Wet van 20 december 2023 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2024)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2024 wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen aan te brengen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3.92b wordt, onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt tot het totale geplaatste aandelenkapitaal gerekend een lening die mede bijdraagt aan een beloning als bedoeld in het eerste lid, waarbij een dergelijke lening voor de toepassing van het tweede lid als afzonderlijke soort wordt aangemerkt.

B

Artikel 3.119f wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt bij het gezamenlijk met de partner aangaan van een eigenwoningschuld de aflossingseis mede geacht te zijn overgegaan van de schuld ter zake van de te vervreemden eigen woning naar de schuld ter zake van de andere woning voor zover de aflossingseis voor ten minste het schuldaandeel van de belastingplichtige in de laatstgenoemde schuld bij de belastingplichtige of zijn partner is overgegaan. Onder overgaan van de aflossingseis naar de partner wordt in dit kader verstaan het bij de partner voor het deel van de aflossingseis dat bij hem in aanmerking wordt genomen op overeenkomstige wijze toepassen van het eerste lid.

C

Artikel 9.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, eerste zin en tweede zin, aanhef, wordt vervangen door:

Voor de toepassing van het eerste lid wordt dividendbelasting slechts als voorheffing in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. De belastingplichtige maakt aannemelijk dat hij de uiteindelijk gerechtigde is tot die opbrengst, met dien verstande dat de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt indien de geheven dividendbelasting in het kalenderjaar € 1.000 of minder bedraagt. Voor de toepassing van de eerste en tweede zin wordt in ieder geval niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij:.

2. Aan het derde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. behoren tot een samenstel van transacties ook transacties die rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn aangegaan door:

    • 1°. een lichaam waarin de belastingplichtige, al dan niet tezamen met zijn partner, voor ten minste een derde gedeelte belang heeft;

    • 2°. de partner van de belastingplichtige of een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige, waarbij een partner van een kind wordt gelijkgesteld met een bloed- of aanverwant.

ARTIKEL II

In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt in artikel 31a, derde lid, onderdeel a, «met een maximum van € 6.800» vervangen door «voor zover dat loon niet meer bedraagt dan € 400.000».

ARTIKEL III

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 10a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, aanhef, wordt na «20a,» ingevoegd «25,».

2. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt «de artikelen 13b en 13ba» vervangen door «de artikelen 13b, 13ba en 25».

B

Artikel 14c, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste zin wordt «15/42 deel» vervangen door «L/Y deel».

2. Er wordt een zin toegevoegd, luidende: Voor de toepassing van de eerste zin wordt verstaan onder:

L: het percentage van het laagste tarief, bedoeld in artikel 22, geldend op het tijdstip van de ontbinding, bedoeld in het eerste lid;

Y: het in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen tabel als derde vermelde percentage, verminderd met het percentage dat volgt uit de vermenigvuldiging van het percentage van de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in artikel 3.79a van die wet, met het in die kolom als tweede vermelde percentage, zoals die percentages gelden op het tijdstip van de ontbinding, bedoeld in het eerste lid, waarbij de uitkomst van Y naar beneden wordt afgerond op een geheel getal.

C

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, eerste zin en tweede zin, aanhef, wordt vervangen door:

Voor de toepassing van het eerste lid wordt dividendbelasting slechts als voorheffing in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. De belastingplichtige maakt aannemelijk dat hij de uiteindelijk gerechtigde is tot die opbrengst, met dien verstande dat de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt indien de geheven dividendbelasting in het boekjaar € 1.000 of minder bedraagt. Voor de toepassing van de eerste en tweede zin wordt in ieder geval niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij:.

2. Aan het derde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. behoren tot een samenstel van transacties ook transacties die rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn aangegaan door een met de belastingplichtige verbonden lichaam of een met de belastingplichtige verbonden natuurlijk persoon.

ARTIKEL IV

De Wet op de dividendbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan hoofdstuk I wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 1a

  • 1. Als degene die – rechtstreeks of door middel van certificaten – voor de toepassing van artikel 1, eerste lid, gerechtigd is tot de opbrengst van aandelen die behoren tot een soort die is toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een met een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht vergelijkbaar systeem dat gelegen of werkzaam is in een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is, wordt aangemerkt: degene die op de registratiedatum aan het eind van de werkdag blijkens de administratie van de centrale effectenbewaarinstelling houder is van de aandelen.

