Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatsblad 2026, 106 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie en Veiligheid | Staatsblad 2026, 106 | AMvB |
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister voor Asiel en Migratie van 7 november 2025, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 6850014;
Gelet op de artikelen 2cc, 16, tweede lid, 18, tweede lid, 29, derde lid, 29a, vijfde lid en 30a, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 december 2025, No. W03.25.00330/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Asiel en Migratie van 13 februari 2026, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 7147807;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1.27 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de artikelen 29, derde lid, en 29a, derde en vierde lid, van de Wet.
B
In artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder b wordt «artikel 29, tweede lid, onder a en b, van de Wet» vervangen door «de artikelen 29, tweede lid, onder a en b, en 29a, tweede lid, onder a en b, van de Wet».
C
In artikel 3.86, elfde lid, onder b, wordt «artikel 29, tweede lid, onder a en b, van de Wet» vervangen door «de artikelen 29, tweede lid, onder a en b, en 29a, tweede lid, onder a en b, van de Wet».
D
In artikel 3.105c wordt «artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet» vervangen door «artikel 29, eerste lid, van de Wet»
E
In artikel 3.105d wordt «artikel 29, eerste lid, onder a, van die wet» telkens vervangen door «artikel 29, eerste lid, van de Wet».
F
In artikel 3.105e wordt «artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet» vervangen door «artikel 29a, eerste lid, van de Wet».
G
In artikel 3.105f wordt «artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet» telkens vervangen door «artikel 29a, eerste lid, van de Wet».
H
In artikel 3.106 wordt «artikel 29, tweede lid, van de Wet» telkens vervangen door «de artikelen 29, tweede lid, en 29a, tweede lid, van de Wet» en wordt «artikel 29, eerste lid, van de Wet» telkens vervangen door «de artikelen 29, eerste lid, of artikel 29a, eerste lid, van de Wet».
I
In artikel 3.106a, eerste lid, onder b, wordt «artikel 29, eerste lid onder b, van de Wet» vervangen door «artikel 29a, eerste lid, van de Wet».
J
Artikel 3.107 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt «artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet» vervangen door «artikel 29, eerste lid, van de Wet» en «artikel 29 van de Wet» door «de artikelen 29 of 29a van de Wet».
2. In het derde lid wordt «artikel 29, onder a of b, van de Wet» vervangen door «de artikelen 29, eerste lid, of 29a, eerste lid, van de Wet».
K
Na artikel 3.107a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
L
In artikel 3.122, eerste lid, wordt «artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet» vervangen door «de artikelen 29, eerste lid, of 29a, eerste lid, van de Wet».
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 24 februari 2026
Willem-Alexander
De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink
Uitgegeven de negende juni 2026
De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel
De Wet invoering tweestatusstelsel noopt tot enkele wijzigingen van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit besluit voorziet daarin.
Met de Wet invoering tweestatusstelsel wordt onderscheid gemaakt tussen de verlening van de verblijfsvergunning asiel aan de vreemdeling die in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus, en de vreemdeling die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. De belangrijkste consequentie daarvan is dat er strengere voorwaarden worden verbonden aan de nareis van gezinsleden van subsidiair beschermden. Daarnaast wordt de groep die in aanmerking komt voor gezinshereniging via nareis beperkt, zowel voor vluchtelingen als voor subsidiair beschermden. Deze wijzigingen in de Vreemdelingenwet 2000 nopen tot enkele beperkte wijzigingen in het Vreemdelingenbesluit 2000.
Met de Wet invoering tweestatusstelsel zijn de verleningsgronden voor het vluchtelingschap en subsidiaire bescherming niet langer gezamenlijk in artikel 29, eerste lid, opgenomen, maar in artikel 29, eerste lid (vluchtelingschap) respectievelijk artikel 29a, eerste lid (subsidiaire bescherming). In verband daarmee worden de bestaande verwijzingen naar deze bepalingen in het Vreemdelingenbesluit 2000 daarop aangepast.
