Wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Uitleveringswet, het Wetboek van Strafrecht BES en het Wetboek van Strafvordering ter uitvoering van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat wenselijk is de Uitleveringswet, het Wetboek van Strafrecht BES en het Wetboek van Strafvordering te wijzigen ter uitvoering van het op 22 oktober 2015 te Riga tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2016, 180);

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Uitleveringswet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 11, derde lid, wordt na «het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34)» ingevoegd « en de artikelen 2 tot en met 6 van het op 22 oktober 2015 te Riga tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2016, 180)».

B

In artikel 51a, tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van het laatste gedachtestreepje door een puntkomma, een gedachtenstreepje toegevoegd, luidende:

  • de misdrijven, strafbaar gesteld in de artikelen 134a, 140a en 421 van het Wetboek van Strafrecht, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in de artikelen 140a, 146a en 435e van het Wetboek van Strafrecht BES, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 2 tot en met 6 van het op 22 oktober 2015 te Riga tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2016, 180).

ARTIKEL II

Aan artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht BES worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel 8 door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • 9°. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 137, 138, 140a en 211, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 5, 6, 7 en 9 van het op 16 mei 2005 te Warschau tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34);

  • 10°. aan een der misdrijven, omschreven in de artikelen 140a, 146a en 435e, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 2 tot en met 6 van het op 22 oktober 2015 te Riga tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2016, 180).

ARTIKEL III

Artikel 5.3.16 van het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van het vierde gedachtenstreepje door een puntkomma, een gedachtenstreepje toegevoegd, luidende:

  • de artikelen 2 tot en met 6 van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2016, 180).

2. In het vierde lid wordt «en» na «financiering van terrorisme» vervangen door een komma en wordt voor de punt ingevoegd « en op het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2016, 180)».

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 7 oktober 2020

Willem-Alexander

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

Uitgegeven de drieëntwintigste oktober 2020

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 35 382

Naar boven