  • 2. Onder registratiedatum wordt verstaan:

    • a. voor aandelen die worden gehouden in een vennootschap die haar statutaire zetel in een lidstaat van de Europese Unie heeft en die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht: de registratiedatum, bedoeld in artikel 1, onderdeel 7, van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1212 van de Commissie van 3 september 2018 tot vaststelling van minimumeisen ter uitvoering van de bepalingen van Richtlijn 2007/36/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de identificatie van aandeelhouders, de doorgifte van informatie en het faciliteren van de uitoefening van aandeelhoudersrechten (PbEU 2018, L 223/1); of

    • b. voor niet onder onderdeel a vallende aandelen: de datum waarop op grond van de op die aandelen van toepassing zijnde regelgeving van een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is de gerechtigdheid tot de opbrengst van die aandelen op basis van de afgewikkelde posities aan het eind van de werkdag is vastgelegd in de administratie van de centrale effectenbewaarinstelling in de desbetreffende staat.

B

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing ten aanzien van opbrengsten met betrekking waartoe de opbrengstgerechtigde aannemelijk maakt dat hij de uiteindelijk gerechtigde is.

2. In het zevende lid, aanhef, wordt na «dubbele belasting, wordt» ingevoegd «in ieder geval».

3. In het achtste lid wordt, onder verlettering van onderdeel c tot d, een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • c. behoren tot een samenstel van transacties ook transacties die rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn aangegaan door een met de opbrengstgerechtigde verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 of een met de opbrengstgerechtigde verbonden natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, onderdeel b, van die wet;.

C

Artikel 4a, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Het eerste, tweede en derde lid zijn slechts van toepassing ten aanzien van opbrengsten met betrekking waartoe de opbrengstgerechtigde aannemelijk maakt dat hij de uiteindelijk gerechtigde is.

D

Artikel 10, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De tweede zin wordt vervangen door twee zinnen, luidende: De eerste zin is slechts van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de rechtspersoon de uiteindelijk gerechtigde is. De rechtspersoon maakt aannemelijk dat hij de uiteindelijk gerechtigde is tot die opbrengsten, met dien verstande dat de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt indien de ingehouden dividendbelasting in het kalenderjaar € 1.000 of minder bedraagt.

2. In de vierde zin (nieuw) wordt «volzin» vervangen door «zin» en vervalt «ook».

E

Artikel 10a, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe die natuurlijk persoon of dat lichaam de uiteindelijk gerechtigde is. Die natuurlijk persoon, onderscheidenlijk dat lichaam, maakt aannemelijk dat hij de uiteindelijk gerechtigde is tot die opbrengsten, met dien verstande dat de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt indien de ingehouden dividendbelasting in het kalenderjaar € 1.000 of minder bedraagt.

F

Artikel 11a, tweede lid, derde zin, wordt vervangen door twee zinnen, luidende:

De eerste zin is slechts van toepassing op belasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat hij de uiteindelijk gerechtigde is. Artikel 4, zevende lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL V

De Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4, tweede lid, vervalt «die uit hoofde van hun bouw overeenkomst vertonen met een motorrijwiel».

B

In artikel 9, veertiende lid, vervalt «een personenauto die valt onder Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L 60), alsmede».

C

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. De afschrijving, bedoeld in het tweede lid, wordt, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, en belasting van personenauto’s en motorrijwielen, op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen en zoals deze blijkt uit een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, verminderd met de handelsinkoopwaarde die voor dat motorrijtuig eveneens blijkt uit deze koerslijst.

2. In het achtste lid, onderdeel a, wordt «niet voorkomt» vervangen door «niet als zodanig voorkomt».

D

In artikel 16a wordt, onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien de tarieven, bedoeld in artikel 9, worden gewijzigd, is, ter zake van de inschrijving of herinschrijving van een nieuw motorrijtuig die plaatsvond na die tariefswijziging, het oude tarief van toepassing wanneer:

    • a. dat motorrijtuig voor die tariefswijziging in een kentekenregister van een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte was ingeschreven; en

    • b. de eerste tenaamstelling van dat motorrijtuig in het kentekenregister binnen twee maanden plaatsvindt na het tijdstip waarop die tariefswijziging in werking treedt.

ARTIKEL VI

In de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 vervalt in artikel 4 «die uit hoofde van hun bouw overeenkomst vertonen met een motorrijwiel».

ARTIKEL VII

De Algemene douanewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 9:1 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 9:1a

  • 1. Indien een ingevolge de douanewetgeving vereiste aangifte onjuist of onvolledig is gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die de aangifte indient dan wel in had moeten dienen of degene op wiens naam de aangifte wordt gedaan een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan opleggen, behoudens het bepaalde in artikel 10:5, vierde lid.