Artikel 29a, vijfde lid, van de Wet maakt het mogelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen over (onder meer) het middelenvereiste dat in artikel 29a, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet is opgenomen. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet invoering tweestatusstelsel is aangekondigd dat van deze mogelijkheid gebruik zal worden gemaakt, en dat daarbij aansluiting wordt gezocht bij het middelenvereiste in reguliere zaken.1 Dat gebeurt in het onderhavige besluit door de artikelen 3.73 tot en met 3.75 van het Vreemdelingenbesluit 2000 van overeenkomstige toepassing te verklaren. In deze artikelen zijn regels gesteld over dit zogeheten middelenvereiste en de elementen «voldoende», «zelfstandig» en «duurzaam», en is op hoofdlijnen uitgewerkt in welke gevallen aan deze voorwaarden wordt voldaan. De zinsnede «in ieder geval» uit artikel 3.74, eerste lid, is niet van toepassing verklaard. Dat betekent dat de middelen van bestaan als bedoeld in artikel 29a, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet slechts voldoende zijn als zij ten minste gelijk zijn aan het minimumloon. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting bij de Wet invoering tweestatusstelsel is de Gezinsherenigingsrichtlijn2 niet van toepassing op subsidiair beschermden en kiest de regering ervoor om de Gezinsherenigingsrichtlijn ook niet langer analoog toe te passen op deze groep.3 Dit vereiste kan dus onverkort worden gesteld.4
De Wet invoering tweestatusstelsel voorziet erin dat de daarin opgenomen maatregelen onmiddellijke werking hebben vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die wet. Artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000 bepaalt dat een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit. Er kan worden betoogd dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie waarin «uit de Wet anders voortvloeit», zodat artikel 1.27 reeds in de huidige formulering niet aan onmiddellijke werking in de weg staat.5 Desalniettemin wordt, gelet op het belang dat wordt gehecht aan de beoogde onmiddellijke werking en de noodzaak om daaromtrent elke twijfel weg te nemen, in artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000 verduidelijkt dat de maatregelen uit de Wet invoering tweestatusstelsel onmiddellijke werking hebben. Dat betekent dat deze maatregelen niet alleen van toepassing zijn op nieuwe aanvragen, maar ook op lopende aanvragen omtrent nareis en een in verband daarmee gedane aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf.
Het besluit is gedurende drie weken in consultatie gebracht en op www.internetconsultatie.nl geplaatst. Er zijn adviezen ontvangen van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NovA), de Adviesraad Migratie en van verschillende particulieren. De regering is iedereen erkentelijk voor de uitgebrachte adviezen. De inhoud van de adviezen is hieronder verkort weergegeven, en voorzien van een reactie.
Door verschillende respondenten is betoogd dat het voorliggende besluit moet voorzien in meer voorwaarden voor de nareis van familieleden van subsidiair beschermden, bijvoorbeeld door eisen te stellen aan opleidingsniveau of vakbekwaamheid. Hier is niet voor gekozen. Dit besluit strekt tot uitvoering van de Wet invoering tweestatusstelsel. Die wet regelt dat bij de nareis van familieleden van subsidiair beschermden voortaan een wachttermijn enmiddelenvereiste geldt, en dat de subsidiair beschermde moet beschikken over huisvesting. zoals die vereisten zijn opgenomen in het regeerprogramma van het kabinet-Schoof. De Wet invoering tweestatusstelsel voorziet niet in de mogelijkheid om daarnaast nog andere voorwaarden te stellen bij de nareis van familieleden van subsidiair beschermden.
Voorts is bepleit dat de invoering van een tweestatusstelsel niet effectief is en tot meer beroepsprocedures zal leiden, en discriminatoir is.
