Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 2021, 393Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 16 augustus 2021, houdende de derde verlenging van de geldingsduur van bepalingen van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens Onze Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van 16 augustus 2021, kenmerk 235187-1011310-WJZ;

Gelet op artikel VIII, derde lid, van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

Het tijdstip van verval van de in artikel VIII, eerste lid, van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 genoemde bepalingen, met uitzondering van de artikelen 58c, zevende lid, 58e, tweede lid, onder c, 58j, eerste lid, onder f, en 58s, derde lid, van de Wet publieke gezondheid, wordt vastgesteld op 1 december 2021.

Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Sifnos, 16 augustus 2021

Willem-Alexander

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

Uitgegeven de vijfentwintigste augustus 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

1. Aanleiding en strekking van dit besluit

De Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Twm) is op 1 december 2020 in werking getreden. De met die wet tot stand gebrachte tijdelijke bepalingen vervallen in beginsel drie maanden na inwerkingtreding van die wet (artikel VIII, eerste lid, Twm). De werkingsduur van de bepalingen van de Twm is inmiddels tweemaal verlengd,1 laatstelijk tot 1 september 2021. Met het onderhavige besluit wordt de werkingsduur van het merendeel van de bepalingen van de Twm verlengd tot 1 december 2021. In het najaar is er nog steeds sprake van een directe dreiging van de epidemie van covid-19 waardoor (nieuwe) maatregelen ter afwending van die dreiging noodzakelijk kunnen zijn, bijvoorbeeld als nieuwe varianten van het virus SARS-CoV-2 in de rest van de wereld hun intrede doen. Daarnaast kunnen in Nederland ook oplevingen plaatsvinden in het najaar waardoor maatregelen nodig zijn voor de bestrijding van de epidemie van covid-19. De bepalingen van de Twm bieden daarvoor het wettelijk kader. Een kortere verlenging dan drie maanden ligt niet in de rede, aangezien het Outbreak Management Team (hierna: OMT) in zijn 116e en 117e advies2 spreekt van een significante winterpiek in het aantal infecties. Volgens het OMT kan het daarbij noodzakelijk zijn om een aantal algemene bestrijdingsmaatregelen te intensiveren, om het seizoenseffect (dat nadelig zal uitvallen in de herfst- en wintermaanden) voor het reproductiegetal (dat ziet op hoe snel het virus zich verspreidt) te neutraliseren. Het ligt daarom niet in de lijn der verwachting dat de directe dreiging van de epidemie eerder dan op 1 december 2021 zal zijn afgewend.

Niet verlengd wordt de werkingsduur van de wettelijke grondslag voor het vaststellen van een ministeriële regeling om het vertoeven in de openlucht te beperken, waarop de avondklok was gebaseerd (artikel 58j, eerste lid, onder f, van de Wet publieke gezondheid (Wpg) en daarmee samenhangende procedurele bepalingen), en van de wettelijke grondslag om regels te kunnen stellen over de soort informatie die de burgemeester aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) verstrekt en de wijze waarop de burgemeester de gegevens en inlichtingen verzamelt en verstrekt (artikel 58s, derde lid, Wpg).

Het kabinet heeft het voornemen voor dit besluit aangekondigd en op hoofdlijnen toegelicht in de standvanzakenbrief van 18 juni 2021.3 In hoofdstuk 2 van deze toelichting wordt nader ingegaan op de noodzaak van het onderhavige besluit. Ter uitvoering van artikel VIII, vierde lid, Twm4 zal na plaatsing in het Staatsblad van het vastgestelde koninklijk besluit, onverwijld een voorstel van wet tot goedkeuring van dat koninklijk besluit bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden ingediend. Indien een van de Kamers der Staten-Generaal tot het niet-aannemen van het wetsvoorstel besluit of het wetsvoorstel wordt ingetrokken, vervallen de bepalingen of onderdelen met ingang van de tweede dag na de dag waarop het wetsvoorstel is verworpen of ingetrokken.

Alvorens de voordracht voor het onderhavige koninklijk besluit is gedaan, is ingevolge artikel 58t Wpg, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord over de actuele geldende maatregelen (zie hoofdstuk 3 van deze toelichting).

2. Verlenging Twm

2.1 Wettelijk kader

Met de inwerkingtreding van de Twm op 1 december 2020 is een nieuw hoofdstuk Va aan de Wpg toegevoegd. Dit hoofdstuk bevat de wettelijke basis voor beperkende maatregelen specifiek ter bestrijding van de epidemie van covid-19 of een directe dreiging daarvan (artikel 58b, eerste lid, Wpg). Met deze wet kon worden afgestapt van maatregelen op basis van de noodverordeningen van de voorzitters van de veiligheidsregio’s, die uit het oogpunt van democratische legitimatie voor de langere termijn minder geschikt zijn dan een wet die is vastgesteld door de regering en het parlement. Maatregelen worden op grond van hoofdstuk Va Wpg vastgesteld bij ministeriële regeling, met dien verstande dat de basisnorm om een veilige afstand te houden in de wet is vastgelegd, waarbij de veilige afstand bij algemene maatregel van bestuur (amvb) wordt bepaald. Daarnaast is met de Twm aangesloten bij de reguliere bestuurlijke verhoudingen waardoor bevoegdheden in beginsel op gemeentelijk niveau zijn komen te liggen, met de controlemogelijkheden van de gemeenteraad, in plaats van bij de voorzitters van de veiligheidsregio’s. Vastgestelde maatregelen worden nagehangen bij beide Kamers, waarbij de Tweede Kamer het recht heeft om te besluiten niet in te stemmen met een nagehangen ministeriële regeling, in welk geval een vastgestelde regeling van rechtswege komt te vervallen. Met de Twm is een solide juridische basis gecreëerd voor de maatregelen ter bestrijding van de epidemie van covid-19, of een directe dreiging daarvan, en is een betere democratische inbedding gerealiseerd.

Voor alle bepalingen in hoofdstuk Va Wpg geldt dat ze tijdelijk van aard zijn. Omdat bij de totstandkoming van de Twm onvoorzienbaar was hoe de epidemie en de bestrijding ervan zouden verlopen, werd voorzien in de mogelijkheid om de werkingsduur van de onderscheiden bepalingen van de Twm (of onderdelen daarvan) bij koninklijk besluit eerder te beëindigen dan drie maanden na inwerkingtreding (artikel VIII, tweede lid, Twm), maar ook om de werkingsduur bij koninklijk besluit te verlengen, steeds met ten hoogste drie maanden (artikel VIII, derde lid, Twm). Het laatste bleek helaas noodzakelijk. De bepalingen van de Twm zijn inmiddels tweemaal verlengd, de eerste keer tot 1 juni 2021, de tweede keer tot 1 september 2021.

