Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2021, 149AMvB

Besluit van 11 maart 2021, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES, het Besluit overlegstelsel BES, het Bezoldigingsbesluit 1998 BES en het Besluit rechtspositie korps politie BES (formalisering participatieraden en verzamelbesluit)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 november 2020, nr. 2020-0000630143;

Gelet op de artikelen 81 en 101 van de Ambtenarenwet BES, en artikel 21, tweede lid, onder a, van de Veiligheidswet BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 januari 2021, no. W04.20.0443/I);

Gezien het nader rapport van Onze Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 maart 2021, nr. 2021-0000116189;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1a, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt na onderdeel b door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. Onze Minister:

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

B

Na artikel 48 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 2a. Arbeid door zwangere en bevallen ambtenaren

Artikel 48a

Hoofdstuk 3a van de Arbeidswet 2000 BES is van overeenkomstige toepassing op zwangere en bevallen ambtenaren.

C

In de artikelen 49, eerste lid, en 78, vierde lid, wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties» vervangen door «Onze Minister».

D

Na artikel 72h wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 11a. Medezeggenschap

Artikel 72i

In deze paragraaf en de daarop gebaseerde regels wordt verstaan onder:

a. organisatie-eenheid:

organisatie-eenheid van de Rijksdienst Caribisch Nederland;

b. participatieraad:

participatieraad als bedoeld in artikel 72k, eerste lid;

c. centrale participatieraad:

centrale participatieraad als bedoeld in artikel 72k, derde lid.

Artikel 72j
  • 1. De ambtenaren in dienst van de Staat hebben in het belang van het goed functioneren van die organisatie-eenheid en met inachtneming van deze paragraaf recht op medezeggenschap met betrekking tot onderwerpen die, met inachtneming van artikel 72m, de uitvoering van de bedrijfsvoering van die organisatie-eenheid betreffen.

  • 2. Ten behoeve van medezeggenschap als bedoeld in het eerste lid voert Onze Minister open en reëel overleg met de voor dat overleg ingestelde participatieraad of, met inachtneming van de artikelen 72l en 72m, de centrale participatieraad of, voor zover het medewerkers betreft die werkzaam zijn in een organisatie-eenheid van minder dan tien medewerkers, in een personeelsbijeenkomst die halfjaarlijks georganiseerd wordt.

Artikel 72k
  • 1. Onze Minister stelt voor een organisatie-eenheid van ten minste tien medewerkers een participatieraad in.

  • 2. Een participatieraad bestaat uit leden die door de in de desbetreffende organisatie-eenheid werkzame medewerkers rechtstreeks uit hun midden zijn gekozen.

  • 3. Onze Minister kan tevens een centrale participatieraad instellen, waarvoor iedere participatieraad een lid kan afvaardigen.

Artikel 72l

Indien een centrale participatieraad is ingesteld, worden daarin uitsluitend onderwerpen met betrekking tot de uitvoering van de bedrijfsvoering behandeld die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of de meerderheid van de participatieraden.

Artikel 72m
  • 1. Geen onderwerp van medezeggenschap zijn:

    • a. individuele rechtspositionele aangelegenheden;

    • b. aangelegenheden waarover overleg wordt gevoerd in het overleg, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit overlegstelsel BES, daaronder begrepen een wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of inhoud van de taken van de organisatie-eenheid, voor zover daaraan rechtspositionele of personele gevolgen zijn verbonden; en

    • c. de vaststelling van de taken van een organisatie-eenheid of de omvang daarvan, het beleid ten aanzien van die taken en de uitvoering van die taken, alsmede directe maatregelen voor zover die strekken tot het verzekeren van de beschikbaarheid, de inzetbaarheid, oefeningen en het ongestoord functioneren van een organisatie-eenheid.

  • 2. In het overleg, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit overlegstelsel BES, kan besloten worden dat bespreking van aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, in afwijking van die bepaling toch plaatsvindt in de betrokken participatieraden of in de centrale participatieraad. Daarbij kan tevens worden besloten dat artikel 72n van overeenkomstige toepassing is. Indien het een voorstel betreft als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, van het Besluit overlegstelsel BES, kan daarbij tevens worden besloten dat een positief advies van de participatieraad gelijk gesteld wordt met overeenstemming met de Sectorale Overlegcommissie BES.

