Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2021, 327AMvB

Besluit van 2 juli 2021 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de uitvoering van de Verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen (Uitvoeringsbesluit verordening prudentiële vereisten beleggingsondernemingen)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 31 mei 2021, 2021-0000082139, directie Financiële Markten;

Gelet op Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 314), Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PbEU 2019, L 314) en de artikelen 1:24, derde lid, 1:25, derde lid, 1:79, eerste lid, onderdeel b, 1:80, aanhef en onderdeel b, 1:81 en 1:94, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op het financieel toezicht.

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 juni 2021, nr. W06.21.0145/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 30 juni 2021, 2021-0000125932, directie Financiële Markten;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1 wordt na de definitie van verordening (EU) nr. 2019/1156 (grensoverschrijdende distributie van beleggingsinstellingen en icbe’s) een definitie ingevoegd, luidende:

verordening (EU) nr. 2019/2033 (prudentiële vereisten beleggingsondernemingen):

verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 134).

B

Artikel 2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel x, onder 1°, tweede gedachtestreepje, wordt «beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten» vervangen door «beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten».

2. Onder verlettering van onderdelen aa en ab tot ac en ad, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • ab. voor verordening (EU) nr. 2019/2033 (prudentiële vereisten beleggingsondernemingen):

    • 1°. ten aanzien van de gehele verordening met uitzondering van de artikelen 48, 51 en 53: de Nederlandsche Bank;

    • 2°. ten aanzien van de artikelen 48, 51 en 53: de Autoriteit Financiële Markten;

C

Aan artikel 7 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van dat artikel door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • j. de verordening (EU) nr. 2019/2033 (prudentiële vereisten beleggingsondernemingen).

D

Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de opsomming van artikelen onder de aanduiding «Verordening (EU) nr. 575/2013 (Kapitaalvereisten)» onder «Deel 1. Algemene bepalingen» vervalt «17, eerste lid,».

2. In de opsomming van artikelen onder de aanduiding «Verordening (EU) nr. 575/2013 (Kapitaalvereisten)» onder «Deel 3, Kapitaalvereisten» vervalt «95, eerste en tweede lid, 96, 97, eerste en derde lid, 98,».

3. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

Verordening (EU) nr. 2019/2033 (prudentiële vereisten beleggingsondernemingen)

Artikel 5

Artikel 7, eerste, derde en vijfde lid

Artikel 8, derde lid en vijfde lid

Artikel 9, eerste tot en met derde lid

Artikel 10, eerste en tweede lid

Artikel 11, eerste en derde lid

Artikel 15, derde lid

Artikel 21,tweede lid

Artikel 35

Artikel 37

Artikel 40

Artikel 43, eerste lid

Artikel 45

Artikel 46, eerste, tweede en vierde lid

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 49

Artikel 50

Artikel 51

Artikel 53

Artikel 54

Artikel 55, eerste, tweede en vijfde lid

E

Bijlage 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de opsomming van artikelen onder de aanduiding «Verordening (EU) nr. 575/2013 (Kapitaalvereisten)» onder «Deel 1. Algemene bepalingen» na «Boetecategorie 2» vervalt «17, eerste lid,».

2. In de opsomming van artikelen onder de aanduiding «Verordening (EU) nr. 575/2013 (Kapitaalvereisten)» onder «Deel 3, Kapitaalvereisten» na «Boetecategorie 3» vervalt «95, eerste en tweede lid, 96, 97, eerste en derde lid, 98,».

3. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

Verordening (EU) nr. 2019/2033 (prudentiële vereisten beleggingsondernemingen)

Artikel

Boetecategorie

5

3

7, eerste, derde en vijfde lid

3

8, derde en vijfde lid

3

9, eerste tot en met derde lid

3

10, eerste en tweede lid

3

11

3

15, derde en vijfde lid

3

21, tweede lid

3

35

3

37

3

38

3

40

3

43, eerste lid

3

45

3

46, eerste, tweede en vierde lid

3

47

3

48

3

49

3

50

3

51

3

53

3

54

3

55, eerste, tweede en vijfde lid

3

ARTIKEL II

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 26 juni 2021, of indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst wordt uitgegeven na 25 juni 2021, met ingang van de dag na de datum van uitgifte van dat Staatsblad, met uitzondering van artikel I, onderdelen B, D, subonderdeel 2, en E, subonderdeel 2.