De in de Twm opgenomen verlengingssystematiek betekent dat voor het vanaf 1 september 2021 tijdelijk laten voortbestaan van onderdelen van de Twm (meer precies gezegd: onderdelen van hoofdstuk Va Wpg of van de andere in artikel VIII, eerste lid, Twm genoemde wetten) geen afzonderlijk wetsvoorstel nodig is, maar dat dit geschiedt door middel van een nieuw koninklijk besluit tot verlenging. Onderdelen uit de Twm die niet worden verlengd, vervallen daarmee automatisch. Ook daarvoor is dus geen afzonderlijk wetsvoorstel nodig. Ter uitvoering van artikel VIII, vierde lid, Twm dient na plaatsing in het Staatsblad van een krachtens artikel VIII, derde lid, vastgesteld koninklijk besluit, onverwijld een voorstel van wet tot goedkeuring van dat koninklijk besluit bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal te worden ingediend. Indien een van de Kamers der Staten-Generaal tot het niet-aannemen van het wetsvoorstel besluit of het wetsvoorstel wordt ingetrokken voordat de in het koninklijk besluit genoemde termijn waarop de daarin genoemde bepalingen of onderdelen daarvan vervallen is verstreken, vervallen die bepalingen of onderdelen met ingang van de tweede dag na de dag waarop het wetsvoorstel is verworpen of ingetrokken.

Voor de verlengingsbevoegdheid van de regering geldt dat deze slechts mag worden toegepast voor zover dat noodzakelijk (en evenredig) is voor de bestrijding van de epidemie van covid-19 of een directe dreiging daarvan in het Europees deel van Nederland, respectievelijk het Caribisch deel van Nederland. De regering laat zich hierin adviseren door het Outbreak Management Team (OMT). Een besluit tot verlenging kan betrekking hebben op alle bepalingen van de Twm – zoals bij de eerste en tweede verlenging het geval was – maar kan ook betrekking hebben op specifieke bepalingen (zoals een artikel) of onderdelen daarvan (zoals een artikellid of subonderdeel). Daarbij wordt opgemerkt dat een aantal in de Twm opgenomen bepalingen de grondslag vormt om bij ministeriële regeling verschillende specifieke maatregelen te nemen. Ook is het belangrijk te onderkennen dat de grondslagen steeds gelden voor zowel Europees als Caribisch Nederland. Een besluit tot het al dan niet verlengen van een bepaling betreft gelet hierop steeds de gehele grondslag en kan niet toegespitst worden op de hieruit voortvloeiende afzonderlijke maatregelen in de ministeriële regeling of op alleen Europees dan wel Caribisch Nederland. Als bepalingen van de Twm zijn vervallen, behelst dat een voldongen feit. Bepalingen die zijn vervallen, kunnen niet bij koninklijk besluit weer worden «aangezet». Indien naderhand blijkt dat een vervallen bepaling toch nog of weer nodig is, dan moet een nieuw wetstraject worden opgestart, waarbij die bepaling wederom in wetgeving wordt vervat. Zolang het verloop van de epidemie en de volgende fase moeilijk te voorspellen zijn, is terughoudendheid op dit punt dus geïndiceerd.

In dat kader is het voorts relevant te benadrukken dat verlenging van een bepaling van de Twm niet automatisch betekent dat ook de op grond van die bepaling vastgestelde beperkende maatregelen worden verlengd en dus blijven gelden. Het is mogelijk om de werkingsduur van bepalingen van de Twm te verlengen zolang een directe dreiging van een covid-19-epidemie bestaat, terwijl de maatregelen in de ministeriële regeling die op die wettelijke bepalingen zijn gebaseerd, zijn ingetrokken en dus op dat punt vooralsnog geen beperkingen gelden. Als voorbeeld kan gewezen worden op de situatie per 26 juni 2021, waarbij de in de artikelen 58g en 58j, eerste lid, onder c, d, e en f, Wpg opgenomen grondslagen in stand zijn gebleven en de daarop gebaseerde maatregelen met ingang van die datum zijn ingetrokken aangezien die maatregelen naar de inzichten op dat moment niet meer noodzakelijk waren voor de bestrijding van de covid-19-epidemie. De veilige afstand kan bij amvb op nihil gesteld worden. Op basis van deze aldus in stand gehouden bepalingen van de Twm kunnen bij ministeriële regeling en bij amvb wel met de nodige snelheid weer maatregelen getroffen worden, indien de epidemiologische situatie in het najaar daartoe zou nopen. Steeds blijft ook dan gelden dat maatregelen enkel kunnen worden getroffen indien dat noodzakelijk is en evenredig aan het beoogde doel (artikel 58b, tweede lid, Wpg). Voor de ministeriële regeling geldt de nahangprocedure van artikel 58c Wpg, zodat parlementaire zeggenschap over de herinvoering van een maatregel gewaarborgd is. Voor de amvb waarin de veilige afstand wordt vastgesteld, geldt een voorhangprocedure bij beide Kamers. De Twm biedt aldus een goede balans tussen de mogelijkheid om spoedig in te grijpen als dat nodig is en de democratische legitimiteit van de te treffen maatregelen.

2.2 Verlenging per 1 september 2021

2.2.1. OMT-advies

Over de te nemen maatregelen wordt het kabinet geadviseerd door het OMT. Het OMT gaat in zijn 116e en 117e advies5 onder meer in op zowel de korte termijn als de middellange termijn (nazomerperiode juli/augustus 2021 en daarna). Aangezien het onderhavige verlengingsbesluit betrekking heeft op de periode na augustus 2021 wordt hieronder ingegaan op het daarop betrekking hebbende onderdeel van het OMT-advies.

In het OMT-advies wordt geconcludeerd dat de incidentie van covid-19 op de middellange termijn (nazomerperiode juli/augustus 2021 en daarna) zal afhangen van de grootte van het seizoenseffect op transmissie, het ontstaan van virusvarianten die zich ten minste deels aan de afweer na vaccinatie of doorgemaakte infectie kunnen onttrekken, het persisteren van immuniteit tot na de winterperiode, het besluit al dan niet personen van 12 tot en met 17 jaar te vaccineren, en het al dan niet kunnen aanhouden van de bronmaatregelen en collectieve bestrijdingsmaatregelen.6 Het OMT houdt rekening met een significante winterpiek in het aantal infecties. Om het seizoenseffect (dat nadelig zal uitvallen in de herfst- en wintermaanden) voor het reproductiegetal te neutraliseren, kan het dan noodzakelijk zijn om een aantal algemene bestrijdingsmaatregelen te intensiveren.

