Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Justitie en VeiligheidStaatsblad 2020, 361AMvB

Besluit van 25 september 2020 tot wijziging van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren en het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak ter formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rechterlijke Macht 2018 – 2020

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 10 juli 2020, nr. 2970128, directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 7, derde lid, 9, tweede lid, 19b en 54 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de artikelen 14, vierde lid, en 73, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie en artikel VI van de Wet van 2 december 2015 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met een herziening van de opleiding van rechters en officieren van justitie;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 juli 2020, No.W16.20.0249/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 22 september 2020, nr. 3021395, directie Wetgeving en Juridische Zaken.

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 6a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «€ 514» vervangen door «€ 522».

2. In onderdeel b wordt «€ 393» vervangen door «€ 399».

3. In onderdeel c wordt «€ 299» vervangen door «€ 303».

B

Artikel 6a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «€ 522» vervangen door «€ 535».

2. In onderdeel b wordt «€ 399» vervangen door «€ 409».

3. In onderdeel c wordt «€ 303» vervangen door «€ 311».

C

Artikel 6a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot het vijfde en zevende lid.

2. Na het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b en c, wordt voor de raadsheer-plaatsvervanger en rechter-plaatsvervanger een bijeenkomst in een meervoudige raadkamer ten behoeve van een uitspraak in zaken waarin geen zitting heeft plaatsgevonden, met een of meer zittingen gelijkgesteld.

3. Na het vijfde lid (nieuw) wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 6. Indien een vergoeding op grond van het vierde lid wordt toegekend, is het vijfde lid niet van toepassing.

4. In het zevende lid (nieuw) wordt «reiskosten» vervangen door «reis- en verblijfkosten».

D

Artikel 6f wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

  • 1. De rechterlijk ambtenaar die als rechter-commissaris in strafzaken of als officier van justitie is aangewezen voor het verrichten van piketwerkzaamheden ontvangt daarvoor een toelage overeenkomstig de regels gesteld bij en krachtens dit artikel.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot het vierde en vijfde lid, worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. De in het eerste lid bedoelde toelage bestaat uit een vast bedrag en een bedrag voor de uren waarop daadwerkelijk piketwerkzaamheden worden verricht.

  • 3. De hoogte van het bedrag voor de uren waarop daadwerkelijk piketwerkzaamheden worden verricht kan verschillend worden vastgesteld voor de uren gelegen tussen:

    • a. 18.00 en 22.00 uur op maandag tot en met vrijdag;

    • b. 22.00 en 08.00 uur op maandag tot en met vrijdag;

    • c. 00.00 en 24.00 uur op zaterdag en zondag;

    • d. 00.00 en 24.00 uur op algemeen erkende feestdagen als bedoeld in de Algemene termijnenwet.

E

Artikel 6g vervalt.

F

Aan het slot van artikel 8d wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 11. In afwijking van het vierde lid eindigt de toepassing van het eerste of tweede lid met ingang van de datum waarop de rechterlijk ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.

G

Artikel 33n wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

  • 1. De rechterlijk ambtenaar die op het tijdstip waarop zijn ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 6:1 van de Wet arbeid en zorg aanvangt in totaal tenminste een jaar in dienst is als rechterlijk ambtenaar of in dienst is geweest als ambtenaar bij de Raad voor de rechtspraak of het openbaar ministerie, dan wel als gerechtsambtenaar bij een gerecht, heeft aanspraak op 60% van zijn bezoldiging over de uren dat hij dit ouderschapsverlof geniet, zijnde ten hoogste dertien maal de arbeidsduur per week uitgaande van zijn arbeidsduur op het tijdstip waarop het verlof aanvangt.

2. In het zevende lid, eerste volzin, wordt na «is toegekend» ingevoegd «in de laatste 12 maanden voorafgaand aan zijn ontslag,».

H

In artikel 36r, eerste lid, wordt «€ 13.915,43» vervangen door «€ 14.830,96».

I

In artikel 36r, eerste lid, wordt «€ 14.830,96» vervangen door «€ 15.053,42».

J

In artikel 36r, eerste lid, wordt «€ 15.053,42» vervangen door «€ 15.429,76».

K

In artikel 36v wordt «Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rechterlijke Macht» vervangen door «Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren».