  • 2. Artikel I, onderdeel B, treedt in werking op het tijdstip waarop de Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen in werking treedt.

  • 3. Artikel I, onderdeel D, subonderdeel 2, en onderdeel E, subonderdeel 2, treedt in werking met ingang van 26 juni 2026.

ARTIKEL III

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit verordening prudentiële vereisten beleggingsondernemingen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 2 juli 2021

Willem-Alexander

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

Uitgegeven de negende juli 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

§ 1. Inleiding

Dit besluit strekt ter uitvoering van Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 314) (hierna: de verordening) en ter implementatie van artikel 18 van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PbEU 2019, L 314) (hierna: de richtlijn), waarin de administratieve sancties en maatregelen die nodig zijn om de verordening te handhaven, zijn opgenomen. Het besluit bevat wijzigingen van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, waarmee wordt voorzien in het aanwijzen van de met de uitvoering van de verordening belaste toezichthouders en de sanctionering van overtreding van de verordening. Het grootste deel van de verordening wordt van toepassing op 26 juni 2021.1 Ook de richtlijn dient op die datum in nationale wet- en regelgeving geïmplementeerd te zijn. Als bijlage bij deze toelichting is voorzien in een transponeringstabel met betrekking tot de uitvoering van de verordening en een transponeringstabel voor de implementatie van artikel 18 van de richtlijn.

§ 2. Wijze van implementatie

De verordening vormt tezamen met de richtlijn het nieuwe prudentieel kader voor beleggingsondernemingen. Beleggingsondernemingen vielen voorheen, net als banken, voor wat betreft de prudentiële regels en het toezicht daarop onder de verordening kapitaalvereisten2 en de richtlijn kapitaalvereisten.3 Dit prudentiële regime is in hoofdzaak gebaseerd op de door het Bazels Comité voor Bankentoezicht voor bankengroepen vastgestelde internationale reguleringsstandaarden. Deze standaarden sluiten niet volledig aan op de specifieke risico’s die zijn verbonden aan de dienstverlening en activiteiten van beleggingsondernemingen, maar zijn vooral gericht op het adresseren van de meest gangbare risico’s voor banken. Om die reden voorzien de onderhavige verordening en de richtlijn in een nieuw prudentieel regime voor beleggingsondernemingen, dat de specifieke risico’s voor beleggingsondernemingen adresseert.

De richtlijn wordt geïmplementeerd met de Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen (verder: de implementatiewet)4 en het Implementatiebesluit prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.

De inhoud van het onderhavige besluit maakte tot en met het moment van openbare consultatie5 onderdeel uit van het Implementatiebesluit prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. Na consultatie van dat besluit is besloten de wijzigingen die betrekking hebben op het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten uit dat besluit te halen.6 Deze bepalingen zijn opgenomen in het onderhavige besluit. De Wet op het financieel toezicht (Wft) voorziet reeds in voldoende grondslag (in de artikelen 1:24 en 1:25 Wft) voor deze wijzigingen, waardoor dit besluit na consultatie snel in procedure kan worden gebracht. De overige onderdelen van het Implementatiebesluit prudentieel toezicht beleggingsondernemingen zijn deels gebaseerd op enkele grondslagen die deel uitmaken van de implementatiewet, zodat met het in procedure brengen van dat besluit moet worden gewacht totdat de implementatiewet is aangenomen door de Tweede Kamer. Gelet op de termijn waarop de verordening (grotendeels) van toepassing wordt, namelijk op 26 juni 2021, wordt met het onderhavige besluit beoogd om – waar dat mogelijk is – het wetgevingstraject ter uitvoering van de verordening te versnellen.

In paragraaf 3 van deze nota van toelichting wordt stilgestaan bij de belangrijkste wijzigingen die deel uitmaken van dit ontwerpbesluit. Vervolgens wordt in paragraaf 4 stilgestaan bij de gevolgen van het besluit. In paragraaf 5 komt de openbare consultatie van het besluit aan de orde. In het artikelsgewijze deel worden de wijzigingen van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten op artikelniveau besproken.

