51 van de wet.11

Artikel 13

In artikel 13, eerste lid, van dit besluit zijn ter uitwerking van artikel 39 van de wet de gronden geregeld voor het onttrekken aan het verkeer van een NIK. In onderdeel a is geregeld dat een (vervangende) Nederlandse identiteitskaart definitief aan het verkeer wordt onttrokken indien het daartoe, al dan niet bij de uitreiking van een NIK of een reisdocument, is ingeleverd. Artikel 13 van dit besluit is ontleend aan artikel 7.1 van het Paspoortbesluit. Daarin was hetzelfde geregeld, waarbij overigens het expliciet noemen van de NIK niet nodig was, omdat op grond van de Paspoortwet gold dat in beginsel hetgeen bij of krachtens die wet was bepaald ten aanzien van reisdocumenten, van overeenkomstige toepassing was op de NIK en de vervangende NIK. Op grond van artikel 32 van de Paspoortwet moet een aanvrager van een reisdocument bij uitreiking daarvan in beginsel alle reisdocumenten en vervangende NIK die op zijn naam zijn gesteld inleveren. Om die reden zijn in artikel 13, eerste lid, onder a, van dit besluit ook de reisdocumenten genoemd als documenten bij uitreiking waarvan in dit geval alleen de vervangende NIK definitief aan het verkeer wordt onttrokken.

De achtergrond van het bovenstaande is dat het wél is toegestaan om naast een reisdocument een NIK te hebben, maar niet een vervangende NIK. Een vervangende NIK wordt immers uitgereikt aan iemand aan wie op grond van artikel 3 van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (hierna: Twbmt) een verbod is opgelegd om het Schengengebied te verlaten, in welk geval op dat moment geldende reisdocumenten en NIK van rechtswege vervallen (artikel 47, eerste lid, onderdeel i, van de Paspoortwet en artikel 30, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart). Dat was al zo voordat de regelgeving rond de uitgifte van de NIK over ging naar de Wet op de Nederlandse identiteitskaart en is zo gebleven. Zie voor meer informatie de memories van toelichting bij het wetsvoorstel12 en het voorstel van rijkswet.13

In artikel 13, onderdeel b, van dit besluit is, anders dan in artikel 7.1 van het Paspoortbesluit, niet bepaald dat een NIK definitief aan het verkeer wordt onttrokken indien deze vervallen is verklaard. Een NIK kan, anders dan reisdocumenten, namelijk niet vervallen worden verklaard.

Uit artikel 13, eerste lid, onderdeel d, van dit besluit volgt dat de burgemeester, anders dan de gezaghebber, de Minister van Buitenlandse Zaken en de commandant van de Koninklijke Marechaussee, een gevonden NIK die hij heeft ontvangen, niet terug mag geven aan de houder. Dat was eerder ook al zo onder het Paspoortbesluit. Meer achtergrondinformatie hierover is te vinden in de toelichting bij artikel 7.1 van het Paspoortbesluit (Stb. 2020, 418) en de toelichting bij artikel I, onderdeel Aa, artikel III, onderdelen C en D, van de Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 oktober 2016, houdende wijziging van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001, de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 en de Paspoortuitvoeringsregeling Koninklijke Marechaussee in verband met de verbetering van het afgifteproces van het paspoort en de Nederlandse identiteitskaart en de invoering van de vervangende identiteitskaart (Stcrt 2016, 59294).

Het tweede en derde lid van artikel 7.1 van het Paspoortbesluit zijn niet overgenomen in dit besluit, omdat deze geen betrekking hebben op de NIK.

Het tweede lid van artikel 13 van dit besluit biedt, op grond van artikel 39 van de wet, de grondslag om nadere regels te stellen over de wijze waarop een NIK aan het verkeer wordt onttrokken.

