Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2019, 46AMvB

Besluit van 22 januari 2019, houdende wijzigingen van ondergeschikte aard in enkele algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het openbaar bestuur (Verzamelbesluit openbaar bestuur 2019)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 december 2018, nr. 2018-0000937063;

Gelet op de artikelen 22, aanhef en onderdeel e, van de Financiële-verhoudingswet, de artikelen 186, 229c en 234, zesde lid, 235, dertiende en vijftiende lid, van de Gemeentewet, artikel 190 van de Provinciewet, artikel 9, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging en artikel 2, eerste lid, van de Wet rechten burgerlijke stand;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 januari 2019, nr. W04.18.0412/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 januari 2019, nr. 2019-0000020014;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 46, onderdeel e, komt te luiden:

  • e. vooruitontvangen bedragen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer.

B

In artikel 71, eerste lid, worden onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • g. de kengetallen als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onder d;

  • h. de bij ministeriële regeling vast te stellen beleidsindicatoren, waarvan gemeenten onderscheidenlijk provincies bronhouder zijn.

C

Artikel 75 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel l door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • m. één lid werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

2. In het zesde lid komen de aanhef en onderdeel a te luiden:

De voorzitter benoemt de leden, bedoeld in het derde lid, onder b tot en met m. De benoeming geschiedt op voordracht van:

  • a. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voor twee van de leden, bedoeld in het derde lid, onder c, en het lid, bedoeld in het derde lid, onder m;.

3. In het zesde lid, onderdeel e, wordt na «Onze minister» ingevoegd «voor de secretaris en».

4. In het zesde lid, onderdeel i, wordt «Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants» vervangen door «Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants».

ARTIKEL II

Artikel 7 van het Besluit financiële verhouding 2001 vervalt.

ARTIKEL III

Het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

In dit besluit wordt verstaan onder:.

2. In onderdeel d wordt «bewaarder» vervangen door «gemeenteambtenaar» en wordt «de Gemeentewet» vervangen door «de wet».

B

Artikel 1a komt te luiden:

Artikel 1a

De voorschriften van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 234, tweede lid, onderdeel a, van de wet, kunnen inhouden dat het in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden, indien de belastingplichtigen voldoende praktische middelen voor de voldoening op aangifte ten dienste staan.

C

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef van het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, vijfde lid, van de wet kunnen ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen:.

2. In het eerste lid, onderdeel f, wordt «welke» vervangen door «die».

3. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.

D

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt «voor zover deze rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet betaalde parkeerbelastingen» vervangen door «voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen».

2. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «welke» vervangen door «die».

3. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.

4. In het derde lid wordt «de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar» vervangen door «de gemeenteambtenaar».

E

In artikel 7, tweede lid, wordt «de bewaarder» vervangen door «de gemeenteambtenaar».

F

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «Ingeval van» vervangen door «In geval van».

2. In de onderdelen b, c en d wordt «ingeval van» telkens vervangen door «in geval van».

G

In artikel 12 wordt «de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar» telkens vervangen door «de gemeenteambtenaar».

H

In artikel 13 wordt «De bewaarder» vervangen door «De gemeenteambtenaar».

I

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt «voor zover deze rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet betaalde parkeerbelastingen» vervangen door «voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen».

2. In het eerste lid, onderdeel c, wordt «welke» vervangen door «die».

3. In het eerste lid, onderdelen f en g, wordt «ingeval van» telkens vervangen door «in geval van».

4. In het tweede lid wordt «de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar» vervangen door «de gemeenteambtenaar».

J

In artikel 16 wordt «Ingeval van» vervangen door «In geval van».

K

In artikel 17 wordt «de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar» vervangen door «de gemeenteambtenaar».

L

In artikel 19 wordt «kan worden aangehaald» vervangen door «wordt aangehaald».

ARTIKEL IV

Het Besluit op de lijkbezorging wordt als volgt gewijzigd:

A

In het opschrift van bijlage I wordt «verklaring van overlijden» vervangen door «de verklaring van natuurlijk overlijden».