§ 3. Belangrijkste wijzigingen

Dit besluit regelt dat de verordening wordt toegevoegd aan de opsomming van verordeningen op het terrein van de financiële markten in het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, waarop, op basis van de Wft, door de Nederlandsche Bank (DNB) of de Autoriteit Financiële Markten (AFM) toezicht wordt gehouden. Bij de bevoegdheidsverdeling tussen deze toezichthouders ten aanzien van de onderhavige verordening is de bestaande taakverdeling tussen de twee toezichthouders ongewijzigd in stand gelaten, zodat alle bepalingen met een prudentieel karakter zijn toebedeeld aan DNB en bepalingen met een gedragscomponent of een algemeen karakter zijn toebedeeld aan de AFM.7 Voorts is voorzien in de mogelijkheid van handhaving in geval van overtreding van de verschillende artikelen van de verordening (zie verder de artikelsgewijze toelichting).

§ 4. Gevolgen

In deze paragraaf komen de gevolgen van het besluit aan de orde, zoals de regeldrukeffecten, uitvoeringslasten en de financiële gevolgen voor het Rijk.

Regeldrukeffecten zijn de investeringen en inspanningen die bedrijven, burgers of professionals moeten verrichten om zich aan wet- en regelgeving van de Rijksoverheid te houden. Aangezien met dit uitvoeringsbesluit uitsluitend wordt voorzien in de mogelijkheid tot handhaving van de rechtstreeks werkende verordeningen heeft dit besluit geen regeldrukgevolgen.8 De eventuele toezichtlasten als gevolg van de verordening worden veroorzaakt door de bepalingen uit de rechtstreeks werkende verordening en niet door nationale regelgeving.9 Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) onderschrijft de conclusie met betrekking tot de gevolgen voor de regeldruk van dit besluit en heeft afgezien van een formele reactie.

Dit besluit is opgesteld in afstemming met DNB en de AFM. Beleggingsondernemingen met zetel in Nederland vallen onder het toezicht van DNB en de AFM. Zoals ook naar voren komt uit de memorie van toelichting bij de implementatiewet is bij de implementatie van de richtlijn en de uitvoering van de verordening gekozen de bestaande taakverdeling tussen DNB en de AFM ongewijzigd in stand te laten. Dat betekent dat AFM de primaire toezichthouder blijft waar het beleggingsondernemingen betreft, verantwoordelijk voor het verlenen van de vergunning en de uitoefening van het gedragstoezicht. DNB blijft de toezichthoudende autoriteit die verantwoordelijk is voor de uitoefening van het prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen.10 Deze bestaande taakverdeling is doorgevoerd in dit besluit. Voor bepalingen uit de verordening met een prudentieel karakter is DNB aangewezen als bevoegde autoriteit, voor bepalingen met een gedragscomponent of een algemeen karakter is de AFM aangewezen als bevoegde autoriteit. Dit besluit is volgens huidig inzicht van DNB en de AFM uitvoerbaar en handhaafbaar en heeft geen noemenswaardige gevolgen voor hun werkwijze of begroting. Het besluit heeft geen financiële gevolgen voor het Rijk.

§ 5. Consultatie

Een concept van dit besluit is als onderdeel van het Implementatiebesluit prudentieel toezicht beleggingsondernemingen11 van 1 april 2021 tot 29 april 2021 openbaar geconsulteerd op www.internetconsultatie.nl.12 Er zijn daarbij geen reacties binnen gekomen die betrekking hebben op de wijzigingen van het Besluit uitvoering EU-verordeningen. De consultatie heeft niet geleid tot aanpassing van de bepalingen opgenomen in dit besluit.

Artikelsgewijs

Artikel I (Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten)

A (artikel 1)

Met dit onderdeel wordt de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen toegevoegd aan de opsomming in artikel 1 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten van verordeningen op het terrein van de financiële markten, waarop op basis van de Wft door DNB of de AFM toezicht wordt gehouden.

B (artikel 2)

Dit onderdeel voegt een nieuw onderdeel toe aan artikel 2, eerste lid, van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Hierdoor wordt DNB aangewezen als bevoegde autoriteit die belast is met de uitvoering en handhaving van de bij of krachtens de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen gestelde regels, behalve ten aanzien van de artikelen 48, 51 en 53. Voor laatstgenoemde artikelen wordt de AFM aangewezen, zodat de bestaande taakverdeling tussen DNB en AFM wordt gehandhaafd. Door de aanwijzing kunnen DNB en de AFM gebruik maken van het toezichts- en handhavingsinstrumentarium zoals dat is opgenomen in hoofdstuk 1.4 van de Wft. De onderdelen aa en ab worden verletterd tot onderdelen ac en ad. De verordening wordt ingevoegd als onderdeel ab. Daarmee blijft onderdeel aa beschikbaar voor Verordening (EU) 2019/1238 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) (PbEU 2019, L 198).

Daarnaast wordt in het onderdeel dat betrekking heeft op verordening (EU) nr. 2017/2402 (securitisaties)13 de term «beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten» vervangen door «beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten». Zoals naar voren komt in de memorie van toelichting bij de implementatiewet14, wordt daar waar een bepaling uitsluitend voortvloeit uit de richtlijn kapitaalvereisten verwezen naar «beleggingsondernemingen onder de verordening kapitaalvereisten». Het begrip «beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten» komt te vervallen, nu deze niet langer aansluit op de categorie indeling die met betrekking tot beleggingsondernemingen is gaan gelden als gevolg van de implementatiewet. Om die reden wordt voor de inwerkingtreding van deze wijziging aangesloten bij de inwerkingtreding van de implementatiewet.

C (artikel 7)

Op grond van artikel 18, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, van de richtlijn, dient het onder meer mogelijk te zijn een openbare verklaring uit te brengen in geval van een overtreding van de verordening. Met het onderhavige onderdeel wordt deze mogelijkheid, middels een wijziging van artikel 7 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen, in Nederland geregeld. Voor de verordening wordt onderdeel j toegevoegd, daarmee blijft onderdeel i beschikbaar voor Verordening (EU) 2019/1238 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) (PbEU 2019, L 198).

D (bijlage 1)

Dit onderdeel wijzigt bijlage 1 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. In het eerste subonderdeel vervalt artikel 17, eerste lid, uit de lijst van artikelen onder de verordening kapitaalvereisten, ter uitvoering van artikel 62, zevende lid, van de verordening. Op grond van artikel 62, zevende lid, van de verordening vervallen namelijk de artikelen 15, 16 en 17 van de verordening kapitaalvereisten. Het zal daarom voor DNB niet langer nodig zijn om overtreding van artikel 17, eerste lid, van de verordening kapitaalvereisten te kunnen handhaven met een last onder dwangsom.

Het tweede subonderdeel behelst een vergelijkbare wijziging: artikel 62, veertiende lid, van de verordening laat afdeling 2 van titel I, hoofdstuk 2 van de verordening kapitaalvereisten vervallen. De artikelen 95 tot en met 98 van die verordening kunnen derhalve ook komen te vervallen in de opsomming van artikelen onder de verordening kapitaalvereisten in bijlage 1. Deze wijziging is in een apart onderdeel opgenomen vanwege een afwijkende implementatiedatum van artikel 62, veertiende lid, van de verordening: de artikelen 95 tot en met 98 van de verordening kapitaalvereisten komen per 26 juni 2026 te vervallen. Het tweede subonderdeel zal daarom per die datum inwerkingtreden.

Het derde subonderdeel voegt diverse bepalingen van de verordening toe aan bijlage 1 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Hierdoor kan DNB bij overtreding van die bepalingen een last onder dwangsom opleggen. Behoudens twee uitzonderingen, zijn alle overtreedbare bepalingen aan de bijlage toegevoegd. De uitzonderingen betreffen de artikelen 11, vierde lid, en 38, eerste lid. In beide gevallen gaat het om de plicht om aan de toezichthouder te melden wanneer niet langer aan een bepaald vereiste wordt voldaan. Het is op voorhand voor de toezichthouder niet te bepalen wanneer er gemeld moet worden en daarmee wanneer de meldplicht wordt overtreden. Overtreding van de meldplichten kan daarom niet met de dreiging van een last onder dwangsom worden beëindigd. Indien achteraf blijkt dat onterecht niet gemeld is, heeft het enkel nog zin een boete op te leggen.

