Besluit van 4 mei 2026 tot wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/927 tot wijziging van de richtlijnen 2011/61/EU en 2009/65/EG (Besluit implementatie gewijzigde AIFM-richtlijn en icbe-richtlijn)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 17 maart 2026, 2026-0000079651, directie Financiële Markten;

Gelet op Richtlijn (EU) 2024/927 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 tot wijziging van de richtlijnen 2011/61/EU en 2009/65/EG wat betreft delegatieregelingen, liquiditeitsrisicobeheer, toezichtrapportage, verlening van bewaar- en bewaarnemingsdiensten en leninginitiëring door alternatieve beleggingsfondsen, alsmede de artikelen 1:81, eerste lid, 2:66, eerste lid, 2:69d, vierde lid, 4:16, derde lid, 4:59a, derde lid, 4:61, eerste lid, 4:62o, vijfde lid;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 april 2026, nr. W06.26.00075/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 28 april 2026, 2026-136461, directie Financiële Markten;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

De artikelen 26.1 en 135a van het Besluit prudentiële regels Wft vervallen.

ARTIKEL II

Het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 33a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De beheerder beschikt over passende procedures en maatregelen die waarborgen dat wordt voldaan aan de ingevolge artikel 15, eerste tot en met derde lid, en vijfde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde voorwaarden.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De beheerder bepaalt voor elke door hem beheerde beleggingsinstelling de maximale hefboomfinanciering en de omvang van het recht op hergebruik van zekerheden of garanties die in het kader van de hefboomfinancieringsregeling kunnen worden verleend, rekening houdend met artikel 15, vierde lid, onderdelen a tot en met h, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.

B

Na artikel 33a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 33b

  • 1. De beheerder van een beleggingsinstelling maakt gebruik van een passend liquiditeitsbeheersysteem en beschikt over procedures om het liquiditeitsrisico te monitoren en te waarborgen dat het liquiditeitsprofiel van de beleggingen van de beleggingsinstelling in overeenstemming is met de onderliggende verplichtingen.

  • 2. De beheerder van een beleggingsinstelling waarborgt dat de beleggingsstrategie, het liquiditeitsprofiel en het terugbetalingsbeleid van elke door hem beheerde beleggingsinstelling coherent zijn.

  • 3. De beheerder voert periodiek onder zowel normale als uitzonderlijke liquiditeitsomstandigheden stresstests uit die hem in staat stellen het liquiditeitsrisico van de beleggingsinstelling te beoordelen en te monitoren.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op beheerders van beleggingsinstellingen die geen gebruik maken van hefboomfinanciering en waarbij de deelnemers niet regelmatig het recht tot inkoop of terugbetaling van rechten van deelneming in de beleggingsinstellingen kunnen uitoefenen.

C

Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel b vervalt «en».

2°. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. is de derde, gelet op de aard van de werkzaamheden die worden uitbesteed gekwalificeerd en in staat om de werkzaamheden te vervullen; en

3°. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. is de uitbestedingsstructuur door de beheerder met objectieve argumenten te onderbouwen.

D

Artikel 38a, eerste lid, eerste zin, komt te luiden:

Indien een beheerder van een icbe voornemens is de werkzaamheden, bedoeld in bijlage II van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten of artikel 2:69c, eerste en tweede lid, van de wet uit te besteden, stelt hij de Autoriteit Financiële Markten daarvan in kennis.

E

Na artikel 115c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 115d

Een Nederlandse beheerder van een niet-Europese beleggingsinstelling kan een bewaarder aanstellen die is gevestigd in een staat die geen lidstaat is, indien wordt voldaan aan de ingevolge artikel 21, zesde en zeventiende lid, onderdeel b, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde voorwaarden.

F

Artikel 115l vervalt.

G

Na artikel 125 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 126

  • 1. Een beheerder die een icbe beheert of voornemens is te beheren op initiatief van een derde, inclusief het geval waarin de icbe de naam van de initiërende derde gebruikt, of wanneer een beheerder op grond van artikel 38a werkzaamheden uitbesteedt aan een initiërende derde, verstrekt in het kader van eventuele belangenconflicten uitleg en bewijs dat wordt voldaan aan artikel 4:59a, tweede lid, aan de Autoriteit Financiële Markten.

  • 2. De beheerder specificeert de maatregelen die hij heeft genomen om belangenconflicten als gevolg van de relatie met de derde te voorkomen of, indien belangenconflicten niet kunnen worden voorkomen, hoe hij deze belangenconflicten identificeert, beheert, monitort en, in voorkomend geval, openbaar maakt, om te voorkomen dat de belangen van de icbe en de beleggers worden geschaad.

H

Artikel 128 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt «beleggingsinstelling» vervangen door «icbe».

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. de instrumenten voor liquiditeitsbeheer, bedoeld in artikel 4:45a van de wet, voor eventueel gebruik in het belang van de deelnemers in de icbe.

I

Aan artikel 143 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien een beheerder van een icbe sidepockets als bedoeld in punt 9 van bijlage IIbis van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten activeert door scheiding van activa, mogen deze activa worden uitgesloten van de berekening van de in deze paragraaf gestelde begrenzingen.

J

Na artikel 147gg wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 147hh

  • 1. Een beheerder van een niet-Europese beleggingsinstelling voldoet aan artikel 21, zesde lid, eerste alinea, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen indien hij een bewaarder aanstelt die is gevestigd in de staat waarin de niet-Europese beleggingsinstelling is gevestigd.

  • 2. Een beheer stelt, rekening houdend met de belangen van beleggers, binnen een gepaste termijn die niet langer is dan twee jaar een andere bewaarder aan indien na de aanstelling van de bewaarder de staat waar de bewaarder is gevestigd:

    • a. op grond van artikel 9, tweede lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn is aangemerkt als een staat met een hoog risico; of

    • b. wordt genoemd in bijlage I bij de conclusies van de Raad over de herziene EU-lijst van jurisdicties die niet coöperatief zijn op belastinggebied als bedoeld in artikel 2:67b, eerste lid, onderdeel f.