Artikel 14

Artikel 14 van dit besluit geeft uitvoering aan artikel 3, zevende lid, van de wet, waarin ten aanzien van de Nederlandse identiteitskaartenadministratie die door de tot uitreiking bevoegde autoriteiten moet worden bijgehouden is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de verwerking van gegevens in de genoemde administratie. Het derde lid biedt de grondslag om nadere regels te stellen. Het artikel is gelijk aan artikel 8.1 van het Paspoortbesluit.

Artikel 15

Artikel 15 van dit besluit bevat de uitwerking van artikel 4, vierde lid, van de wet. Daarin is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de technische en organisatorische inrichting van de voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de vervaardiging en het kunnen gebruiken van het publiek identificatiemiddel en de daarmee samenhangende verwerking van gegevens. Voor een groot deel horen deze regels thuis in de wetgeving waarin elektronische overheidsdienstverlening in den brede is geregeld, de Wet digitale overheid en de daaronder vallende besluiten en ministeriële regelingen. Echter waar het de vervaardiging van het publiek identificatiemiddel betreft, raakt dit aan de vervaardiging van de NIK inclusief de applet met het publieke identificatiemiddel dat hierop is geplaatst. Het is van belang dat bij de vervaardiging van de applet rekening wordt gehouden met de geldende eisen op het gebied van data- en informatieveiligheid. Daartoe is in artikel 15 van dit besluit bepaald dat waar de Minister van BZK de technische en organisatorische voorzieningen ten behoeve van het publiek identificatiemiddel door de producent laat realiseren, hij hierbij voorschriften opstelt met eisen die ten minste zien op informatieveiligheid, data integriteit, vertrouwelijkheid en de bescherming (beveiliging) van persoonsgegevens. Gedacht moet worden aan voorschriften die deel uitmaken van overeenkomsten met de producent van de identiteitskaart met daarop het inlogmiddel voor DigiD Hoog.

Artikel 15 van dit besluit is gelijk aan het oude artikel 8.2 van het Paspoortbesluit. Dat laatste artikel is in het Paspoortbesluit vervallen, omdat het publiek identificatiemiddel voor de vervaardiging waarvan in dit artikel eisen worden gesteld, alleen wordt geplaatst op de NIK en derhalve niet meer in het Paspoortbesluit thuishoort.

Hoofdstukken 4 en 5 (artikelen 16 tot en met 25)

In de hoofdstukken 4 (Kosten, verschuldigd ter zake van Nederlandse identiteitskaarten) en 5 (Rechten, verschuldigd ter zake van Nederlandse identiteitskaarten) van dit besluit zijn de tarieven overgenomen die eerder in het Besluit paspoortgelden stonden met betrekking tot de NIK en de vervangende NIK. Het gaat om:

  • – de tarieven voor de aan het rijk verschuldigde kosten voor een NIK en een vervangende NIK (artikel 19, eerste lid),

  • – de tarieven voor de van de aanvrager op grond van de toepasselijke gemeentelijke verordening of eilandsverordening ten hoogste te heffen rechten voor de NIK en de vervangende NIK (artikel 19, tweede lid),

  • – de tarieven voor de op grond van de toepasselijke gemeentelijke verordening ten hoogste te heffen rechten voor een aanvrager die niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven (artikel 19, derde lid),

  • – de tarieven voor de rechten die ten bate van het Rijk van een aanvrager buiten het Koninkrijk kunnen worden geheven (artikel 24, eerste lid).

De tarieven in artikel 19, eerste, tweede en derde lid, van dit besluit zijn zowel in euro’s als Amerikaanse dollars (USD) opgenomen. De bedragen in USD hebben betrekking op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In artikel 19, derde lid, van dit besluit zijn aanvullend daarop de tarieven ook opgenomen in Caribische guldens (XCG, Sint Maarten en Curaçao) en Arubaanse florins (Aruba). Die tarieven zijn bedoeld voor de burgemeester van Haarlemmermeer, die op grond van de artikelen 6, tweede lid, en 9, tweede lid, van dit besluit bevoegd is voor aanvragen en verstrekkingen aan personen die in de basisadministratie van Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn ingeschreven (en dus niet als ingezetene in de basisregistratie personen zijn ingeschreven) en hun aanvraag aldaar kunnen doen bij de vestigingen van de Vertegenwoordiging van de Nederlandse regering bij de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (zie verder de toelichting bij de artikelen 6 en 9 van dit besluit).