  • 2. Indien door het onjuist of ovolledig doen van een ingevolge de douanewetgeving vereiste aangifte een verschuldigd bedrag aan rechten bij invoer te laag werd meegedeeld en het meer verschuldigde bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan het bedrag dat is vastgesteld voor de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een van degenen, bedoeld in het eerste lid, een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan opleggen, behoudens het bepaalde in artikel 10:5, vierde lid.

Artikel 9:1b

Indien iemand ingevolge de douanewetgeving verplicht is tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, binnen de eventueel vastgestelde termijn, en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die deze verplichting niet is nagekomen een bestuurlijke boete van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan opleggen, behoudens het bepaalde in artikel 10:5, vijfde lid.

B

Artikel 9:6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «2.» geplaatst.

2. Er wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1. Met betrekking tot het opleggen van een boete naar aanleiding van een verzuim vindt artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht geen toepassing.

C

In artikel 9:6a wordt na «9:1» ingevoegd «, 9:1a, 9:1b».

D

Artikel 10:5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft degene die ingevolge de douanewetgeving verplicht is tot:

  • a. het vertonen, overgeven of voor raadpleging beschikbaar stellen van bepaalde gegevensdragers, of de inhoud daarvan, en een zodanige verplichting niet nakomt;

  • b. het vertonen, overgeven of voor raadpleging beschikbaar stellen van bepaalde gegevensdragers, of de inhoud daarvan, en valse of vervalste gegevensdragers vertoont, overgeeft of voor raadpleging beschikbaar stelt, dan wel de inhoud daarvan in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stelt;

  • c. het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de douanewetgeving gestelde eisen, en een zodanige administratie niet voert;

  • d. het bewaren van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, en deze niet bewaart.

2. In het tweede lid wordt «onderdeel b, onder 1°, 2°, 4° of 5°» vervangen door «onderdelen a, c of d».

3. In het derde lid vervalt «a of» en «onder 3°»».

4. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot zesde en zevende lid worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Degene die een ingevolge de douanewetgeving vereiste aangifte opzettelijk onjuist of onvolledig doet wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven rechten.

  • 5. Degene die een ingevolge de douanewetgeving verplicht is tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze opzettelijk niet, onjuist of onvolledig verstrekt, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven rechten.

5. In het zesde lid (nieuw) wordt «tweede of derde lid» vervangen door «tweede, derde, vierde of vijfde lid».

E

In artikel 10:6 wordt «dan wel de artikelen 15, eerste lid, of 189, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie opgelegde verplichting» vervangen door «of artikel 189, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie opgelegde verplichting, dan wel niet de in artikel 15, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie gevraagde alle nodige bijstand verleent».

F

In artikel 10:16, eerste lid, wordt «10:2, 10:3, eerste lid, en 10:5, eerste lid, onderdeel a,» vervangen door «10:2 of 10:3, eerste lid,».

G

In artikel 10:17, onderdeel b, vervalt «onder 3°,».

H

In artikel 10:18, eerste lid, wordt «10:3, 10:4 en 10:5, eerste lid, onderdeel a,» vervangen door «10:3 en 10:4».

ARTIKEL VIII

De Algemene douanewet zoals die wet luidde op 30 juni 2024 blijft voor douaneschulden die zijn ontstaan vóór 1 juli 2021 van toepassing voor wat betreft de toepassing van artikel 103 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269) wanneer uit een douanecontrole in verband met een douaneschuld blijkt dat de betreffende boeking moet worden herzien.

ARTIKEL IX

De Wet hersteloperatie toeslagen wordt als volgt gewijzigd:

0A

Artikel 5.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de artikelen 2.1 tot en met 2.4» vervangen door «de artikelen 2.1 tot en met 2.6 en 2.9, eerste lid».

2. In het tweede lid, eerste zin, wordt «artikel 2.1 tot en met 2.4» vervangen door «de artikelen 2.1 tot en met 2.6 en 2.9, eerste lid».

3. In het derde lid, eerste zin, wordt «artikel 2.1 tot en met 2.4» vervangen door «de artikelen 2.1 tot en met 2.6 en 2.9, eerste lid,».

