Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatsblad 2026, 25 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Financiën | Staatsblad 2026, 25 | AMvB |
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 2 december 2025, nr. 2025-0000462106;
Gelet op artikel 21b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en artikel I, onderdeel E, van de Wet verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing enkele aanvraagtermijnen hersteloperatie toeslagen;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 december 2025, nr. W06.25.00357/III);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 16 januari 2026, nr. 2026-0000022182;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In het Besluit belasting- en invorderingsrente vervalt artikel 3.
Het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na «artikelen» ingevoegd «21b,».
2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «Belastingdienst/Toeslagen» vervangen door «Dienst Toeslagen».
B
In de artikelen 1a, 1b en 2, tweede lid, wordt «Belastingdienst/Toeslagen» telkens vervangen door «Dienst Toeslagen».
C
Artikel 2a, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinssnede «Belastingdienst/Toeslagen» wordt vervangen door «Dienst Toeslagen».
2. Na «alsmede» wordt ingevoerd «in situaties die zien op een berekeningsjaar voorafgaand aan het berekeningsjaar 2026». Voorts wordt toegevoegd «zoals dat luidde op 31 december 2025».
D
Na artikel 2a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Als een type van beschikkingen als bedoeld in artikel 21b, eerste lid, van de wet wordt aangewezen een beschikking op grond waarvan het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, van de belanghebbende, diens partner of diens medebewoner eindigt.
2. De Dienst Toeslagen wordt geacht op de hoogte te zijn van de beschikking op de dag waarop die beschikking in de basisregistratie personen is verwerkt.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat:
a. artikel I en artikel II, onderdelen A, onder 1, C, onder 2, en D, terugwerken tot en met 1 januari 2026;
b. artikel II, onderdeel D, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot beschikkingen die op of na 1 januari 2026 zijn ingeschreven in de basisregistratie personen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 27 januari 2026
Willem-Alexander
De Staatssecretaris van Financiën, S.Th.P.H. Palmen-Schlangen
Uitgegeven de twaalfde februari 2026
De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten
Dit besluit heeft betrekking op een nadere uitwerking van twee verbetermaatregelen binnen het toeslagenstelsel op grond van de Wet verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing enkele aanvraagtermijnen hersteloperatie toeslagen. Ten eerste wordt geregeld dat de Dienst Toeslagen beschikkingen op grond waarvan het rechtmatig verblijf van een belanghebbende, diens partner of medebewoner met terugwerkende kracht eindigt, buiten toepassing laat bij het vaststellen of herzien van een voorschot of een tegemoetkoming over de periode tot en met de dag voorafgaand aan de dag waarop die beschikking in de basisregistratie personen (BRP) is verwerkt. Dit betreft een uitwerking van een in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) opgenomen delegatiegrondslag.1 Ten tweede bevat dit besluit een technische uitwerking van aanpassingen in de Awir om rente op terugvorderingen en nabetalingen van toeslagen af te schaffen.
Dit besluit wijzigt de volgende besluiten:
– Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (UB Awir);
– Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbir).
In de Vreemdelingenwet 2000 is het koppelingsbeginsel opgenomen.2 Dit houdt in dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf3 heeft, geen aanspraak kan maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan.4 Een tegemoetkoming in de zin van de Awir is aan te merken als een uitkering in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. In verband met het koppelingsbeginsel vormt het hebben van rechtmatig verblijf een voorwaarde voor het recht op toeslagen. Als de toeslagaanvrager niet aan deze voorwaarde voldoet, bestaat geen recht op toeslagen. Een vreemdeling verliest dan ook de aanspraak op toeslagen over een bepaalde periode als wordt vastgesteld dat deze persoon gedurende deze periode niet rechtmatig in Nederland verbleef. Met het doorkoppelingsbeginsel5 is beoogd te voorkomen dat een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft indirect kan meeprofiteren van tegemoetkomingen.6 Daarom gelden de genoemde gevolgen van het ontbreken van rechtmatig verblijf niet alleen wanneer een toeslagaanvrager zelf niet rechtmatig verblijft, maar ook wanneer de partner of een medebewoner7 van een toeslagpartner niet rechtmatig in Nederland verblijft.
Wanneer de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) een beschikking neemt op grond waarvan het rechtmatig verblijf van de toeslagaanvrager, diens partner of medebewoner(s) met terugwerkende kracht eindigt, kan dit ertoe leiden dat de toeslagaanvrager over een (soms lange) periode de aanspraak op toeslagen verliest. Als de toeslagaanvrager in deze periode één of meerdere toeslagen heeft ontvangen, worden deze op grond van de huidige wet in principe volledig teruggevorderd over de periode waarin geen sprake was van rechtmatig verblijf. Hiermee kunnen hoge bedragen gemoeid zijn. Het gaat hier naar verwachting om jaarlijks circa 1.000 gevallen.
Met name wanneer het voor een belanghebbende niet voorzienbaar was dat diens rechtmatig verblijf of dat van diens partner of medebewoner met terugwerkende kracht zou eindigen, is het niet wenselijk dat grote negatieve gevolgen ontstaan voor hun toeslagen. Op het moment van het maken van de noodzakelijke kosten waar toeslagen in voorzien, zoals zorgkosten, huurkosten of kosten voor het kind, verbleef de toeslagaanvrager, diens partner of medebewoner, immers volgens de toen beschikbare informatie wel rechtmatig in Nederland en kon deze er dus vanuit gaan dat een aanspraak bestond op een toeslag die deze kosten (deels) zou dekken. Deze kosten vervallen niet met terugwerkende kracht, maar de aanspraak op de toeslag wel.
Bovendien verschilt deze situatie van de meeste andere situaties waarin toeslagen worden teruggevorderd. De meeste terugvorderingen ontstaan door verschillen in de door de toeslagaanvrager geschatte financiële draagkracht en het door de Dienst Toeslagen achteraf vastgestelde verzamelinkomen of vermogen van de toeslagaanvrager of diens partner of medebewoner. Hoewel dergelijke terugvorderingen ook onvoorzien kunnen zijn, wordt aangenomen dat de toeslagaanvrager door het aanwezig zijn van meer draagkracht minder toeslagen nodig had om zorg, huur of kosten van kinderen te kunnen betalen. Deze aanname gaat niet op voor gevallen waarin het rechtmatig verblijf eindigt, omdat dat geenszins een indicatie vormt dat de toeslagaanvrager de kosten waar de toeslag in voorziet had kunnen dragen zonder ondersteuning in de vorm van toeslagen. Met name vanwege de onvoorzienbaarheid van de wijziging van het rechtmatig verblijf en het feit dat deze wijziging geen relatie heeft met de draagkracht van de toeslagaanvrager, kan een hoge terugvordering in deze gevallen al snel leiden tot betalingsproblemen of schulden. Ook zijn terugvorderingen niet eenvoudig te innen door de Dienst Toeslagen als degene bij wie het rechtmatig verblijf is geëindigd Nederland inmiddels heeft verlaten.
Met dit besluit wordt geregeld dat de Dienst Toeslagen beschikkingen op basis waarvan het rechtmatig verblijf van de toeslagaanvrager, diens partner of medebewoner met terugwerkende kracht eindigt, buiten beschouwing laat over de periode vanaf het moment dat het rechtmatig verblijf is geëindigd tot en met de dag voorafgaand aan de dag waarop de beschikking in de BRP is verwerkt. Dit betekent dat reeds toegekende toeslagen over deze periode niet worden teruggevorderd. Als aan de toeslagaanvrager over deze periode alleen een voorschot is uitbetaald, zal dit voorschot evenmin teruggevorderd worden als die terugvordering zou voortkomen uit het eindigen van het rechtmatig verblijf. Het kan voorkomen dat burgers geen of een te laag voorschot hebben aangevraagd, waardoor later een nabetaling volgt. In dat geval kan ook een nabetaling volgen over de periode waarin met terugwerkende kracht geen rechtmatig verblijf bestond. Hiermee wordt voorkomen dat er onderscheid wordt gemaakt tussen burgers die een te hoog of correct voorschot hebben aangevraagd en burgers die geen of een te laag voorschot hebben aangevraagd.
Omdat de Dienst Toeslagen wat betreft het beëindigen van het rechtmatig verblijf slechts beschikt over het gegeven uit de BRP dat het rechtmatig verblijf – al dan niet met terugwerkende kracht – is geëindigd en het moment waarop dit in de BRP is opgenomen, kan de Dienst Toeslagen niet beoordelen of de betrokkene eerder op de hoogte was of had moeten zijn van het feit dat het rechtmatig verblijf zou eindigen. Om de uitvoerbaarheid van deze maatregel te borgen, is niet vereist dat de Dienst Toeslagen nader onderzoek doet naar de omstandigheden van een individuele casus. De Dienst Toeslagen zal alle beschikkingen die het rechtmatig verblijf met terugwerkende kracht beëindigen en die worden verwerkt in de BRP gelijk behandelen.
Een beschikking waarmee het rechtmatig verblijf van de toeslagaanvrager, diens partner of medebewoner met terugwerkende kracht eindigt, blijft buiten beschouwing over de periode tot en met de dag voorafgaand aan de datum van inschrijving in de BRP. Voor het bepalen van de aanspraak vanaf de dag van die inschrijving blijft de beschikking niet langer buiten beschouwing en eindigt de aanspraak op toeslagen vanaf de eerste dag van de eerstvolgende maand.8 Het buiten beschouwing laten van de beschikking is niet gekoppeld aan de datum van de beschikking. Daar is voor gekozen omdat de Dienst Toeslagen niet in de BRP kan zien op welke datum de onderliggende beschikking is gegeven, ofwel de dagtekening van de beschikking. De Dienst Toeslagen kan wel in de BRP zien op welke datum het beëindigen van het rechtmatig verblijf is verwerkt. Daarom wordt omwille van de uitvoerbaarheid deze datum gehanteerd.
De Wet verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing enkele aanvraagtermijnen hersteloperatie toeslagen regelt het afschaffen van het rekenen van rente op terugvorderingen en nabetalingen van toeslagen. Aan het afschaffen van de rente wordt met dit besluit technisch gevolg gegeven.
De organisatie van de Belastingdienst is met ingang van 1 januari 2021 gewijzigd. De onderdelen Douane en Toeslagen zijn met ingang van die datum zelfstandige directoraten-generaal. Om de ontvlechting tot uitdrukking te brengen is op grond van de Fiscale verzamelwet 2024 daarom de onafhankelijke(re) rol van het bestuursorgaan benadrukt door de wettelijke naam te veranderen naar Dienst Toeslagen. De Awir is hierop aangepast. Daarom wordt ook in het UB Awir «Belastingdienst/Toeslagen» vervangen door «Dienst Toeslagen».
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt ter zake van een aantal onderdelen terug tot en met 1 januari 2026. Hiermee wordt aangesloten bij de inwerkingtredingsdatum van de Wet verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing enkele aanvraagtermijnen hersteloperatie toeslagen, zijnde 1 januari 2026. De wijzigingen in dit wijzigingsbesluit vloeien immers grotendeels voort uit maatregelen die zijn opgenomen in die wet. Gevallen waarbij de Dienst Toeslagen na inwerkingtreding van dit besluit op de hoogte wordt gesteld van beschikkingen die zien op het met terugwerkende kracht beëindigen van het rechtmatig verblijf, worden niet langer met terugwerkende kracht verwerkt, ook niet als dit betrekking heeft op een eerder berekeningsjaar.
Deze maatregel is niet van toepassing op beschikkingen die vóór 1 januari 2026 in de BRP zijn ingeschreven. De Dienst Toeslagen verwerkt beschikkingen die vóór 1 januari 2026 in de BRP zijn ingeschreven dus nog wel met terugwerkende kracht. Dit sluit aan bij de bestaande werkwijze van de Dienst Toeslagen, waarbij de aanspraak op toeslagen opnieuw wordt getoetst naar aanleiding van een melding zoals een relevante wijziging in de BRP.
Aan de wijzigingen die zijn opgenomen in deze regeling zijn geen EU-aspecten verbonden.
Als gevolg van deze maatregel geldt voor naar verwachting ongeveer jaarlijks 1.000 belanghebbenden dat de terugwerkende kracht van een beschikking op grond waarvan het rechtmatig verblijf van die belanghebbende zelf of van diens partner of medebewoner eindigt, niet langer negatieve gevolgen heeft voor hun aanspraak op toeslagen (ongeveer 750 gevallen in de zorgtoeslag, 500 in de huurtoeslag, 200 in het kindgebonden budget en 50 in de kinderopvangtoeslag). Afgaande op de gemiddelde toeslagbedragen worden de kosten geraamd op in totaal € 4 miljoen structureel. Dit wordt gefinancierd uit de in het Hoofdlijnenakkoord beschikbaar gestelde enveloppe «groepen in de knel».9
De wijziging met betrekking tot de rente op terugvorderingen en nabetalingen van toeslagen is een technische wijziging en de naamswijziging is een redactionele wijziging. Beide wijzigingen hebben geen budgettaire effecten.
