Wet van 3 maart 2021 tot herimplementatie van onderdelen van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (wijziging van de Overleveringswet)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is naar aanleiding van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie de implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering te herzien door de Overleveringswet en enkele andere wetten te wijzigen en daarmee in overeenstemming te brengen met die jurisprudentie;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Overleveringswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 2 wordt onder vernummering van het derde tot vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. De uitvaardigende justitiële autoriteit van de lidstaat van nationaliteit van een burger van de Unie die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer als bedoeld in artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in een andere lidstaat is aangehouden met het oog op uitlevering ter fine van strafvervolging aan een derde staat, kan na daarover te zijn geïnformeerd, ter voorkoming van een inbreuk op de artikelen 18 en 21 van dat Verdrag en met in achtneming van het eerste en tweede lid, een Europees aanhoudingsbevel uitvaardigen voor dezelfde feiten als die welke aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggen en voor zover zij naar nationaal recht bevoegd is rechtsmacht uit te oefenen ter zake van die feiten.

Aa

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede en derde lid worden vervangen door de volgende leden:

  • 2. De officier van justitie stelt Onze Minister onverwijld in kennis van elke overlevering onder garantie van teruglevering als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het eerste lid is eveneens van toepassing op een vreemdeling die tijdens het verhoor door de rechtbank aantoont dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover hij in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen en voor zover ten aanzien van hem de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Eventuele bewijsstukken dienen tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank te worden overlegd.

2. Het vierde en vijfde lid vervallen.

Ab

Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

  • 1. Overlevering van een Nederlander ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een bij onherroepelijk vonnis aan hem opgelegde vrijheidsstraf kan worden geweigerd, indien de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. In geval van een weigering van de overlevering, beveelt de rechtbank, gelijktijdig met de weigering, de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf.

  • 2. Bij de beoordeling van een verzoek tot overlevering als bedoeld in het eerste lid beoordeelt de rechtbank:

    • a. of er gronden als bedoeld in artikel 2:13, eerste lid, onderdelen c tot en met i, en artikel 2:14, eerste lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties zijn waarop de overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf geweigerd kan worden;

    • b. of de ten uitvoer te leggen vrijheidsstraf is opgelegd voor een feit dat ook naar Nederlands recht strafbaar is, en zo ja, welk strafbaar feit dit oplevert;

    • c. of het derde of vierde lid aanleiding geeft tot een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf, en zo ja, welke aanpassing.

  • 3. Indien de opgelegde vrijheidsstraf een langere duur heeft dan het voor het desbetreffende feit naar Nederlands recht toepasselijke strafmaximum, wordt de duur van de opgelegde vrijheidsstraf tot dat strafmaximum verlaagd.

  • 4. Indien de aard van de opgelegde vrijheidsstraf onverenigbaar is met het Nederlands recht, wordt de vrijheidsstraf gewijzigd in een straf of maatregel waarin het Nederlands recht voorziet en die zoveel mogelijk overeenstemt met de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde vrijheidsstraf.

  • 5. De aanpassing op grond van het derde of vierde lid houdt in geen geval een verzwaring van de opgelegde vrijheidsstraf in.

  • 6. Onze Minister kan de rechtbank of de officier van justitie desgevraagd adviseren over de overname van de straf.

  • 7. De officier van justitie stelt Onze Minister onverwijld in kennis van het bevel tot tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf.

  • 8. Onze Minister draagt er zorg voor dat de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig de regels van het Nederlands recht en met overeenkomstige toepassing van de artikelen 2:15, tweede lid, en 2:18 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties, met inachtneming van het bevel van de rechtbank als bedoeld in het eerste lid, ten uitvoer wordt gelegd.

  • 9. Het eerste tot en met het achtste lid is eveneens van toepassing op een vreemdeling die tijdens het verhoor door de rechtbank aantoont dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover ten aanzien van hem de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Eventuele bewijsstukken dienen tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank te worden overlegd.

B

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef vervalt «alleen».

b. In onderdeel a, onder 2°, wordt na «waarop» ingevoegd «naar het recht van de uitvaardigende lidstaat».

2. Onder vernummering van het vierde tot vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Indien het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft op verscheidene afzonderlijke feiten die alle naar het recht van de uitvaardigende en de uitvoerende lidstaat strafbaar zijn en waarop naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf is gesteld, maar waarvan sommige niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, of onderdeel b, kan de overlevering eveneens voor de laatste feiten worden toegestaan.

Ba

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt «wordt niet toegestaan» vervangen door «kan worden geweigerd».

2. Het eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. te zijnen aanzien een overeenkomstig het tweede lid, onder a, onherroepelijke beslissing door een rechter van een derde land is genomen;

3. Het eerste lid, onderdeel e, komt te luiden:

  • e. hij bij rechterlijk gewijsde van een rechter in een derde land is veroordeeld, in gevallen als bedoeld in het tweede lid, onder b, sub 1 tot en met 4;

4. Onder vernummering van het tweede tot en met derde lid tot derde tot en met vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De overlevering van de opgeëiste persoon wordt niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan:

    • a. hij bij gewijsde van de Nederlandse rechter is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging, dan wel te zijnen aanzien een overeenkomstige onherroepelijke beslissing door een rechter van een andere lidstaat van de Europese Unie is genomen;

    • b. hij bij rechterlijke gewijsde van de Nederlandse rechter dan wel van een rechter in een andere lidstaat van de Europese Unie is veroordeeld, in gevallen waarin:

      • 1°. de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan;

      • 2°. de opgelegde straf of maatregel niet meer voor tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging vatbaar is;

      • 3°. de veroordeling een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel inhoudt;

      • 4°. de opgelegde straf of maatregel in Nederland wordt ondergaan.

C

Artikel 11 komt te luiden:

Artikel 11

  • 1. Aan een Europees aanhoudingsbevel wordt geen gevolg gegeven in gevallen, waarin naar het oordeel van de rechtbank zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden.

  • 2. Indien er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van de in het eerste lid bedoelde schending alsnog kan worden uitgesloten, dient de rechtbank de beslissing over de overlevering aan te houden.

  • 3. De uitvaardigende autoriteit wordt onder opgave van redenen van die aanhouding in kennis gesteld en de rechtbank gaat gedurende de aanhouding na of er wijziging in de omstandigheden optreedt.

  • 4. Indien na toepassing van het derde lid niet binnen een redelijke termijn het reële gevaar van de in het eerste lid bedoelde schending kan worden uitgesloten, doet de rechtbank uitspraak als bedoeld in artikel 22, zesde lid.

D

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

Overlevering kan worden geweigerd indien het Europees aanhoudingsbevel strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat overeenkomstig de procedurevoorschriften van de uitvaardigende lidstaat:

2. In onderdeel a wordt «de behandeling ter terechtzitting die» door «het proces dat», «de behandeling ter terechtzitting» door «het proces», «de voorgenomen terechtzitting» door «het voorgenomen proces» en «een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt» door «een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt» vervangen.

3. In onderdeel b wordt «de behandeling ter terechtzitting» vervangen door «het voorgenomen proces», wordt na «verdediging» ingevoegd «op het proces» en wordt «ter terechtzitting» vervangen door «tijdens het proces».

4. In onderdeel c wordt telkens «het vonnis» door «de beslissing» en «het oorspronkelijk vonnis» door «de oorspronkelijke beslissing» vervangen.

5. In onderdeel d wordt in de aanhef «het vonnis» door «de beslissing» en onder 1° «het oorspronkelijke vonnis» door «de oorspronkelijke beslissing» vervangen.

Da

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt «wordt niet toegestaan» vervangen door «kan worden geweigerd».

2. Het tweede lid vervalt.

Db

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder f, en tweede lid, onder c, wordt «officier van justitie» telkens vervangen door «rechtbank».

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De officier van justitie vordert uiterlijk op de derde dag na ontvangst van een verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit om de in het eerste lid onder f, of het tweede lid, onder c, bedoelde toestemming, schriftelijk dat de rechtbank het verzoek in behandeling zal nemen. De officier van justitie legt daartoe het verzoek met bijbehorende vertaling aan de rechtbank over. De rechtbank geeft de in het eerste lid, onder f, of het tweede lid, onder c, bedoelde toestemming ten aanzien van feiten waarvoor krachtens deze wet overlevering had kunnen worden toegestaan. De beslissing op een vordering wordt in elk geval binnen zevenentwintig dagen na de ontvangst ervan genomen. De officier van justitie brengt de beslissing van de rechtbank onverwijld ter kennis van de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Dc

In de artikelen 17, zesde lid, en 21, zevende lid, wordt «officier van justitie in het arrondissement» vervangen door «rechtbank in het rechtsgebied» en «officier van justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam» door «rechtbank».

E

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «uitzonderlijke» vervangen door «specifieke».

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Indien de rechtbank in uitzonderlijke omstandigheden binnen de in het derde lid bedoelde termijn nog geen uitspraak heeft kunnen doen, omdat zij in afwachting is van een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over prejudiciële vragen die relevant is voor haar beslissing, kan de rechtbank de termijn met telkens maximaal zestig dagen verlengen, totdat het Hof arrest heeft gewezen en de rechtbank uitspraak doet.

3. Na het vierde lid worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien de rechtbank in uitzonderlijke omstandigheden binnen de in het derde lid bedoelde termijn nog geen uitspraak heeft kunnen doen, omdat zij onderzoek doet naar een reëel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in het artikel 11, eerste lid, kan de rechtbank de termijn met telkens maximaal dertig dagen verlengen, totdat het onderzoek is afgerond en de rechtbank uitspraak doet.

  • 6. Indien de rechtbank in uitzonderlijke omstandigheden zijn beslissing heeft aangehouden krachtens artikel 11, tweede lid, kan de rechtbank daarna de termijn met telkens maximaal zestig dagen verlengen, totdat de rechtbank uitspraak doet.

  • 7. In geval van verlenging van de termijn als bedoeld in het vierde tot en met het zesde lid stelt de officier van justitie Eurojust en de uitvaardigende justitiële autoriteit daarvan onverwijld in kennis, onder opgave van de redenen voor de vertraging.

F

Aan artikel 23, tweede lid, wordt een zin toegevoegd, luidende:

In voorkomend geval vermeldt hij daarbij dat ten aanzien van de opgeëiste persoon een concurrerend uitleveringsverzoek ter fine van strafvervolging is ontvangen en dat het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd nadat de uitvaardigende justitiële autoriteit overeenkomstig artikel 2, derde lid, in de gelegenheid is gesteld om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen voor dezelfde feiten als die welke aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggen.

G

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt «, met inachtneming van het bepaalde in artikel 22,».

2. Na het tweede lid worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. In geval van verlenging van de termijn als bedoeld in artikel 22, vierde tot en met zesde lid, beslist de rechtbank ten minste bij elke verlenging ambtshalve omtrent de verlenging van de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon.

  • 4. In geval van weigering van de overlevering als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, kan de rechtbank de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevelen tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.

H

In artikel 28, derde lid, wordt «het bepaalde in» vervangen door: «artikel 11, eerste lid, geen gevolg dient te worden gegeven aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel ingevolge».

I

In artikel 30, eerste lid, wordt na «De artikelen» ingevoegd «21 tot en met 25,».

J

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot derde tot en met vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd nadat de uitvaardigende justitiële autoriteit overeenkomstig artikel 2, derde lid, in de gelegenheid is gesteld om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen voor dezelfde feiten als die welke aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggen, wordt door de officier van justitie aan de opgeëiste persoon meegedeeld dat Onze Minister, indien het verzoek tot uitlevering ontvankelijk en voor inwilliging vatbaar is, het bepaalde in artikel 35, tweede lid, van de Uitleveringswet buiten toepassing zal laten en aan de uitspraak van de rechtbank voorrang zal geven.

2. In het derde lid (nieuw) wordt na «Indien» ingevoegd «, buiten de in het tweede lid bedoelde gevallen, ».

3. In het vijfde lid (nieuw) na «tweede» toegevoegd «en derde».

K

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «wordt aangehouden» vervangen door «kan worden aangehouden».

2. In het tweede lid wordt na «diens berechting» ingevoegd «of de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf».

3. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Tot de door Onze Minister te stellen voorwaarden behoort in geval van:

    • a. een lopende strafvervolging als bedoeld in het eerste lid in elk geval dat het recht op aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de voortzetting van de strafvervolging in Nederland zal worden gerespecteerd en dat hij de hem in Nederland opgelegde straf in Nederland zal ondergaan.

    • b. een door een Nederlandse rechter tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis als bedoeld in het eerste lid in elk geval de garantie dat de opgeëiste persoon na de berechting terugkomt naar Nederland voor de tenuitvoerlegging van het resterende deel van de hem in Nederland opgelegde straf.

4. In het vijfde lid (nieuw) wordt «derde lid» vervangen door «vierde lid».

5. Er worden na het vijfde lid (nieuw) twee leden toegevoegd, luidende:

  • 6. Is de opgeëiste persoon, te wiens aanzien het derde lid is toegepast, op het moment dat hij naar Nederland wordt teruggebracht met het oog op zijn aanwezigheid bij de behandeling van zijn strafzaak, in de uitvaardigende lidstaat veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf dan kan hij gedurende zijn verblijf hier te lande op bevel van de officier van justitie in verzekering worden gesteld. De artikelen 61 en 64, eerste lid, zijn voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.

  • 7. De inverzekeringstelling kan worden opgeheven zodra de officier van justitie bericht ontvangt dat de gronden voor de detentie in het buitenland niet langer bestaan.

L

Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Een verklaring overeenkomstig het eerste lid kan tijdens de termijn van inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 17, vierde lid, eerste volzin, of artikel 21, vijfde lid, worden afgelegd voor elke rechtbank. Nadien kan de verklaring uitsluitend worden afgelegd ten overstaan van de rechtbank. De afgelegde verklaring kan niet worden herroepen.

2. In het derde lid wordt «De officier van justitie bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, of de rechter-commissaris» vervangen door «De rechtbank».

3. In het vierde lid wordt «door de justitiële autoriteit, bevoegd tot het in ontvangst nemen van de verklaring» vervangen door «de rechtbank».

4. In het vijfde lid vervalt «, in het bijzonder het bepaalde in artikel 43, derde lid,».

5. In het zesde lid wordt «rechter-commissaris ten overstaan van wie» vervangen door «rechtbank waarvoor».

M

Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt «officier van justitie» vervangen door «rechtbank».

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «6, tweede lid» vervangen door «6a, eerste lid» en «kan worden toegestaan» door «wordt toegestaan».

3. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. In de beslissing, bedoeld in het eerste lid, worden het feit of de feiten waarvoor de opgeëiste persoon ter beschikking wordt gesteld, de bedingen waaronder de overlevering wordt toegestaan, bedoeld in artikel 14, en, in voorkomend geval, de garantie tot teruglevering, bedoeld in artikel 6, eerste lid, vermeld.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt voor «de uitvaardigende justitiële autoriteit» ingevoegd «de opgeëiste persoon en ».

Ma

In de artikelen 41, eerste lid en 42, tweede lid, wordt «officier van justitie» vervangen door «rechtbank».

N

Artikel 43, derde lid, vervalt.

O

Artikel 45a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

  • 1. Indien het Europees aanhoudingsbevel strekt tot tenuitvoerlegging van een beslissing terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, verklaart de uitvaardigende rechter-commissaris in het Europees aanhoudingsbevel dat:

2. In onderdeel a wordt «de behandeling ter terechtzitting die» door «het proces dat», «de behandeling ter terechtzitting» door «het proces», «de voorgenomen terechtzitting» door «het voorgenomen proces» en «een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt» door «een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt» vervangen.