A

Artikel 6.11, tiende lid, komt te luiden:

  • 10. Een gerechtsdeurwaarder die optreedt namens een schuldeiser met een opeisbare vordering van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7, of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, en voor wie de afkoelingsperiode, bedoeld in artikel 2.20, meer dan zes maanden geleden aangevangen is of van de ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, kan de naam, de geboortedatum, de adresgegevens, het bedrag aan schulden en bijkomende kosten en het burgerservicenummer van de schuldenaar op wie de opeisbare vordering betrekking heeft, verstrekken aan de Belastingdienst/Toeslagen, om de Belastingdienst/Toeslagen in staat te stellen die schuldenaar te benaderen om voor de opeisbare vordering tot een oplossing te komen.

B

Artikel 9.1, tweede lid, onderdeel a, wordt als volgt gewijzigd:

1. Na «artikel 2.15,» wordt ingevoegd «2.15a,».

2. Na «artikel 2.15a,» wordt ingevoegd «2.15b,».

ARTIKEL IXA

In de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen wordt artikel I als volgt gewijzigd:

1. In het in onderdeel C opgenomen artikel 2.9b, derde lid, wordt «artikel 6.1, vijfde lid,» vervangen door «artikel 6.1b».

2. In het in onderdeel K opgenomen artikel 2.14f, tweede lid, wordt «artikel 6.1, zevende lid,» vervangen door «artikel 6.1a».

3. Onderdeel II vervalt.

4. In het in onderdeel JJ opgenomen artikel 6.1, elfde lid, wordt de aanduiding «11.» vervangen door de aanduiding «9.».

5. Na onderdeel JJ worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

JJa

Na artikel 6.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.1a Aanvraagtermijn tegemoetkoming nabestaanden van overleden kind

Een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.14c, 2.14d of 2.14e, wordt ingediend:

  • a. binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van artikel 2.14c, artikel 2.14d, onderscheidenlijk artikel 2.14e, indien het overleden kind, bedoeld in artikel 2.14b, is overleden voor inwerkingtreding van die artikelen; of

  • b. binnen zes maanden na de datum van overlijden van het overleden kind, bedoeld in artikel 2.14b.

JJb

Na artikel 6.1a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.1b Aanvraagtermijn compensatie en tegemoetkomingen nabestaanden van overleden aanvrager kinderopvangtoeslag

Een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.9a, eerste lid, onderdelen a en b, of 2.9b, eerste lid, onderdelen a en b, wordt ingediend:

  • a. binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van de artikelen 2.9a, onderscheidenlijk artikel 2.9b, indien de overleden aanvrager is overleden voor inwerkingtreding van die artikelen; of

  • b. bij overlijden na de inwerkingtreding van artikel 2.9a, onderscheidenlijk artikel 2.9b, binnen zes maanden na de datum van overlijden van de overleden aanvrager.

6. Onderdeel MM vervalt.

7. Na onderdeel NN worden 2 onderdelen ingevoegd, luidende:

NNbis

Na artikel 6.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.2bis Beslistermijn bij beschikking op aanvraag nabestaanden van overleden kind

  • 1. Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.14c, eerste lid, besluit de Belastingdienst/Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.

  • 2. In afwijking van het eerste lid besluit de Belastingdienst/Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, die is gedaan voor inwerkingtreding van artikel 2.14c, eerste lid, binnen een termijn van zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dat artikel. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.

  • 3. Op een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.14d of 2.14e, eerste lid, besluit de Belastingdienst/Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond van artikel 6.1a geldende aanvraagtermijnen. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.

NNter

Na artikel 6.2bis wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.2ter Beslistermijn bij beschikking op aanvraag nabestaanden van overleden aanvrager kinderopvangtoeslag

  • 1. Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, onderdelen a en b, besluit de Belastingdienst/Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.

  • 2. In afwijking van het eerste lid besluit de Belastingdienst/Toeslagen op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, die is gedaan voor inwerkingtreding van artikel 2.9a, eerste lid, onderdelen a en b, binnen een termijn van zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dat artikel. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.

  • 3. Op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9b, eerste lid, onderdelen a en b, besluit de Belastingdienst/Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na het verstrijken van de op grond van artikel 6.1b geldende aanvraagtermijn. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.

8. In onderdeel NNa, aanhef, wordt «artikel 6.2» vervangen door «artikel 6.2ter».

ARTIKEL X

De Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 25c wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid, eerste zin, wordt toegevoegd «voor zover het verschil tussen de totale som van de schulden en het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4.14a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, niet eerder heeft geleid tot intrekking van het uitstel van betaling».

2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid blijven buiten aanmerking schulden bij vennootschappen waarin de belastingschuldige na emigratie een aanmerkelijk belang heeft verkregen en waarbij voordelen uit die vennootschappen niet behoren tot het Nederlandse inkomen, bedoeld in artikel 7.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, voor zover deze schulden niet indirect zijn aangegaan bij vennootschappen ter zake waarvan bij de belastingschuldige een conserverende belastingaanslag als bedoeld in artikel 25, achtste lid, is opgelegd.

B

Artikel 25c wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, tweede en derde zin, wordt vervangen door: Het uitstel wordt in dat geval beëindigd voor een bedrag ter grootte van het voordeel, bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, van die wet, vermenigvuldigd met:

  • 1°. het in de vierde kolom van de in artikel 2.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomen tabel als eerste vermelde percentage, voor zover het bedrag van het voordeel niet meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag; en

  • 2°. het in de vierde kolom van die tabel als tweede vermelde percentage, voor zover het bedrag van het voordeel meer bedraagt dan het in de eerste en tweede kolom van die tabel vermelde bedrag.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid (nieuw) tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald als ware de belastingschuldige nog woonachtig in Nederland en wordt verminderd met:

    • a. de in Nederland verschuldigde inkomstenbelasting over het fictief reguliere voordeel, bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

    • b. de over het verschil tussen de totale som van de schulden, bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, van die wet, en het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4.14a, tweede lid, van die wet, in het buitenland feitelijk geheven belasting.

ARTIKEL XI

De Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel XXX wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXXA

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3.36 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het eerste en tweede lid tot tweede en derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1. Willekeurige afschrijving op milieu-bedrijfsmiddelen is alleen mogelijk indien de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten langs de daartoe geopende elektronische weg zijn aangemeld bij Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat. Daarbij kan worden afgeweken van de artikelen 2:7, tweede lid, en 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. In het tweede lid (nieuw) wordt na «willekeurige afschrijving» ingevoegd «op andere aangewezen bedrijfsmiddelen».

3. In het derde lid (nieuw) wordt na «eerste» ingevoegd «en tweede».

B

In artikel 3.42, zesde lid, wordt na «energie-investering» ingevoegd «langs de daartoe geopende elektronische weg» en wordt aan dat lid een zin toegevoegd, luidende: Daarbij kan worden afgeweken van de artikelen 2:7, tweede lid, en 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht.

C

In artikel 3.42a, zevende lid, vervalt «slechts» en wordt «aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten zijn» vervangen door «milieu-investering langs de daartoe geopende elektronische weg is». Voorts wordt aan dat lid een zin toegevoegd, luidende: Daarbij kan worden afgeweken van de artikelen 2:7, tweede lid, en 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht.

B

In artikel XXXI wordt «In artikel 27» vervangen door «Aan de artikelen 22, tweede lid, en 27, achtste lid,» en vervalt «aan het achtste lid».

ARTIKEL XII

  • 1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat:

    • a. artikel I, onderdeel A, terugwerkt tot en met 26 juni 2023;

    • b. artikel I, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 januari 2022;

    • c. de artikelen II, III, onderdeel B, en X, onderdeel A, terugwerken tot en met 1 januari 2023;

    • d. artikel III, onderdelen A en C, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2024;

    • e. artikel IX, onderdeel 0A, terugwerkt tot en met 26 januari 2021;

    • f. artikel IX, onderdeel B, onder 1, terugwerkt tot en met 15 juli 2023;

    • g. artikel XI eerst toepassing vindt voordat artikel XXXI van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer wordt toegepast.

  • 2. In afwijking van het eerste lid:

    • a. treden de artikelen VII en VIII in werking met ingang van 1 juli 2024, met dien verstande dat artikel VII terugwerkt tot en met 1 juli 2021 voor douaneschulden die zijn ontstaan op of na 1 juli 2021 voor wat betreft de toepassing van artikel 103 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269) wanneer uit een douanecontrole in verband met een douaneschuld blijkt dat de betreffende boeking moet worden herzien.

    • b. treedt artikel IX, onderdeel B, onder 2, in werking met ingang van de dag waarop artikel I, onderdeel Q, van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen in werking treedt.

ARTIKEL XIII

Deze wet wordt aangehaald als: Overige fiscale maatregelen 2024.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 20 december 2023

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Financiën, M.L.A. van Rij

Uitgegeven de zevenentwintigste december 2023

De Minister van Justitie en Veiligheid, D. Yeşilgöz-Zegerius


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 36 420

Naar boven