ARTIKEL III

Het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 34, eerste lid, onderdelen b en c, komt te luiden:

  • b. de staat waar de beheerder zijn zetel heeft of de niet-Europese beleggingsinstelling is gevestigd niet is geïdentificeerd als een staat met een hoog risico overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn;

  • c. de staat waar de beheerder zijn zetel heeft of de niet-Europese beleggingsinstelling is gevestigd met Nederland en met de lidstaten waar rechten van deelneming in de niet-Europese beleggingsinstelling zullen worden aangeboden een overeenkomst heeft gesloten die informatie-uitwisseling waarborgt overeenkomstig de normen van artikel 26 van het OESO-Modelverdrag inzake dubbele belasting naar het inkomen en naar het vermogen en de desbetreffende staat niet wordt genoemd in bijlage I bij de conclusies van de Raad over de herziene EU-lijst van jurisdicties die niet-coöperatief zijn op belastinggebied.

B

Artikel 34a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «artikel 7, tweede lid, onderdelen a tot en met d» vervangen door «artikel 7, tweede lid, onderdelen a tot en met e.

2. In het tweede lid vervalt «artikel 7, tweede lid, onderdeel e».

C

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

1°. Onder verlettering van de onderdelen i tot en met k tot j tot en met l wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • i. de gegevens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen c en e, van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten;

2°. In onderdeel j (nieuw) wordt «artikel 4:43» vervangen door «artikel 4:62m, tweede lid».

2. In het derde lid wordt «onderdelen d en k» vervangen door «onderdelen d en l».

3. In het vierde lid wordt «onderdeel d en onderdeel k» vervangen door «onderdelen d en l».

ARTIKEL IV

Artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector wordt als volgt gewijzigd:

1. In de opsomming van artikelen uit de Wet op het financieel toezicht onder het Deel Markttoegang financiële ondernemingen wordt in de numerieke volgorde het volgende artikelnummer met bijbehorende boetecategorie ingevoegd:

2:3g, derde lid

2

2. In de opsomming van artikelen uit de Wet op het financieel toezicht onder het Deel Markttoegang financiële ondernemingen wordt in de numerieke volgorde het volgende artikelnummer met bijbehorende boetecategorie ingevoegd:

2:67c

3

2:121cb

3

3. In de opsomming van artikelen uit de Wet op het financieel toezicht onder het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen wordt «4:37n» vervangen door «4:37n, eerste tot en met vierde lid».

4. In de opsomming van artikelen uit de Wet op het financieel toezicht onder het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen wordt in de numerieke volgorde het volgende artikelnummer met bijbehorende boetecategorie ingevoegd:

4:37f, eerste tot en met vijfde lid

2

4:37g, tweede en vierde lid

2

4:37h

2

4:37i, eerste lid

2

4:37i, tweede lid

1

4:37ib

2

4:37ic, eerste lid

2

4:39

2

4:45a

2

4:50a, eerste tot en met derde lid

1

4:54a

2

4:55

2

4:55a

2

5. In de opsomming van artikelen uit het Besluit prudentiële regels Wft vervalt artikel 135a en de bijbehorende boetecategorie.

6. In de opsomming van artikelen uit het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft vervalt artikel 115l en de bijbehorende boetecategorie.

7. In de opsomming van artikelen uit het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft wordt «143, tweede lid» vervangen door «143, tweede en derde lid».

8. In de opsomming van artikelen uit het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft worden in de numerieke volgorde de volgende artikelnummers met bijbehorende boetecategorie ingevoegd:

115d

2

126

2

147hh

2

ARTIKEL V

  • 1. Dit besluit, met uitzondering van artikel II, onderdeel F, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

  • 2. Artikel II, onderdeel F, treedt in werking met ingang van 16 april 2027.

ARTIKEL VI

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit implementatie gewijzigde AIFM-richtlijn en icbe-richtlijn.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 4 mei 2026

Willem-Alexander

De Minister van Financiën, E. Heinen

Uitgegeven de achtentwintigste mei 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

§ 1. Inleiding

Deze algemene maatregel van bestuur strekt tezamen met de Implementatiewet gewijzigde AIFM-richtlijn en icbe-richtlijn tot implementatie van richtlijn (EU) 2024/927 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 tot wijziging van de richtlijnen 2011/61/EU en 2009/65/EG wat betreft delegatieregelingen, liquiditeitsrisicobeheer, toezichtrapportage, verlening van bewaar- en bewaarnemingsdiensten en leninginitiëring door alternatieve beleggingsfondsen (hierna: wijzigingsrichtlijn). De wijzigingsrichtlijn bevat regels voor beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s omtrent liquiditeitsbeheer, rapportages, uitbesteding en grensoverschrijdende bewaardiensten. Voor een uitgebreide toelichting op de inhoud van de wijzigingsrichtlijn wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de Implementatiewet gewijzigde AIFM-richtlijn en icbe-richtlijn. De wijzigingsrichtlijn dient op uiterlijk 16 april 2026 te zijn geïmplementeerd in nationale wetgeving en door beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s te worden toegepast (met uitzondering van de rapportageverplichtingen richting de toezichthouder).

§ 2. Inhoud besluit

Een deel van de artikelen uit de wijzigingsrichtlijn wordt geïmplementeerd in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Dit besluit voorziet in de implementatie van de resterende artikelen uit de wijzigingsrichtlijn en wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Dit besluit bevat nadere regels met betrekking tot het risicobeheer en liquiditeitsbeheer dat een beheerder dient te voeren ten aanzien van beleggingsinstellingen die hij beheert. Het toezicht hierop komt bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) te liggen omdat het niet gaat om prudentiële voorschriften waaraan de beheerder zelf dient te voldoen maar om risico- en liquiditeitsbeheer ten aanzien van individuele beleggingsinstellingen. Dit valt onder het gedragstoezicht van de AFM. Verder zijn in het besluit nadere eisen met betrekking tot uitbesteding van werkzaamheden door de beheerder van een icbe opgenomen. Ten slotte zijn voorschriften opgenomen over het aanstellen van een bewaarder van een niet-Europese beleggingsinstelling.

§ 3. Regeldrukgevolgen

In paragraaf 5 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij de Implementatiewet gewijzigde AIFM-richtlijn en icbe-richtlijn is een overzicht weergegeven van de regeldrukgevolgen die de wet en de daarbij behorende lagere regelgeving naar verwachting zullen brengen voor het bedrijfsleven. In dit besluit zijn geen andere normen opgenomen dan die destijds uitgangspunt waren bij het maken van de kostenberekeningen.

Een voorontwerp van dit besluit is voor advies voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat de regeldrukgevolgen rechtstreeks voortvloeien uit de Europese regelgeving.

§ 4. Uitvoeringstoets

Een voorontwerp van dit besluit is voor een uitvoeringstoets voorgelegd aan de AFM. De uitvoeringstoets heeft geen aanleiding gegeven om het concept-besluit aan te passen. De nadere regels met betrekking tot risicobeheer en liquiditeitsbeheer en de nadere eisen met betrekking tot uitbesteding van werkzaamheden door de beheerder van een icbe zijn volgens de AFM uitvoerbaar.

§ 5. Consultatiereacties

Een voorontwerp van dit besluit is openbaar geconsulteerd van 8 december 2025 tot 18 januari 2026.1 Er zijn geen consultatiereacties ontvangen.

Artikelsgewijs

Artikel I (Besluit Prudentiële regels Wft)

Artikel 26.1 vervalt. Artikel 26.1 implementeerde de artikelen 15 en 16 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. De artikelen 15 en 16 zijn geïmplementeerd in de artikelen 33a en 33b BGfo. Het gaat hier namelijk niet om prudentiële regels die van toepassing zijn op de beheerder maar om het risicobeheer en liquiditeitsbeheer op het niveau van de door de beheerder beheerde beleggingsinstelling. Dit valt onder het gedragstoezicht van de AFM.

Artikel 135a vervalt omdat de inhoud van artikel 135a is opgenomen in artikel 3:74c van de wet.

Artikel II (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)

A (artikel 33a)

Artikel 33a strekt tot implementatie van de artikelen 15, eerste tot en met derde lid, vierde lid en vijfde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. Artikel 15 heeft betrekking op het risicobeheer dat een beheerder dient te voeren ten aanzien van beleggingsinstellingen die hij beheert. Op grond van artikel 33a, tweede lid, dient een beheerder passende risicobeheersystemen te implementeren om alle risico’s die verbonden zijn met de beleggingsstrategie van de beleggingsinstelling op afdoende wijze te herkennen, te meten, te beheersen en te bewaken. Bij het implementeren van de risicobeheersystemen houdt de beheerder rekening met de aard, omvang en complexiteit van de activiteiten van de beleggingsinstelling. Het is van belang dat beheerders niet uitsluitend of mechanisch vertrouwen op ratings uitgegeven door ratingbureaus voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de activa van de beleggingsinstelling. De beheerder dient de risicobeheersystemen periodiek te toetsen (ten minste één keer per jaar) en past indien nodig de risicobeheersystemen aan.

Het derde lid bepaalt dat een beheerder voor elke door hem beheerde beleggingsinstelling de maximale hefboomfinanciering dient te bepalen en de omvang van het recht op hergebruik van zekerheden of garanties die in het kader van de hefboomfinancieringsregeling kunnen worden verleend. Daarbij dient de beheerder rekening te houden met artikel 15, vierde lid, onderdelen a tot en met h, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het soort beleggingsinstelling, de strategie van de beleggingsinstelling en de mate waarin hefboomposities zijn afgedekt. Het toezicht op artikel 15 lag gedeeltelijk bij DNB (was opgenomen in artikel 26.1 Besluit prudentiële regels Wft) en de AFM (met uitzondering van artikel 15, vierde lid) maar valt nu volledig onder toezicht van de AFM. Het gaat hier namelijk niet om prudentiële regels die van toepassing zijn op de beheerder maar om het risicobeheer op het niveau van de beheerde beleggingsinstelling. Ook het toezicht op de hefboomfinanciering valt onder toezicht van de AFM aangezien de risico’s van de hefboomfinanciering niet bij de beheerder liggen maar bij de deelnemers in de beleggingsinstelling.

B (artikel 33b)

Artikel 33b strekt tot implementatie van artikel 16 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. Het toezicht op de naleving van de regels zoals opgenomen in artikel 16 waren belegd bij DNB. Echter het gaat over het liquiditeitsbeheer ten aanzien van individuele beleggingsinstellingen en de beheersing van die liquiditeitsrisico’s. Het gaat niet om prudentiële voorschriften waaraan de beheerder zelf dient te voldoen. De voorschriften zoals opgenomen in artikel 16 vallen daarom onder het gedragstoezicht van de AFM. Op grond van artikel 33b, eerste lid, maakt de beheerder van een beleggingsinstelling gebruik van een passend liquiditeitsbeheersysteem en beschikt over procedures om het liquiditeitsrisico te monitoren en te waarborgen dat het liquiditeitsprofiel van de beleggingen van de beleggingsinstelling in overeenstemming is met de onderliggende verplichtingen. De beleggingsstrategie, het liquiditeitsprofiel en het terugbetalingsbeleid van elke door de beheerder beheerde beleggingsinstelling dienen coherent zijn (tweede lid). Verder dient de beheerder periodiek onder zowel normale als uitzonderlijke liquiditeitsomstandigheden stresstests uit te voeren die hem in staat stellen het liquiditeitsrisico van de beleggingsinstelling te beoordelen en te monitoren (derde lid). Deze voorschriften gelden niet voor beheerders van closed-end fondsen die geen gebruik maken van hefboomfinanciering.

