Wet van 27 maart 2019 tot wijziging van de Wet foetaal weefsel in verband met het mogelijk maken van het bewaren en gebruiken van foetaal weefsel ten behoeve van de opsporing en vervolging van ernstige zedenmisdrijven

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een wettelijke grondslag te creëren voor het bewaren en gebruiken van foetaal weefsel in de gevallen waarin het vermoeden bestaat dat de vrouw slachtoffer is van een ernstig zedenmisdrijf en dat daartoe de Wet foetaal weefsel dient te worden gewijzigd;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet foetaal weefsel wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Het bewaren en gebruiken van foetaal weefsel is slechts toegestaan ten behoeve van:

    • a. geneeskundige doeleinden, medisch- of biologisch-wetenschappelijk onderzoek of medisch- of biologisch-wetenschappelijk onderwijs, of

    • b. de opsporing en vervolging van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248, 248a, 248b of 249, van het Wetboek van Strafrecht, dat vermoedelijk heeft geleid tot de zwangerschap waarvan het foetaal weefsel afkomstig is.

B

Na artikel 7 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7a

In de gevallen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, zijn de artikelen 3, tweede tot en met vierde lid, en 7, eerste lid, van deze wet, en artikel 21, vierde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, niet van toepassing, met dien verstande dat foetaal weefsel dat afkomstig is van een vrouw die de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt of een vrouw die niet in staat is tot een redelijke waardering van haar belangen te komen of overleden is, in afwijking van artikel 3, eerste lid, zonder haar toestemming kan worden gebruikt en bewaard indien vermoed wordt dat zij voorwerp is van een misdrijf als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b.

ARTIKEL II

In de artikelen 151da, tweede lid, en 195g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt «Celmateriaal dat ingevolge dit wetboek, de Wet bescherming persoonsgegevens of de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel» vervangen door: Celmateriaal dat ingevolge dit wetboek of een andere wet is afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel en celmateriaal dat ingevolge een andere wet is verkregen.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

Gegeven te ’s-Gravenhage, 27 maart 2019

Willem-Alexander

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

Uitgegeven de zesentwintigste april 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


XHistnoot
histnoot

Kamerstuk 34 893

Naar boven