Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Justitie en VeiligheidStaatsblad 2020, 277Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 15 juli 2020 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 3 juni 2020 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet in verband met de herziening van het beslag- en executierecht (Stb. 2020, 177).

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 9 juli 2020, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2967427;

Gelet op artikel VII van de Wet van 3 juni 2020 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet in verband met de herziening van het beslag- en executierecht (Stb. 2020, 177);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

De Wet van 3 juni 2020 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet in verband met de herziening van het beslag- en executierecht (Stb. 2020, 177) treedt in werking met ingang van 1 oktober 2020, met uitzondering van:

  • a. de artikelen I, onderdelen T, onder 2 en 4, U, V, W, onder 2, X, en DD, en VI, die in werking treden met ingang van 1 januari 2021; en

  • b. artikel I, onderdelen D, onder 2, F, Za en CC, die in werking treden met ingang van 1 april 2021.

Onze Minister voor Rechtsbescherming is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 15 juli 2020

Willem-Alexander

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker

Uitgegeven de tweeëntwintigste juli 2020

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Dit besluit regelt dat de Wet van 3 juni 2020 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet in verband met de herziening van het beslag- en executierecht (Stb. 2020, 177, hierna: de wet), op enkele onderdelen na, op 1 oktober 2020 in werking treedt.

Een inwerkingtreding per 1 oktober 2020 wijkt af van de vaste verandermomenten; die voorzien in een inwerkingtreding van een wet per 1 januari of 1 juli. Er is gekozen voor een eerdere inwerkingtreding nu het wetsvoorstel door het parlement als een prioritair voorstel is behandeld. De wet beoogt het bestaansminimum van schuldenaren te beschermen, beslag en executie efficiënter te maken en te voorkomen dat beslag en executie uitsluitend als pressiemiddel worden ingezet. De urgentie van de wet is door de economische gevolgen van de COVID-19 pandemie alleen maar toegenomen. In overleg met het veld is daarom bezien voor welke onderdelen een inwerkingtreding op 1 oktober 2020 mogelijk is. Een eerdere inwerkingtredingsdatum dan 1 oktober wordt niet werkbaar geacht omdat deurwaarders en andere betrokken partijen de gelegenheid moet worden geboden om hun bedrijfsvoering aan te passen aan de gewijzigde bepalingen. Met betrekking tot artikel I, onderdeel N, dat onder meer ziet op de aankondiging van de executieverkoop via een algemeen toegankelijke website, hecht ik eraan te vermelden dat de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: KBvG) voornemens is een centrale website in te richten waarop executieveilingen zullen worden aangekondigd. Ik ondersteun dit initiatief. Een centrale website zorgt voor een grotere bekendheid van de veiling waarmee de kans op een hogere opbrengst wordt vergroot. De KBvG heeft aangegeven dat een verplichting voor de deurwaarders om hun veiling op deze website aan te kondigen niet eerder dan per 1 januari 2021 kan worden ingevoerd. Dit staat evenwel niet aan een inwerkingtreding van dit onderdeel per 1 oktober a.s. in de weg.

Voor een aantal onderdelen is een inwerkingtreding op 1 oktober a.s. niet mogelijk. Deze onderdelen treden per 1 januari of 1 april 2021 in werking. Hierna zal per onderdeel worden toegelicht waarom is gekozen voor de latere inwerkingtredingsdatum.

Per 1 januari 2021 treden in werking:

  • De artikelen I, onderdelen T, onder 2, U, V, W, onder 2, en DD en VI. Deze bepalingen zien op de invoering van het beslagvrije bedrag voor beslag op bankrekeningen en het opvragen van rekeninginformatie bij de bank. De Nederlandse Vereniging van Banken (hierna: NVB) heeft aangegeven dat de banken enige maanden nodig zullen hebben om hun systemen hierop in te richten. Er is daarom gekozen voor inwerkingtreding van deze bepalingen per 1 januari 2021.

  • Artikel I, onderdeel T, onder 4. Deze bepaling ziet op het verplicht elektronisch leggen van derdenbeslag indien een derde-beslagene bij de KBvG heeft aangegeven te kiezen voor deze wijze van beslaglegging. Om elektronisch beslag te kunnen leggen, moeten zowel de gerechtsdeurwaarder als de derde-beslagene zijn aangesloten bij het systeem dat hiervoor in opdracht van de KBvG is ontwikkeld door de Stichting Netwerk Gerechtsdeurwaarders (SNG). Op dit moment zijn nog niet alle gerechtsdeurwaarders hierop aangesloten. Om nog niet aangesloten gerechtsdeurwaarders in de gelegenheid te stellen hiervoor alsnog zorg te dragen, is gekozen voor 1 januari 2021 als inwerkingtredingsdatum. Verder is de Staatssecretaris van Financiën voornemens om, in lijn met de uitvoeringstoets van de Belastingdienst, deze bepaling uit te zonderen in de Invorderingswet 1990 zodat de verplichting tot het leggen van elektronisch derdenbeslag niet geldt. Zodra de Belastingdienst de nodige voorzieningen heeft getroffen voor het kunnen leggen van elektronisch derdenbeslag, kan deze uitzondering komen te vervallen.

  • Artikel I, onderdeel X. Dit onderdeel schrapt in artikel 476b Rv de verwijzing naar de mogelijkheid voor de derde-beslagene om de derdenverklaring terug te zenden naar de advocaat die voor de beslaglegger optreedt. Die mogelijkheid staat nu nog in artikel 2 van het Besluit Verklaring derdenbeslag en het bijbehorende modelformulier voor de derdenverklaring, maar komt binnenkort te vervallen door een besluit dat het Besluit Verklaring derdenbeslag op dit punt wijzigt. Deze wijziging treedt naar verwachting per 1 januari 2021 in werking. De inwerkingtreding van dit onderdeel sluit hierbij aan.

Per 1 april 2021 treden in werking:

  • Artikel I, onderdelen D, onder 2, F en CC. Deze bepalingen zien op de invoering van een administratief beslag op motorrijtuigen. Dit administratief beslag dient onverwijld in het kentekenregister te worden ingeschreven (zodat de tenaamstelling wordt geblokkeerd), waardoor het motorrijtuig niet op naam van een derde kan worden gesteld. Dit vergt aanpassingen van de ICT systemen van de RDW en van de partijen die hier op aansluiten. De RDW heeft in de uitvoeringstoets bij deze maatregel aangegeven hier acht maanden voor nodig te hebben. De inwerkingtredingsdatum is daarom op 1 april 2021 gesteld.

  • Artikel I , onderdeel Za. Dit onderdeel maakt het college van burgemeesters en wethouders verantwoordelijk voor het meevoeren en opslaan van ontruimde zaken na een woningontruiming. Het onderdeel is bij amendement van de leden Van Dam en Groothuizen toegevoegd aan de wet (zie Kamerstukken II 2019/20, 35 225, nr. 19). Momenteel wordt er tussen de VNG en de KBvG besproken of, en zo ja, welke afspraken er nodig zijn om tot een goede uitvoering in de praktijk te komen. De VNG heeft aangegeven dat als hier duidelijkheid over is, de afzonderlijke gemeenten nog enige maanden de gelegenheid moeten krijgen om hun praktijk op de gewijzigde situatie aan te passen. Na overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de KBvG is daarom gekozen voor een inwerkingtreding per 1 april 2021.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker