Besluit van 13 juli 2026 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet meer zekerheid flexwerkers

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 juli 2026, nr. 2026-0000221287;

Gelet op artikel VII van de Wet meer zekerheid flexwerkers;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

De Wet meer zekerheid flexwerkers treedt in werking met ingang van 1 januari 2028, met uitzondering van:

  • a. artikel II, onderdeel A, en artikel IV, die in werking treden met ingang van 31 december 2026;

  • b. artikel II, de onderdelen Aa, B, en C, die in werking treden met ingang van 1 januari 2027.

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Myrtoïsche Zee, 13 juli 2026

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief

Uitgegeven de vijftiende juli 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

Met dit inwerkingtredingsbesluit wordt het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet meer zekerheid flexwerkers vastgesteld. Het overgrote deel van deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2028. Dit zijn kort gezegd de wijzigingen omtrent de ketenbepaling, de rechtspositie van uitzendkrachten en oproepwerknemers in het Burgerlijk Wetboek en de daarmee samenhangende wijzigingen van de Wet financiering sociale verzekeringen (artikel III). Voor een aantal onderdelen stelt dit besluit een andere datum van inwerkingtreding vast. Hiermee wordt helderheid verschaft over wanneer deze wijzigingen in werking treden.

De inwerkingtredingsdatum van artikel II, onderdeel A, van deze wet, waarmee artikel 8 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) wordt gewijzigd, wordt vastgesteld op 31 december 2026. Deze bepaling ziet op een wijziging van het voorschrift inzake gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden voor ter beschikking gestelde arbeidskrachten. Artikel IV, dat de samenloop regelt met de inwerkingtreding van de Wet banenafspraak, is inhoudelijk verbonden met artikel II, onderdeel A, en treedt daarom in werking met ingang van dezelfde datum.

De datum van inwerkingtreding van deze bepalingen is hiermee in afwijking van de vaste verandermomenten (zie Aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Deze afwijking is gestoeld op het voldoen aan de met de Europese Commissie overeengekomen mijlpaal in het kader van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF).1 De HVF is een tijdelijk middel waarmee de EU subsidies en leningen aan EU-landen kan geven. Om het voor Nederland gereserveerde geld uit de Europese Herstel- en Veerkrachtfaciliteit te ontvangen, heeft Nederland afspraken gemaakt over te behalen mijlpalen en doelstellingen. Deze zijn onderdeel van het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan (HVP).2 In het HVP staat dat de Wet meer zekerheid flexwerkers en het inwerkingtredingsbesluit uiterlijk 31 augustus 2026 gepubliceerd dienen te zijn, en dat het onderdeel dat ziet op gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden voor terbeschikkinggestelde arbeidskrachten uiterlijk 31 december 2026 inwerking dient te treden.3 Om zo dicht mogelijk aan te sluiten bij de vaste verandermomenten, kiest de regering voor inwerkingtreding van de wet per 31 december 2026.

Met dit inwerkingtredingsbesluit wordt daarnaast de datum van inwerkingtreding van de overige wijzigingen van de Waadi uit de Wet meer zekerheid flexwerkers, vastgesteld, op 1 januari 2027, in lijn met de vaste verandermomenten. Het gaat om artikel II, de onderdelen Aa, B, en C. Met deze onderdelen wordt geregeld dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de hoogte van de redelijke vergoeding uit artikel 9a van de Waadi (onderdeel Aa), dat het verbod tot het ter beschikking stellen van vervangende arbeidskrachten tijdens een werkstaking zich ook richt tot de inlener (onderdeel B), en dat de inlener ook in geval van een tussentijdse wijziging van de arbeidsvoorwaarden degene die de arbeidskracht ter beschikking stelt hierover tijdig dient te informeren (onderdeel C).

De evaluatiebepaling (artikel VI) treedt in werking met ingang van 1 januari 2028, wat betekent dat er binnen drie jaar, en vervolgens binnen vijf jaar na die datum, evaluatie plaatsvindt en wordt verzonden aan de Staten-Generaal. De evaluatiebepaling uit artikel VI van de wet besteedt in het bijzonder aandacht aan het (met artikel II, onderdeel A, van deze wet) gewijzigde artikel 8, vijfde lid, van de Waadi. Deze bepaling treedt in werking met ingang van 31 december 2026. Voor deze bepaling zal, met inachtneming van de doorlopende monitoring (zie de toelichting bij het gewijzigd amendement van het lid Patijn, ter vervanging van dat gedrukt onder nr. 104) na drie jaar na inwerkingtreding van die bepaling een evaluatie plaatsvinden, en worden gedeeld met de Staten-Generaal.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief


X Noot
1

Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PbEU 2021 L 57).

X Noot
2

Proposal for a Council implementing decision amending the Implementing Decision of 4 October 2022 on the approval of the assessment of the recovery and resilience plan for the Netherlands, COM(2026) 298 final.

X Noot
3

Annex to the Proposal for a Council implementing decision amending the Implementing Decision of 4 October 2022 on the approval of the assessment of the recovery and resilience plan for the Netherlands, p. 35, 37.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2026/26, 36 746, nr. 40.


X Noot
1

Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PbEU 2021 L 57).

X Noot
2

Proposal for a Council implementing decision amending the Implementing Decision of 4 October 2022 on the approval of the assessment of the recovery and resilience plan for the Netherlands, COM(2026) 298 final.

X Noot
3

Annex to the Proposal for a Council implementing decision amending the Implementing Decision of 4 October 2022 on the approval of the assessment of the recovery and resilience plan for the Netherlands, p. 35, 37.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2026/26, 36 746, nr. 40.

Naar boven