C (artikel 38)

Artikel 38 is gebaseerd op artikel 4:16, derde lid, van de wet en implementeert artikel 2, vierde lid, van de wijzigingsrichtlijn. Het betreft een wijziging van artikel 13, eerste lid, onderdelen h en j, van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten. Onderdeel h is geïmplementeerd in artikel 38, eerste lid, onderdeel c. De derde aan wie de beheerder van een icbe werkzaamheden uitbesteedt dient gekwalificeerd en in staat te zijn om de werkzaamheden te vervullen gelet op de aard van de werkzaamheden. Onderdeel j is geïmplementeerd in artikel 38, eerste lid, onderdeel d. De beheerder dient op grond van onderdeel j met objectieve argumenten de delegatiestructuur te kunnen onderbouwen. De AFM zou hier in het kader van haar toezicht naar kunnen vragen.

D (artikel 38a)

Artikel 38a is gebaseerd op artikel 4:16, derde lid, onderdeel b, van de wet en verwerkt artikel 2, vierde lid, van de wijzigingsrichtlijn. Het betreft een wijziging van artikel 13, eerste tot en met vierde lid, van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten. Het eerste lid verwerkt artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten. Een icbe-beheerder die voornemens is werkzaamheden als bedoeld in bijlage II van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten (beheer van beleggingen, administratie en distribueren) of artikel 2:69c, eerste en tweede lid, van de wet (nevendiensten) uit te besteden, stelt de Autoriteit Financiële Markten (AFM) daarvan in kennis. Belangrijk is dat een beheerder zijn werkzaamheden niet in die mate mag uitbesteden dat het een brievenbusmaatschappij wordt. De beheerder blijft altijd verantwoordelijk voor de door derden uitgevoerde werkzaamheden. Dit houdt onder meer in dat de beheerder primair aanspreekpunt blijft voor de AFM en dat de beheerder zich tegenover deelnemers noch tegenover de AFM, kan beroepen op tekortkomingen in de uitvoering van de opdracht door de derde. Onder het uitbesteden van werkzaamheden valt niet het distribueren van rechten van deelneming in een icbe door een beleggingsonderneming die voor eigen rekening handelt.

E (artikel 115d)

Artikel 115d is gebaseerd op artikel 4:62o, vijfde lid, van de wet en implementeert artikel 21, zesde en zeventiende lid, onderdeel b, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. In artikel 115d zijn aanvullende voorwaarden opgenomen waaraan dient te zijn voldaan indien een Nederlandse beheerder van een niet-Europese beleggingsinstelling gebruik wil maken van de mogelijkheid om een bewaarder aan te stellen die is gevestigd in een staat die geen lidstaat is. Deze voorwaarden staan in artikel 21, zesde en zeventiende lid, onderdeel b, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. Op een bewaarder die is gevestigd in een staat die geen lidstaat is moeten vergelijkbare normen van toepassing zijn als op bewaarders die in een lidstaat zijn gevestigd. De bewaarder dient onderworpen te zijn aan effectieve prudentiële regelgeving en toezicht met dezelfde strekking als het Unierecht. Ook de aansprakelijkheid van de bewaarder die is gevestigd in het derde land jegens de beleggingsinstelling moet contractueel worden vastgelegd. Verder dient er een samenwerkingsovereenkomst te zijn gesloten tussen de toezichthouder uit de lidstaat van herkomst van de beheerder en de bewaarder. Bovendien mag het derde land niet zijn geïdentificeerd als derde land met een hoog risico op grond van artikel 9, tweede lid, van richtlijn 2015/849 en er dient een overeenkomst te zijn gesloten door de lidstaat van herkomst van de beheerder met het derde land waar de bewaarder is gevestigd waarbij wordt voldaan aan artikel 26 van het OESO-modelverdrag inzake dubbele belasting en uitwisseling van fiscale informatie plaatsvindt. Het derde land mag niet worden genoemd in bijlage I bij de conclusies van de Raad over de herziene EU-lijst van jurisdicties die niet-coöperatief zijn op belastinggebied. Indien het derde land na aanstelling van de bewaarder wordt aangemerkt als een land met een hoog risico of wordt opgenomen op de EU-lijst van landen die niet coöperatief zijn op belastinggebied dient binnen twee jaar een nieuwe bewaarder te worden aangesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van beleggers.

F

Artikel 115l vervalt omdat de inhoud van artikel 115l is opgenomen in artikel 4:37n van de wet.

G (artikel 126)

Artikel 126 is gebaseerd op artikel 4:59a, derde lid, Wft en implementeert artikel 2, onderdeel 5, van de wijzigingsrichtlijn. Het betreft een wijziging van artikel 14, lid 2bis, van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten. Op grond van artikel 4:59a, derde lid, Wft dient een beheerder van een icbe een adequaat beleid te voeren om belangenconflicten te voorkomen. Artikel 126 gaat over «white labelling». Indien een beheerder een icbe beheert of voornemens is te beheren voor een derde (hieronder valt ook de situatie dat de derde zijn naam verbindt aan de icbe) of wanneer een beheerder op grond van artikel 38a werkzaamheden uitbesteedt aan een initiërende derde, verstrekt de beheerder aan de AFM in het kader van eventuele belangenconflicten uitleg en bewijs dat de door hem beheerde icbe’s en de deelnemers van de door hem beheerde icbe’s op billijke wijze worden behandeld. De beheerder specificeert de maatregelen die hij heeft genomen om belangenconflicten als gevolg van de relatie met de derde te voorkomen. Indien belangenconflicten niet kunnen worden voorkomen, dient de beheerder richting de AFM toe te lichten hoe hij deze belangenconflicten identificeert, beheert, monitort en, in voorkomend geval, openbaar maakt, om te voorkomen dat de belangen van de icbe en de beleggers worden geschaad.