L

De bijlage, bedoeld in artikel 5, eerste lid, komt te luiden:

Bijlage als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Salariscategorie

 

per 1 juli 2018

1

 

11.987,40

2

 

11.191,90

3

 

10.446,62

4

 

10.084,30

5

 

9.744,68

6

 

9.267,19

7

Aanvang

7.440,99

 

na 1 jaar

7.922,02

 

na 2 jaar

8.492,10

 

na 3 jaar

8.789,73

8

Aanvang

7.440,99

 

na 1 jaar

7.675,93

 

na 2 jaar

7.922,02

 

na 3 jaar

8.202,67

9

Ingroeitrede

5.379,77

 

Aanvang

5.769,02

 

na 1 jaar

5.924,16

 

na 2 jaar

6.076,51

 

na 3 jaar

6.239,48

 

na 4 jaar

6.406,33

 

na 5 jaar

6.577,10

 

na 6 jaar

6.783,03

 

na 7 jaar

6.996,21

 

na 8 jaar

7.215,53

 

na 9 jaar

7.440,99

9a

0

2.695,19

 

1

3.140,03

 

2

3.491,36

 

3

3.732,91

 

4

3.930,53

 

5

4.117,18

 

6

4.237,95

 

7

4.336,75

 

8

4.435,57

 

9

4.545,36

 

10

4.660,64

 

11

4.775,92

 

12

4.891,20

 

13

5.006,48

 

14

5.116,28

 

15

5.226,07

 

16

5.324,88

 

17

5.379,77

 

18

5.489,57

 

19

5.544,46

 

20

5.615,83

10

Aanvang

4.944,75

 

na 1 jaar

5.067,54

 

na 2 jaar

5.185,27

 

na 3 jaar

5.308,62

 

na 4 jaar

5.461,54

 

na 5 jaar

5.615,55

 

na 6 jaar

5.769,02

 

na 7 jaar

5.924,16

 

na 8 jaar

5.996,70

11

Aanvang

4.333,67

 

na 1 jaar

4.457,00

 

na 2 jaar

4.579,77

 

na 3 jaar

4.701,46

 

na 4 jaar

4.819,74

 

na 5 jaar

4.944,75

 

na 6 jaar

5.067,54

 

na 7 jaar

5.185,27

 

na 8 jaar

5.308,62

 

na 9 jaar

5.461,54

 

na 10 jaar

5.538,55

M

De bijlage, bedoeld in artikel 5, eerste lid, komt te luiden:

Bijlage als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Salariscategorie

 

per 1 juli 2019

1

 

12.227,15

2

 

11.415,74

3

 

10.655,55

4

 

10.285,99

5

 

9.939,57

6

 

9.452,53

7

Aanvang

7.589,81

 

na 1 jaar

8.080,46

 

na 2 jaar

8.661,94

 

na 3 jaar

8.965,52

8

Aanvang

7.589,81

 

na 1 jaar

7.829,45

 

na 2 jaar

8.080,46

 

na 3 jaar

8.366,72

9

Ingroeitrede

5.487,37

 

Aanvang

5.884,40

 

na 1 jaar

6.042,64

 

na 2 jaar

6.198,04

 

na 3 jaar

6.364,27

 

na 4 jaar

6.534,46

 

na 5 jaar

6.708,64

 

na 6 jaar

6.918,69

 

na 7 jaar

7.136,13

 

na 8 jaar

7.359,84

 

na 9 jaar

7.589,81

9a

0

2.749,09

 

1

3.202,83

 

2

3.561,19

 

3

3.807,57

 

4

4.009,14

 

5

4.199,52

 

6

4.322,71

 

7

4.423,49

 

8

4.524,28

 

9

4.636,27

 

10

4.753,85

 

11

4.871,44

 

12

4.989,02

 

13

5.106,61

 

14

5.218,61

 

15

5.330,59

 

16

5.431,38

 

17

5.487,37

 

18

5.599,36

 

19

5.655,35

 

20

5.728,15

10

Aanvang

5.043,65

 

na 1 jaar

5.168,89

 

na 2 jaar

5.288,98

 

na 3 jaar

5.414,79

 

na 4 jaar

5.570,77

 

na 5 jaar

5.727,86

 

na 6 jaar

5.884,40

 

na 7 jaar

6.042,64

 

na 8 jaar

6.116,63

11

Aanvang

4.420,34

 

na 1 jaar

4.546,14

 

na 2 jaar

4.671,37

 

na 3 jaar

4.795,49

 

na 4 jaar

4.916,13

 

na 5 jaar

5.043,65

 

na 6 jaar

5.168,89

 

na 7 jaar

5.288,98

 

na 8 jaar

5.414,79

 

na 9 jaar

5.570,77

 

na 10 jaar

5.649,32

N

De bijlage, bedoeld in artikel 5, eerste lid, komt te luiden:

Bijlage als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Salariscategorie

 

per 1 januari 2020

1

 

12.471,69

2

 

11.644,05

3

 

10.868,66

4

 

10.491,71

5

 

10.138,36

6

 

9.641,58

7

Aanvang

7.741,61

 

na 1 jaar

8.242,07

 

na 2 jaar

8.835,18

 

na 3 jaar

9.144,83

8

Aanvang

7.741,61

 

na 1 jaar

7.986,04

 

na 2 jaar

8.242,07

 

na 3 jaar

8.534,05

9

Ingroeitrede

5.597,12

 

Aanvang

6.002,09

 

na 1 jaar

6.163,49

 

na 2 jaar

6.322,00

 

na 3 jaar

6.491,56

 

na 4 jaar

6.665,15

 

na 5 jaar

6.842,81

 

na 6 jaar

7.057,06

 

na 7 jaar

7.278,85

 

na 8 jaar

7.507,04

 

na 9 jaar

7.741,61

9a

0

2.804,07

 

1

3.266,89

 

2

3.632,41

 

3

3.883,72

 

4

4.089,32

 

5

4.283,51

 

6

4.409,16

 

7

4.511,96

 

8

4.614,77

 

9

4.729,00

 

10

4.848,93

 

11

4.968,87

 

12

5.088,80

 

13

5.208,74

 

14

5.322,98

 

15

5.437,20

 

16

5.540,01

 

17

5.597,12

 

18

5.711,35

 

19

5.768,46

 

20

5.842,71

10

Aanvang

5.144,52

 

na 1 jaar

5.272,27

 

na 2 jaar

5.394,76

 

na 3 jaar

5.523,09

 

na 4 jaar

5.682,19

 

na 5 jaar

5.842,42

 

na 6 jaar

6.002,09

 

na 7 jaar

6.163,49

 

na 8 jaar

6.238,96

11

Aanvang

4.508,75

 

na 1 jaar

4.637,06

 

na 2 jaar

4.764,80

 

na 3 jaar

4.891,40

 

na 4 jaar

5.014,45

 

na 5 jaar

5.144,52

 

na 6 jaar

5.272,27

 

na 7 jaar

5.394,76

 

na 8 jaar

5.523,09

 

na 9 jaar

5.682,19

 

na 10 jaar

5.762,31

ARTIKEL II

Artikel 2 van het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de artikelen 5 en 6g» vervangen door «artikel 5».

2. In het eerste en tweede lid wordt «de artikelen 5, 6, 6g en 8e» telkens vervangen door «de artikelen 5, 6 en 8e».

ARTIKEL III

  • 1. Degenen die op 1 januari 2019 waren aangesteld als rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding ontvangen een eenmalige uitkering van € 450.

  • 2. De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, die is aangesteld of aangewezen voor een minder dan volledige arbeidsduur of voor wie de arbeidsduur op grond van artikel 8b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren is vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uren per week, ontvangt de in het eerste lid bedoelde uitkering vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor, bedoeld in artikel 1 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

  • 3. Geen eenmalige uitkering ontvangen de rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding die op 1 januari 2019 in verband met buitengewoon verlof geen bezoldiging hebben ontvangen, tenzij het een buitengewoon verlof van maximaal zes weken betrof.

ARTIKEL IV

  • 1. De voor de rechterlijke ambtenaren in opleiding, bedoeld in artikel VI van de Wet van 2 december 2015 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met een herziening van de opleiding van rechters en officieren van justitie, geldende hoogten van salarissen luiden per 1 juli 2018 als volgt:

    Salariscategorie

     

    Per 1 juli 2018

    12

    aanvang

    2.695,19

     

    na 1 jaar

    2.817,94

     

    na 2 jaar

    3.203,03

     

    na 3 jaar

    3.588,10

     

    na 4 jaar

    3.720,36

     

    na 5 jaar

    3.843,69

     

    na 6 jaar

    3.955,30

     

    na 7 jaar

    4.071,94

     

    na 8 jaar

    4.203,08

  • 2. De rechterlijk ambtenaar in opleiding, die is aangesteld voor een minder dan volledige arbeidsduur of voor wie de arbeidsduur op basis van artikel 8b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren is vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uren per week, ontvangt een salaris overeenkomstig het eerste lid, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor, bedoeld in artikel 1 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