E (bijlage 2)

Met dit onderdeel wordt bijlage 2 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten gewijzigd. Evenals bij het voorgaande onderdeel, hangen de wijzigingen opgenomen in het eerste en tweede subonderdeel samen met het vervallen van enige bepalingen van de verordening kapitaalvereisten op grond van artikel 62, zevende en veertiende lid, van de verordening. De te vervallen bepalingen worden daarom uit de opsomming behorende bij het onderdeel van bijlage 2 betreffende de verordening kapitaalvereisten verwijderd. Ook hier geldt dat voor het tweede subonderdeel een afwijkende inwerkingtredingsbepaling geldt. Op grond van artikel 62, veertiende lid, van de verordening komen de artikelen 95 tot en met 98 van de verordening kapitaalvereisten per 26 juni 2026 te vervallen. Het tweede subonderdeel zal daarom per die datum inwerkingtreden.

Het derde subonderdeel voegt diverse bepalingen van de verordening toe aan bijlage 2 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Het gaat om bepalingen die aan beleggingsondernemingen een concrete norm opleggen. Door deze bepalingen in de bijlage op te nemen kan DNB bij overtreding van die bepalingen een bestuurlijke boete opleggen.

Op grond van artikel 18 van de richtlijn moet bij overtreding van de verordening naast een publieke verklaring (waarvoor wordt verwezen naar onderdeel C), een aanwijzing tot de mogelijkheden behoren. De aanwijzing is reeds mogelijk op grond van de artikelen 1:3a jo. 1:75 Wft. Daarnaast dienen inbreuken op de verordening beboet te kunnen worden met maximaal 10% van de netto jaaromzet indien de overtreder een rechtspersoon is en met maximaal € 5 miljoen indien de overtreding wordt begaan door een natuurlijk persoon. Ook moet een tijdelijke verbod voor de leden van het leidinggevend orgaan of andere verantwoordelijke personen om een functie uit te oefenen in de beleggingsonderneming mogelijk zijn. In de systematiek van artikel 1:81 en 1:82 Wft zijn omzet gerelateerde boetes en het functieverbod (op grond van de artikelen 1:3a jo. 1:87 Wft) alleen mogelijk voor overtredingen die in de derde categorie zijn geplaatst. Om te voldoen aan de richtlijn worden daarom alle overtredingen van de verordening in de derde categorie geplaatst. Op deze manier is het tijdelijke functieverbod mogelijk en kan een maximale boete van 10% van de netto jaaromzet opgelegd worden ten aanzien van een rechtspersoon en kan ten aanzien van een natuurlijk persoon een maximale boete van € 5 miljoen worden opgelegd. Let wel, middels dit onderdeel worden de maximumboetes bepaald. De toezichthouder zal in een concreet geval een passende boete bepalen aan de hand van de omstandigheden van het geval volgens de systematiek die is opgenomen in de artikelen 1 tot en met 4 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector.

Artikel II

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het besluit. Er wordt een uitzondering gemaakt op de vaste verandermomenten omdat het besluit dient ter uitvoering van een bindende EU-rechtshandeling. Het besluit treedt grotendeels in werking op het moment dat de verordening van toepassing wordt, te weten op 26 juni 2021. Mocht het besluit pas in het Staatsblad gepubliceerd worden na die datum, dan treedt het besluit in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst. Hierop zijn twee uitzonderingen gemaakt. De eerste betreft de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B. Dat onderdeel past de vermelding in het tweede lid van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten met betrekking tot de verordening (EU) nr. 2017/2402 (securitisaties) aan, naar aanleiding van een nieuwe categorie indeling van beleggingsondernemingen opgenomen in de implementatiewet. Om die reden wordt voor de inwerkingtreding van deze wijziging aangesloten bij de inwerkingtreding van de implementatiewet (zie de artikelsgewijze toelichting onder artikel I, onderdeel B). De tweede uitzondering betreft de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen D, subonderdeel 2, en E, subonderdeel 2. Die subonderdelen hebben betrekking op de artikelen 95 tot en met 98 van de verordening kapitaalvereisten die op grond van de verordening per 26 juni 2026 komen te vervallen. Deze subonderdelen, die dat regelen, zullen dus per die datum inwerkingtreden.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

Bijlage. Transponeringstabellen

Transponeringstabel behorende bij Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 314). Het Uitvoeringsbesluit verordening prudentiële vereisten beleggingsondernemingen wordt in de tabellen aangeduid als het uitvoeringsbesluit.