Voor de tarieven in artikel 19 van dit besluit zijn ook bepalingen opgenomen over toeslagen voor spoedlevering en versnelde uitreiking14 (artikel 19, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c), thuisbezorging (artikel 19, tweede lid, onderdeel d, en derde lid, onderdeel c) en over in welke gevallen de tarieven niet worden geheven (artikel 19, vierde en vijfde lid). Vergelijkbare bepalingen zijn opgenomen voor de tarieven in artikel 24 van dit besluit: over bezorging (artikel 24, eerste lid, onderdeel c), versnelde aanvraag15 (artikel 24, eerste lid, onderdeel d) en over wanneer tarieven niet worden geheven (artikel 24, tweede lid). Voorts is in artikel 24, eerste lid, onderdeel e, van dit besluit nog een toeslag opgenomen voor het aanvragen van een NIK buiten het Koninkrijk op een andere locatie dan die van de door de Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen posten.

Overigens is, net als in het Besluit paspoortgelden, geen toeslag geregeld voor spoedlevering en versnelde uitreiking van de vervangende NIK. In de praktijk is spoedlevering en versnelde uitreiking namelijk niet mogelijk, omdat altijd bij de betreffende gemeente nog wordt geverifieerd of het inderdaad een aanvraag van een vervangende NIK betreft. Thuisbezorging blijft wel mogelijk.

Naast de artikelen waarin de concrete tarieven staan, zijn ook artikelen opgenomen waarin is bepaald dat gemeenten en openbare lichamen de tarieven in artikel 19, eerste lid, van dit besluit verschuldigd zijn (en wanneer ze niet verschuldigd zijn) (artikelen 16 en 17 van dit besluit) en de wijze waarop het af te dragen bedrag wordt vastgesteld en afgedragen (artikel 18 van dit besluit).

Voor de tarieven die zijn vastgesteld in artikel 24 van dit besluit zijn de artikelen 20 tot en met 23 en 25 relevant. Daarin is kort gezegd bepaald wie bevoegd zijn om de betreffende tarieven te heffen (artikel 20), zijn regels opgenomen rond eventuele kwijtschelding (artikelen 21 en 22), is bepaald hoe de vaststelling van de valuta waarin de betaling van de tarieven in het buitenland plaatsvindt (artikel 23) en is de wijze van heffing van de tarieven geregeld (artikel 25).

Voor alle artikelen in de hoofdstukken 4 en 5 van dit besluit geldt dat deze ongewijzigd zijn overgenomen uit het Besluit paspoortgelden. Uiteraard zijn onderdelen van het Besluit paspoortgelden die geen betrekking hadden op de NIK (omdat ze specifiek gelden voor andere documenten dan de NIK of betrekking hebben op autoriteiten die een bevoegdheden hebben met betrekking tot de uitgifte van de NIK, zoals de Gouverneurs) niet overgenomen.

Artikel 26

Enkele bepalingen in met name de PUN en de PUB, die ook nodig zijn voor regeling onder de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, zijn zodanig administratief (technisch) of gedetailleerd van aard, dat zij zich niet lenen voor regeling in dit besluit. Denk aan de statusgegevens van de NIK, de statusgegevens van de NIK als publiek identificatiemiddel en allerlei andere regels over de wijze en het moment van aanleveren van gegevens ten behoeve van het basisregister reisdocumenten vastgelegd. Daarover zijn regels gesteld in de Regeling Nederlandse identiteitskaart op grond van artikel 5, vierde lid, van de wet. Voor enkele artikelen (bijvoorbeeld artikel 34 van de wet) geldt dat er nu geen regels zijn voorzien; desalniettemin is het wenselijk om, net als onder de Paspoortwet, de mogelijkheid te behouden om in de toekomst administratieve en/of technische uitvoeringregels vast te kunnen stellen op het niveau van een ministeriële regeling. Onderdeel a van artikel 26 van dit besluit biedt, gelet op het voorgaande, de grondslag om regels te stellen over onderwerpen waarover in dit besluit geen nadere regels zijn gesteld.