Artikel 72n
  • 1. In het kader van medezeggenschap wordt de participatieraad of de centrale participatieraad in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over voorgenomen maatregelen met betrekking tot:

    • a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan regelgeving inzake de rechtspositie van ambtenaren;

    • b. de wijze waarop het algemeen personeelsbeleid wordt uitgevoerd;

    • c. organisatie- en formatierapporten, voor zover daarin de structuur van de organisatie en de inhoud en omvang van de bij die structuur behorende functies worden beschreven;

    • d. aangelegenheden op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn in verband met de arbeid;

    • e. aangelegenheden met betrekking tot huisvesting en werkklimaat, en

    • f. de technische en bedrijfseconomische dienstuitvoering.

  • 2. Indien de participatieraad of de centrale participatieraad niet binnen een redelijke termijn een advies als bedoeld in het eerste lid uitbrengt, wordt hij geacht in te stemmen met de voorgenomen maatregel.

  • 3. Een besluit met betrekking tot een voorgenomen maatregel wordt genomen met inachtneming van het advies en afweging van de betrokken belangen.

  • 4. Tenzij het besluit met betrekking tot een voorgenomen maatregel overeenstemt met het advies, bedoeld in het eerste lid, wordt de uitvoering ervan opgeschort tot een maand na de dag waarop de participatieraad of de centrale participatieraad van het besluit in kennis is gesteld, dan wel tot de participatieraad te kennen geeft in te stemmen met het besluit.

Artikel 72o
  • 1. De participatieraad of de centrale participatieraad kan schriftelijk voorstellen doen ten aanzien van de onderwerpen, genoemd in artikel 72n, eerste lid.

  • 2. Onze Minister beslist over een voorstel als bedoeld in het eerste lid nadat daarover ten minste eenmaal overleg is gevoerd in een overlegvergadering. Na het overleg deelt Onze Minister zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd aan de participatieraad mee of hij overeenkomstig het voorstel zal beslissen.

Artikel 72p

Onze Minister verstrekt aan de participatieraad of de centrale participatieraad desgevraagd of uit eigen beweging tijdig alle inlichtingen en gegevens, waaronder de achtergronden, motieven en afwegingen van voorgenomen maatregelen als bedoeld in artikel 72n, eerste lid, die de participatieraad of de centrale participatieraad redelijkerwijs nodig heeft voor het vervullen van zijn taak. Over individuele personeelszaken worden geen gegevens verstrekt.

Artikel 72q

Ambtenaren die lid zijn of zijn geweest van een participatieraad of de centrale participatieraad of zich voor het lidmaatschap kandidaat hebben gesteld, worden niet uit hoofde van dat lidmaatschap of die kandidaatstelling ontslagen of benadeeld in hun positie of loopbaanperspectief.

Artikel 72r

Onze Minister stelt, in overeenstemming met de Sectorale Overlegcommissie BES, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit overlegstelsel BES, nadere regels ter uitvoering van deze paragraaf, waaronder in ieder geval regels met betrekking tot de samenstelling en de werkwijze van de participatieraden en de centrale participatieraad, de toepassing van de artikelen 72o en 72p, de faciliteiten die aan de leden van de participatieraden en de centrale participatieraad worden verleend en de wijze waarop geschillen met betrekking tot de uitvoering van deze paragraaf en de daarop berustende regels worden beslecht.

ARTIKEL II

Artikel 2.6, derde lid, van het Besluit overlegstelsel BES komt te luiden:

  • 3. Indien de stemmen staken, beslist Onze Minister of het voorstel ten uitvoer kan worden gebracht.

ARTIKEL III

Artikel 9a, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit 1998 BES komt te luiden:

  • 1. De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ter grootte van 8,33% van zijn bezoldiging inclusief de toelagen, genoemd in artikel 28, tweede, derde en vierde lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES, met een minimum van USD 1750.

ARTIKEL IV

In artikel 75, eerste lid, van het Besluit rechtspositie korps politie BES wordt na «68, » ingevoegd «71, ».

ARTIKEL V

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

  • 2. De artikelen I, onderdelen A, C en D, en IV werken terug tot en met 1 januari 2021.

  • 3. Artikel III werkt terug tot en met 1 januari 2019.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 11 maart 2021

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops

Uitgegeven de negenentwintigste maart 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

In het onderhavige besluit is een aantal verschillende onderwerpen geregeld of aangepast, waarvan de belangrijkste zijn: medezeggenschap, de formalisering van een dertiende maand van het salaris en de van overeenkomstige toepassing verklaring van een hoofdstuk uit de Arbeidswet 2000 BES in verband met de positie van zwangere en bevallen werkneemsters.

1. Medezeggenschap

Op 19 maart 2019, 1 juli 2019 en 31 oktober 2019 zijn tussen de vertegenwoordigers van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en de vertegenwoordigers van de ambtenarenbonden in Caribisch Nederland afspraken gemaakt met betrekking tot medezeggenschap. Deze afspraken zijn in dit besluit geformaliseerd.

De Ambtenarenwet BES voorziet niet in een uitdrukkelijke grondslag voor medezeggenschap. Wel biedt artikel 81 van die wet een algemene delegatiegrondslag om rechten van ambtenaren bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te regelen. In het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES wordt daarom een nieuwe paragraaf 11a ingevoegd, waarin het recht op medezeggenschap voor ambtenaren van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN), dus voor ambtenaren in dienst van de Staat, geregeld is.

Medezeggenschap voor het personeel betreft onderwerpen die de uitvoering van de bedrijfsvoering betreffen. Substantiële medezeggenschap kan worden bereikt door medezeggenschap zo dicht mogelijk bij de werkplek in te richten, dus bij voorkeur op het niveau van organisatie-eenheden (dienstonderdelen). Op deze wijze is inhoudelijk overleg mogelijk tussen de leiding (het diensthoofd) en medewerkers van een organisatie-eenheid over bijvoorbeeld de inrichting van de bedrijfsvoering, de uitvoering van de aan de organisatie-eenheid opgedragen taken en de gevolgen daarvan voor het personeel.

Eind 2015 zijn in Caribisch Nederland (CN) bij wijze van pilot bij de belastingdienst CN, het brandweerkorps CN, de justitiële instellingen CN, de RCN centraal en het korps politie CN ten behoeve van medezeggenschap van de bij die organisatie-eenheden werkzame personen zogenoemde «participatieraden» ingesteld. Het doel van de pilot was de weg voor te bereiden voor een formele vorm van medezeggenschap binnen de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN). In het sectoroverleg van 19 maart 2019 is besloten het stelsel van participatieraden te formaliseren. In het sectoroverleg van 1 juli 2019 en 31 oktober 2019 zijn in dit verband nadere afspraken gemaakt, meer in het bijzonder met betrekking tot de mogelijkheid van een centrale participatieraad. Dit is nader uiteengezet in de toelichting op artikel I, ten aanzien van de artikelen 72j en 72k.

Het recht op medezeggenschap dat in het besluit geregeld is, geldt strikt genomen alleen voor de ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet BES in dienst van de Staat. Het recht op medezeggenschap voor andere medewerkers, zoals vanuit Europees Nederland gedetacheerd personeel, kan immers niet geregeld worden op grond van de Ambtenarenwet BES. Dergelijk personeel speelt echter wel een rol in de medezeggenschap. Op grond van artikel 72j van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES wordt het recht van medezeggenschap namelijk geeffectueerd door de instelling van en overleg met participatieraden. Participatieraden worden gekozen door en uit het midden van in beginsel alle RCN-medewerkers, dus ook eventueel gedetacheerd personeel.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

2. Dertiende maand

Op 15 februari 2018 is tussen de vertegenwoordigers van de Minister van BZK en de vertegenwoordigers van de ambtenarenbonden in CN overeenstemming bereikt over de wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel in dienst van de RCN. In die arbeidsvoorwaardenovereenkomst, die een looptijd heeft van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020, is onder meer de doorgroei naar een dertiende maand als uitgangspunt opgenomen. Vanwege de beschikbare financiële ruimte was er in 2018 niet meer mogelijk dan een verhoging van de eindejaarsuitkering naar 6% van het brutoloon in 2019 en naar 7% van het brutoloon in 2020, met een minimum van USD 1500. In oktober 2019 heeft de Minister van BZK vastgesteld dat er alsnog enige structurele ruimte voor loonontwikkeling is en is met de bonden de vervolmaking van de dertiende maand, te weten 8,33% van het brutoloon overeengekomen, reeds te realiseren met terugwerkende kracht tot en met 2019, met een minimum van USD 1750. Dit is geformaliseerd in artikel III.

3. Wijziging Arbeidswet 2000 BES

In een overleg van de Centraal Dialoog Bonaire is gesproken over een aantal arbeidsrechtelijke (beschermings)maatregelen die in Europees Nederland gelden, echter niet in Caribisch Nederland. Voor een aantal bepalingen wordt dat op dit moment als een omissie gezien. Dat betreft bepalingen die betrekking hebben op zwangere en net bevallen vrouwen. In artikel IV van de Verzamelwet SZW 2021 is met ingang van 1 januari 2021 een nieuw hoofdstuk 3A ingevoerd in de Arbeidswet 2000 BES met betrekking tot arbeid door zwangere en bevallen werkneemsters. De Arbeidswet 2000 BES geldt op grond van artikel 1, tweede lid, onderdeel j, van die wet niet voor ambtenaren. Artikel I, onderdeel B, van het onderhavige besluit strekt ertoe dat de bepalingen van genoemd hoofdstuk 3a van die wet ook voor ambtelijk personeel zullen gaan gelden.

Het gaat om drie onderdelen. In artikel 17a van de Arbeidswet 2000 BES wordt bepaald dat voor zwangere werkneemsters geen verplichting geldt tot verrichten van arbeid in de nacht. Arbeid in de nacht wordt, overeenkomstig de in Nederland geldende Arbeidstijdenwet, gezien als werk tussen 0.00 uur en 6.00 uur.

Het betreft een stevige zorgplicht voor de werkgever. Werkgever kan aan werkneemster vragen om een zwangerschapsverklaring. De werkgever kan uitsluitend van zijn verplichting afzien, als gezien zijn bedrijfsvoering het nachtwerk door deze zwangere niet kan worden gemist. Het moet er dus uitdrukkelijk om gaan dat er geen alternatief is voor het vervullen van nachtwerk door de desbetreffende zwangere vrouw. Een overeenkomstige regeling geldt ten aanzien van werkneemsters gedurende de zes maanden volgend op de bevalling.

In artikel 17b van de Arbeidswet 2000 BES wordt voor zwangere en recent bevallen werkneemsters een arbeidsverbod geregeld. Dat verbod geldt vanaf vier weken voorafgaand aan de verwachte datum van bevalling tot en met zes weken na de werkelijke datum van bevalling. Dit is eveneens een bepaling die van belang is voor de goede bescherming van vrouwelijke werknemers. Op grond van artikel 1614ca van Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek BES geldt nu al een verlof rond de bevalling van ten minste 16 weken. Aangezien deze 16 weken de voorgestelde periode van het arbeidsverbod geheel omvatten, levert het arbeidsverbod geen significante extra lasten op voor werkgevers.

Artikel 17c van de Arbeidswet 2000 BES ten slotte, geeft de werkneemster gedurende de negen maanden na haar bevalling het recht tijdens werktijd ofwel haar kind te voeden, ofwel te kolven. Zij mag daartoe haar werktijd onderbreken. Het recht bedraagt maximaal een kwart van haar arbeidsduur op de dag.

De tijd die de werkneemster gebruikt voor het voeden of kolven geldt als gewone werktijd waarover zij recht heeft op loon.

Regeldruk

Het besluit betreft uitsluitend de rechtspositie van ambtenaren en heeft geen gevolgen voor de regeldruk. Het Adviescollege toetsing regeldruk deelt deze analyse en conclusie.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel B

Verwezen wordt naar het algemeen deel, paragraaf 3.

Artikel I, onderdeel D

Artikelen 72j en 72k

In artikel 72j, eerste lid, is bepaald dat de RCN-medewerkers recht hebben op medezeggenschap en dat daarvoor open en reëel overleg wordt gevoerd met de voor dat overleg ingestelde participatieraad. Een participatieraad bestaat uit leden die rechtstreeks door en uit het personeel van de desbetreffende organisatie-eenheid zijn gekozen. De participatieraden worden ingevolge artikel 72k, eerste lid, door de Minister van BZK ingesteld voor organisatie-eenheden waarin ten minste tien medewerkers werkzaam zijn. In de praktijk kan deze bevoegdheid via ondermandaat aan de directeur RCN of de onderscheiden diensthoofden1 worden uitgeoefend. Voor zover in het kader van de pilot2 bij een bepaalde organisatie-eenheid al een participatieraad was ingesteld, kan die hiermee worden geformaliseerd.

De RCN kent ook organisatie-eenheden van minder dan tien medewerkers. Het is niet werkbaar om voor een organisatie-eenheid van een zo geringe omvang een eigen participatieraad in te stellen. Overwogen is om voor dergelijke organisatie-eenheden een of meer gemeenschappelijke participatieraden in te stellen. Van deze mogelijkheid is echter afgezien. Een gemeenschappelijke participatieraad zou te bureaucratisch zijn en leiden tot te veel ruis. Er is namelijk geen gemandateerd diensthoofd dat voor meerdere organisatie-eenheden verantwoordelijk is en het ligt niet voor de hand dat diensthoofden elkaar zullen machtigen voor het nemen van beslissingen in elkaars bedrijfsvoering. Voor organisatie-eenheden kleiner dan tien medewerkers volstaat het om ieder halfjaar met het voltallige personeel een personeelsbijeenkomst te organiseren. Dit is in artikel 72j, tweede lid, vastgelegd.