B

In het opschrift van bijlage II wordt «verklaring van overlijden» vervangen door «verklaring van natuurlijk overlijden».

ARTIKEL V

Artikel 1, eerste lid, van het Legesbesluit akten burgerlijke stand komt te luiden:

  • 1. Het recht, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet rechten burgerlijke stand bedraagt:

    • a. voor de onder a, b, d en e genoemde stukken € 13,40;

    • b. voor de onder c genoemde stukken € 23,60;

    • c. voor de onder f genoemde stukken € 13,40 waar het een meertalig modelformulier van een van de in artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en e genoemde stukken betreft en € 18,00 waar het een meertalig modelformulier van de onder c genoemde stukken betreft.

ARTIKEL VI

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2019, met uitzondering van de artikelen IV en V.

  • 2. Artikel IV treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.

  • 3. Artikel V treedt in werking met ingang van 16 februari 2019. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 15 februari 2019, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 16 februari 2019.

ARTIKEL VII

Dit besluit wordt aangehaald als: Verzamelbesluit openbaar bestuur 2019.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 22 januari 2019

Willem-Alexander

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

Uitgegeven de vijftiende februari 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inhoud van het besluit

Dit Verzamelbesluit openbaar bestuur 2019 bevat een aantal wijzigingen in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, het Besluit financiële verhouding 2001, Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen, het Besluit op de lijkbezorging en het Legesbesluit akten burgerlijke stand. Het betreft met name technische en redactionele aanpassingen, die dienen ter verduidelijking en nadere invulling van eerder gemaakte beleidskeuzes en het herstellen van omissies. Naast de technische wijzigingen bevat deze algemene maatregel van bestuur wijzigingen met betrekking tot de samenstelling van de commissie voor het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten en het verstrekken van kengetallen en beleidsindicatoren door provincies en gemeenten. Ten slotte bevat het verzamelbesluit een bepaling ter uitvoering van verordening (EU) nr. 2016/11911 in het Legesbesluit akten burgerlijke stand.

2. Financiële gevolgen

De wijzigingen in het Verzamelbesluit openbaar bestuur 2019 hebben geen gevolgen voor de regeldruk voor burgers en bedrijven. Het besluit heeft geen of verwaarloosbare financiële gevolgen voor de overheid. De wijzigingen in onderdeel B van artikel I en artikel IV hebben een minimale toename van bestuurlijke lasten van gemeenten tot gevolg. Dit is bij de toelichting bij de betreffende artikelen specifiek toegelicht.

3. Consultatie

Het Verzamelbesluit openbaar bestuur 2019 is ter consultatie voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVvB). Het IPO heeft geen aanleiding gezien tot opmerkingen. De VNG en NVvB hebben opmerkingen gemaakt ten aanzien van specifieke artikelen. In de artikelsgewijze toelichting is weergegeven op welke wijze deze opmerkingen zijn verwerkt.

Artikelsgewijs

Artikel I

Dit artikel bevat enkele wijzigingen in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Ten eerste wordt een wijziging voorgesteld met betrekking tot het verstrekken van de financiële kengetallen aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor derden. In artikel 71, eerste lid, is limitatief opgesomd welke informatie gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders dienen te verstrekken. De gegevens worden feitelijk verstrekt aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), dat ze publiceert als open data. De financiële kengetallen stonden nog niet vermeld in deze opsomming, terwijl dit wel waardevolle informatie betreft voor raads- en statenleden ter ondersteuning van de beoordeling van de financiële positie van hun gemeente respectievelijk provincie. Gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders dienen de kengetallen al op te nemen in de begroting en de jaarstukken, op grond van artikel 11, tweede lid, onder d, BBV. Hierbij is het van belang dat de mogelijkheid bestaat om de financiële kengetallen te duiden door deze te vergelijken met andere gemeenten of provincies. Het verstrekken van deze informatie aan het CBS, waarna het gepubliceerd wordt door onze Minister, geeft de raads- en statenleden deze mogelijkheid. In de praktijk worden gemeenten en provincies al gevraagd om de kengetallen te verstrekken. Onderdeel B van artikel I brengt het BBV in overeenstemming met deze praktijk.

Ook de beleidsindicatoren stonden nog niet vermeld in de eerdergenoemde opsomming. Met ingang van 14 april 2016 dienen gemeenten en provincies op grond van artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV een basisset aan beleidsindicatoren in hun begroting en jaarstukken op te nemen.2 Momenteel berekenen gemeenten enkele van deze beleidsindicatoren zelf en zijn zij daarvan bronhouder. Die beleidsindicatoren zijn hierdoor niet automatisch breed digitaal beschikbaar. Dit staat onderlinge vergelijkbaarheid, één van de doelen van de beleidsindicatoren, in de weg. Onderdeel B van artikel I zorgt ervoor dat ook de beleidsindicatoren waarvan gemeenten zelf bronhouder zijn digitaal beschikbaar zullen zijn.

De VNG heeft in consultatiereactie ten aanzien van artikel I aangegeven dat het niet wenselijk is dat alle beleidsindicatoren in IV3 worden gezet, omdat de verplichte beleidsindicatoren momenteel al via waarstaatjegemeente.nl beschikbaar zijn. Deze wijziging strekt ertoe slechts de gegevens via IV3 op te vragen waarvan gemeenten momenteel zelf bronhouder zijn en die nog niet openbaar beschikbaar zijn. Dat is hierboven verduidelijkt in de toelichting.

Op grond van artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet dienen de financiële gevolgen van beleidsvoornemens van het Rijk voor provincies of gemeenten nader toegelicht te worden. Bij deze wijziging gaat het om het opnemen van de financiële kengetallen en enkele beleidsindicatoren aan de IV3-rapportages (informatie voor derden). Gemeenten en provincies zijn nu al verplicht om de financiële kengetallen te berekenen en op te nemen in de interne begroting en jaarstukken. Gemeenten zijn eveneens reeds verplicht om bepaalde beleidsindicatoren te berekenen voor de begroting en jaarstukken. Dat betekent concreet dat zij na wijziging van het BBV deze gegevens slechts hoeven over te nemen in voormelde IV3. Deze minimale toename is dan ook niet te kwantificeren. Ook voor het CBS zullen de wijzigingen slechts leiden tot minimale extra werkzaamheden, aangezien het nu ook al de kengetallen verwerkt als onderdeel van de IV3-processen.

Een tweede wijziging betreft de voordracht voor de secretaris van de commissie voor het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, die wordt ingesteld op grond van artikel 75 van het BBV (onderdeel C, eerste en derde lid). Nu vindt de benoeming van de secretaris plaats door de voorzitter van de commissie, op de voordracht van de VNG. Bij de laatste benoeming heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) reeds een informele rol gehad bij de voordracht van de secretaris. In overleg met de VNG is besloten dat het wenselijk is dat de Minister van BZK in het vervolg formeel de voordracht voor de secretaris opmaakt. Deze procedurele wijziging wordt in het zesde lid opgenomen in het nieuwe onderdeel a. Aangezien de VNG niet langer de secretaris van de commissie niet langer voordraagt, wordt de commissie uitgebreid met een lid namens de VNG (onderdeel C, tweede lid).

De overige wijzigingen betreffen reparaties en redactionele verbeteringen. Onderdeel A bevat een bepaling tot herstel van de foutieve aanduiding van vooruitontvangen bedragen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer in artikel 46, onderdeel e. Onderdeel C, vierde lid, repareert de verwijzing in artikel 75, zesde lid, onderdeel i, van het BBV naar de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants, die met ingang van 1 januari 2013 de taken van het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants heeft overgenomen.

Artikel II

Door de totstandkoming van de landelijke voorziening WOZ is artikel 7 van het Besluit financiële verhouding 2001 (Bfv) overbodig geworden. Het eerste lid van dat artikel verplichtte gemeenten om jaarlijks aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gegevens te verstrekken over de in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken bedoelde waarden in de gemeente. Die verplichting gold op grond van het tweede lid niet voor gemeenten die de gegevens hebben verstrekt aan de landelijke voorziening WOZ, omdat het CBS in dat geval via de landelijke voorziening WOZ inzage heeft in de gegevens. Inmiddels zijn alle gemeenten aangesloten op de landelijke voorziening WOZ.

Artikel III

Dit artikel bevat enkele wijzigingen van overwegend technische aard van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (Bgpb). Allereerst gaat het om twee verduidelijkingen van artikel 2 Bgpb, dat bepaalt welke kostencomponenten gemeenten in rekening mogen brengen bij het opleggen van een naheffingsaanslag voor een niet betaalde parkeerbelasting. Het eerste lid bevat een limitatieve opsomming van kostencomponenten, zoals informatieverwerkingskosten of personeelskosten, en bepaalt dat de kosten slechts in rekening mogen worden gebracht voor zover ze «rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet betaalde parkeerbelastingen». Dit roept in de praktijk met name de vraag op of de kosten van digitale scantechnologie die niet uitsluitend zijn gemaakt ten behoeve van de inning van niet betaalde parkeerbelastingen, ook in rekening mogen worden gebracht. De nieuwe formulering «samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen» (onderdeel C, eerste lid) stelt buiten twijfel dat de kosten niet uitsluitend ten behoeve van de inning van niet betaalde parkeerbelastingen hoeven te zijn gemaakt. De formulering is ontleend aan de modelbepalingen voor de doorberekening van kosten in aanwijzing 5.57 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Dezelfde wijziging is doorgevoerd in de artikelen 5 en 14 Bgpb (onderdelen D en I, eerste lid).

Volgens artikel 2, tweede lid, Bgpb stelt de gemeenteraad de hoogte van de naheffingsaanslag (het bedrag dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht) vast op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven. Het vaststellen van het in rekening te brengen bedrag op basis van een raming over één jaar kan leiden tot jaarlijkse schommelingen in de hoogte van de in rekening te brengen kosten. Door uit te gaan van een raming over een periode van meerdere jaren kunnen deze schommelingen worden beperkt, hetgeen ook in het voordeel van de belastingschuldige is. Daarom is bepaald dat de raming gebaseerd mag zijn op een gemiddelde over een periode van ten minste één en ten hoogte vier jaren (onderdeel C, derde lid). Dezelfde wijziging is doorgevoerd in artikel 5, tweede lid, Bgpb (onderdeel D, derde lid).

Deze wijzigingen zullen niet leiden tot een substantiële stijging van de hoogte van naheffingsaanslagen, nu die hoogte in artikel 3 Bgpb is gemaximeerd. Hiermee wordt voorkomen dat de hoogte per gemeente te sterk kan verschillen en dat de kosten van een minder efficiënte aanpak kunnen worden afgewenteld op de belastingschuldige.

Verder zijn een bepaling over de inmiddels afgeschafte chipknip vervallen (onderdeel B) en een foutieve verwijzing hersteld (onderdeel C, eerste lid). De overige wijzigingen betreffen wetstechnische verbeteringen. De VNG heeft in reactie op de consultatie een wijziging van onderdeel B voorgesteld en die is overgenomen.

Artikel IV

Met de wijziging van de titel van de verklaring van overlijden, het zogenoemde A-formulier, in de bijlagen bij het Besluit op de lijkbezorging (Blb) wordt uitvoering gegeven aan het rapport «De dood als startpunt» van de Taskforce Lijkschouw over de werking en kwaliteit van de keten van lijkschouw tot gerechtelijke sectie (Kamerstukken II 2017/18, 34 775 VI, nr. 91). De wijziging van de titel van het A-formulier (verklaring van overlijden) wordt toegezegd in de brief aan de Kamer inhoudende de kabinetsreactie op 28 september 2018 (Kamerstukken 2018/19, 33 628, nr. 38.