H (artikel 128)

Artikel 128 is gebaseerd op artikel 4:61, eerste lid, van de wet en implementeert artikel 18bis, tweede lid, eerste alinea, tweede volzin, van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten (artikel 2, onderdeel 6, van de wijzigingsrichtlijn). De beheerder van een icbe dient in zijn statuten of het fondsreglement de instrumenten voor liquiditeitsbeheer op te nemen die de beheerder kan activeren of deactiveren in het belang van de deelnemers in de icbe.

I (artikel 143)

Artikel 143, derde lid, is gebaseerd op artikel 4:61, eerste lid, van de wet en implementeert artikel 2, tiende lid, van de wijzigingsrichtlijn. Het betreft een wijziging van artikel 57, derde lid, van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten. Indien een beheerder sidepockets activeert door scheiding van activa, mogen deze activa worden uitgesloten van de berekening van de gestelde begrenzingen (zoals risicospreidingsregels) in paragraaf 10.3.2.

J (artikel 147hh)

Artikel 147hh implementeert artikel 1, tiende lid, onderdeel b, van de wijzigingsrichtlijn. Het betreft de wijziging van artikel 21, zesde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. Artikel 147hh is gebaseerd op artikel 4:62o, vijfde lid, van de wet. Een beheerder van een niet-Europese beleggingsinstelling voldoet aan artikel 21, zesde lid, eerste alinea, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen indien hij een bewaarder aanstelt die is gevestigd in de staat waarin de niet-Europese beleggingsinstelling is gevestigd. Indien na aanstelling van de bewaarder blijkt dat de staat waar de bewaarder is gevestigd op grond van artikel 9, tweede lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn is aangemerkt als een staat met een hoog risico of wordt genoemd in bijlage I bij de conclusies van de Raad over de herziene EU-lijst van jurisdicties die niet coöperatief zijn op belastinggebied, stelt de beheerder binnen een gepaste termijn (die niet langer is dan twee jaar) een andere bewaarder aan. De beheerder dient daarbij rekening te houden met de belangen van beleggers.

Artikel III (Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft)

A (artikel 34)

Artikel 34 is gebaseerd op artikel 2:66, eerste lid, van de wet. Artikel 34 bevat het nationaal derdelandenbeleid. In het eerste lid zijn de criteria opgenomen waaraan een staat dient te voldoen om aangewezen te kunnen worden als staat waar het toezicht in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen. Artikel 34, eerste lid, onderdelen b en c, zijn aangepast. Onderdeel b bepaalt dat de staat waar de beheerder zijn zetel heeft of de staat waar de niet-Europese beleggingsinstelling is gevestigd niet mag zijn geïdentificeerd als een staat met een hoog risico overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn. Verder dient op grond van onderdeel c de staat waar de beheerder zijn zetel heeft of de niet-Europese beleggingsinstelling is gevestigd met Nederland en met de lidstaten waar rechten van deelneming in de niet-Europese beleggingsinstelling zullen worden aangeboden een overeenkomst te hebben gesloten die informatie-uitwisseling waarborgt. Deze informatie-uitwisseling dient te voldoen aan de normen van artikel 26 van het OESO-Modelverdrag inzake dubbele belasting naar het inkomen en naar het vermogen en de desbetreffende staat mag niet wordt genoemd in bijlage I bij de conclusies van de Raad over de herziene EU-lijst van jurisdicties die niet-coöperatief zijn op belastinggebied.

B (artikel 34a)

Artikel 34a, eerste lid, implementeert artikel 1, derde lid, van de wijzigingsrichtlijn (artikel 7, tweede lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen). In artikel 34 wordt onderscheid gemaakt in gegevens die noodzakelijk zijn voor het doen van een volledige vergunningaanvraag (tweede lid) en gegevens die op een later tijdstip kunnen worden verstrekt (derde lid). De beheerder dient voor een volledige vergunningaanvraag informatie te verstrekken over de werkzaamheden die hij uitbesteedt of voornemens is uit te besteden. Zie artikel 7, tweede lid, onderdeel e, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. Een beheerder die een vergunning aanvraagt dient aan de AFM informatie te verstrekken over de derde aan wie werkzaamheden worden uitbesteed, een beschrijving van de personele en technische middelen die door de beheerder worden ingezet voor het verrichten van dagelijkse portefeuillebeheertaken of risicobeheertaken en monitoring van de gedelegeerde werkzaamheden. Voor elke beleggingsinstelling die de beheerder beheert of voornemens is te beheren dient een korte beschrijving te worden opgenomen van de portefeuillebeheertaak of risicobeheertaak die wordt uitbesteed, waarbij wordt aangegeven of die taken geheel of gedeeltelijk worden uitbesteed. Verder dient de beheerder een beschrijving te geven van de periodieke duediligencemaatregelen die de beheerder uitvoert om toezicht te houden op de werkzaamheden die worden uitbesteed. Deze informatie kan niet langer op een later tijdstip worden verstrekt.

C (artikel 35)

Artikel 35, eerste lid, onderdeel i, van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft implementeert artikel 2, derde lid, van de wijzigingsrichtlijn (artikel 7, eerste lid, onderdelen c en e, van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten). Artikel 35 is gebaseerd op artikel 2:69d, vierde lid, van de wet en bepaalt welke gegevens de beheerder van een icbe dient te verstrekken aan de AFM om een vergunning aan te vragen. Artikel 35, eerste lid, onderdeel i, verwijst naar artikel 7, eerste lid, onderdelen c en e, van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten. Artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten bepaalt dat de beheerder een programma van werkzaamheden dient te verstrekken waarin de organisatiestructuur van de beheerder is vermeld en informatie is opgenomen over de personen die het bedrijf van de beheerder daadwerkelijk leiden. In onderdeel c is aangegeven welke informatie over die personen dient te worden verstrekt. In artikel 7, eerste lid, onderdeel e, van de richtlijn instellingen voor collectieve belegging in effecten is opgenomen welke informatie de beheerder dient te verstrekken over het uitbesteden van taken aan derden. De beheerder dient aan de AFM informatie te verstrekken over de personele en technische middelen die door de beheerder worden ingezet voor het verrichten van dagelijkse portefeuillebeheertaken of risicobeheertaken en monitoring van de gedelegeerde taken. Tevens dient de beheerder aan de AFM een korte beschrijving te verstrekken van de uitbestede portefeuillebeheertaken of riscobeheertaken.