ARTIKEL V

  • 1. De voor de rechterlijke ambtenaren in opleiding, bedoeld in artikel VI van de Wet van 2 december 2015 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met een herziening van de opleiding van rechters en officieren van justitie, geldende hoogten van salarissen luiden per 1 juli 2019 als volgt:

    Salariscategorie

     

    Per 1 juli 2019

    12

    aanvang

    2.749,09

     

    na 1 jaar

    2.874,30

     

    na 2 jaar

    3.267,09

     

    na 3 jaar

    3.659,86

     

    na 4 jaar

    3.794,77

     

    na 5 jaar

    3.920,56

     

    na 6 jaar

    4.034,41

     

    na 7 jaar

    4.153,38

     

    na 8 jaar

    4.287,14

  • 2. De rechterlijk ambtenaar in opleiding, die is aangesteld voor een minder dan volledige arbeidsduur of voor wie de arbeidsduur op basis van artikel 8b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren is vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uren per week, ontvangt een salaris overeenkomstig het eerste lid, vermenigvuldigd met de voor hem geldende arbeidsduurfactor, bedoeld in artikel 1 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

ARTIKEL VI

Artikel 6g van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, zoals dat luidde op de dag vóór de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, blijft van toepassing op de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die vóór die datum een toeslag als bedoeld in artikel 6g van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren genoot en op de raadsheer of senior rechter die vóór deze datum een schriftelijke bevestiging heeft ontvangen van het gerechtsbestuur dat hij is of zal worden voorgedragen voor benoeming tot raadsheer of senior rechter bij een ander gerecht, dan wel tot wijziging van de vaststelling van het gerecht waar het ambt wordt vervuld zal worden overgegaan, met dien verstande dat de in dat artikel bedoelde toeslag wordt vastgesteld op een percentage van de uitkomst van de berekening ingevolge het tweede lid van dat artikel, overeenkomstig de navolgende reeks:

  • a. gedurende het eerste jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E: 80%;

  • b. gedurende het tweede jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E: 60%;

  • c. gedurende het derde jaar na de datum van inwerkingtreding artikel I, onderdeel E: 40%;

  • d. gedurende het vierde jaar na de datum van inwerkingtreding artikel I, onderdeel E: 20%;

  • e. met ingang van het vijfde jaar na de datum van inwerkingtreding artikel I, onderdeel E: 0%.

ARTIKEL VII

Artikel 8d van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, zoals dat luidde op de dag vóór de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, blijft van toepassing op de rechterlijk ambtenaar die in 2020 reeds van de regeling als bedoeld in artikel 8d gebruikmaakt.

ARTIKEL VIII

Artikel 33n zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel G, blijft van toepassing op reeds lopende aanspraken op gedeeltelijke doorbetaling van bezoldiging tijdens ouderschapsverlof.

ARTIKEL IX

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen I, onderdeel E, II en VI in werking met ingang van 1 oktober 2020.

  • 3. Artikel I, onderdeel H, werkt terug tot en met 1 januari 2018.

  • 4. De artikelen I, onderdeel L, en IV werken terug tot en met 1 juli 2018.

  • 5. Artikel I, onderdelen A en I, werkt terug tot en met 1 januari 2019.

  • 6. De artikelen I, onderdeel M, en V werken terug tot en met 1 juli 2019.

  • 7. Artikel III werkt terug tot en met 1 september 2019.

  • 8. Artikel I, onderdelen B, J en N, werkt terug tot en met 1 januari 2020.

  • 9. Artikel I, onderdeel D, werkt terug tot en met 1 juli 2020.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 25 september 2020

Willem-Alexander

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker

Uitgegeven de dertigste september 2020

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Doel van de regeling

Dit besluit strekt tot uitvoering van de tussen de Minister voor Rechtsbescherming en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (hierna: NVvR) op 16 juni 2019 gesloten Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rechterlijke Macht 1/1/2018 – 1/7/2020 (hierna: arbeidsvoorwaardenovereenkomst). In deze arbeidsvoorwaardenovereenkomst zijn afspraken neergelegd over wijzigingen van de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren.