In onderdeel b van artikel 26 van dit besluit is de mogelijkheid opgenomen om regels te stellen ter uitvoering van bepaalde artikelen uit de wet, naast wat ter uitvoering van diezelfde artikelen al is geregeld in dit besluit. Ook hier gaat het dan om onderwerpen van administratieve (technische) of gedetailleerd aard, of onderdelen die geregeld en vaak op korte termijn wijziging behoeven. Een voorbeeld is artikel 2, derde lid, van de wet, dat, naast de geldigheidsduur van de NIK, ook het vaststellen van de modellen delegeert. De modellen blijven, net als onder de Paspoortwet, geregeld op het niveau van een ministeriële regeling (de Regeling Nederlandse identiteitskaart) en zijn dus een uitvoering van artikel 2, derde lid, van de wet naast de geldigheidsduur, die in artikel 5 van dit besluit is vastgelegd.

Een ander voorbeeld is artikel 17, vierde lid, van de wet. Op grond van dat artikellid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de gegevens die in de aanvraag worden opgenomen en de wijze waarop dit gebeurt, over de door de betrokkene in het kader van het aanvraag- en uitgifteproces van identiteitskaarten over te leggen bescheiden en de beoordeling daarvan en over de beveiliging van dit proces. Artikel 4 van dit besluit, over de gegevens die gebruikt worden om zekerheid te krijgen over de identiteit en het Nederlanderschap van de aanvrager, is een uitwerking daarvan. In de Regeling Nederlandse identiteitskaart zijn vele meer administratieve en gedetailleerde (technische) regels opgenomen rond het aanvraagproces die grotendeels geen uitwerking zijn van artikel 4, maar regels stellen ten aanzien van andere aspecten van het aanvraagproces.16 Voor zover die regels wel een uitwerking zijn van artikel 4 van dit besluit, vinden die hun grondslag in artikel 4, vierde lid.

Overigens is artikel 26 van dit besluit niet de enige grondslag voor het stellen van nadere regels. Diverse artikelen van dit besluit bevatten een eigen, specifieke, delegatiegrondslag.

Artikel 27

Artikel 27 van dit besluit hangt samen met de Twbmt. Op grond van artikel 12 van de wet wordt een vervangende NIK uitgereikt aan iemand aan wie op grond van artikel 3 van de Twbmt een verbod is opgelegd om het Schengengebied te verlaten. Op grond van artikel 13, tweede lid, van de Twbmt vervalt die wet met ingang van 1 maart 2027. Artikel 27 van dit besluit regelt in aansluiting daarop dat alles wat samenhangt met de vervangende NIK in dit besluit vervalt met ingang van 1 maart 2027.

Artikel 27 van dit besluit treedt logischerwijs pas in werking wanneer de Twbmt vervalt.

Op dit moment is er echter een wetsvoorstel aanhangig bij de Tweede Kamer om de Twbmt permanent te maken.17 Als dat voorstel in werking treedt voordat de Twbmt per 1 maart 2027 vervalt, zal artikel 27 dus ook niet in werking treden.

Artikel 28

In artikel 28 wordt in bijlage I, onder B, een onderdeel 3 toegevoegd, namelijk de uitwerking van de gegevens die in de basisadministraties persoonsgegevens BES worden geregistreerd en die noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart. Nu op grond van artikel 45 van het wetsvoorstel, in verband met de ontvlechting van de NIK, aan 10, eerste lid, onderdeel b, van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES naast onderdeel 1° over reisdocumenten (dat onder de huidige wetgeving ook de NIK omvat) een nieuw onderdeel 3° is toegevoegd over NIK’s, moet dat nieuwe onderdeel 3° ook in bijlage I, onder B, van het Besluit t basisadministraties persoonsgegevens BES worden uitgewerkt. Inhoudelijk komt dit nieuwe onderdeel 3 overeen met onderdeel 1, waarbij uiteraard het begrip «reisdocument» is vervangen door «Nederlandse identiteitskaart» en waarbij wordt verwezen naar de Wet op de Nederlandse identiteitskaart in plaats van de Paspoortwet. Bij het gegeven «» code van het openbaar lichaam waar het dossier met betrekking tot de Nederlandse identiteitskaart zich bevindt « is anders dan bij de gegevens noodzakelijk in verband met de uitvoering van de Paspoortwet niet opgenomen dat het ook om de code van Aruba, Curacao of Sint Maarten zou kunnen gaan; die autoriteiten geven immers geen NIK’s uit en beschikken derhalve niet over dergelijke dossiers.

Artikel 29

In artikel 29 van dit besluit zijn de aanpassingen opgenomen die als gevolg van de overheveling van de NIK naar een eigen wet noodzakelijk zijn in het Besluit basisregistratie personen (hierna: Besluit BRP). Ten eerste wordt in onderdeel A bij de taken, genoemd in artikel 31, onderdeel f, onder 2, van het Besluit BRP voortaan voor de taken betreffende de aanvraag, verstrekking en uitreiking van de NIK verwezen naar de toepasselijke artikelen uit de Wet op de Nederlandse identiteitskaart. Het gaat in dit geval om de taken in verband waarmee de Minister van Buitenlandse Zaken een verzoek kan doen om iemand als niet-ingezetene in te schrijven in de basisregistratie personen of in verband waarmee de Minister van Buitenlandse Zaken opgave doet van een wijziging of aanvulling van algemene gegevens van een reeds ingeschreven niet-ingezetene bij de Minister van BZK.

Ten tweede wordt in onderdeel B aan bijlage 1 bij het Besluit BRP een rij toegevoegd. Het betreft geen nieuwe gegevens. De in de nieuwe rij opgenomen gegevens zijn de gegevens omtrent de NIK die noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart. Eerder waren deze gegevens onderdeel van de gegevens omtrent het reisdocument die noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van de Paspoortwet.

Ten derde wordt in onderdeel C bijlage 6 bij het Besluit BRP gewijzigd. Het gaat om de gegevens die versterkt mogen worden op grond van artikel 43 van dat besluit. Het gaat onder andere om de algemene gegevens, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, 7° en 12°, van de wet. Nu op grond van artikel 46 van het wetsvoorstel, in verband met de ontvlechting van de NIK, naast onderdeel 12° over reisdocumenten (dat onder de huidige wetgeving ook de NIK omvat) een nieuw onderdeel 13° is toegevoegd over identiteitskaarten, moet dat nieuwe onderdeel 13° ook in bijlage 6 van het Besluit BRP worden toegevoegd.

Ten vierde wordt in onderdeel D bijlage 7 bij het Besluit BRP gewijzigd. Het komt er kort gezegd op neer dat datgene wat in de derde rij werd geregeld over taken betreffende de aanvraag, verstrekking en uitreiking van een NIK onder verwijzing naar de Paspoortwet is overgeheveld naar een nieuwe vierde regel, waarin wordt verwezen naar de Wet op de Nederlandse identiteitskaart voor de autoriteiten aan wie en de taken waarvoor op verzoek gegevens worden verstrekt op grond van artikel 43a van het Besluit BRP. Het betreft nu een verstrekking op grond van artikel 43a, tweede lid, van het Besluit BRP, namelijk de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van andere dan bij of krachtens een rijkswet, namelijk de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, opgedragen taken waarmee de betrokken autoriteiten op grond van de voor hen geldende wetgeving zijn belast.

De bevoegde autoriteiten, genoemd in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, zijn de gezaghebber in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover het personen betreft die in de bevolkingsadministratie van het openbaar lichaam zijn opgenomen.

De derde en vierde kolom van de nieuwe vierde rij zijn identiek aan de derde rij waarin een en ander eerder geregeld was, en gaan over de clausulering van het gebruik van BRP-gegevens door de ontvangende partij (bevoegde autoriteit) en over de categorieën algemene gegevens die ten hoogste uit de basisregistratie kunnen worden verstrekt aan de betreffende autoriteit. Voor meer achtergrondinformatie wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het Besluit van 10 juli 2023 tot wijziging van het Besluit basisregistratie personen in verband met onder andere de aanwijzing van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ten behoeve van de inschrijving als niet-ingezetene van studenten uit met name het Caribisch deel van het Koninkrijk, alsmede van het Besluit burgerservicenummer in verband met een aanpassing in de beheervoorziening burgerservicenummer (Stb. 2023, 256).

Artikelen 30 en 31

In het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens is in een nieuw tweede lid geregeld dat justitiële gegevens verstrekt kunnen worden ten behoeve van de uitvoering van de Wet op de Nederlandse identiteitskaart. Verstrekking kan op verzoek geschieden aan de Minister van BZK in verband met het vermelden van een persoon in het register paspoortsignaleringen (dat op grond van artikel 25 van de Paspoortwet ook voor de NIK wordt bijgehouden) en aan de autoriteiten die bevoegd zijn om een NIK te weigeren in verband met het nemen van een beslissing tot weigering van een NIK. De enige weigeringsgrond voor de NIK is een weigering indien de betrokken persoon een verbod is opgelegd als bedoeld in artikel 3 van de Twbmt (artikel 13 van de wet), in welk geval een vervangende NIK kan worden verstrekt (artikel 12 van de wet). Weigering in verband met de gronden die in artikel 24 van de Paspoortwet zijn geregeld was onder de Paspoortwet dus niet mogelijk en is dus ook niet mogelijk onder de Wet op de Nederlandse identiteitskaart, reden waarom de verstrekking aan de autoriteiten, bedoeld in artikel 24 van de Paspoortwet, in verband met het doen van een verzoek tot weigering of vervallenverklaring van een reisdocument, in het tweede lid over de NIK’s niet voorkomt.

Aangezien de enige weigeringsgrond een verbod als bedoeld in artikel 3 van de Twbmt is, vervalt de noodzaak van dit nieuwe tweede lid wanneer de Twbmt op grond van artikel 13, tweede lid, van de Twbmt vervalt. Artikel 31 draait de wijzigingen van artikel 30 om die reden terug, en treedt logischerwijs pas in werking op het moment dat de Twbmt vervalt.

Op dit moment is er echter een wetsvoorstel aanhangig bij de Tweede Kamer om de Twbmt permanent te maken.18 Als dat voorstel in werking treedt voordat de Twbmt per 1 maart 2027 vervalt, zal artikel 31 dus ook niet in werking treden. Zie daartoe ook de toelichting bij artikel 27.

Voor de volledigheid zij vermeld dat wijziging van artikel 4:2, eerste lid, van het Besluit politiegegevens in verband met de totstandkoming van het onderhavige besluit niet nodig is.

Op grond van onderdeel z van dat artikellid kunnen politiegegevens die worden verwerkt overeenkomstig de artikelen 8 en 13, eerste lid, van de Wet politiegegevens, voor zover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, worden verstrekt aan het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten van de Minister van BZK met het oog op de weigering of vervallenverklaring van reisdocumenten zoals bedoeld in artikel 24, onderdeel b, van de Paspoortwet. De NIK en vervangende NIK kunnen, net als eerder onder de Paspoortwet, niet vervallen worden verklaard19 en alleen de NIK kan worden geweigerd, uitsluitend indien de betrokken persoon een verbod is opgelegd als bedoeld in artikel 3 van de Twbmt (zie artikel 13 van de wet). De grond voor weigering of vervallenverklaring, genoemd in artikel 24, onderdeel b, van de Paspoortwet komt dus in de wet niet voor, reden waarom verstrekkingen in verband met die weigeringsgrond in het Besluit politiegegevens niet nodig is.