Artikel IV (Besluit bestuurlijke boetes Wft)

In artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector zijn de artikelen beboetbaar gesteld die zijn opgenomen in de Wft, het BGfo en het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft ter implementatie van de richtlijn. De boetecategorie is bepaald naar de ernst van de overtreding en sluit aan bij de boetecategorieën die thans gelden voor soortgelijke overtredingen.

Artikel V (Inwerkingtreding)

Dit artikel regelt de inwerkingtreding. De wijzigingsrichtlijn diende op uiterlijk 16 april 2026 te zijn geïmplementeerd in nationale wetgeving en door beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s te worden toegepast. Om een spoedige inwerkingtreding te bewerkstelligen treedt dit besluit, met uitzondering van artikel II, onderdeel F, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.Artikel II, onderdeel F, treedt in werking met ingang van 16 april 2027. Dit is het moment dat artikel 4:37n van de wet met betrekking tot de rapportageverplichtingen voor beheerders van beleggingsinstellingen in werking treedt. De rapportageverplichtingen zoals opgenomen in artikel 115l BGfo kunnen dan vervallen.

De Minister van Financiën, E. Heinen

Bijlage. Transponeringstabel

Richtlijn (EU) 2024/927 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2024 tot wijziging van de richtlijnen 2011/61/EU en 2009/65/EG wat betreft delegatieregelingen, liquiditeitsrisicobeheer, toezichtrapportage, verlening van bewaar- en bewaarnemingsdiensten en leninginitiëring door alternatieve beleggingsfondsen

AIFMD

Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010

Awb

Algemene wet bestuursrecht

BGfo

Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft

Bpr

Besluit prudentiële regels Wft

Icbe-richtlijn

Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s)

Rtt

Regeling taakuitoefening toezichthouders Wft

Wft

Wet op het financieel toezicht

Gewijzigde AIFM-richtlijn en icbe-richtlijn

(wijziging van AIFMD)

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling

Omschrijving

Beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

Artikel 1

     

1 (4 lid 1 AIFMD)

1:1 Wft

   

2 (6 lid 4 AIFMD)

2:67a lid 2 Wft

Lidstaatopties om beheerder toe te staan bepaalde diensten te verlenen:

– diensten die de beheerder reeds verleend aan de beleggingsinstelling (bijvoorbeeld inzet personeel of ICT diensten);

– beheer van benchmarks;

– verrichten van een kredietservicing

activiteit

Van deze lidstaatopties zal gebruik worden gemaakt. Zie paragraaf 3.5. van de memorie van toelichting.

2 (6 lid 5 AIFMD)

2:67a lid 4 Wft

   

2(6 lid 6 AIFMD)

Volgt uit de systematiek van de Wft. Geïmplementeerd in artikel 2:97 lid 4 Wft + 29.0a BGfo

   

3 (7 lid 2 AIFMD)

Reeds geïmplementeerd in 2:67 lid 3 Wft jo. 34a, eerste en tweede lid, Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft

   

3 (7 lid 5, eerste alinea, AIFMD)

Bijlage 5, onderdeel 2, Rtt

   

3 (7 lid 5, tweede alinea, AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Bepaling is gericht tot ESMA

   

3 (7 lid 6 en 7, AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Leden waren gericht tot ESMA

   

3 (7 lid 8 AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Bepaling is gericht tot ESMA

   

4 (8 lid 1 AIFMD)

2:67, lid 1, onderdeel g en 4:37c lid 3 Wft

   

5 (12 lid 4, eerste alinea, AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Bepaling is gericht tot ESMA

   

5 (12 lid 4, tweede alinea, AIFMD)

Bijlage 5, onderdeel 2, Rtt

   

6 (14 lid 2bis AIFMD)

Reeds geïmplementeerd in 4:37e lid 3 Wft

+ via dynamische verwijzing in 115c lid 1 BGfo

   

7 (15 lid 3 AIFMD)

Reeds geïmplementeerd in 4:14 lid 2 Wft + via dynamische verwijzing in 33a lid 2 BGfo

   

7 (15 lid 4bis t/m 4 septies, 4decies, 4nonies, AIFMD)

4:37f lid 1 tot en met 3 Wft

   

7 (15 lid 4octies AIFMD)

Behoeft geen implementatie

Facultatieve bepaling waarvan geen gebruik wordt gemaakt

Lidstaatoptie

Lidstaten kunnen leninginitiërende beleggingsinstellingen verbieden die leningen verstrekken op zijn grondgebied aan consumenten

Van deze lidstaatoptie wordt geen gebruik gemaakt. Zie paragraaf 3.5. van memorie van toelichting.

8 (16, 2 bis AIFMD)

4:37f lid 4 en 5 Wft

   

8 (16, 2ter, eerste, tweede en derde alinea, AIFMD)

4:37h, 4:37i Wft

   

8 (16, 2ter, vierde en vijfde alinea, AIFMD)

4:37ic Wft

   

8 (16, quater, AIFMD)

4:37ib lid 1 Wft

   

8 (16 lid 2 quinquies AIFMD)

4:37ib lid 2 Wft

+ bijlage 5, onderdeel 2, Rtt

   

8 (16 lid 2 sexies AIFMD)

4:37h lid 1 Wft

   

8 (16 lid 2 septies t/m 2 decies AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Bepaling is gericht tot ESMA

   

9 (20 AIFMD)

Reeds geïmplementeerd in 4:16 Wft en via een dynamische verwijzing in 37a BGfo

   

10 (21 lid 5bis AIFMD)

4:62o.a Wft

Lidstaatoptie

Lidstaten kunnen de bevoegde autoriteit toestaan om op verzoek van een beheerder van een Europese beleggingsinstelling in te stemmen met het aanstellen van een bewaarder met zetel in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst van de beleggingsinstelling.