Een belangrijk deel van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst ziet op de verhogingen van de salarissen van rechterlijke ambtenaren. Voorts zijn de afspraken gemaakt over de verruiming van de vergoedingen voor (onder meer) raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers, de afbouw van de zogenoemde mobiliteitstoelage, de beëindiging van de mogelijkheid om na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd gebruik te maken van de zogenoemde PAS-regeling, de hoogte van de loondoorbetaling gedurende ouderschapsverlof en de voorwaarden waaronder de loondoorbetaling kan worden toegekend. Ook is voor een bepaalde groep rechterlijke ambtenaren de toekenning van een eenmalige uitkering afgesproken. Voornoemde afspraken dienen door wijziging van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Brra) geformaliseerd te worden. Daarnaast bevat de arbeidsvoorwaardenovereenkomst afspraken die in andere regelgeving geformaliseerd dienen te worden of in het geheel geen formele regelgeving behoeven. In het artikelsgewijze deel van deze toelichting worden de afspraken die nopen tot aanpassing van het Brra op voorkomende plaatsen nader toegelicht.

2. Financiële gevolgen, administratieve lasten en bedrijfseffecten

De financiële gevolgen van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst worden geheel gedekt binnen de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft besloten geen formeel advies uit te brengen en deelt de analyse en conclusie dat er geen gevolgen voor de regeldruk zijn. Evenmin leidt dit besluit tot aanpassing van regelgeving die ziet op verwerking van persoonsgegevens.

3. Afstemming

Een ontwerp van dit besluit is ter afstemming toegezonden aan de Raad voor de rechtspraak en het college van procureurs-generaal. Beide organisaties hebben aangegeven met het ontwerpbesluit te kunnen instemmen. Het ontwerpbesluit is ook ter afstemming voorgelegd aan de NVvR. Over de inhoud van dit besluit is de in artikel 51 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) bedoelde overeenstemming met de Sectorcommissie rechterlijke macht bereikt.

Artikelsgewijs

Artikel I (Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren)

Onderdelen A en B (artikel 6a Brra)

In het Arbeidsvoorwaardenakkoord sector Rechterlijke Macht 2001–2002 is overeengekomen de vergoedingen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, Wrra, jaarlijks met ingang van 2004 per 1 januari te indexeren met het percentage van de in het voorgaande kalenderjaar gerealiseerde contractloonmutatie op jaarbasis in de Sector Rechterlijke Macht. Het gaat hierbij om de vergoedingen die worden ontvangen door bepaalde groepen rechterlijke ambtenaren die werkzaamheden verrichten na daartoe door de functionele autoriteit te zijn opgeroepen en die niet reeds uit anderen hoofde als rechterlijk ambtenaar salaris genieten. Deze bedragen zijn vastgelegd in artikel 6a, eerste lid, Brra. Met artikel I, onderdelen A en B, worden in het licht van deze afspraak de in artikel 6a Brra opgenomen bedragen geïndexeerd per 1 januari 2019 en per 1 januari 2020. De terugwerkende kracht wordt geregeld in artikel IX.

Onderdeel C (artikel 6a Brra)

In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst is, kort gezegd, overeengekomen om de vergoedingen voor rechters-plaatsvervangers en raadsheren-plaatsvervangers beter aan te laten sluiten bij de huidige praktijk. In artikel 6a, eerste lid, van het Brra wordt de vergoeding voor een rechter-plaatsvervanger en raadsheer-plaatsvervanger gerelateerd aan een zitting. Echter vindt niet altijd een zitting plaats. Het vierde lid (oud) voorzag in een vergoeding in het geval er een schriftelijke uitspraak geconcipieerd werd zonder dat een zitting heeft plaatsgevonden. Naast het concipiëren van een uitspraak, is het ook mogelijk dat rechters-plaatsvervangers of raadsheren-plaatsvervangers een meervoudig raadkameroverleg hebben in zaken waarin geen zitting plaatsheeft, en waarin uiteindelijk ook geen uitspraak wordt geconcipieerd, bijvoorbeeld omdat de zaak wordt ingetrokken voordat het tot een uitspraak komt. Om te voorkomen dat een rechter-plaatsvervanger of een raadsheer-plaatsvervanger in zulke gevallen in het geheel geen vergoeding ontvangt, terwijl wel werkzaamheden zijn verricht, wordt met een nieuw vierde lid van artikel 6a het meervoudige raadkameroverleg ten behoeve van het tot stand brengen van een uitspraak aan een zitting gelijkgesteld. Door invoering van deze gelijkstelling zou het mogelijk zijn dat in een en dezelfde zaak een vergoeding wordt toegekend op grond van het concipiëren van een schriftelijke uitspraak (vijfde lid, nieuw) alsmede voor het bijeenkomen in een meervoudige raadkamer ten behoeve van een uitspraak waarin geen zitting heeft plaatsgevonden. Om te voorkomen dat tweemaal een vergoeding wordt toegekend in een en dezelfde zaak, is een anticumulatiebepaling opgenomen in het zesde lid (nieuw).