Artikel 3 van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) schrijft voor dat elke overledene geschouwd wordt door een behandelende arts of een gemeentelijke lijkschouwer. De lijkschouw draagt bij aan de opsporing van strafbare feiten en dient de volksgezondheid omdat zo oorzaken van overlijden in beeld komen. De Taskforce Lijkschouw concludeert dat uit de titel van de verklaring onvoldoende blijkt dat in het geval van het ontbreken van de overtuiging dat sprake is van een natuurlijke doodsoorzaak de verklaring achterwege blijft en dat een gemeentelijke lijkschouwer moet worden ingeschakeld. Als de behandelende arts en de gemeentelijke lijkschouwer beide niet overtuigd zijn van een natuurlijke doodsoorzaak, mogen zij de verklaring niet invullen en dan kan de officier van justitie beslissen over de inzet van ander postmortaal onderzoek. De titel van het A-formulier maakt het eerst zichtbaar voor artsen wat de bedoeling is van het formulier en daarom is het wenselijk op deze manier te verduidelijken dat het formulier slechts ingevuld kan worden als de arts of gemeentelijke lijkschouwer overtuigd zijn van een natuurlijke doodsoorzaak.

De toevoeging in de titel van de verklaring heeft inhoudelijk geen consequenties, omdat in de tekst van het huidige formulier reeds staat opgenomen dat de arts die het formulier invult overtuigd dient te zijn van een natuurlijk overlijden. Dit is geen nieuw vereiste voor het invullen van het formulier. Het gaat om het nadrukkelijker benadrukken hiervan en de arts nog bewuster het formulier al dan niet te laten invullen.

De NVvB heeft in de consultatie gevraagd of de plaats van overlijden kan worden toegevoegd aan Bijlagen I en II van het Blb. De hierin vastgestelde modellen bevatten de minimale invulling van de verklaring van overlijden. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitgifte van de formulieren en de huidige tekst van de modellen in het Blb staat er niet aan in de weg om in het formulier een extra veld op te nemen voor de plaats van overlijden. Dit is reeds staande praktijk in verschillende gemeenten. Er is daarom geen noodzaak voor het aanvullen van de modellen in de Bijlagen I en II op dit punt. Het staat gemeenten vrij de modellen vorm te geven en aan te vullen, voor zover het formulier niet in strijd komt met de inhoud en strekking van de verklaring van natuurlijk overlijden. Bij de vermelding van de plaats van overlijden is dat niet het geval.

De oude A-formulieren worden per datum inwerkingtreding vervangen worden voor de nieuwe formulieren. Op dit moment zijn er verschillende wijzen hoe de formulieren in omloop worden gebracht door gemeenten. Grotere gemeenten die beschikken over een eigen drukkerij voorzien zichzelf op deze manier van deze formulieren die zij vervolgens beschikbaar stellen aan artsen. Kleinere gemeenten maken gebruik van een andere drukker of uitgeverij of printen zelf het formulier uit. De kosten die de wijziging met zich brengt vallen binnen de marges die gemeenten zelf kunnen opvangen.

Om de gemeenten voldoende tijd te geven voor een zorgvuldige vervanging van de formulieren met de oude titel en de arts voldoende tijd te geven het juiste formulier te gebruiken, is ervoor gekozen dat deze bepaling later in werking treedt. De NVvB heeft in de consultatie ook aandacht gevraagd voor een redelijke termijn. Naar aanleiding van deze reactie is gekozen voor inwerkingtreding met ingang van 1 januari 2020.