De maatregel «Buiten beschouwing laten van beschikkingen die zien op het met terugwerkende kracht beëindigen van het rechtmatig verblijf» is door de Dienst Toeslagen beoordeeld met een uitvoeringstoets. Hieruit is geconcludeerd dat de maatregel uitvoerbaar is. De maatregel is goed uitlegbaar richting de doelgroep. Grote nadelige financiële gevolgen met betrekking tot het recht op toeslagen door het intrekken van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht worden gemitigeerd. Hiermee worden schrijnende situaties en daarmee complexe casuïstiek binnen de uitvoering voorkomen. Hier staat een licht complexiteit verhogende factor tegenover doordat gebruik moet worden gemaakt van een ander gegeven binnen de geautomatiseerde systemen, namelijk de datum van verwerking van de beschikking in de BRP in plaats van de datum van de beschikking zelf.
De overige wijzingen zijn technisch van aard en hebben geen uitvoeringsgevolgen.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
Artikel 27 Awir regelt dat de Dient Toeslagen rente in rekening brengt en vergoedt op terugvorderingen, onderscheidenlijk nabetalingen, van toeslagen en dat de desbetreffende rentepercentages bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld. Met de inwerkingtreding van de Wet verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing enkele aanvraagtermijnen hersteloperatie toeslagen vervalt artikel 27 Awir. Artikel 3 Bbir regelt de rentepercentages voor genoemde rente op terugvorderingen en nabetalingen van toeslagen. Met het vervallen van artikel 27 Awir vervalt de grondslag om de rentepercentages, bedoeld in artikel 3 Bbir, vast te stellen. Artikel I van dit besluit strekt er daarom toe dat artikel 3 Bbir eveneens vervalt.
De overgangsbepaling die hiertoe in artikel 47b Awir is opgenomen, regelt dat de rentebepalingen in artikel 27 Awir en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op 31 december 2025 van toepassing blijven over de berekeningsjaren tot en met 2025. Dit betekent dat er ten aanzien van deze berekeningsjaren geen gewijzigde (rente)systematiek van toepassing is. Bovendien regelt artikel 47b Awir dat de Dienst Toeslagen voor beschikkingen die vanaf 1 januari 2026 worden genomen over berekeningsjaren tot en met 2025, rekent met een rentepercentage van 0% over zowel terug te vorderen als na te betalen toeslagen vanaf 1 januari 2026 tot en met de datum van de dagtekening van de beschikking. Hiermee wordt bereikt dat er vanaf 2026 geen rente meer wordt gerekend.
In artikel 1, eerste lid, UB Awir is opgenomen aan welke artikelen uit de Awir het besluit uitvoering geeft. Daaraan wordt artikel 21b Awir toegevoegd. Artikel 2b UB Awir vormt namelijk een uitwerking van de delegatiegrondslag die in artikel 21b Awir is opgenomen.
In artikel 1, tweede lid, onderdeel b, UB Awir wordt op grond van artikel II, onderdeel A, onder 2, de verwijzing naar de naam van het bestuursorgaan «Belastingdienst/Toeslagen» vervangen door «Dienst Toeslagen». Deze wijziging betreft enkel een naamswijziging die op 1 januari 2024 in werking is getreden10 en nu ook in het UB Awir wordt verwerkt. Hiermee worden verder geen inhoudelijke gevolgen beoogd. Voor een verdere onderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.
In de artikelen 1a, 1b en 2, tweede lid, UB Awir wordt de verwijzing naar de naam van het bestuursorgaan «Belastingdienst/Toeslagen» steeds vervangen door «Dienst Toeslagen». Voor een toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel II, onderdeel A, onder 2.
In artikel 2a, vierde lid, UB Awir wordt allereerst de verwijzing naar de naam van het bestuursorgaan «Belastingdienst/Toeslagen» vervangen door «Dienst Toeslagen». Voor een toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel II, onderdeel A, onder 2.
De overige wijzigingen van artikel 2a, vierde lid, UB Awir vloeien voort uit het vervallen van artikel 27 Awir op grond van de Wet verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing enkele aanvraagtermijnen hersteloperatie toeslagen en de toevoeging van artikel 47b Awir in de Wet verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing enkele aanvraagtermijnen hersteloperatie toeslagen. De rente, bedoeld in artikel 27 Awir, wordt met de Wet verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing enkele aanvraagtermijnen hersteloperatie toeslagen afgeschaft door middel van het laten vervallen van artikel 27 Awir. Daarnaast regelt artikel 47b Awir overgangsrecht met betrekking tot het rekenen van rente op terugvorderingen en nabetalingen van toeslagen.