Daarnaast is in het zevende lid (nieuw) opgenomen dat ook raadsheren in buitengewone dienst, raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers, advocaten-generaal in buitengewone dienst, plaatsvervangende advocaten-generaal, plaatsvervangende officieren van justitie en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen recht hebben op verblijfskosten overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.

Onderdeel D (artikel 6f Brra)

In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst is afgesproken om bij de vergoeding voor de piketdienst rekening te houden met de daadwerkelijk gepleegde inzet tijdens de piketdienst. Indien een officier van justitie of rechter-commissaris piketdienst heeft, is hij vaak langere tijd aan het werk gedurende nachten en weekenden. Voor het oproepbaar en beschikbaar zijn tijdens de piketdienst geldt reeds de forfaitaire vergoeding. Wanneer een officier van justitie of rechter-commissaris daarnaast werkzaamheden verricht gedurende de in artikel 6f, derde lid, genoemde uren, wordt de toelage voor de piketdienst opgehoogd. De hoogte van de toelage wordt bepaald bij ministeriële regeling (zoals reeds gebeurde op grond van het (oude) tweede lid). De hoogte van de toelage kan verschillen afhankelijk van het tijdstip van de dag en de dag waarop piketwerkzaamheden daadwerkelijk worden verricht.

Onderdeel E (artikel 6g Brra)

In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst is afgesproken de in artikel 6g van het Brra vastgelegde toelage voor het stimuleren van mobiliteit af te schaffen. Deze toeslag is in 2011 ingevoerd om de mobiliteit tussen gerechten te bevorderen. De rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast maakte aanspraak op deze regeling indien hij vanuit een functie genoemd in categorie 8 als bedoeld in artikel 7, tweede lid, Wrra (raadsheren en senior-rechters) overging naar een andere functie genoemd in categorie 8, en waarbij hij met rechtspraak belast bleef. Het kon hierbij gaan om de overgang van een rechtbank naar een gerechtshof, van een gerechtshof naar een rechtbank, maar ook om een overgang van een gerechtshof naar een ander gerechtshof of van een rechtbank naar een andere rechtbank. Om de betrokken rechterlijke ambtenaren een redelijke termijn te gunnen om zich voor te bereiden op het afschaffen van de toelage, is bij de arbeidsvoorwaardenovereenkomst overeengekomen om deze toelage af te bouwen in vijf jaarlijkse stappen van ieder 20%. Deze afbouwregeling is opgenomen in artikel VI.

Deze afbouwregeling is ook van toepassing op de raadsheren en senior-rechters die reeds voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, verzekerd waren van een aanstelling als raadsheer dan wel senior-rechter in een ander gerecht of rechtbank, terwijl van feitelijke overplaatsing nog geen sprake was. Dat zij hiervan al verzekerd waren zou bijvoorbeeld kunnen blijken uit een schriftelijke bevestiging van het gerecht waarnaar de overplaatsing zou plaatsvinden.

Onderdeel F (artikel 8d Brra)

In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst is afgesproken om op termijn de regeling als bedoeld in artikel 8d (de zogenoemde Partiële Arbeidsparticipatie Seniorenregeling, afgekort PAS-regeling) in te trekken en eventueel de seniorenuren om te bouwen naar een nieuwe verlofregeling die recht doet aan de behoeften van alle medewerkers. In het akkoord is overeengekomen om voor de medewerkers die na de datum van inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag indienen om van deze regeling gebruik te maken, hun deelname aan de regeling te beëindigen op het moment dat zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken.

De regeling in artikel 8d van het Brra is bedoeld om te bevorderen dat een werknemer gezond de AOW-gerechtigde leeftijd kan bereiken. Bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd heeft de rechterlijk ambtenaar, ook zonder de financiële voordelen van de PAS-regeling te genieten, de mogelijkheid de omvang van zijn arbeidsduur te beperken tot het niveau dat de PAS-regeling biedt. Financiële compensatie voor een dergelijk besluit wordt vanaf dat moment immers geboden door het ontstaan van recht op AOW. Daarom komt, achteraf gezien, de noodzaak van de regeling ingevolge artikel 8d te vervallen, wanneer de rechterlijk ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Voor degenen die op enig moment in kalenderjaar 2020 gebruikmaken van de regeling, is voorzien in overgangsrecht, in artikel VII.

Onderdeel G (artikel 33n Brra)

In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst is afgesproken om de doorbetaling bij ouderschapsverlof gelijk te trekken met de regeling voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. Op grond hiervan heeft de rechterlijk ambtenaar recht op 26 weken (onbetaald) ouderschapsverlof, gedurende welke hij 13 weken aanspraak heeft op een gedeeltelijke doorbetaling van zijn bezoldiging. Gelet op de systematiek van de verlofregeling wordt de doorbetaling geregeld als percentage van de bezoldiging. Deze doorbetaling bedraagt 60% van de bezoldiging. De aanspraak op de gedeeltelijke doorbetaling ontstaat na een dienstverband van één jaar. Daarbij wordt ook meegeteld de duur van de arbeidsbetrekking die betrokkene elders binnen de rechterlijke organisatie heeft vervuld (bij de Raad voor de rechtspraak, een rechtbank, gerechtshof, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven of het openbaar ministerie), als rechterlijk ambtenaar of als gerechtsambtenaar of parketmedewerker.

In de praktijk betekent dit dat iemand die bijvoorbeeld 10 maanden parketmedewerker of gerechtsambtenaar was en direct daaropvolgend tot officier in opleiding of tot rechter in opleiding is benoemd, na twee maanden sinds zijn benoeming tot officier dan wel rechter in opleiding aanspraak kan maken op deze verlofregeling.

De wijziging van het zevende lid van artikel 33n heeft tot doel de terugbetalingsverplichting van de gedurende het ouderschapsverlof genoten bezoldiging te beperken tot het laatste jaar voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband, indien betrokkene gedurende de verlofperiode of binnen een jaar na afloop van het verlof wordt ontslagen of ontslag neemt. Uitsluitend de in de laatste 12 maanden van de tijdens het ouderschapsverlof genoten bezoldiging dient te worden terugbetaald.

Onderdelen H, I en J (artikel 36r Brra)

In het Sociaal Flankerend beleid Rechterlijke Macht 2008-2012 is overeengekomen dat de toelage bedoeld in artikel 36r Brra (de zogenoemde verhuistoelage) jaarlijks geïndexeerd wordt met de Consumentenprijsindex van het CBS. Dit leidt tot aanpassingen van deze bedragen, te weten:

Per 1 januari 2018 (onderdeel H): van € 13.915,43 naar € 14.830,96.

Per 1 januari 2019 (onderdeel I): van € 14.830,96 naar € 15.053,42.

Per 1 januari 2020 (onderdeel J): van € 15.053,42 naar € 15.429,76.

In artikel IX is voorzien in de terugwerkende kracht van de invoering van deze bedragen.

Onderdeel K (artikel 36v Brra)

In artikel 36v, eerste lid, Brra werd verwezen naar het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rechterlijke Macht. Evenwel luidt de citeertitel van het betreffende besluit: Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor rechterlijke ambtenaren. Het besluit waarnaar wordt verwezen heeft een andere naam. Aldus is een technische aanpassing vereist om op de juiste manier te verwijzen.

Onderdelen L, M en N en artikelen IV en V (bijlage bij artikel 5 Brra)

In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst is afgesproken dat de salarissen van rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding (raio’s) structureel worden verhoogd. Deze verhoging bedraagt per 1 juli 2018 3%. Per 1 juli 2019, alsmede per 1 januari 2020, bedraagt de structurele verhoging van de salarissen 2%. De wijzigingen van de bijlage bij artikel 5, eerste lid, van het Brra, in artikel I, onderdelen L, M en N, alsmede de artikelen IV en V in samenhang met artikel IX, tweede, derde en vierde lid, strekken ertoe dit te regelen. Niet is voorzien in een wijziging van de salarissen van raio’s met ingang van 1 januari 2020, aangezien er op dat moment geen raio’s meer waren en er geen nieuwe raio’s meer worden aangesteld.

Artikel II (Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak)

De wijziging van het artikel 2 van het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak betreft een technische aanpassing in verband met het vervallen van artikel 6g Brra (zie artikel I, onderdeel E). De verwijzing daarnaar vervalt derhalve ook in het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak.