Artikel 32

Artikel 32 van dit besluit regelt dat de in het besluit opgenomen wijzigingen gelijktijdig in werking treden met de wet. De artikelen 27 en 31 van dit besluit hebben een bijzonder inwerkingtredingsmoment; deze treden in werking met ingang van het tijdstip waarop de Twbmt op grond van artikel 13, tweede lid, van die wet vervalt. Zie daarover de toelichting bij artikel 27 en artikel 31 van dit besluit.

Transponeringstabel

Verordening (EU) 2025/1208

Besluit

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op keuzes bij de invulling van de beleidsruimte

Artikel 3, derde lid (talen)

Lagere regelgeving onder het besluit.

Het woord «identiteitskaart» in ten minste één andere officiële taal.

Bestaande regelgeving (Artikel 3, eerste lid, onder c, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001):

Engels en Frans.

Artikel 3, zevende lid

Artikel 7

– Kinderen onder de twaalf jaar kunnen worden vrijgesteld, en kinderen onder de zes jaar zijn vrijgesteld.

– Personen bij wie het nemen van vingerafdrukken fysiek onmogelijk is, worden vrijgesteld.

Geen vingerafdrukken van alle kinderen onder de twaalf jaar of bij fysieke onmogelijkheid, net als de eerdere regels in de regelingen onder de Paspoortwet.

Artikel 4, eerste lid (geldigheid identiteitskaarten)

Artikel 5

Identiteitskaarten gelden voor minimaal vijf jaar en maximaal tien jaar.

De NIK is in beginsel tien jaar geldig. Bestaand recht uit artikel 2.17 van het Paspoortbesluit wordt voortgezet.

Artikel 4, tweede lid (afwijkende geldigheidsduur bepaalde personen)

Artikel 5

Afwijkende geldigheid mogelijk voor identiteitskaarten voor minderjarigen of personen in speciale of anderszins strikt gelimiteerde omstandigheden (korter dan vijf jaar), en voor personen van zeventig jaar of ouder (langer dan tien jaar.

De Nederlandse identiteitskaart is voor minderjarigen vijf jaar geldig. Bestaand recht (artikel 2.17, eerste lid, van het Paspoortbesluit) wordt voortgezet.

Nederland maakt geen gebruik van kortere geldigheid voor personen in speciale of anderszins strikt gelimiteerde omstandigheden en de langere geldigheid voor personen van zeventig of ouder.

Artikel 4, derde lid (afwijkende geldigheid i.v.m. vingerafdrukken)

Artikel 5, derde lid.

Afwijkende geldigheid van twaalf maanden of minder indien tijdelijk geen vingerafdrukken mogelijk zijn om fysieke redenen.

Geldigheid van één jaar van de NIK bij tijdelijke verhindering om vingerafdrukken af te geven wordt voortgezet.

Artikel 10, tweede lid (procedures verzamelen biometrische gegevens en verschijningsplicht)

Lagere regelgeving onder het besluit.

Lidstaten moeten voor passende en doeltreffende procedures zorgen bij de verzameling van biometrische gegevens.