Bepaling verordening

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

Artikel 2

Artikel I, onderdelen A en B van het uitvoeringsbesluit

Aanwijzen bevoegde autoriteit

Wijziging van de artikelen 1 en 2 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten

Geen

Het uitvoeringsbesluit voorziet tevens in implementatie van artikel 18 van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PbEU 2019, L 314). De tabel hieronder maakt in verkorte versie deel uit van de transponeringstabel behorende bij die richtlijn, die is opgenomen in de memorie van toelichting van de Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.

Bepaling richtlijn

Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte

Artikel 18, eerste lid

Artikel I, onderdelen D en E, van het uitvoeringsbesluit

Geen

Artikel 18, tweede lid, onderdeel a

Artikel I, onderdeel C, van het uitvoeringsbesluit

Geen

Artikel 18, tweede lid, onderdeel b

Mogelijk op grond van artikel 1:3a jo 1:75 Wft

Geen

Artikel 18, tweede lid, onderdeel c

Artikel 1:87 Wft vanwege toekenning boetecategorie 3, in uitvoeringsbesluit artikel I, onderdeel E,

Geen

Artikel 18, tweede lid, onderdeel d, e en f, en derde lid.

Artikel I, onderdeel E, van het uitvoeringsbesluit en de artikelen 1:81, 1:82 en 1:83 Wft jo. artikel 5 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten

Geen


X Noot
1

Er geldt een enkele uitzondering op deze termijn, namelijk voor artikel 62, punt 14 en punt 30, en artikel 63, punt 2 en 3, van de verordening. Zie voor de wijze waarop deze bepalingen zijn geïmplementeerd en uitgevoerd de transponeringstabellen in de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen.

X Noot
2

Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176).

X Noot
3

Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PbEU 2013, L 176).

X Noot
4

Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en de Faillissementswet in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende het prudentiële toezicht op beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PbEU 2019, L 314), alsmede in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PbEU 2019, L 314) (Implementatiewet richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen) Kamerstukken II 2020/21, 35783.

X Noot
6

Alleen de implementatie van artikel 52 van de verordening blijft opgenomen in het Implementatiebesluit prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. De implementatie van dit artikel, dat een concrete opdracht aan de lidstaten bevat, vindt plaats in het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

X Noot
7

Zie ook de memorie van toelichting bij de implementatiewet, paragraaf 4.3.

X Noot
8

Voor een beschrijving van de regeldrukeffecten van de richtlijn zij verwezen naar het algemeen deel van de memorie van toelichting bij de implementatiewet waarin een integrale beschrijving is gegeven van de regeldrukgevolgen van de wijzigingsrichtlijn voor de verschillende categorieën van beleggingsondernemingen.

X Noot
9

Zie het Handboek meting regeldrukkosten (pagina 18) dat op 1 januari 2018 is vastgesteld door het ministerie van Economische Zaken in samenspraak met de andere ministeries en het Adviescollege Toetsing Regeldruk, beschikbaar via: www.kcwj.nl/sites/default/files/handboek_meting_regeldrukkosten_v_1-1-2018.pdf.

X Noot
10

Toezicht vindt plaats volgens het zogenaamde Twin Peaks-model, gebaseerd op de artikelen 1:24 en 1:25 Wft. Zie tevens de memorie van toelichting bij de implementatiewet, paragraaf 5.

X Noot
11

Zie paragraaf 2 van deze toelichting.

X Noot
12

Zie www. internetconsultatie.nl/implementatiebesluitprudentieeltoezichtbeleggingsondernemingen, onder downloads concept regeling, Implementatiebesluit prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, artikel III.

X Noot
13

Verordening (EU) nr. 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot vaststelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2017, L 347).

X Noot
14

Zie paragraaf 4.1 van de memorie van toelichting van de implementatiewet.