Naast de participatieraden biedt artikel 72k in het derde lid de mogelijkheid van de instelling van een centrale participatieraad. Een centrale participatieraad is een overkoepelend medezeggenschapsorgaan, waarin alle participatieraden vertegenwoordigd zijn. In de centrale participatieraad worden onderwerpen behandeld die voor alle of in elk geval de meerderheid van de participatieraden relevant zijn.

Om de algemene doelstelling en meerwaarde van de medezeggenschap te benadrukken, is in artikel 72j, eerste lid, het belang van het goed functioneren van de organisatie-eenheid genoemd. Het goed functioneren van een organisatie-eenheid is niet alleen een zaak van de leiding, maar ook van de medewerkers en dus de participatieraad. Het overleg tussen de minister (lees: het diensthoofd) en de participatieraad moet, zo is vastgelegd in het tweede lid, open en reëel zijn. Er moet dus geen sprake zijn van een overleg dat slechts ruimte biedt voor het (gemotiveerd) meedelen van standpunten, maar het overleg dient tevens open te staan voor het reageren op de standpunten, het afwegen van en zo nodig erkennen van de juistheid van argumenten van de ander.

De reikwijdte van medezeggenschap is ruim. Afgezien van de beperkingen op grond van artikel 72m en (voor de centrale participatieraad) 72l, kunnen vrijwel alle onderwerpen die de desbetreffende organisatie-eenheid betreffen aan de orde worden gesteld. Dat betekent dat ook de algemene bevoegdheid van de participatieraden ruim is. Die algemene, ruime bevoegdheid moet niet worden verward met de adviesbevoegdheden waaraan het overeenstemmingsvereiste is gekoppeld. De onderwerpen waarover de participatieraad zich kan beraden bestrijken een ruimer terrein dan de onderwerpen waarover ook een adviesbevoegdheid bestaat. Verwezen wordt in dit verband naar de toelichting op artikel 72n.

Het bespreekbaar zijn van alle aangelegenheden die de uitvoering van de bedrijfsvoering van de organisatie-eenheid betreffen, betekent voor het hoofd van de organisatie-eenheid dat hij ten minste verplicht is tot gedachtewisseling met de participatieraad. Het verplicht hem echter niet tot het uitvoerig ingaan op die onderwerpen waarover hij het overleg met de participatieraad weinig zinvol acht, bijvoorbeeld het algemene personeelsbeleid.

Artikel 72l

In de centrale participatieraad worden (alleen) onderwerpen behandeld die voor alle of in elk geval de meerderheid van de participatieraden relevant zijn. Een centrale participatieraad is bij uitstek een platform waarin de directeur RCN een paar keer per jaar overlegt over nieuw te ontwikkelen beleid. Recent is, vooruitlopend op het onderhavige besluit, de zogenaamde lief- en leedregeling RCN-breed besproken (een beleidsstuk dat ziet op uitgaven in het kader van onder meer jubilea, Sinterklaas, verjaardagen en overlijden). Voorts kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de vormgeving van het stagebeleid in het kader van levensfasebewust personeelsbeleid.

Artikel 72m

De reikwijdte van medezeggenschap is, zoals uiteengezet in de toelichting op de artikelen 72j en 72k, ruim. Uitgezonderd zijn de onderwerpen die genoemd zijn in artikel 72m.

Dit zijn ten eerste individuele rechtspositionele onderwerpen (eerste lid, onder a). Hieruit volgt dat het niet de bedoeling kan zijn dat elke individuele personeelszaak die mogelijk van invloed kan zijn op de algemene gang van zaken binnen een organisatie-eenheid als een zaak van algemeen personeelsbeleid moet worden aangemerkt dan wel zo ruim moet worden uitgelegd dat daarmee de organisatie en werkwijze van de organisatie-eenheid wordt geraakt. Een participatieraad heeft om die reden in een dergelijk geval ook geen adviesrecht op grond van artikel 72n. Het overleg over individuele personeelszaken dient te worden gevoerd tussen het individuele personeelslid en het ter zake bevoegde gezag. Dit sluit evenwel niet uit dat individuele personeelszaken wel aanleiding kunnen vormen om een bepaald probleem in meer algemene zin te behandelen.

