Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van
3 november 2025, kenmerk 4240795-1089926-WJZ, gedaan in overeenstemming met Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Justitie
en Veiligheid;
Gelet op artikel II van het Besluit verbetering beschikbaarheid jeugdzorg en artikel
2.2.3a, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Het Besluit verbetering beschikbaarheid jeugdzorg treedt in werking met ingang van
1 januari 2026 met uitzondering van artikel I, onderdelen B, C, artikel 2.2.1 tot
en met 2.2.3 en 2.2.4, E en F.
Artikel 2
Artikel I, onderdelen B, C, artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 en 2.2.4, E en F van
het Besluit verbetering beschikbaarheid jeugdzorg treden in werking met ingang van
1 januari 2027.
Artikel 3
Artikel 2.2.3a van het Besluit Jeugdwet vervalt op 1 januari 2027.
’s-Gravenhage, 5 november 2025
Willem-Alexander
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.Z.C.M. Tielen
Uitgegeven de veertiende november 2025
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F. van Oosten
NOTA VAN TOELICHTING
Dit besluit regelt de inwerkingtreding van het Besluit verbetering beschikbaarheid
jeugdzorg (hierna: het besluit). Het besluit bevat verschillende onderdelen ter uitwerking
van de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (hierna: de wet) die deels op 1 januari
2026 en deels op 1 januari 2027 in werking treedt. Hieronder zal worden ingegaan op
de inwerkingtreding van de belangrijkste onderdelen van het besluit.
1. Regionale samenwerking
Ten eerste voorziet de wet in verplichtingen voor gemeenten ten aanzien van het op
(minimaal) regionaal niveau contracteren en subsidiëren van kinderbeschermingsmaatregelen,
jeugdreclassering en bepaalde vormen van jeugdhulp (hierna: specialistische jeugdzorg).
Daartoe zijn in het besluit bepalingen opgenomen over de regio indeling, de vormen
van jeugdhulp die (minimaal) op regionaal niveau moeten worden ingekocht en de onderwerpen
die in ieder geval in de regiovisie moeten worden opgenomen. De verplichtingen in
de wet over regionale samenwerking treden in werking op 1 januari 2027 zodat gemeenten
een jaar de tijd hebben de benodigde voorbereidingen te treffen. Daarbij aansluitend
treden ook de onderdelen B, C (met uitzondering van artikel 2.2.3a) en F van artikel
I van het besluit in werking op 1 januari 2027.
2. Jeugdhulpvormen vroegsignalering
De Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa) krijgt met de wet een vroegsignaleringstaak
met betrekking tot risico’s voor de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg
dan wel van reeds bestaande tekorten in de specialistische jeugdzorg. Deze taak van
de NZa treedt in werking op 1 januari 2026.
Omdat er wetstechnisch een koppeling is gemaakt tussen de vroegsignaleringstaak van
de NZa (inwerkingtreding op 1 januari 2026) en de verplichte regionale samenwerking
door gemeenten (inwerkingtreding op 1 januari 2027) is in de wet voorzien in overgangsrecht.
Op grond van artikel 10.3 van de Jeugdwet zal gedurende de periode waarin de verplichtingen
omtrent regionale samenwerking nog niet in werking zijn getreden, de vroegsignaleringstaak
van de NZa betrekking heeft op gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van
kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en op bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen jeugdhulpvormen.
Deze jeugdhulpvormen worden met dit besluit opgenomen in artikel 2.2.3a van het Besluit
Jeugdwet. Dit zijn dezelfde jeugdhulpvormen die met ingang van 1 januari 2027 op grond
van artikel 2.19 van de Jeugdwet jo. artikel 2.2.3 Besluit Jeugdwet verplicht ten
minste regionaal moeten worden gecontracteerd.
Artikel 2.2.3a Besluit Jeugdhulp treedt in werking op 1 januari 2026 en komt weer
te vervallen op 1 januari 2027.
3. Verplichtingen jeugdhulpaanbieders en gecertifieerde instellingen
Ten derde ziet het besluit op de uitwerking van de in de wet opgenomen verplichtingen
voor jeugdhulpaanbieders en gecertifieerde instellingen ten aanzien van een interne
toezichthouder, een transparante financiële bedrijfsvoering en een openbare jaarverantwoording.
De verplichting tot het aanstellen van een interne toezichthouder treedt in werking
op 1 januari 2026. Daarmee treedt ook artikel I, onderdeel D, van het besluit in werking
op 1 januari 2026.
De verplichtingen ten aanzien van een transparante financiële bedrijfsvoering en een
openbare jaarverantwoording treden in werking op 1 januari 2027. Daarmee treedt ook
artikel I, onderdeel E, van het besluit in werking op 1 januari 2027.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.Z.C.M. Tielen