3. In onderdeel b wordt «de behandeling ter terechtzitting» vervangen door «het voorgenomen proces», wordt na «verdediging» ingevoegd «op het proces» en wordt «ter terechtzitting» vervangen door «tijdens het proces».

4. In onderdeel c wordt telkens «het vonnis» door «de beslissing» en «het oorspronkelijk vonnis» door «de oorspronkelijke beslissing» vervangen.

5. In onderdeel d wordt in de aanhef «het vonnis» door «de beslissing» en onder 1° «het oorspronkelijke vonnis» door «de oorspronkelijke beslissing» vervangen.

P

Aan artikel 64 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De officier van justitie stelt de uitvaardigende justitiële autoriteit onverwijld in kennis van een bevel van de rechtbank, respectievelijk, de rechter-commissaris als bedoeld in het eerste lid, en van de daaraan ten grondslag liggende redenen.

ARTIKEL II

De Uitleveringswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 22a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 22b

De officier van justitie die een uitleveringsverzoek ter fine van strafvervolging heeft ontvangen betreffende een burger van de Unie die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer als bedoeld in artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt onverwijld contact op met de officier van justitie die krachtens de Overleveringswet is belast met de behandeling van Europese aanhoudingsbevelen teneinde te bezien of uitlevering van die onderdaan tot een inbreuk op artikel 18 van dat Verdrag kan leiden en hem zo nodig te verzoeken om de uitvaardigende justitiële autoriteit, bedoeld in artikel 1 van de Overleveringswet, van de lidstaat van de Europese Unie waarvan de opgeëiste persoon de nationaliteit heeft in de gelegenheid te stellen een Europees aanhoudingsbevel, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Overleveringswet, uit te vaardigen.

B

Aan artikel 23, eerste lid, wordt een zin toegevoegd, luidende:

In voorkomend geval vermeldt hij daarbij dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de Europese Unie waarvan de opgeëiste persoon de nationaliteit heeft, in de gelegenheid zijn gesteld een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen voor dezelfde feiten als die welke aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggen.

C

Artikel 35 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien een uitvaardigende justitiële autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie een Europees aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Overleveringswet heeft uitgevaardigd voor dezelfde feiten als die welke aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggen en de rechtbank Amsterdam de overlevering heeft toegestaan, weigert Onze Minister de uitlevering teneinde voorrang te geven aan de overlevering.

2. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 3. In alle overige gevallen waarin een uitvaardigende justitiële autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie een Europees aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Overleveringswet heeft uitgevaardigd en een andere staat de uitlevering heeft gevraagd is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

D

Aan artikel 42, tweede lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de Europese Unie waarvan de opgeëiste persoon de nationaliteit heeft overeenkomstig artikel 22b in de gelegenheid zijn gesteld een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen voor dezelfde feiten als die welke aan het uitleveringsverzoek ter fine strafvervolging ten grondslag liggen, tenzij inmiddels is gebleken dat geen Europees aanhoudingsbevel zal worden uitgevaardigd.

ARTIKEL III

Artikel 2:11 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onder c, wordt «het vierde, vijfde of zesde lid» vervangen door «het vierde of vijfde lid».

2. Het vijfde lid vervalt. Het zesde tot en met achtste lid worden vernummerd tot vijfde tot en met zevende lid.

3. In het zesde lid (nieuw) wordt «het vierde, vijfde of zesde lid» vervangen door «het vierde of vijfde lid».

ARTIKEL IIIA

Aan artikel 4, derde lid, van de Gratiewet wordt een zin toegevoegd, luidende:

Omtrent verzoekschriften om vermindering of kwijtschelding van straffen bij rechterlijke beslissing van een buitenlandse rechter opgelegd, waarvan de tenuitvoerlegging met toepassing van artikel 6a, eerste en achtste lid, van de Overleveringswet in Nederland geschiedt, wordt door Onze Minister, voordat daarop wordt beschikt, het advies ingewonnen van de rechtbank, bedoeld in artikel 1, onder g, van die wet.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 3 maart 2021

Willem-Alexander

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker

Uitgegeven de twaalfde maart 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 35 535

Naar boven