Artikel 2a, vierde lid, UB Awir bevat een delegatiegrondslag voor het regelen van termijnverlengingen in het kader van de toepassing van Verordening (EG) nr. 987/2009 (PbEU 2009, L 284) in de situatie dat de Dienst Toeslagen retroactief bevoegd wordt verklaard ter zake van het uitbetalen van een toeslag. Artikel 2a, vierde lid, UB Awir is bedoeld om nadere regels te kunnen stellen als met terugwerkende kracht Nederland prioritair bevoegd blijkt te zijn. Het gaat hierbij om de aanvraagtermijn, beslistermijn en het aanvangstijdstip van het tijdvak waarover rente wordt gerekend bij toeslagen. Ingeval de Dienst Toeslagen retroactief bevoegd blijkt te zijn met terugwerkende kracht tot en met berekeningsjaren die voorafgaan aan 2026, is het van belang dat de rente- en overgangssystematiek uit de artikelen 27 en 47b Awir wordt gevolgd. De wijziging in artikel 2a, vierde lid, UB Awir strekt ertoe dat artikel 27, tweede lid, Awir, zoals dat luidde op 31 december 2025, van toepassing blijft bij het bepalen van het aanvangstijdstip van het tijdvak waarover rente wordt berekend.
In artikel 2b UB Awir wordt geregeld dat de Dienst Toeslagen beschikkingen op grond waarvan het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, van de belanghebbende, diens partner of medebewoner eindigt, buiten beschouwing laat bij het bepalen van het recht op een voorschot of tegemoetkoming over een bepaalde periode, indien deze beschikkingen met terugwerkende kracht zijn vastgesteld. In de praktijk zal deze situatie zich voordoen als de Dienst Toeslagen een door de IND in de BRP verwerkte «code 98» ontvangt. Deze code wordt gebruikt om aan te duiden dat de persoon in kwestie over een bepaalde periode geen rechtmatig verblijf in Nederland houdt of heeft gehouden. Deze melding kan terugwerkende kracht hebben als het rechtmatig verblijf officieel is geëindigd op een datum voordat de melding in de BRP is verwerkt. Met de keuze voor deze verwerkingsdatum komen eventuele vertragingen in het verwerken van het einde van het rechtmatig verblijf in de BRP niet voor rekening van de belanghebbende. Dit voorkomt zoveel mogelijk dat voor de belanghebbende onvoorziene terugvorderingen van toeslagen ontstaan.
Als gevolg van deze maatregel weegt de Dienst Toeslagen in deze situaties de gewijzigde verblijfscode in de BRP enkel mee in het bepalen van het recht op toeslagen over de periode vanaf de datum waarop de verwerking in de BRP plaatsvindt. Het eindigen van het rechtmatig verblijf kan dan enkel vanaf de dag van verwerking in de BRP gevolgen hebben voor het recht op toeslagen van de belanghebbende. De formulering «tot aan de dag» is omwille van de uitvoerbaarheid. De systemen van de Dienst Toeslagen sluiten voor wijzigingen in het recht op toeslagen aan bij de verwerkingsdatum in de BRP als die wijziging voortkomt uit een gegeven dat wordt verwerkt in de BRP. Dit is het geval bij het rechtmatig verblijf, maar ook bijvoorbeeld bij huwelijken en geboorten. Als ook de verwerkingsdatum in de BRP buiten beschouwing zou blijven bij het bepalen van de aanspraak op toeslagen, dan zou dit een grotere systeemwijziging vergen.
A heeft een lopende zorgtoeslag vanaf januari 2024. Over het toeslagjaar 2024 is de definitieve tegemoetkoming al vastgesteld. Voor het toeslagjaar 2025 en de maand januari 2026 zijn voorschotten uitbetaald, maar is nog geen definitieve toekenning vastgesteld. Op 26 januari 2026 ontvangt de Dienst Toeslagen een signaal vanuit de BRP dat het rechtmatig verblijf van A met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 is vervallen. De Dienst Toeslagen stopt als gevolg van de maandsystematiek de zorgtoeslag van A per 1 februari 2026. De definitieve toekenning over 2024 wordt niet herzien. Dit is in lijn met de huidige praktijk. Als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 2b UB Awir blijft de beschikking buiten toepassing wat betreft het toeslagjaar 2025. Ook het voorschot dat is betaald over januari 2026 wordt niet teruggevorderd.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt met betrekking tot de artikelen I en II, onderdelen A, onder 1, C, onder 2, en D, terug tot en met 1 januari 2026. Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn. Voor deze afwijking is gekozen om zo aan te sluiten bij het moment van inwerkingtreding van de Wet verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing enkele aanvraagtermijnen hersteloperatie toeslagen waar de maatregelen in dit besluit grotendeels uit voortvloeien.