Ten tweede zijn uitgezonderd van medezeggenschap de onderwerpen die in het Sectoroverleg BES aan de orde komen: die onderwerpen kunnen geen onderwerp van medezeggenschap zijn (eerste lid, onder b). De onderwerpen die in het sectoroverleg (het overleg, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit overlegstelsel BES)aan de orde komen, zijn aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid wordt gevoerd (artikelen 2.2 en 4.2 van het Besluit overlegstelsel BES). Daaronder vallen ook organisatorische veranderingen of wijziging van de organisatie waaraan arbeidsvoorwaardelijke of personele gevolgen zijn verbonden; voor alle duidelijkheid zijn deze onderwerpen uitdrukkelijk uitgezonderd. Organisatorische veranderingen of wijzingen in de organisatie kunnen pas in de participatieraad besproken worden, wanneer in het sectoroverleg duidelijk is geworden dat daaraan geen personele gevolgen zullen zijn of hoe de personele gevolgen zijn geregeld. Wel kan op grond van artikel 72m, tweede lid, in het sectoroverleg worden afgesproken dat de reorganisatie of herinrichting toch in de participatieraad wordt besproken en eventueel ook dat er met de participatieraad overeenstemming moet worden bereikt. In dat laatste geval is geen overeenstemming in het sectoroverleg meer nodig.

Met de participatieraad hoeft niet overlegd te worden over de vaststelling van de taken van de organisatie-eenheid, de uitvoering van die taken en het beleid ten aanzien van die taken. De gevolgen van de vaststelling en uitvoering van de taken en daarmee voor de werkzaamheden van het personeel, bijvoorbeeld voor de personeelsformatie en arbeidsomstandigheden, zijn echter aangelegenheden die wel onderwerp van overleg met de participatieraad kunnen zijn. De afbakening van bevoegdheden van de participatieraden wordt het «primaat van de politiek» genoemd. De reikwijdte van de medezeggenschap beperkt zich tot de onderwerpen die niet reeds op het politieke niveau zijn vastgelegd. Dit houdt in dat (politiek) beleid waarin onder meer het besluit tot reorganisatie, de vaststelling van het formatieplafond en de personele reducties en toedelingen zijn vastgelegd, buiten de reikwijdte van het overleg (en advies) vallen.

Voor verhuizingen van organisatie-eenheden geldt ten aanzien van de locatiekeuze, het tijdstip en de consequenties van de verhuizing het volgende. De keuze van de geografische situering van de organisatie-eenheden in Caribisch Nederland is een keuze die gemaakt is op het politieke of hoogste ambtelijke niveau, op basis van de operationele inzetbaarheid van de desbetreffende organisatie, overwegingen van ruimtelijke ordening en infrastructurele mogelijkheden. Daarmee is de locatiekeuze en het tijdstip waarop eventueel verhuisd moet worden, onttrokken aan het besluitvormingsniveau waarop de medezeggenschap zich afspeelt. Het bepaalde in artikel 72m, eerste lid, onder c, dat de vaststelling van de taken van de organisatie-eenheid, het beleid ten aanzien van die taken en de uitvoering van die taken geen onderwerp zijn van medezeggenschap – en dus ook geen onderwerp zijn van het adviesrecht, bedoeld in artikel 72n, verzet zich tegen toekenning van een adviesrecht aan de participatieraad over locatiekeuze en tijdstip van verhuizingen van dienstonderdelen. Echter de gevolgen voor het huisvesting- en werkklimaat (arbeidsomstandigheden) van het personeel dienen wel ter advisering op grond van artikel 72n, eerste lid, onder d, te worden voorgelegd aan de participatieraad.

Verder leidt het gegeven dat sommige organisatie-eenheden, zoals de politie, de brandweer en het gevangeniswezen in verband met hun taakstelling onder alle omstandigheden beschikbaar moeten zijn, tot een zekere beperking van de medezeggenschap. In verband hiermee kan op grond van artikel 72m, eerste lid, onder c, geen sprake zijn van medezeggenschap in alle gevallen, waarin personeel van die organisatie-eenheden wordt ingezet of (direct) wordt voorbereid op die inzet, zowel in gewone als in buitengewone omstandigheden. Ook is in onderdeel c medezeggenschap uitgesloten tijdens oefeningen.

Artikel 72n

Uitgangspunt is, dat het overleg met de participatieraad plaatsvindt met de intentie om over voorgenomen maatregelen overeenstemming te bereiken. Daarom moet ingevolge artikel 72n, eerste lid, over voorgenomen maatregelen inzake de in dat lid genoemde onderwerpen eerst advies worden gevraagd aan de participatieraad. Op grond van het derde lid kan een besluit met betrekking tot zo’n maatregel vooralsnog niet worden uitgevoerd als dat niet overeenstemt met het advies.