Artikel V

De wijziging van artikel 1, eerste lid, van het Legesbesluit akten burgerlijke stand betreft noodzakelijke uitvoeringswetgeving die voortvloeit uit Verordening (EU) nr. 2016/1191 van het Europees parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende het bevorderen van het vrij verkeer van burgers door vereenvoudigde overlegging van bepaalde openbare documenten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening nr. 1024/2012 (PbEU 2016, L 200) (hierna: de verordening). De verordening heeft tot doel de aanvaarding van bepaalde openbare documenten, zoals met betrekking tot geboorte, overlijden, huwelijk, geregistreerd partnerschap, woonplaats en nationaliteit, in andere EU-lidstaten te vereenvoudigen door afschaffing van de vereisten van legalisatie en apostillering. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ter uitvoering van deze verordening (uitvoeringswet verordening overlegging openbare documenten)3 wordt nader ingegaan op de nagestreefde doelen van deze verordening en de uitwerking daarvan. Een van de doelen is het terugdringen van administratieve formaliteiten en kosten voor burgers alsmede het vergemakkelijken van het vrije verkeer. De verordening bevat daarom ook meertalige modelformulieren die als vertaalhulp kunnen fungeren. Hiermee kunnen kosten voor vertaling worden bespaard. Met de uitvoeringswet is artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand gewijzigd, waarin wordt bepaald dat er kosten in rekening kunnen worden gebracht voor deze meertalige modelformulieren. De voorgestelde wijziging van het Legesbesluit akten burgerlijke stand ziet op het vastleggen van het legesbedrag van deze modelformulieren. Bij het vaststellen van dat bedrag moet rekening worden gehouden met artikel 11 van de verordening, dat bepaalt dat: «Teneinde het vrije verkeer van openbare documenten in de Unie verder te vergemakkelijken, zorgen de lidstaten ervoor dat de vergoeding voor het verkrijgen van een meertalig modelformulier niet hoger is dan de productiekosten van het meertalig modelformulier of, indien die lager zijn, van het openbaar document waaraan het formulier is gehecht

Daarom is artikel 1, eerste lid, als volgt gewijzigd: Het lid wordt onderverdeeld in drie onderdelen, waarbij onderdeel c betrekking heeft op de leges voor de meertalige modelformulieren. De productiekosten van een meertalig modelformulier van de stukken, genoemd in artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en e, van de Wet rechten burgerlijke stand bedragen € 18,00, echter de productiekosten van de onderliggende stukken bedragen € 13,40. In overeenstemming met artikel 11 van de verordening is het bedrag daarom vastgesteld op € 13,40. Het tweede bedrag in artikel 1, eerste lid, onder c, behelst de leges van elk meertalig modelformulier van de stukken genoemd in artikel 2, eerste lid, onder c, van de Wet rechten burgerlijke stand. Ook hier bedragen de productiekosten van het meertalig modelformulier € 18,00, maar de productiekosten van de onderliggende stukken bedragen € 23,60. In overeenstemming met artikel 11 van de verordening is het bedrag daarom vastgesteld op de productiekosten van het modelformulier en bedraagt daarom € 18,00.

In reactie op de consultatie heeft de VNG erop gewezen dat in het ontwerpbesluit geen rekening was gehouden met de indexering van de leges voor akten van de burgerlijke stand, met ingang van 2019 (Stcrt. 2018, 47103). Dit is aangepast.

De verordening is in al haar onderdelen verbindend en rechtstreeks toepasselijk (artikel 288 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) en geldt met ingang van 16 februari 2019. Het is wenselijk dat artikel V van onderhavig besluit, net als de uitvoeringswet eveneens in werking treedt met ingang van 16 februari 2019. Mocht het onderhavige besluit na 15 februari 2019 in het Staatsblad gepubliceerd worden, dan is voorzien in terugwerkende kracht van artikel V.

Artikel VI

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2019, met uitzondering van de artikelen IV en V. De toelichting op de afwijkende inwerkingtreding wordt gegeven bij de toelichting bij het betreffende artikel.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Verordening (EU) nr. 2016/1191 van het Europees parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de bevordering van het vrije verkeer van burgers door vereenvoudigde overlegging van bepaalde openbare documenten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening nr. 1024/2012 (pbEU 2016, L 200)

X Noot
2

Stb. 2016, 101.

X Noot
3

Kamerstukken II, 2017/1018, 34 803, nr. 3.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.