Deze conclusie is voor de regering aanleiding om te constateren dat er vanaf 1 september 2021 in ieder geval nog sprake is van een directe dreiging van de covid-19-epidemie, waardoor in het najaar maatregelen noodzakelijk kunnen zijn ter afwending van die dreiging. De Twm biedt hiervoor het wettelijk kader. De regering acht verlenging van de Twm vanaf 1 september 2021 met drie maanden dan ook gerechtvaardigd, zodat met de nodige snelheid weer maatregelen getroffen kunnen worden indien onverhoopt de epidemiologische situatie in het najaar daartoe zou nopen. Steeds blijft ook dan gelden dat maatregelen enkel kunnen worden getroffen indien dat noodzakelijk is en evenredig aan het beoogde doel (artikel 58b, tweede lid, Wpg). De regering benadrukt dat het behouden van bepalingen van de Twm niet betekent dat op de grondslag van die bepalingen ook daadwerkelijk maatregelen genomen zullen worden in het najaar van 2021. Het kabinet zal telkens afwegen of maatregelen noodzakelijk (en evenredig) zijn (artikel 58b, tweede lid, Wpg). Het kabinet laat zich hierin adviseren door het OMT en er vindt een sociaalmaatschappelijk economische reflectie plaats. Een eventuele nieuwe ministeriële regeling waarin die maatregelen alsdan worden vastgelegd, dient ingevolge de Twm te worden nagehangen bij beide Kamers, waarmee voor besluitvorming over de maatregelen zodoende de parlementaire betrokkenheid is geborgd.

In het OMT-advies wordt voorts geadviseerd om vanwege de mogelijke toename van ziektegevallen in het najaar, een aantal bron- en collectieve maatregelen te handhaven, en deze alleen op geleide van de epidemiologie en de gerealiseerde vaccinatiegraad in een later stadium (gedeeltelijk) los te laten. De regering neemt dit advies van het OMT over en gebruikt dit als basis om te bezien welke bepalingen van de Twm behouden moeten blijven vanaf 1 september 2021. Daarop wordt in paragraaf 2.2.2 nader ingegaan. Het OMT hanteert hierbij de volgende ijkpunten met bijbehorende epidemiologische voorwaarden voor verdere versoepeling:

  • 1. risiconiveau zorgelijk is bereikt én alle inwoners van 18 jaar en ouder hebben ten minste één vaccinatie aangeboden gekregen;

  • 2. risiconiveau waakzaam is bereikt én alle inwoners van 18 jaar en ouder hebben een volledige vaccinatie aangeboden gekregen;

  • 3. covid-19 is blijvend onder controle.

De regering gaat voor de verlenging van bepalingen van de Twm uit van de eerste twee ijkpunten, aangezien bij deze risiconiveaus maatregelen ter bestrijding van de epidemie noodzakelijk kunnen zijn. Zoals hierboven reeds aangegeven zal het kabinet telkens afwegen of maatregelen noodzakelijk en evenredig zijn. Indien de situatie dusdanig is dat de epidemie van covid-19 (wereldwijd) blijvend onder controle is, zal er geen sprake meer zijn van bestrijding van de epidemie van covid-19 of een directe dreiging daarvan en komt daarmee de noodzaak voor de instandhouding (van bepalingen) van de Twm te vervallen.

2.2.2. Toelichting op de afzonderlijke bepalingen van de Twm

Conform de toezegging aan het lid Bikker in het debat van 12 mei 2021 met de Tweede Kamer over de stand van zaken rondom de ontwikkelingen van het coronavirus, is bij deze verlenging van de Twm per bepaling of onderdeel toegelicht of en waarom deze bepaling of dit onderdeel nog nodig is. In deze paragraaf wordt daarom weergegeven welke bepalingen of onderdelen naar het oordeel van de regering volgens de huidige inzichten tijdelijk behouden moeten blijven vanaf 1 september 2021. De regering merkt daarbij het volgende op. Zoals in paragraaf 2.2.1 is aangegeven zijn de in die paragraaf weergegeven conclusies van het OMT voor de regering reeds aanleiding om te constateren dat er vanaf 1 september 2021, in het najaar, in ieder geval nog sprake is van een directe dreiging van de covid-19-epidemie, waardoor de verlenging zoals omschreven in het enig artikel van het onderhavige koninklijk besluit, derhalve met drie maanden, is gerechtvaardigd. Waar het OMT-advies aanvullend specifiek ingaat op een afzonderlijke maatregel is, bij de bespreking van de bijbehorende bepalingen, daarvan in paragraaf 2.2.2 telkens melding gemaakt.

Hoofdstuk Va, paragraaf 2 Wpg (veilige afstand en andere gedragsvoorschriften)
Veilige afstand (artikel 58f Wpg)

Artikel 58f, eerste lid, Wpg bevat het gebod om een veilige afstand tot andere personen te houden voor degene die zich buiten een woning ophoudt. De veilige afstand is in het Tijdelijk besluit veilige afstand vastgesteld op 1,5 meter. Vrijstellingen of uitzonderingen van de veiligeafstandsnorm staan in artikel 58f, derde lid, Wpg en in de ministeriële regelingen die worden vastgesteld op grond van het vierde of vijfde lid van artikel 58f Wpg.7 De veilige afstand in het Tijdelijk besluit veilige afstand kan worden aangepast.8

Gelet op paragraaf 2.2.1 is de instandhouding van deze bepaling in de Wpg ook vanaf 1 september 2021 noodzakelijk om zo nodig maatregelen te kunnen treffen ter bestrijding van de epidemie covid-19 of ter afwending van een directe dreiging daarvan. In aanvulling op de in die paragraaf weergegeven conclusies merkt de regering het volgende op. Het OMT hanteert in zijn advies als uitgangspunt dat de basismaatregelen versoepeld worden in de omgekeerde volgorde van de invoering ervan. De belangrijkste maatregelen, waaronder het houden van 1,5 meter afstand, worden op advies van het OMT het langst gecontinueerd. Volgens het OMT is de veilige afstand van 1,5 meter een zeer effectieve maatregel tegen overdracht van het virus SARS-CoV-2. Het OMT adviseert om deze maatregel in de openbare ruimte voort te zetten totdat duidelijk is dat covid-19 blijvend onder controle is. Het OMT geeft daarbij aan dat mits wordt gewerkt met vooraf testen van het publiek bij evenementen of het reserveren, placeren en maximeren van het bezoekersaantal bij voorstellingen, deze maatregel op specifieke locaties kan worden losgelaten. Om dergelijke regels te kunnen stellen zijn meerdere grondslagen uit hoofdstuk Va Wpg nodig, die dan ook behouden moeten blijven. Dit betreft de volgende artikelen: artikel 58f (veilige afstand), artikel 58i (evenementen), artikel 58k (zorgplicht publieke plaatsen), artikel 58l (zorgplicht besloten plaatsen), artikel 58m (maatregelen voor openbare plaatsen) en de artikelen die vallen onder paragraaf 3a van hoofdstuk Va Wpg (coronatoegangsbewijzen).

Groepsbeheersing (artikelen 58g, 58h en 58i Wpg)

De artikelen 58g, 58h en 58i Wpg bevatten grondslagen voor respectievelijk maatregelen ten aanzien van groepsvorming buiten de woning, de openstelling van publieke plaatsen voor het publiek en het organiseren van evenementen. Vrijstellingen of uitzonderingen van de groepsgrootte staan in artikel 58g, tweede lid, Wpg en in de ministeriële regelingen die worden vastgesteld op grond van het eerste lid van artikel 58g Wpg. Deze vrijstellingen of uitzonderingen zijn ook voor bepaalde sectoren van belang, zoals voor zorgaanbieders.

Het reguleren van groepsgroottes strekt ertoe om het aantal contactmomenten te beperken. Dat geldt ook voor maximumbezoekersaantallen, voorschriften omtrent placeren en spatschermen op terrassen. Het OMT adviseert daarom deze maatregelen voort te zetten, ook in de fase waakzaam en totdat aan alle inwoners vanaf 18 jaar de mogelijkheid is geboden om zich volledig te laten vaccineren. De grondslag in de artikelen 58g, 58h en 58i Wpg blijft daarmee vanaf 1 september 2021 noodzakelijk om deze maatregelen te kunnen blijven treffen, afhankelijk van de epidemiologische situatie.

Ook als het virus na 1 september 2021 onverhoopt opnieuw opleeft en ingrijpen noodzakelijk is – zie de in paragraaf 2.2.1 weergegeven conclusies – blijft het van belang om zo nodig te kunnen overwegen de groepsgrootte te beperken en eisen te stellen aan de openstelling van publieke plaatsen en de organisatie van evenementen om besmettingen en clusters tegen te kunnen gaan.

Overige regels (artikel 58j Wpg)

Dit artikel kent meerdere onderdelen. Daarom wordt per onderdeel toegelicht waarom het noodzakelijk is om de desbetreffende bepaling in stand te houden.

Hygiënemaatregelen en persoonlijke beschermingsmiddelen (onderdeel a)

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het in acht nemen van hygiënemaatregelen en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, zolang die geen betrekking hebben op het gebruik ervan in de woning. Deze grondslag kan onder meer worden gebruikt om het dragen van mondkapjes te verplichten. Dit is volgens het OMT-advies nog nodig in het openbaar vervoer, ook nog wanneer het niveau waakzaam wordt bereikt en aan alle inwoners vanaf 18 jaar de mogelijkheid is aangeboden om zich volledig te laten vaccineren.

Uitoefening van contactberoepen (onderdeel b)

Onderdeel b geeft een grondslag om bij ministeriële regeling regels te stellen over de uitoefening van contactberoepen. Dit zijn beroepen waarbij niet de veiligeafstandsnorm in acht genomen kan worden tot de klant of patiënt. In het OMT-advies wordt de gezondheidscheck (triage) genoemd als maatregel voor de contactberoepen. Bij een onverhoopte opleving van het virus in het najaar – zie de in paragraaf 2.2.1 weergegeven conclusies – is het juist van belang om aan de uitoefening van deze beroepen voorwaarden te kunnen verbinden, omdat er geen afstand gehouden kan worden. Mocht de situatie in het najaar noodzaken tot ingrijpen, dan biedt dit artikel de mogelijkheid om voorwaarden te stellen aan de uitoefening van bepaalde contactberoepen of om deze te verbieden.

Gebruik van publiek toegankelijke voorzieningen (onderdeel c)

Voor het gebruik van voorzieningen die voor het publiek toegankelijk zijn, zoals openbare toiletvoorzieningen, kunnen regels worden gesteld. Hiervoor geldt hetzelfde als hiervoor besproken omtrent groepsbeheersing. Het OMT heeft in zijn advies om het beheersen van de groepsgroottes te continueren geen onderscheid gemaakt tussen openbare en publieke plaatsen. De regering interpreteert het OMT-advies op dit punt aldus dat groepsbeheersing op die verschillende plaatsen nodig is of kan zijn.

Bezettingsgraad van betaalde verblijfsplaatsen (onderdeel d)

De eventuele maatregelen omtrent de bezettingsgraad van verblijfplaatsen betreffen ook de groepsbeheersing (drukte of beweging als gevolg van het aanbod van toeristische overnachtingsplaatsen). Het OMT adviseert in algemene zin om maatregelen omtrent groepsbeheersing te continueren. Met de grondslag voor deze maatregel voor groepsaccommodaties kunnen eventuele maatregelen worden getroffen bij een onverhoopte (lokale of regionale) opleving van het virus als het toerisme weer op grote schaal wordt hervat.

Gebruik of voor consumptie gereed hebben van alcohol op openbare plaatsen (onderdeel e)

De grondslag om maatregelen te kunnen treffen omtrent alcoholhoudende drank moet in samenhang worden gelezen met artikel 58h Wpg. In het OMT-advies wordt niet specifiek ingegaan op deze maatregel, maar wel op beperkingen ten aanzien van (publieke) plaatsen. De regering is van mening dat wanneer een maatregel beperkingen regelt voor publieke plaatsen, bijvoorbeeld in de horeca, ook voorkomen moet worden dat een waterbedeffect ontstaat door verplaatsing van de drukte naar openbare plaatsen. De regering interpreteert het OMT-advies op dat punt aldus dat de maatregelen om contacten te beperken of groepen te beheersen ook betrekking zouden moeten hebben op de ongewenste neveneffecten die afdoen aan het effect van deze maatregelen. Bovendien is er samenhang met artikel 58f Wpg (veilige afstand). In de toelichting bij de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 is toegelicht dat alcohol ertoe kan leiden dat (onder andere) de veilige afstand onvoldoende in acht wordt genomen door mensen onder invloed van alcohol.9

De wettelijke grondslag voor maatregelen over publieke voorzieningen (onderdeel c), het gebruik van alcoholhoudende drank (onderdeel d) en de bezettingsgraad van verblijfplaatsen (onderdeel e) blijft dus nodig vanaf 1 september 2021.