Van deze lidstaatoptie wordt gebruik gemaakt omdat het ook in Nederland in de toekomst kan voorkomen dat er geen bewaarders zijn die op doeltreffende wijze kunnen voldoen aan de behoeften van de beleggingsinstelling rekening houdend met de beleggingsstrategie van de beleggingsinstelling.

10 (21 lid 6 AIFMD)

Via 4:62o lid 5 Wft + 115d en 147hh BGfo

   

10 (21 lid 11 AIFMD)

Reeds geïmplementeerd in 4:16 lid 4 Wft + via 4:16 lid 3 Wft d.m.v. een dynamische verwijzing in 37b lid 1 BGfo

   

10 (21 lid 16 AIFMD)

Is al geïmplementeerd d.m.v. bestaande regelgeving.

Bestaand recht

1:74 Wft in combinatie met artikel 5:16 Awb biedt deze mogelijkheid reeds.

– Bijlage 5, onderdeel 2, Rtt

   

10 (21 lid 17 onderdeel c (ii) AIFMD)

Behoeft geen implementatie. Bepaling is gericht tot de Europese Commissie

   

11 (23 lid 1 AIFMD)

Reeds geïmplementeerd via 4:37l Wft + een dynamische verwijzing in 115j BGfo

   

11 (23 lid 4 AIFMD)

Reeds geïmplementeerd via 4:37m Wft + een dynamische verwijzing in 115k lid 1 BGfo

   

11 (23 lid 7 AIFMD)

Behoeft geen implementatie. Bepaling is gericht tot ESMA

   

12 (24 lid 1 + lid 2 AIFMD)

4:37n lid 1 Wft

   

12 (24 lid 5, tweede alinea, AIFMD)

4:37n lid 4 Wft

   

12 (24 lid 5bis AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Bepaling is gedeeltelijk gericht tot ESMA en de Commissie + via dynamische verwijzing in 4:37n lid 1 Wft

   

12 (24 lid 5 ter AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Bepaling is gedeeltelijk gericht tot ESMA + dynamische verwijzing in 4:37n lid 1 Wft

   

12 (24 lid 6 AIFMD)

Bepaling is gedeeltelijk gericht tot de Commissie + via dynamische verwijzing in 4:37n lid 1 Wft

   

13 (25 lid 2 AIFMD)

Via 1:51e en 1:69 Wft

is bijlage 5, onderdeel 2, Rtt aangepast

   

14 (35 lid 2 AIFMD)

2:121g Wft

   

15 (36 lid 1 AIFMD)

1:13b lid 4 + 2:121cb + 4:37c lid 6 Wft

   

16 (37 lid 7 AIFMD)

2:67b lid 1, onderdelen e en f, en 2:67c Wft

   

17 (40 lid 2 AIFMD)

2:67 lid 6, 2:67b, lid 1, onderdelen e en f, en 2:121g Wft

   

18 (42 lid 1, onder c en d AIFMD)

1:13b lid 1 + 2:66 Wft + wijziging van artikel 34 Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft, 2:67, lid 6, onderdelen a en d, en 2:68, lid 6, onderdelen a en b, Wft

Betreft het nationaal regime derde landen.

 

19 (43 lid 3 AIFMD)

4:37p Wft

Aanvullende regels voor aanbieden aan niet-professionele beleggers. Hieronder valt ook het aanbieden aan werknemers.

 

20 (46 lid 2 AIFMD)

1:77a lid 1 Wft

   

21 (47 lid 2 en 3 AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Bepaling is gericht tot ESMA

   

21 (47 lid 4 AIFMD)

1:77a lid 1 Wft

   

22 (50 lid 5 tot en met 5 quater AIFMD)

Via 1:51e en 1:69 Wft is bijlage 5, onderdeel 2, Rtt gewijzigd

   

22 (50 lid 5 quinquies AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA

   

22 (50 lid 5 sexies tot en met octies AIFMD)

Via 1:51e Wft

is bijlage 5, onderdeel 2, aangepast

   

22 (50 lid 5 nonies AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA

   

22 (50 lid 6 AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA

   

22 (50 lid 7 AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA

   

23 (60 AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie Artikel is gericht tot de lidstaten

   

24 (61 lid 6 AIFMD)

4:37g Wft

   

25 (69bis lid 1 AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot Europese Commissie

   

25 (69bis lid 2 en 3 AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA

   

25 (69bis lid 4 AIFMD)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot Europese Commissie

   

26 Bijlage I (Bijlage 1, punt 2, AIFMD)

Reeds geïmplementeerd via 1:1 Wft (definitie beheren van een beleggingsinstelling)

   

27 Bijlage II (Bijlage V AIFMD)

4:37h Wft

   

Gewijzigde AIFM-richtlijn en icbe-richtlijn

(wijziging van icbe-richtlijn)

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling

Omschrijving

Beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

Artikel 2

     

1 (artikel 2 lid 1 icbe-richtlijn)

Behoeft geen implementatie. In de relevante artikelen (bijv. 4:16 lid 4 Wft) wordt reeds verwezen naar definitie van centrale effectenbewaarinstelling in de verordening

   

2 (6 lid 3 icbe-richtlijn)

2:69c lid 1 en 2:97 lid 3 Wft

Lidstaatoptie om beheerder toe te staan diensten te verlenen die de beheerder reeds verleend aan de beleggingsinstelling (bijvoorbeeld inzet personeel of ICT diensten) en de beheerder toe te staan benchmarks te beheren.