De regering onderkent dat de invoering van het tweestatusstelsel leidt tot meer beroepsprocedures, maar verwacht tevens dat deze invoering leidt tot een substantiële beperking van de asielinstroom en de nareis van gezinsleden van subsidiair beschermden. Voorts is het gemaakte onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden niet discriminatoir: het Unierecht, waaronder de Gezinsherenigingsrichtlijn en het aankomende Asiel- en Migratiepact, maakt juist onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden, waaronder in de mogelijkheid om aan beide groepen een verschillende asielstatus toe te kennen en (andere) voorwaarden te stellen aan de nareis van familieleden. Daartoe wordt kortheidshalve terugverwezen naar de memorie van toelichting bij de Wet invoering tweestatusstelsel.6
De NOvA, de Adviesraad Migratie en enkele burgers achten het in strijd met het beginsel van gelijke behandeling om niet te voorzien in overgangsrecht voor lopende nareisprocedures. In dat verband wordt erop gewezen dat door deze keuze alleen voor de nareis van familieleden van subsidiair beschermden in lopende procedures andere voorwaarden gaan gelden.
In de Wet invoering tweestatusstelsel is inderdaad geen overgangsrecht opgenomen. Die keuze is gemaakt omdat het effect van de maatregelen – in het bijzonder de beperking van de groep die in aanmerking komt voor gezinshereniging via nareis en de aanvullende voorwaarden bij de nareis van gezinsleden van subsidiair beschermden – onacceptabel vertraagd zou worden wanneer de maatregelen niet onmiddellijk in werking zouden treden, mede gelet op de bestaande voorraden en doorlooptijden. De Wet invoering tweestatusstelsel neemt daarom als uitgangspunt dat de datum waarop het besluit wordt genomen bepalend is voor de vraag welk recht van toepassing is. Dat geldt ook voor lopende aanvragen waarop nog niet is beslist en waarin de beslistermijn is verstreken. Dit besluit strekt tot gedeeltelijke uitvoering daarvan.7 Dat is geen ongelijke behandeling: het Unierecht, waaronder de Gezinsherenigingsrichtlijn en het aankomende Asiel- en Migratiepact, maakt onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden, zodat er geen sprake is van een gelijke situatie.
De Adviesraad Migratie adviseert te voorzien in voldoende flexibiliteit bij de toepassing van het middelenvereiste. In dit verband wijst de Adviesraad erop dat subsidiair beschermden niet kunnen worden gelijkgesteld aan reguliere migranten, zodat het niet in de rede ligt aan te sluiten bij het middelenvereiste in reguliere zaken.
De invoering van het middelenvereiste strekt ertoe dat vreemdelingen met subsidiaire bescherming en hun gezinsleden zelfredzaam zijn en geen financieel beroep doen op de publieke middelen. Aldus wordt verzekerd dat de gezinshereniger in staat zal zijn in de behoeften van hemzelf en zijn gezinsleden te voorzien, voordat die gezinsleden zich bij hem voegen. Om deze reden is er niet voor gekozen om een nareisaanvraag van een gezinslid van een subsidiair beschermde in te willigen als het inkomen lager ligt dan het normbedrag, bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, Vb 2000. Anders dan de Adviesraad Migratie betoogt is dit niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Deze regeling doet geen afbreuk aan de werking van die bepaling: vreemdelingen die niet aan de nieuwe voorwaarden voldoen kunnen zich nog steeds beroepen op het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals neergelegd in deze bepaling. In dat verband wordt, zoals de Adviesraad Migratie terecht constateert, het middelenvereiste niet onverkort gesteld: er wordt een belangenafweging verricht waarbij de individuele feiten en omstandigheden centraal staan, met volledige inachtneming van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Er ontstaat daarom geen situatie waarin de gestelde voorwaarden ertoe leiden dat het recht om familieleven uit te oefenen onmogelijk of onbereikbaar wordt gemaakt.