Artikel I ziet op het laten vervallen van artikel 3 Bbir dat de rente op terugvorderingen en nabetalingen van toeslagen vaststelt. De delegatiegrondslag voor artikel 3 Bbir is ingevolge de Wet verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing enkele aanvraagtermijnen hersteloperatie toeslagen met ingang van 1 januari 2026 reeds vervallen. Dit is toegelicht in paragraaf 2.2 van deze nota van toelichting. Dientengevolge is het logisch dat artikel 3 Bbir op hetzelfde moment vervalt als de delegatiegrondslag.
Artikel II, onderdelen A, onder 1, C, onder 2, en D, ziet op het door de Dienst Toeslagen buiten beschouwing laten van beschikkingen die zien op het met terugwerkende kracht beëindigen van het rechtmatig verblijf. De delegatiegrondslag op grond waarvan bij algemene maatregel van bestuur bepaalde typen van beschikking kunnen worden aangewezen die de Dienst Toeslagen buiten beschouwing laat is ingevolge de Wet verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing enkele aanvraagtermijnen hersteloperatie toeslagen in werking getreden met ingang van 1 januari 2026. Het besluit is beoogd dat dit besluit ter zake van genoemde onderdelen op dezelfde datum in werking treedt. Gebleken is dat de tijd te kort was om het besluit uit te geven in het Staatsblad voorafgaand aan 1 januari 2026. De terugwerkende kracht die aan deze maatregel is gegeven, is te rechtvaardigen vanwege de begunstigende werking voor belanghebbenden.
Met betrekking tot artikel II, onderdeel D, wordt ten slotte geregeld dat dit onderdeel voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot beschikkingen die op of na 1 januari 2026 zijn ingeschreven in de BRP. Beschikkingen die in de BRP zijn ingeschreven vóór 1 januari 2026 worden dus nog wel met terugwerkende kracht verwerkt. Dit is reeds toegelicht in paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.
De Staatssecretaris van Financiën, S.Th.P.H. Palmen-Schlangen
Artikel 21b Awir voorziet in de mogelijkheid om typen van beschikkingen aan te wijzen waarbij de Dienst Toeslagen met betrekking tot een bepaalde periode een beschikking van een ander bestuursorgaan waaraan terugwerkende kracht is verleend, buiten toepassing laat bij het vaststellen of herzien van een voorschot of een tegemoetkoming.
Op grond van artikel 9, derde lid, Awir, leidt het feit dat een medebewoner niet rechtmatig in Nederland verblijft uitsluitend tot het ontbreken van een aanspraak op toeslagen, wanneer de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte daarvan. Enkel voor de huurtoeslag is de draagkracht van medebewoners van belang. Het hebben van een niet rechtmatig verblijvende medebewoner heeft geen gevolgen voor andere toeslagen.
Wijzigingen zoals het eindigen van rechtmatig verblijf worden ingevolge artikel 5 Awir verwerkt vanaf de eerste dag van de daaropvolgende maand.
Zie de artikelen XI tot en met XVI, XX tot en met XXVI, XXVIII, XXX, en XXXI van de Fiscale verzamelwet 2024.
Artikel 21b Awir voorziet in de mogelijkheid om typen van beschikkingen aan te wijzen waarbij de Dienst Toeslagen met betrekking tot een bepaalde periode een beschikking van een ander bestuursorgaan waaraan terugwerkende kracht is verleend, buiten toepassing laat bij het vaststellen of herzien van een voorschot of een tegemoetkoming.
Op grond van artikel 9, derde lid, Awir, leidt het feit dat een medebewoner niet rechtmatig in Nederland verblijft uitsluitend tot het ontbreken van een aanspraak op toeslagen, wanneer de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte daarvan. Enkel voor de huurtoeslag is de draagkracht van medebewoners van belang. Het hebben van een niet rechtmatig verblijvende medebewoner heeft geen gevolgen voor andere toeslagen.
Wijzigingen zoals het eindigen van rechtmatig verblijf worden ingevolge artikel 5 Awir verwerkt vanaf de eerste dag van de daaropvolgende maand.
Zie de artikelen XI tot en met XVI, XX tot en met XXVI, XXVIII, XXX, en XXXI van de Fiscale verzamelwet 2024.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2026-25.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.