Hiervan zal gebruik worden gemaakt. Zie paragraaf 3.5. van de memorie van toelichting.

2(6 lid 4 icbe richtlijn)

artikel 1:19 lid 2 Wft

   

3 (7 lid 1 icbe-richtlijn)

Reeds geïmplementeerd in 2:69d, lid 1, onderdeel f, en 4:9 lid 1, 4:10, en wijziging van 4:39 Wft + wijziging van artikel 35 Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft op grond van 2:69d lid 4 Wft

   

3 (7 lid 7 icbe-richtlijn)

Reeds geïmplementeerd in 4:26 Wft

   

4 (13 lid 1 aanhef icbe-richtlijn)

Via 4:16 lid 3 Wft wordt 38a lid 1 BGfo gewijzigd

   

4 (13 lid 1, onder b, icbe-richtlijn

Reeds geïmplementeerd in 37 en 38a, lid 2, onderdeel d, BGfo

   

4 (13 lid 1, onder g, h, i en j, icbe-richtlijn)

Onderdeel g is reeds verwerkt in artikel 38, lid 1, onderdeel b, BGfo.

Onderdeel h is verwerkt in 38, lid 1, onderdeel c, BGfo.

Onderdeel i is reeds verwerkt in 4:49, lid 2, onderdeel c, Wft

Onderdeel j is verwerkt in artikel 38, lid 1, onderdeel d, BGfo

   

4 (13 lid 2 icbe-richtlijn)

Toelichting bij artikel 38a lid 1 BGfo

   

4 (13 lid 3 icbe-richtlijn)

Toelichting bij artikel 38a lid 1 BGfo

   

4 (13 lid 4 icbe-richtlijn)

Reeds geïmplementeerd in 4:16 lid 1 Wft

   

4 (13 lid 5 icbe-richtlijn)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot Europese Commissie

   

4 (13 lid 6 icbe-richtlijn)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA

   

5 (14 lid 2bis icbe-richtlijn)

Via 4:59a lid 3 Wft wordt 126 BGfo (nieuw) opgenomen

   

5 (14 lid 4 icbe-richtlijn)

Lid 4, eerste alinea, behoeft geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA. Lid 4, tweede alinea, via bijlage 3, onderdeel 2, Rtt

   

6 (18bis lid 1 en 2 icbe-ricthlijn)

4:45a, 4:54a, 4:55a Wft en 128, onderdeel c, BGfo

   

6 (18bis lid 3 en 4 icbe-richtlijn)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA

   

6 (18bis lid 5 icbe-richtlijn)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA en de Europese Commissie

   

7 (20bis lid 1 en 2 icbe-richtlijn)

4:50a lid 1 Wft

   

7 (20bis lid 3 icbe-richtlijn)

Bijlage 3, onderdeel 2, Rtt

   

7 (20bis lid 4 icbe-richtlijn)

3:74c lid 2 en 4:50a lid 2 t/m 4 Wft

   

7 (20bis lid 5 en 6 icbe-richtlijn)

Artikelleden zijn gedeeltelijk gericht tot ESMA en Europese Commissie + via dynamische verwijzing in 4:50a lid 1 Wft

   

7 (20ter icbe-richtlijn)

Behoeft geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA

   

8 (22bis lid 2 icbe-richtlijn)

Via dynamische verwijzing reeds geïmplementeerd in 37b lid 2 BGfo

   

8 (22bis lid 4 icbe-richtlijn)

4:16 lid 4 Wft

   

9 (29 lid 1 icbe-richtlijn)

Reeds geïmplementeerd in de artikelen 2:69d, lid 1, onderdelen a en b, 4:9, 4:10 en 4:39 Wft

   

10 (57 icbe-richtlijn)

143 lid 3 BGfo

   

11 (69 lid 6 icbe-richtlijn)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA

   

12 (79 lid 1 icbe-richtlijn)

Reeds geïmplementeerd in 4:19 lid 2 Wft en 65a en 66a BGfo

   

13 (84 lid 2, onder a, icbe-richtlijn)

4:55 lid 1 Wft

   

13 (84 lid 2, onder b, icbe-richtlijn)

1:77a lid 1 Wft

   

13 (84 lid 3 icbe-richtlijn)

4:55 lid 2 en 3 Wft

   

13 (84 lid 3 laatste alinea, 3bis t/m sexies icbe-richtlijn)

Via 1:51e Wft is bijlage 3, onderdeel 2, van Rtt gewijzigd

   

13 (84 lid 3 septies icbe-richtlijn)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA

   

14 (98 lid 3 icbe-richtlijn)

Via 1:51e Wft is bijlage 3, onderdeel 2, Rtt aangepast

   

14 (98 lid 4 icbe-richtlijn)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA

   

15 (101 lid 1 icbe-richtlijn)

Reeds geïmplementeerd in 1:51, 1:55, 1:56, 1:56b, 1:58 en 1:69 Wft

   

15 (101 lid 9 icbe-richtlijn)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot ESMA

   

16 (102 lid 1 en 2 icbe-richtlijn)

Reeds geïmplementeerd in 1:89, 1:93, lid 1, onderdeel f, en lid 3 Wft

   

17 (110bis icbe-richtlijn)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot de Europese Commissie

   

18 ((112bis lid 2 icbe-richtlijn)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot de Europese Commissie

   

18 (112bis lid 3 en 5 icbe-richtlijn)

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot Europees Parlement en de Raad

   

19 en 20 (Bijlage I en IIbis icbe-richtlijn)

4:45a Wft

   

Artikel 3

Betreft implementatiedatum en inwerkingtreding wetsartikelen

   

Artikel 4

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Betreft de inwerkingtreding van de richtlijn

   

Artikel 5

Behoeft naar zijn aard geen implementatie. Artikel is gericht tot de lidstaten

   
Naar boven