Voorts betogen de NOvA en de Adviesraad Migratie dat het niet voorzien in overgangsrecht voor subsidiair beschermden in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het Unierecht. In dat verband wijzen zij onder meer op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 april 2018, waaruit volgt dat het Unierechtelijke recht op gezinshereniging niet afhankelijk mag worden gemaakt van het tijdstip waarop op een aanvraag wordt beslist.8
De drie nareisvoorwaarden uit de Wet invoering tweestatusstelsel worden inderdaad louter gesteld bij de nareis van familieleden van subsidiair beschermden. Na inwerkingtreding van de Wet invoering tweestatusstelsel past Nederland de Gezinsherenigingsrichtlijn ook niet langer analoog toe op (gezinsleden van) subsidiair beschermden. Daarmee is er in Nederland niet langer een situatie waarin de bepalingen van de richtlijn op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze toepasselijk zijn gemaakt op deze groep, zodat de bepalingen over nareis van subsidiair beschermden in zoverre buiten het toepassingsbereik van het Unierecht vallen. Er is daarom ook geen situatie waarin het Unierecht voor subsidiair beschermden (analoog) wordt toegepast op een situatie die niet door het Unierecht wordt beheerst, zoals de Adviesraad Migratie heeft betoogd.
Overigens wijst de regering er op dat de context van de voorgestane wijzigingen en het daarbij niet voorzien in overgangsrecht, een andere is dan de situatie waar de genoemde rechtspraak op ziet.
Ten slotte is een aantal reacties ontvangen dat zag op een (ander) voorstel van wet. Die reacties worden betrokken bij de behandeling van de consultatiereacties op dat wetsvoorstel.
Dit besluit heeft geen financiële gevolgen of uitvoeringsgevolgen. De ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
Dit onderdeel wijzigt artikel 1.27 van het Besluit. De Wet invoering tweestatusstelsel gaat uit van onmiddellijke werking, zowel voor het daarin opgenomen tweestatusstelsel als ten aanzien van de nareisbeperkingen als voor de uitzondering daarop. Dit geldt ook als een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd met het oog op de nareis van een gezinslid. De onderhavige wijziging stelt buiten twijfel dat artikel 1.27 hier niet aan in de weg staat.
Dit onderdeel voegt een nieuw artikel 107aa in. Dit artikel geeft nadere invulling aan het bepaalde in artikel 29a, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet (het middelenvereiste). Daartoe worden de artikelen 3.73 tot en met 3.75 van het Vreemdelingenbesluit 2000 gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing verklaard, met dien verstande dat middelen van bestaan slechts voldoende worden geacht in de situatie genoemd in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a. Om deze reden is de zinsnede «in ieder geval» uit artikel 3.74, eerste lid, niet van overeenkomstige toepassing verklaard.
Deze onderdelen bevatten technische wijzigingen die noodzakelijk zijn als gevolg van de herschikking van artikel 29 van de Wet (oud).
De Minister voor Asiel en Migratie, M.C.G. Keijzer
Kamerstukken II 2024/25, 36 703, nr. 24, p. 31 en 38. Ten aanzien van het huisvestingsvereiste zijn geen regels in het Vreemdelingenbesluit 2000 voorzien (Kamerstukken II 2024/25, 36 703, nr. 24, p. 29 en 38).
Richtlijn 2003/86/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.
De zinsnede «in ieder geval» is destijds (Stb. 2010, 306) ingevoegd om uitvoering te geven aan het arrest Chakroun (HvJ EU 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117).
Gedeeltelijk, omdat de keuze voor onmiddellijke werking voor zowel het tweestatusstelsel als de nareisbeperkingen reeds is gemaakt in het voorstel voor een Wet invoering tweestatusstelsel, en met dit besluit louter artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000 daarop wordt aangepast.
Kamerstukken II 2024/25, 36 703, nr. 24, p. 31 en 38. Ten aanzien van het huisvestingsvereiste zijn geen regels in het Vreemdelingenbesluit 2000 voorzien (Kamerstukken II 2024/25, 36 703, nr. 24, p. 29 en 38).
Richtlijn 2003/86/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.
De zinsnede «in ieder geval» is destijds (Stb. 2010, 306) ingevoegd om uitvoering te geven aan het arrest Chakroun (HvJ EU 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117).
Gedeeltelijk, omdat de keuze voor onmiddellijke werking voor zowel het tweestatusstelsel als de nareisbeperkingen reeds is gemaakt in het voorstel voor een Wet invoering tweestatusstelsel, en met dit besluit louter artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000 daarop wordt aangepast.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2026-106.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.