Vertoeven in de openlucht/avondklok (onderdeel f en in verband daarmee artikelen 58c, zevende lid, en 58e, tweede lid, onder c, Wpg)

De regering ziet voor de bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan geen noodzaak voor op deze grondslag te baseren maatregelen. Naar huidige inschattingen is dat nu en in de nabije toekomst niet aan de orde. Het kabinet acht een «slapende» grondslag voor de avondklok daarom op dit moment niet nodig. Dat betekent dat deze grondslag met ingang van 1 september 2021 komt te vervallen voor de bestrijding van de covid-19 epidemie. Ook de met deze grondslag samenhangende procedurebepalingen vervallen (artikelen 58c, zevende lid, en 58e, tweede lid, onder c, Wpg). Deze zijn immers zinledig zonder de inhoudelijke grondslag zelf. Mocht na verval van artikel 58j, eerste lid, onder f, Wpg onverhoopt noodzaak bestaan het vertoeven in de openlucht te kunnen beperken, dan zal de regering uit evenredigheidsoverwegingen met de Tweede Kamer en de Eerste Kamer in gesprek gaan over een wettelijke basis voor een dergelijk instrument. Als de inzet van dit instrument vooraf wordt voorzien, ligt inderdaad voor de hand dat daarvoor een (spoed)wetgevingsprocedure wordt gevolgd, zoals eerder aan de Kamers is gemeld.10

Zorgplichten publieke plaatsen en besloten plaatsen (artikelen 58k en 58l Wpg)

Artikel 58k, eerste lid, Wpg kent een zorgplicht voor degene die bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan een publieke plaats of tot het openstellen van een publieke plaats voor publiek. Deze zorgplicht houdt in dat ten aanzien van die publieke plaats zorg wordt gedragen voor zodanige voorzieningen of openstelling dat de aanwezige personen zich aan de geldende maatregelen kunnen houden (die bij of krachtens de artikelen 58f tot en met 58j Wpg zijn gesteld). Artikel 58l, eerste lid, Wpg bevat een vergelijkbare zorgplicht ten aanzien van besloten plaatsen, niet zijnde woningen.

Zonder deze bepaling zouden exploitanten of beheerders van organisaties niet langer verplicht zijn om aanwezige of toegelaten personen te faciliteren in de naleving van de dan geldende maatregelen. Bij het continueren van maatregelen, zoals door het OMT is geadviseerd, hoort ook een evenwichtige verdeling van verantwoordelijkheden tussen enerzijds individuele burgers en anderzijds exploitanten en beheerders. Dat geldt zowel voor beheerders of exploitanten van publieke plaatsen, zoals evenementlocaties, als besloten plaatsen, zoals kantoorgebouwen. Aan hen moet derhalve de plicht opgelegd blijven om maatregelen te treffen, zodat personen aldaar zich aan de dan eventueel geldende maatregelen kunnen houden, zoals bijvoorbeeld de veiligeafstandsnorm.

Quarantaineplicht (artikelen 58nb, 58nc, 58nd, 58ne, 58nf, 58ng en 58nh Wpg)

Op grond van de artikelen over de quarantaineplicht wordt voor Europees Nederland voorzien in een algemene quarantaineplicht voor reizigers die in een aangewezen zeer hoogrisicogebied hebben verbleven (artikel 58nb Wpg), en voor Caribisch Nederland in de mogelijkheid om een zodanige plicht van toepassing te achten (artikel 58nh Wpg). Ten behoeve van de quarantaineplicht bevat de Twm artikelen die zien op uitzonderingen op de quarantaineplicht (artikel 58nc Wpg), de verzoekschriftenprocedure om opheffing van de quarantaineplicht (artikel 58nd Wpg), de quarantaineverklaring (artikel 58ne Wpg) en de benodigde gegevensverwerking (artikelen 58nf en 58ng Wpg). Aangezien de hiervoor genoemde artikelen allen samenhangen met de quarantaineplicht wordt niet op de noodzaak van de afzonderlijke artikelen ingegaan, maar wordt de voortdurende noodzaak van de quarantaineplicht als zodanig toegelicht.

De quarantaineplicht blijft ook vanaf 1 september 2021 onverminderd noodzakelijk. Hoewel de situatie in Nederland verbetert, blijft het van belang om te voorkomen dat nieuwe en mogelijke gevaarlijkere virusvarianten voet aan de grond krijgen in Nederland. In zijn advies schrijft het OMT dat de quarantaineplicht, in aanvulling op pre-vlucht testen, gezien wordt als een effectieve manier om verspreiding van het virus tegen te gaan en om de import van nieuwe virusvarianten te voorkomen. Het doel van de quarantaineplicht, namelijk het zoveel mogelijk tegengaan van de import van (variant)virussen uit het buitenland – zowel van reeds in Nederland rondwarende virussen als van zorgwekkende nieuwe varianten daarvan – blijft dan ook van groot belang.11

Paragraaf 3 Wpg – Sectorspecifieke bepalingen
Zorgaanbieders en zorglocaties (artikel 58o Wpg)

Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor zorgaanbieders, die expliciteert dat een zorgaanbieder er kort gezegd voor dient te zorgen dat bezoekers zich aan de maatregelen kunnen houden. Tevens kan de zorgaanbieder, indien dit noodzakelijk is om verspreiding van het virus te voorkomen, beperkingen of andere voorwaarden stellen aan bezoek aan de betreffende zorglocatie. Indien de maatregelen die zorgaanbieders zelf treffen niet worden nageleefd dan kan de minister een aanwijzing of bevel geven. Een aanwijzing kan bijvoorbeeld inhouden dat de zorgaanbieder specifieke maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat de aanwezige bezoekers de veilige afstandsnorm in acht kunnen nemen. Artikel 58o bevat daarnaast een grondslag om bij ministeriële regeling voorwaarden te stellen aan het toelaten van bezoekers tot zorglocaties. Tot slot is in dit artikel expliciet geregeld dat een cliënt altijd, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, bezoek kan krijgen van ten minste één familielid of naaste.12 Hiermee wordt de situatie, zoals in de eerste golf, voorkomen dat verpleeghuizen en instellingen voor gehandicaptenzorg geheel gesloten waren voor bezoek. Zorgaanbieders (maar ook de eventuele ministeriële regeling) mogen ook geen bezoek beperken:

  • voor (alle) familieleden of naasten aan een persoon in de stervensfase;

  • dat nodig is om cliënten of patiënten te horen als bedoeld in de Wzd en Wvggz;

  • voor advocaten en cliëntvertrouwenspersonen als bedoeld in de Wzd en Wvggz die hun cliënten wensen te bezoeken.

Mocht het in het najaar onverhoopt nodig zijn om maatregelen te overwegen – de regering verwijst daarvoor naar de in paragraaf 2.2.1 weergegeven conclusies – dan is het van belang dat deze zo nodig ook in zorglocaties getroffen kunnen worden. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de zorgaanbieder zelf. Aan de hand van de lokale omstandigheden treft de zorgaanbieder maatregelen zoals bijvoorbeeld het beperken van bezoek. Dit doet de zorgaanbieder in overleg met cliënten, hun naasten en personeel. Dit artikel blijft daarom ook vanaf 1 september 2021 van belang.

Bedrijfsmatig personenvervoer (artikel 58p Wpg)

Op grond van dit artikel kunnen bij ministeriële regeling voorwaarden verbonden worden aan het gebruik van bedrijfsmatig personenvervoer, waaronder het openbaar vervoer. Ook kan het bedrijfsmatig personenvervoer geheel of gedeeltelijk verboden worden. Een van deze voorwaarden kan zijn dat een reiziger vanuit het buitenland slechts naar Nederland mag vertrekken als hij beschikt over een testuitslag waaruit blijkt dat hij niet is geïnfecteerd met het virus of waaruit blijkt dat hij is gevaccineerd. Aanbieders van personenvervoer (luchtvaartuigen, veerboot of passagiersschip) kunnen tevens worden verplicht om de papieren quarantaineverklaring in te nemen en over te dragen aan de voorzitter van de veiligheidsregio.13 Het blijft onverminderd van belang om besmettingen vanuit het buitenland tegen te gaan. Dit geldt voor zowel de al in Nederland rondwarende virusvarianten als voor nieuwe zorgwekkende virusvarianten. In bijvoorbeeld het openbaar vervoer kan immers moeilijk afstand worden gehouden en triage uitgevoerd worden. Uit het OMT-advies blijkt dat het, ook in de fase waakzaam en wanneer iedere inwoner vanaf 18 jaar een volledige vaccinatie is aangeboden, van belang blijft om zo nodig voorwaarden te kunnen stellen aan het gebruik hiervan. Die voorwaarden betreffen het dragen van een mondkapje.

Niet-bedrijfsmatig personenvervoer (artikel 58pa Wpg)

Dit artikel maakt het mogelijk om reizigers die gebruikmaken van niet-bedrijfsmatig personenvervoer, bijvoorbeeld door te reizen met een eigen auto, te verplichten om bij inreis in Nederland te beschikken over een testuitslag, herstelbewijs of een vaccinatiebewijs. Aangezien nieuwe besmettingen en nieuwe virusvarianten Nederland ook binnen kunnen komen via het niet-bedrijfsmatig personenvervoer, blijft ook dit artikel onverminderd van belang om verspreiding van (nieuwe varianten van) het virus tegen te gaan.

Onderwijsinstellingen (artikel 58q Wpg)

Artikel 58q Wpg maakt het mogelijk om het verrichten van onderwijsactiviteiten in onderwijsinstellingen geheel of gedeeltelijk te verbieden of om hieraan beperkingen en voorwaarden te stellen. Dit artikel blijft ook vanaf 1 september 2021 van belang, omdat bij het onderwijs veel kinderen en jongeren samenkomen, waarbij in de praktijk de veilige afstand houden niet altijd mogelijk is in de gang of in de klas, terwijl een belangrijk deel van de niet-gevaccineerde personen momenteel mensen jonger dan 18 jaar betreffen. Indien een onverhoopte opleving van het virus vanaf 1 september 2021 noodzaakt tot ingrijpen dan biedt deze bepaling de mogelijkheid om als uiterste maatregel voor het onderwijs maatregelen te nemen om verspreiding van het virus tegen te gaan.

Kinderopvang (artikel 58r Wpg)

Het artikel over de kinderopvang maakt het mogelijk om te verbieden om de kinderopvang geheel of gedeeltelijk geopend te hebben. Net als in het onderwijs komen bij de kinderopvang veel kinderen samen die niet altijd de veilige afstand kunnen houden. Als het virus in het najaar onverhoopt opleeft, kan op deze grondslag worden overwogen om maatregelen te nemen in de kinderopvang om verdere verspreiding tegen te gaan.

Paragraaf 3a Coronatoegangsbewijzen (artikelen 58ra, 58rb, 58rc, 58rd, 58re, 58rf en 58rg Wpg)

Op grond van de artikelen over de coronatoegangsbewijzen kunnen bij ministeriële regeling regels gesteld worden over het beschikken over een coronatoegangsbewijs bij toegang tot activiteiten of voorzieningen die betrekking hebben op cultuur, evenementen, georganiseerde jeugdactiviteiten, horeca of sport (artikel 58ra Wpg) of kan bij amvb worden bepaald dat deze regels gesteld kunnen worden op het terrein van beroepsonderwijs of hoger onderwijs. Ten behoeve van de coronatoegangsbewijzen is in de Wpg geregeld aan welke voorwaarden de regels over coronatoegangsbewijzen dienen te voldoen (artikel 58rb Wpg), op welke wijze testen verstrekt worden (artikel 58rc Wpg), het stellen van eisen aan de test, vaccinatie of het herstel om als bewijs te kunnen worden gebruikt (artikel 58rd Wpg), het elektronisch of schriftelijk tonen van het coronatoegangsbewijs (artikel 58re Wpg), ontheffing of vrijstelling van het gebruik van de applicatie (artikel 58rf Wpg) en de toepasselijkheid van bepalingen over de geneeskundige behandelingsovereenkomst bij uitvoering van een test (artikel 58rg Wpg).

Het kunnen inzetten van coronatoegangsbewijzen bij bijvoorbeeld evenementen (in samenhang met de veiligeafstandsnorm) kan van belang blijven vanaf 1 september 2021. Hier komen namelijk grote groepen bezoekers samen waarbij vaak niet aan de veilige afstandsnorm kan worden voldaan. Om het risico op het ontstaan van besmettingen en clusters te verkleinen, is het van belang dat de bezoekers een test, vaccinatie of herstelbewijs kunnen laten zien in de vorm van een coronatoegangsbewijs. Bij een onverhoopte opleving van het virus in het najaar kan het coronatoegangsbewijs eveneens noodzakelijk zijn om grote samenkomsten in het kader van onder meer cultuur, sport of andere evenementen doorgang te kunnen laten vinden, waarbij de veilige afstandsnorm (verder) kan worden losgelaten.

Overige, sectorale wetten
Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) (artikel 28, zevende lid) en Arbeidsveiligheidswet BES (artikel 2, twaalfde lid)

Artikel 28 Arbowet en artikel 2, derde lid, van de Arbeidsveiligheidswet BES bevatten een algemene bevoegdheid voor de toezichthouder (met name de Inspectie SZW) om werkzaamheden stil te leggen indien er ernstig gevaar is voor personen. Op grond van het zevende lid van artikel 28 van de Arbowet en het twaalfde lid van artikel 2 van de Arbeidsveiligheidswet BES kunnen werkzaamheden stilgelegd worden indien de maatregelen die de kans op verspreiding beperken, in ernstige mate niet worden getroffen. Daarnaast geldt artikel 3.2a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, zolang artikel 28 Arbowet geldt. Vergelijkbaar daarmee geldt artikel 60a van het Arbeidsveiligheidsbesluit BES. Op grond van de bepalingen in de besluiten moet de werkgever passende maatregelen op de arbeidsplaats treffen om besmetting van werknemers en derden te voorkomen. Deze verplichting en ook de toezichtsbevoegdheid zijn nodig ter bestrijding van of bij een directe dreiging van de epidemie covid-19.

Wet kinderopvang (artikel 1.57e)

Door de uitzonderlijke situatie in verband met de epidemie kan het voor houders van kindercentra en voorzieningen voor gastouderopvang moeilijk zijn om te voldoen aan de kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang. Bijvoorbeeld omdat niet voldoende gekwalificeerd personeel kan worden gevonden. Artikel 1.57e van de Wet kinderopvang voorziet daarom in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling kindercentra, gastouderbureaus en voorzieningen voor gastouderopvang tijdelijk vrij te stellen van deze eisen. Van deze mogelijkheid is geen gebruikgemaakt. Bij een onverhoopte opleving van het virus in het najaar kan het wel nodig zijn een dergelijke regeling vast te stellen, om de continuïteit in de kinderopvang te borgen. Indien een nieuwe opleving namelijk tot (veel) personeelsuitval leidt, bestaat het risico dat het zonder versoepeling van de kwaliteitseisen niet mogelijk is om kinderopvang aan te bieden.

Wegenverkeerswet (WVW) 1994 (artikel 2, tweede lid, onder c)

Op grond van artikel 2, tweede lid, onder c, WVW 1994 zijn gemeentebesturen bevoegd om verkeersbesluiten te nemen die bijdragen aan de bestrijding van de epidemie. In artikel IX, tweede lid, Twm is bepaald dat dit onderdeel van rechtswege vervalt als artikel 58m Wpg vervalt. Het is op grond van artikel VIII Twm niet mogelijk om dit onderdeel bij koninklijk besluit eerder te laten vervallen. Aangezien artikel 58m behouden blijft, blijft ook artikel 2, tweede lid, onder c, WVW 1994 in stand.

Overige bepalingen

De hierboven genoemde bepalingen betreffen de in hoofdstuk Va Wpg opgenomen (delegatie)grondslagen voor het nemen van maatregelen bij ministeriële regeling, het vaststellen van de veilige afstand bij amvb en samenhangende zorgplichten en bepalingen die met inwerkingtreding van de Twm zijn opgenomen in enkele sectorale wetten. Als (enkele) bepalingen uit hoofdstuk Va Wpg in stand blijven, dienen logischerwijs overige bepalingen van de Twm, die deel uitmaken van het wettelijk kader voor de bestrijding van de epidemie van covid-19 of een directe dreiging daarvan, in stand te blijven. Dit betreft de volgende paragrafen en artikelen:

  • hoofdstuk Va, paragraaf 1 Wpg: de begripsbepalingen (artikel 58a Wpg), de afbakening van de reikwijdte en het doel (artikel 58b Wpg), procedurevoorschriften voor de totstandbrenging van ministeriële regelingen (artikel 58c Wpg, met dien verstande dat het zevende lid vervalt omdat artikel 58j, eerste lid, onder f, Wpg vervalt), de vangnetbepaling voor Caribisch Nederland (artikel 58ca Wpg), regels over de bevoegdheid van de voorzitters van de veiligheidsregio’s (artikel 58d Wpg) en de grondslag voor differentiatie en ontheffingen (artikel 58e Wpg, met dien verstande dat artikel 58e, tweede lid, onder c, Wpg vervalt, omdat artikel 58j, eerste lid, onder f, Wpg vervalt);

  • de bevelsbevoegdheid van de burgemeester om de naleving van de maatregelen op een openbare plaats te verzekeren (artikel 58m Wpg) en de bevelsbevoegdheid van de burgemeester ten aanzien van besloten plaatsen (artikel 58n Wpg).

  • hoofdstuk Va, paragraaf 4 Wpg: dit betreft regels over verantwoording en informatievoorziening (artikel 58s Wpg, met uitzondering van het derde lid, dat kan vervallen), de verplichting om voorafgaand aan een verlengingsbesluit advies te vragen aan de Afdeling advisering van de Raad van State over geldende maatregelen (artikel 58t Wpg) en handhavingsbepalingen (artikelen 58u en 58v Wpg).

    Het derde lid van artikel 58s Wpg komt te vervallen. Hierin is een grondslag geregeld voor het stellen van regels met betrekking tot de soort informatie die de burgemeester verstrekt en de wijze waarop de burgemeester de gegevens en inlichtingen verzamelt en verstrekt. Deze bepaling is niet aangewend en blijkt in de praktijk niet nodig te zijn;

  • bepalingen over de aanwijzing van toezichthouders, buitengewone opsporingsambtenaren alsmede de strafbepalingen: deze zijn neergelegd in de artikelen 64a, 65a, 68bis en 68ka Wpg.

2.2.3. Conclusie

Gelet op het OMT-advies en het belang van het tegengaan van de invoer en verspreiding van nieuwe virusvarianten is instandhouding van de bepalingen van de Twm vanaf 1 september 2021 gerechtvaardigd, aangezien er in het najaar nog steeds sprake is van een directe dreiging van de epidemie van covid-19 en maatregelen ter afwending daarvan noodzakelijk kunnen zijn. Afhankelijk van de epidemiologische situatie vanaf 1 september 2021 kan het ook nodig zijn om maatregelen te treffen voor de bestrijding van de covid-19 epidemie. De bepalingen van de Twm bieden daarvoor het wettelijk kader (waaronder de grondslagen voor maatregelen). Bij instandhouding van bepalingen van de Twm blijft indien de epidemiologische situatie daartoe onverhoopt noodzaakt, snel ingrijpen mogelijk.