De advisering vindt plaats «in het kader van medezeggenschap». Als met betrekking tot een onderwerp op grond van artikel 72m, eerste lid, medezeggenschap is uitgesloten, is artikel 72n niet van toepassing. Dit is bijvoorbeeld het geval als het een individuele rechtspositionele aangelegenheid betreft. In dit kader is van belang op te merken, dat de reikwijdte van het overleg en de reikwijdte van advies niet van elkaar te scheiden zaken zijn. Hoewel het mogelijk is om overleg te voeren zonder dat daarop advies hoeft te volgen, is het niet mogelijk dat een advies wordt uitgebracht zonder dat er voorafgaand overleg dienaangaande heeft plaatsgevonden.

Overwegingen over een te voeren beleid die nog niet tot een besluit leiden, vormen nog geen «voorgenomen maatregel», waarover advies moet worden gevraagd. Een maatregel veronderstelt een actie die de bestaande toestand verandert. Met andere woorden, met betrekking tot onderwerpen waarover nog geen beslissing wordt genomen, omdat ze pas in een voorbereidende fase zijn, komt de participatieraad nog geen adviesrecht toe. Over voorbereidende werkzaamheden kan overigens wel overleg worden gevoerd op grond van artikel 72j.

De participatieraad is niet verplicht een advies uit te brengen, maar moet hiertoe wel in de gelegenheid worden gesteld. Wanneer de participatieraad niet binnen redelijke termijn een advies uitbrengt, verliest hij zijn bevoegdheid ter zake en kan het diensthoofd de maatregel ook zonder advies treffen. Vanzelfsprekend dient het diensthoofd bij zijn besluit serieus rekening te houden met het advies. Dat neemt niet weg dat er situaties denkbaar zijn, waarin het diensthoofd op grond van een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen een beslissing moet nemen die afwijkt van het advies. Dit is geregeld in artikel 72n, derde lid.

Als het diensthoofd een besluit met betrekking tot de voorgenomen maatregel neemt, dat afwijkt van het advies, moet de uitvoering van dat besluit op grond van artikel 72n, vierde lid, met een maand worden opgeschort. In die tijd kan (nogmaals) overleg worden gevoerd tussen de participatieraad en het diensthoofd. Als er dan nog steeds geen overeenstemming wordt bereikt en het diensthoofd besluit de maatregel toch door te zetten, kan er sprake zijn van een geschil. Bij ministeriële regeling zal (op grond van artikel 72r) een procedure voor geschillenbeslechting worden vastgesteld.

Artikel 72o

Dit artikel regelt het initiatiefrecht van een participatieraad. Dit recht is niet beperkt tot de aangelegenheden waarover de participatieraad kan adviseren, maar geldt voor alle onderwerpen die in het overleg als bedoeld in artikel 72j, tweede lid, aan de orde kunnen komen. De participatieraad kan voorstellen doen met betrekking tot die onderwerpen. Om het initiatief voldoende inhoud te geven, is bepaald dat voorstellen betrekking moeten hebben op onderwerpen ten aanzien waarvan het diensthoofd van de betrokken organisatie-eenheid bevoegd is om maatregelen te treffen.

Voorstellen kunnen zowel in de overlegvergadering als daarbuiten worden gedaan. Een voorstel moet schriftelijk worden gedaan. De mogelijkheid voor een participatieraad om, met gebruikmaking van het initiatief, een onderwerp op de overlegagenda te plaatsen, brengt niet automatisch met zich mee dat daarmee, of daardoor, ook een adviesmogelijkheid ontstaat.

Het diensthoofd is verplicht het voorstel ten minste eenmaal in een overlegvergadering te bespreken en de participatieraad vervolgens schriftelijk en gemotiveerd mee te delen, of en in hoeverre hij overeenkomstig het voorstel zal beslissen. De participatieraad kan advies aan het college van advies en geschillen vragen, indien hij bezwaar heeft tegen het niet of niet voldoende gemotiveerd zijn van de beslissing van het diensthoofd.

