Besluit van 4 september 2019, houdende wijziging van het Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet in verband met verlenging van het experiment voor bestaande deelnemers

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juni 2019, nr. 2019-0000080656;

Gelet op artikel 83, eerste, tweede en derde lid, van de Participatiewet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 juli 2019, no. W12.19.0150/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 augustus 2019, nr. 2019-0000125304;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, eerste lid, wordt «een periode van maximaal 2 jaar» vervangen door «een periode van maximaal 2 jaar en 3 maanden».

B

In artikel 5, eerste lid, onderdeel c, wordt «een periode van maximaal 24 maanden» vervangen door «een periode van maximaal 2 jaar en 3 maanden».

C

Aan artikel 6, tweede lid, wordt een zin toegevoegd luidende: Indien de duur van het experiment met maximaal 3 maanden wordt verlengd, geeft de deelnemer schriftelijk aan hiermee akkoord te gaan.

D

In artikel 7, derde lid, wordt «uiterlijk twee en een half jaar na inwerkingtreding van dit besluit» vervangen door «uiterlijk 1 februari 2020».

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2019.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 4 september 2019

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

Uitgegeven de twintigste september 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

1.1 Algemeen

Op basis van het op 1 april 2017 in werking getreden Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een aantal gemeenten aangewezen als experimenteergemeente. Met deze aanwijzing mogen die gemeenten tijdelijk afwijken van de artikelen 9, eerste lid, en 31, tweede lid, onderdeel n, van de Participatiewet. Het gaat om de gemeenten Groningen, Deventer, Nijmegen, Tilburg, Wageningen en Utrecht. De gemeente Groningen voerde het experiment uit in samenwerking met de gemeente Ten Boer, die met ingang van 1 januari 2019 is samengevoegd met de gemeente Groningen. De gemeente Utrecht voert het experiment uit in samenwerking met de gemeente Zeist.

De aanwijzing van de gemeenten Groningen, Deventer, Nijmegen, Tilburg en Wageningen is ingegaan op 1 oktober 2017; die van de gemeente Utrecht op 1 februari 2018. Alle experimenten eindigen op 1 oktober 2019.

De deelnemende gemeenten hebben de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzocht het experiment voor bestaande deelnemers te verlengen. De verlenging beoogt de realisatie van een zo zuiver mogelijke effectmeting over de totale experimenteerperiode mogelijk te maken, hetgeen de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek ten goede komt. De regering vindt die kwaliteit belangrijk. Met de aanpassing van vermeld besluit komt de regering tegemoet aan het verzoek van de gemeenten. Met het onderhavige wijzigingsbesluit wordt gemeenten de mogelijkheid geboden om het experiment voor hun deelnemers met maximaal drie maanden te verlengen.

1.2 Aanleiding en doelstelling

De aanleiding van dit wijzigingsbesluit is bovenstaand verzoek van de deelnemende gemeenten om de experimenteerduur te verlengen. De verlenging wordt ingegeven door louter wetenschappelijke overwegingen. Met de gemeenten is de regering van mening dat het wenselijk is dat de deelnemers aan de gemeentelijke experimenten tijdig worden geïnformeerd over de beëindiging van het experiment en over de rechtsgevolgen hiervan voor de deelnemers. Hierbij is overwogen dat de deelnemers aan de experimenten weliswaar bij de aanvang van het experiment zijn geïnformeerd over de duur ervan, maar dat naast de rationele status van «geïnformeerd zijn» ook de beleving van de deelnemers en het mentale effect van het feit dat het experiment ten einde komt een rol speelt.

De onafhankelijke, wetenschappelijke commissie die de experimenten in opdracht van het ministerie begeleidt, ZonMw, en de gemeentelijke onderzoekers verwachten dat het informeren van deelnemers over het naderende einde van het experiment kan leiden tot gedragseffecten en daarmee tot een verstoring van de effectmeting.

Voor een zo zuiver mogelijke effectmeting is het op wetenschappelijke gronden wenselijk de laatste effectmeting zo dicht mogelijk op 1 oktober 2019 uit te voeren. Een verlenging van de experimenteerduur maakt het mogelijk de deelnemers na de laatste effectmeting te informeren dat het experiment eindigt, dat zij op vrijwillige basis nog maximaal drie maanden aan het experiment kunnen deelnemen en dat zij daarna weer onder het reguliere bijstandsregime gaan vallen. Aldus creëert de verlenging voorwaarden voor een zo zuiver mogelijke effectmeting. De onderzoekers en gemeenten denken aan een verlengingsperiode van circa drie tot zes maanden.

De regering begrijpt de wens van onderzoekers en gemeenten voor een verlenging om de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek te waarborgen. Gelet op het beoogde doel van de verlenging acht de regering een periode van drie maanden redelijk en toereikend. Het is aan de gemeenten te bepalen in welke mate zij gebruik willen maken van de verlengingstermijn van maximaal drie maanden.

Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet

De basis voor het Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet wordt gevormd door artikel 83 van de Participatiewet, dat de regering de mogelijkheid biedt om bij algemene maatregel van bestuur een experiment mogelijk te maken. Uit artikel 83 van de Participatiewet volgt dat het experiment maximaal een driejarige looptijd heeft. In het Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet (artikel 2, eerste lid) is geregeld dat gemeenten binnen de periode van drie jaar gedurende maximaal twee jaar mogen experimenteren. Met een verlenging van drie maanden verandert de totale duur van experimenten weliswaar van 24 maanden in 27 maanden, maar blijft daarmee binnen het wettelijk kader dat een experiment ten hoogste drie jaar duurt.

Aanvullende voorwaarde

De verlengingstermijn is alleen bedoeld om de deelnemers aan experimenten te informeren over de beëindiging en de gevolgen daarvan. Er mogen geen nieuwe deelnemers bijkomen, dat is overigens ook niet de intentie van de gemeenten. Ook kunnen deelnemers niet veranderen van de interventiegroep waar zij ingedeeld zijn. Deelname aan het experiment door bijstandsgerechtigden geschiedt op vrijwillige basis en dat geldt ook voor de verlengingsperiode. De toestemming voor de oorspronkelijke duur van 24 maanden is expliciet van iedere deelnemer verkregen vóór aanvang van het experiment. Voor de verlenging van de duur van het experiment met drie maanden dient voorafgaande aan die verlenging wederom expliciete toestemming van iedere deelnemer te worden verkregen. Het is aan gemeenten te bepalen op welke wijze zij de deelnemers informeren over de verlenging van het experiment en de vaststelling van iedere deelnemer dat ook de verlengde deelname op vrijwillige basis geschiedt.

Omdat de verlengingstermijn van maximaal drie maanden alleen is bedoeld om de kwaliteit van het onderzoek te waarborgen en geen invloed heeft op de feitelijke onderzoekstermijn (van 1 oktober 2017 tot 1 oktober 2019), heeft de verlenging geen invloed op de termijn waarbinnen gemeenten aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verslag uitbrengen inzake de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, namelijk uiterlijk 1 februari 2020. Zoals aangekondigd in de brief aan de Tweede Kamer over de «Stand van zaken Participatiewet» d.d. 8 december 2017 (Kamerstukken II 2017/18, 34 352, nr. 76) zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het parlement daarop uiterlijk op 1 mei 2020 het verslag toezenden als bedoeld in artikel 83, vijfde lid, van de wet.

2 Effecten en regeldruk

2.1 Financiële effecten

In het Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet zijn geen financiële gevolgen voor het Rijk geraamd. Een verlenging van de totale experimenteerduur met maximaal drie maanden brengt hierin geen verandering.

2.2 Regeldruk effecten burgers

De gemeenten die thans experimenteren met de Participatiewet moeten de deelnemers aan hun experimenten informeren over de verlenging van het experiment en op individuele basis van de deelnemers expliciete toestemming verkrijgen voor de verlenging. Deelnemers die geen toestemming willen geven kunnen besluiten hun deelname te beëindigen. Aangezien het om een kleine groep mensen gaat die een zeer kleine handeling moet verrichten, is de aanname dat de kosten voor regeldruk verwaarloosbaar zijn.

3 Consultatie en adviezen

Het concept van het wijzigingsbesluit is ambtelijk afgestemd met de experimenteergemeenten. De experimenteergemeenten onderschrijven het voorstel. Dit geldt dus ook voor de gemeenten Tilburg en Wageningen die aanvankelijk voor een langere verlengingstermijn hebben gepleit.

4 Voorhangprocedure

Conform artikel 83, zesde lid, van de Participatiewet is het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur ten minste vier weken aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Het besluit heeft van 12 april 2019 tot en met 10 mei 2019 gelijktijdig voorgelegen in beide kamers der Staten-Generaal. Het ontwerpbesluit heeft niet geleid tot opmerkingen vanuit het parlement.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A en onderdeel B

In deze onderdelen wordt de verlengingsduur geregeld.

Artikel 3, onder a, sub 2, ziet op een experimenteerperiode zoals deze in een reeds definitief door de gemeente vastgesteld plan van aanpak is opgenomen. Het is niet noodzakelijk om dit te wijzigen.

Artikel I, onderdeel C

Dit onderdeel is opgenomen ter borging van de vrijwilligheid van de deelnemers, zoals hiervoor beschreven.

Artikel I, onderdeel D

In dit onderdeel is de termijn waarin een experimenteergemeente haar eindverslag dient te verzenden aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaald op uiterlijk 1 februari 2020.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

Naar boven