De regering ziet geen reden voor instandhouding van de grondslag in de Wpg (en daarmee samenhangende procedureregels) voor het vertoeven in de openlucht, waarop de avondklok was gebaseerd en evenmin voor de grondslag om regels te kunnen stellen over de wijze van informatieverstrekking door de burgemeester aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De regering benadrukt nogmaals dat het behouden van bepalingen van de Twm niet betekent dat op de grondslag van de vanaf 1 september 2021 geldende bepalingen van de Twm ook daadwerkelijk maatregelen genomen zullen worden. De bepalingen worden ook dan alleen gebruikt als nieuwe maatregelen noodzakelijk (en evenredig) zijn (artikel 58b, tweede lid, Wpg). Het kabinet laat zich hierin adviseren door het OMT. Een eventuele nieuwe ministeriële regeling waarin die maatregelen alsdan worden vastgelegd, dient ingevolge de Twm te worden nagehangen bij beide Kamers, waarmee de parlementaire betrokkenheid is geborgd. De Tweede Kamer kan besluiten niet in te stemmen met een nagehangen ministeriële regeling, die in dat geval van rechtswege komt te vervallen.

3. Afdeling advisering van de Raad van State

Alvorens tot verlenging van de Twm over te gaan, dient de Afdeling advisering van de Raad van State ingevolge artikel 58t Wpg gehoord te worden over de maatregelen die gelden op grond van de Twm. Deze maatregelen zijn opgenomen in:

  • Tijdelijk besluit veilige afstand;

  • Tijdelijke regeling maatregelen covid-19;

  • Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 Bonaire;

  • Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 Sint Eustatius;

  • Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 Saba;

  • Besluit aanwijzing hoogrisicogebieden en zeer hoogrisicogebieden;

  • Besluit aanwijzing gebieden negatieve testverplichtingen Bonaire;

  • Besluit aanwijzing gebieden negatieve testverplichtingen Sint Eustatius;

  • Besluit aanwijzing gebieden negatieve testverplichtingen Saba.

Op 27 juli 2021 (No. W13.21.0225/III) heeft de Afdeling advisering van de Raad van State advies uitgebracht. Gelet op de huidige omstandigheden acht de Afdeling het oordeel gerechtvaardigd dat het verlengen van verreweg de meeste bepalingen van de Twm is aangewezen. Hierbij betrekt de Afdeling dat de Twm ook noodzakelijk is voor de gefaseerde afschaling van de maatregelen. Verlenging van de in artikel VIII, eerste lid, genoemde bepalingen van de Twm (met uitzondering van artikel 58s, derde lid) met een termijn van drie maanden ligt volgens haar daarom in de rede. Dat de grondslag voor het vaststellen van een ministeriële regeling om het vertoeven in de open lucht te beperken thans kan vervallen, behoeft naar haar oordeel nog nadere toelichting. Die nadere toelichting is hiervoor in paragraaf 2.2.2 gegeven. Voorts vraagt de Afdeling aandacht voor verduidelijking van de criteria voor verlenging, het belang van een geleidelijke afschaling met het oog op de geloofwaardigheid en effectiviteit van de maatregelen en de zorgvuldigheid van wetgeving met het oog op de wettelijke goedkeuring van het kb tot verlenging. Op deze aspecten is in het nader rapport nader ingegaan.

4. Caribisch Nederland

Op grond van de Twm zijn er voor de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius afzonderlijke tijdelijke regelingen tot stand gebracht. Voor afzonderlijke regelingen is gekozen omdat de feitelijke en epidemiologische situatie daar verschilt van de situatie in Europees Nederland. Met de verschillende regelingen kan dan ook maatwerk toegepast worden. Over de voorgenomen verlenging van de Twm zijn de eilandsbesturen van de openbare lichamen geconsulteerd. De eilandsbesturen van Bonaire en Saba hebben aangegeven dat zij geen bezwaar zouden hebben tegen instandhouding van de grondslag voor regels over het vertoeven in de openlucht. Het eilandsbestuur van Sint Eustatius heeft in zijn reactie op de consultatie aangegeven deze grondslag graag te willen behouden.

Zoals in paragraaf 2.1. toegelicht is het niet mogelijk om de werkingsduur van de bepalingen van de Twm voor alleen Caribisch Nederland te behouden. De regering acht instandhouding van deze grondslag bovendien niet langer noodzakelijk, ook niet voor de nabije toekomst.

5. Inwerkingtreding en verlengingsduur

Met dit koninklijk besluit wordt de vervaldatum van bepalingen van de Twm vastgesteld op 1 december 2021, met uitzondering van de in de Wpg opgenomen grondslag voor regels over het vertoeven in de openlucht en de daarmee samenhangende procedurele bepalingen, en de grondslag voor het stellen van regels over de wijze van informatieverstrekking door de burgemeester aan de minister van VWS.

Deze nota van toelichting wordt uitgebracht mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge


X Noot
2

Zie paragraaf 2.2.1.

X Noot
3

Kamerstukken II 2020/21, 25 295, nr. 1297.

X Noot
4

Zoals dat met ingang van 17 juli 2021 is komen te luiden ingevolge de wet van 14 juli 2021 tot wijziging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 in verband met regeling van het vereiste van goedkeuring bij wet van een koninklijk besluit tot verlenging als bedoeld in artikel VIII, derde lid, van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Stb. 2021, 359).

X Noot
5

OMT, «Advies n.a.v. 116e en 117e OMT aangepast», 18 juni 2021, Kamerstukken II 2020/21, 25 295, nr. 1297.

X Noot
6

Bronmaatregelen zijn onder andere thuisblijven bij klachten (quarantaine) en testen. Collectieve bestrijdingsmiddelen zijn onder andere hand- en hoesthygiëne, 1,5 meter afstand houden, beperkingen van groepsgrootte, maximumbezoekersaantallen, placering en spatschermen, thuiswerken, ventilatie, mondneusmaskers in openbare ruimtes en spatschermen.

X Noot
7

Hoofdstuk 2 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 (Trm); paragraaf 2 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 Bonaire (Trm Bonaire); paragraaf 2 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 Sint Eustatius (Trm Sint Eustatius); paragraaf 2 van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 Saba (Trm Saba).

X Noot
8

Artikel 58f Wpg.

X Noot
9

Stcrt. 2020, 6230 (artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.7).

X Noot
10

Handelingen I 2020/21, nr. 46, item 2, p. 17.

X Noot
11

Kamerstukken II 2020/21, 35 808, nr. 3, p. 6.

X Noot
12

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 29 (amendement Van Brenk c.s.).

X Noot
13

Art. 6.23, tweede lid, Trm.