Artikel 72p

Voor een goede invulling van de medezeggenschap moet het recht op informatie gewaarborgd zijn. Artikel 72p biedt hiertoe het kader. Bepaald is dat het diensthoofd de informatie moet verstrekken die de participatieraad redelijkerwijs nodig heeft voor het vervullen van zijn taak. Met de formulering «redelijkerwijs nodig hebben» wordt een objectieve norm aangegeven aan de hand waarvan beoordeeld kan worden welke informatie de participatieraad nodig heeft. Wat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van de taak van de participatieraad, bepaalt de raad in eerste instantie zelf. De taak van de participatieraad bestrijkt een zeer breed bedrijfsvoeringsterrein en er zal dan ook snel sprake zijn van een relatie tussen de gevraagde informatie en de taak van de participatieraad. De participatieraad kan niet alleen verzoeken om informatie waarover het diensthoofd als zodanig beschikt, maar ook om informatie waarover andere functionarissen (buiten de eenheid) beschikken en die redelijkerwijs nodig zijn voor het vervullen van zijn taak. De formulering van het artikel brengt met zich mee dat steeds in goed overleg tussen het diensthoofd en de participatieraad zal moeten worden vastgesteld welke informatievoorziening noodzakelijk is. Gelet op het algemene uitgangspunt dat een goede informatievoorziening essentieel is voor de verwezenlijking van de medezeggenschap, dient het diensthoofd ruimhartig te zijn in het verstrekken van informatie aan de participatieraad. Deze informatieplicht strekt echter niet zover dat over individuele personeelszaken gegevens zou moeten worden verstrekt

De participatieraad hoeft niet steeds te vragen om die informatie. Artikel 72p legt namelijk de actieve plicht tot het verstrekken van informatie op het diensthoofd. Pas in tweede instantie, indien de participatieraad van mening is dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs meer inlichtingen moeten worden verstrekt, zal hij daar om hoeven te vragen. Uit de bepaling valt af te leiden dat de informatie tijdig dient te worden aangeboden. Een eenduidige betekenis van het begrip «tijdig» is niet te geven. Wel staat vast dat de gevraagde inlichtingen en gegevens op een zodanig tijdstip moeten worden verstrekt dat de participatieraad van die informatie gebruik kan maken bij het vervullen van zijn taak. Kortom, de informatie moet op een zodanig tijdstip worden verstrekt dat de participatieraad wezenlijke invloed kan uitoefenen in het besluitvormingsproces voordat de besluitvorming door het diensthoofd is afgerond. Het overleg met de participatieraad zal moeten leiden tot wederzijdse beïnvloeding. Ook in het geval dat de beleidsvoorbereiding nog niet zover is dat het diensthoofd een maatregel kan voorstellen aan de raad, zouden in voorkomend geval toch de van belang zijnde stukken, zoals onderzoeksrapporten, aan hem kunnen worden toegezonden. Dit zal de snelheid van het uiteindelijke besluitvormingsproces ten goede komen.

Op grond van artikel 72r worden bij ministeriële regeling nadere regels met betrekking tot de informatieverstrekking worden gesteld.

Artikel 72q

Artikel 72q bevat een ontslag- en benadelingsverbod voor ambtenaren in verband met het lidmaatschap van een participatieraad.

Artikel 72r

Bij ministeriële regeling zullen nadere regels worden gesteld (artikel 72r). Daarin zullen onder meer de instelling en de samenstelling alsmede de werkwijze en bevoegdheden van de participatieraden en de centrale participatieraad worden geregeld.

Artikel II

In artikel 2.6, derde lid, van het Besluit overlegstelsel BES was bepaald dat als in het sectoroverleg bij de standpuntbepaling van de overlegcommissie de stemmen over een voorstel staken, de Minister van BZK beslist of het voorstel ten uitvoer kan worden gebracht, daarbij rekening houdend met het gewogen gemiddelde belang van de vakorganisatie. In het sectoroverleg van 1 juli 2019 is besproken dat deze bepaling in de praktijk eigenlijk niet gebruikt wordt, maar dat in ieder geval «het gewogen gemiddelde» kan vervallen. Voldoende is de bepaling dat de voorzitter bij het staken der stemmen beslist. De bepaling is in deze zin aangepast.

Artikel III

Dit artikel is toegelicht in paragraaf 2 van het algemeen deel.

Artikel IV

Artikel 71 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES betreft de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om een eenmalige arbeidsmarkttoelage toe te kennen ingeval het van groot belang is dat een vacante functie zonder uitstel wordt vervuld. Het Besluit rechtspositie korps politie kent geen vergelijkbare bepaling, hoewel ook voor politie een dergelijke toelage soms wenselijk is. Daarom wordt genoemd artikel 71 in een schakelbepaling (artikel 75, eerste lid, van het Besluit rechtspositie korps politie) van toepassing verklaard op politieambtenaren.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.W. Knops


X Noot
1

Artikel 4 Organisatie- en mandaatbesluit BZK-BES 2012.

X Noot
2

Zie Algemeen deel, paragraaf 1.