Bestaande regelgeving (artikel 28a van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001) wordt voortgezet.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, E. van der Burg

BIJLAGE OVEREENKOMSTIGE ARTIKELEN IN HET PASPOORTBESLUIT, BESLUIT PASPOORTGELDEN EN PUN/PUB

Besluit Nederlandse identiteitskaart

Paspoortbesluit

Besluit paspoortgelden

PUN en PUB

1

1.1

1

 

2

1.6

   

3

1.7

   

4

2.16

   

5

2.17

   

6

3.2

   

7

   

28a PUN en 42a PUB

8

   

29 PUN en 43 PUB

9

4.2

   

10

4.6

   

11

4.7

   

12

   

65 PUN en 76 PUB

13

7.1

   

14

8.1

   

15

8.2

   

16

 

2

 

17

 

2a

 

18

 

3

 

19

 

6

 

20

 

7

 

21

 

8

 

22

 

9

 

23

 

10

 

24

 

12

 

25

 

13

 

26

10.1

   

X Noot
1

Kamerstukken II 2024/25, 36 644, nr. 3, p. 1–3.

X Noot
2

Kamerstukken II 2024/25, 36 644, nr. 3, pp. 10 en 49–52.

X Noot
3

Kamerstukken II 2024/25, 36 644, nr. 3, p. 11–20.

X Noot
4

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming).

X Noot
5

Kamerstukken II 2024/25, 36 644, nr. 3, p. 22–23.

X Noot
6

Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 oktober 2016, houdende wijziging van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001, de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 en de Paspoortuitvoeringsregeling Koninklijke Marechaussee in verband met de verbetering van het afgifteproces van het paspoort en de Nederlandse identiteitskaart en de invoering van de vervangende identiteitskaart (Stcrt. 2016, 59294).

X Noot
7

Vgl. het opschrift van paragraaf 1 van hoofdstuk 2 van het Paspoortbesluit: «Nationaal paspoort, diplomatiek paspoort, dienstpaspoort».

X Noot
8

Besluit van 29 juni 2023 tot wijziging van het Paspoortbesluit in verband met identiteitskaarten voor gedetineerden (Stb. 2023, 279).

X Noot
9

Zie verder Kamerstukken II 2024/25, 36 644, nr. 3, p. 37–38 (toelichting bij artikel 17).

X Noot
10

Zie voor de reden hiervoor ook Kamerstukken II 2024/25, 36 644, nr. 3, p. 37138 (toelichting bij artikel 17).

X Noot
11

Kamerstukken II 2024/25, 36 644, nr. 3, p. 33134.

X Noot
12

Toelichting bij artikel 20 in de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2024/25, 36 644, nr. 3, p. 39.

X Noot
13

Toelichting bij artikel I, onderdelen O,P en W, in de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2024/25, 36 443 (R2202), nr. 3, p. 19120.

X Noot
14

Met de term ‘spoedlevering’ worden de werkzaamheden van de producent bedoeld om het document met spoed te produceren. De extra verschuldigde kosten voor een spoedlevering vallen dus onder de aan het Rijk verschuldigde kosten. Met de term ‘versnelde uitreiking’ worden de werkzaamheden van de uitgevende instantie bedoeld om het document sneller dan gebruikelijk uit te reiken. De extra verschuldigde kosten voor een versnelde uitreiking vallen dus onder de van de aanvrager op grond van de toepasselijke gemeentelijke verordening of eilandsverordening ten hoogste te heffen rechten.

X Noot
15

Met de term ‘versnelde aanvraag’ worden de werkzaamheden van de uitgevende instantie bedoeld om de documentaanvraag sneller dan gebruikelijk te behandelen. De extra verschuldigde kosten voor een versnelde aanvraag vallen dus onder de van de aanvrager buiten het Koninkrijk ten hoogste te heffen rechten. Dit betreft geen spoedlevering, omdat die voor een aanvraag buiten het Koninkrijk niet mogelijk is.

X Noot
16

Vgl. o.a. hoofdstukken III (Aanvraagprocedure), XI (Organisatie en beheer van het aanvraagsysteem reisdocumenten) en XII (Beveiliging) van de PUN.

X Noot
17

Kamerstukken II, 2025/26, 36 918, nr. 2.

X Noot
18

Kamerstukken II, 2025/26, 36 918, nr. 2.

X Noot
19

Zie artikel 46a van de Paspoortwet zoals die luidde voor inwerkingtreding van de rijkswet.

Naar boven