Artikel III (eenmalige uitkering)

In het arbeidsvoorwaardenakkoord is afgesproken dat alle medewerkers die op 1 januari 2019 een aanstelling hadden als rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, in september 2019 een eenmalige uitkering ontvangen van € 450, bij een formele gemiddelde arbeidsduur van 36 uur. Het eerste lid strekt ertoe dit te regelen.

Rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding met een andere formele gemiddelde arbeidsduurfactor dan 36 uur ontvangen een uitkering naar rato. Omstandigheden waarbij sprake is van gedeeltelijke doorbetaling van de bezoldiging vanwege afwezigheid wegens ziekte, ouderschapsverlof en de toepassing van een regeling als bedoeld in artikel 8d van het Brra (de PAS-regeling) hebben geen invloed op de hoogte van de eenmalige uitkering. Ook in die gevallen wordt de hoogte van de eenmalige uitkering vastgesteld naar rato van de formele gemiddelde arbeidsduur. Dit wordt geregeld in het tweede lid.

In het arbeidsvoorwaardenakkoord is tevens afgesproken dat rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding die op 1 januari 2019 geen bezoldiging ontvingen geen aanspraak maken op de eenmalige uitkering, tenzij er sprake is van buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging van maximaal zes weken. Dit is geregeld in het derde lid van artikel III.

Artikel VI (overgangsrecht mobiliteitstoelage)

Met artikel I, onderdeel E, wordt voorzien in de afschaffing van de zogenoemde mobiliteitstoelage voor rechterlijke ambtenaren in salariscategorie 8, die met rechtspraak belast zijn. Voor de rechterlijk ambtenaar die op de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, van deze toelage reeds gebruik maakt of voor wie al bevestigd is dat hij naar een ander gerecht zal overgaan en daar eveneens als raadsheer of senior rechter werkzaam zal zijn, voorziet artikel VI in overgangsrecht. Zie hiervoor ook de toelichting bij artikel I, onderdeel E.

Artikel VII (overgangsrecht afschaffing PAS-regeling bij AOW-gerechtigde leeftijd)

Met de invoering van het nieuwe elfde lid van artikel 8d komt voor personen die na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van dit besluit gebruik gaan maken te gelden dat de PAS-regeling van rechtswege eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Artikel VII geeft een overgangsregeling voor rechterlijke ambtenaren in bepaalde situaties. Indien een rechterlijk ambtenaar zich in deze situatie bevindt, is de wijziging van artikel 8d ingevolge artikel I, onderdeel E, niet van toepassing en blijft het voordien geldende recht op hem van toepassing. De reden hiervoor is dat rechterlijke ambtenaren die reeds van deze regeling gebruik maken, of voor moment van invoering van artikel I, onderdeel F, hun aanvraag daartoe ingediend hebben, redelijkerwijs geen rekening hebben kunnen houden met de beperking van de regeling. De aanpassing van artikel 8d komt derhalve alleen voor nieuwe gevallen te gelden. Naast degenen die al van de regeling gebruik maken op het moment van wijziging van artikel 8d, zijn ook degenen die in 2020 van de PAS-regeling gebruik maken, uitgezonderd van deze wijziging. Deze rechterlijke ambtenaren kunnen derhalve PAS-verlof opnemen volgens de regeling zoals deze gold voor inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel VIII (overgangsrecht wijziging ouderschapsverlof)

Om te voorkomen dat gedurende een reeds toegekend ouderschapsverlof op grond van artikel 33n Brra de voorwaarden voor het verlof worden gewijzigd door de aanpassing van dat artikel middels artikel I onderdeel F, voorziet artikel VIII in een overgangsregeling. Artikel VIII voorziet erin dat de oude regeling voor het ouderschapsverlof blijft gelden voor situaties die zich vóór de wijziging van artikel 33n Brra hebben ingezet. Dit zorgt ervoor dat aanspraken op gedeeltelijke doorbetaling van de bezoldiging zoals deze golden voor het moment van inwerkingtreding blijven gelden.

Artikel IX (inwerkingtredingsbepaling en terugwerkende kracht van bepaalde onderdelen)

Inwerkingtreding van een besluit op de dag na publicatie in de Staatscourant wijkt af van de vaste verandermomenten. Dit wijzigingsbesluit betreft de implementatie van een onderhandelingsakkoord met de sector. In overeenstemming met de sector wordt afgeweken van de vaste verandermomenten voor de inwerkingtreding van een besluit.

Met artikel IX wordt voorzien in de terugwerkende kracht van onderdelen van dit besluit. Op de achtergronden daarvan is in het voorgaande ingegaan.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker