Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2018, 463AMvB

Besluit van 3 december 2018, houdende regels met betrekking tot onder meer een aanvullende trustdienst en nadere regels over de beoordeling van de betrouwbaarheid van beleidsbepalers, de integere en beheerste bedrijfsuitoefening, de compliance- en auditfunctie en uitbesteding door trustkantoren (Besluit toezicht trustkantoren 2018)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 5 oktober 2018, 2018-0000164042, directie Financiële Markten;

Gelet op de artikelen 1, eerste lid, 10, vijfde lid, 14, vierde lid, 15, derde lid, 16, derde en vierde lid, 18, tweede lid, 30a en 49, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018 en artikel 18, eerste lid, van de Wet politiegegevens;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 21 november 2018, nr. W06.18.0331/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 29 november 2018, 2018-0000201668, directie Financiële Markten;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

integere bedrijfsvoering:

een zodanige sturing van de organisatie van het trustkantoor en inrichting van de processen van en met betrekking tot het trustkantoor dat integriteitrisico’s worden beheerst;

wet:

Wet toezicht trustkantoren 2018.

§ 2. Aanvullende trustdiensten

Artikel 2. Aanvullende trustdienst

In aanvulling op artikel 1, eerste lid, van de wet wordt als trustdienst aangewezen het zijn van gevolmachtigde of anderszins rechtsgeldig vertegenwoordiger die algemene bestuurshandelingen kan verrichten voor een rechtspersoon of vennootschap in opdracht van een natuurlijke persoon, rechtspersoon, of vennootschap die niet tot dezelfde groep behoort als de gevolmachtigde of vertegenwoordiger.

Artikel 3. Cliëntenonderzoek

Artikel 27 van de wet is van overeenkomstige toepassing op het cliëntenonderzoek bij de trustdienst, bedoeld in artikel 2.

§ 3. Nadere regels betrouwbaarheid

Artikel 4. Vaststelling betrouwbaarheid

De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.

Artikel 5. Antecedenten

De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 4, in ieder geval in aanmerking:

  • a. de in de onderdelen 1 en 2 van de bijlage genoemde strafrechtelijke antecedenten;

  • b. de in onderdeel 3 van de bijlage genoemde financiële antecedenten;

  • c. de in onderdeel 4 van de bijlage genoemde toezichtantecedenten;

  • d. de in onderdeel 5 van de bijlage genoemde fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten; en

  • e. de in onderdeel 6 van de bijlage genoemde overige antecedenten.

Artikel 6. Inlichtingen

  • 1. De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 4 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:

    • a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;

    • b. door de Landelijke Officier van Justitie verstrekte politiegegevens;

    • c. gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet controle op rechtspersonen;

    • d. gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst;

    • e. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;

    • f. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;

    • g. inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenties;

    • h. gegevens uit openbare bronnen;

    • i. inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 4 bedoelde persoon betrokken is geweest;

    • j. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene; of

    • k. gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen bronnen.

  • 2. Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Nederlandsche Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Nederlandsche Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:

    • a. de reden van het nadere onderzoek;

    • b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en

    • c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.

Artikel 7. Betrouwbaarheid niet buiten twijfel

  • 1. De betrouwbaarheid van de betrokkene staat niet buiten twijfel indien:

    • a. deze onherroepelijk veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de bijlage, waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak minder dan acht jaren zijn verstreken;

    • b. deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de bijlage, waarbij de uitspraak nog niet onherroepelijk is of waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht of meer jaren zijn verstreken;

    • c. deze veroordeeld is terzake van een overtreding van artikel 69 van de Algemene wet inzake de rijksbelastingen of artikel 65 van de Invorderingswet 1990, waarbij betrokkene veroordeeld is tot een gevangenisstraf of boete; of

    • d. deze een vergrijpboete van meer dan € 62.500 opgelegd heeft gekregen terzake van een feit, genoemd in onderdeel 5 van de bijlage, en het besluit waarbij de vergrijpboete is opgelegd onherroepelijk is geworden of waarbij ten minste de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.

  • 2. De Nederlandsche Bank kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 8, afwijken van het eerste lid, ten aanzien van de onderdelen b, c en d.

Artikel 8. Te betrekken belangen

De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling van de betrouwbaarheid in aanmerking:

  • a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;

  • b. de belangen die de wet beoogt te beschermen; en

  • c. de overige belangen van het trustkantoor en de betrokkene.

§ 4. Integere en beheerste bedrijfsvoering

Artikel 9. Zorgplicht bestuur trustkantoor

Het bestuur van een trustkantoor is belast met de dagelijkse leiding over de werkzaamheden van het trustkantoor en draagt zorg voor:

  • a. een integere bedrijfsvoering;

  • b. de naleving van hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald;

  • c. bekendheid van de organisatie met, en naleving van het procedurehandboek;

  • d. een deugdelijke administratie.

Artikel 10. SIRA en beleid

Een trustkantoor draagt zorg voor:

  • a. een systematische analyse van integriteitrisico’s en een periodieke bijwerking daarvan;

  • b. het neerslaan van het beleid, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet, in procedures en maatregelen;

  • c. voldoende kennis van het beleid en de procedures en maatregelen bij alle relevante bedrijfsonderdelen;

  • d. uitvoering, toetsing en aanpassing van het beleid en de procedures en maatregelen;

  • e. onafhankelijk toezicht op de uitvoering van het beleid en de procedures en maatregelen met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf en het beschikken over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden gerapporteerd aan de personen belast met de compliancefunctie;

  • f. procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf tot een gepaste bijstelling leiden.

Artikel 11. Voorkoming belangenverstrengeling

Een trustkantoor beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van privébelangen van:

  • a. personen die het beleid van het trustkantoor bepalen of mede bepalen;

  • b. bestuurders van het trustkantoor of een rechtspersoon of vennootschap van dezelfde groep;

  • c. personen die zijn belast met de compliancefunctie of auditfunctie of lid zijn van een orgaan belast met intern toezicht op het trustkantoor;

  • d. andere werknemers of personen die in opdracht van het trustkantoor werkzaamheden verrichten met een taak of functie waarin belangenverstrengeling zich redelijkerwijs zou kunnen voordoen.

Artikel 12. Aanwijzen integriteitgevoelige functies

Een trustkantoor maakt ten behoeve van een integere bedrijfsvoering onderscheid tussen integriteitgevoelige functies en niet-integriteitgevoelige functies. Hiertoe hanteert een trustkantoor objectieve, kenbare criteria.

Artikel 13. Invulling integriteitgevoelige functies

  • 1. Een trustkantoor maakt een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van personen die het wil benoemen in een integriteitgevoelige functie. Daartoe draagt het trustkantoor in elk geval zorg voor:

    • a. het controleren van de identiteit van de betrokkene;

    • b. het controleren van de door de betrokkene verstrekte gegevens en referenties op juistheid en volledigheid;

    • c. het maken van een onderbouwde inschatting van de betrouwbaarheid van betrokkene en een beoordeling daarvan in relatie tot het bekleden van de betrokken integriteitgevoelige functie.

  • 2. Een trustkantoor draagt zorg voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degenen die, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden in een integriteitgevoelige functie verrichten.

  • 3. Een trustkantoor voert een administratie waaruit blijkt dat met betrekking tot ieder personeelslid of derde die werkzaamheden verricht voor het trustkantoor is voldaan aan het eerste of het tweede lid.

Artikel 14. Risicoclassificaties

  • 1. Een trustkantoor beschikt ten behoeve van een integere bedrijfsvoering over organisatorische en administratieve procedures en maatregelen die betrekking hebben op risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten of diensten.

  • 2. Een trustkantoor beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de analyse van gegevens van cliënten, mede in relatie tot de door de cliënt afgenomen producten of diensten, en ter zake van de detectie van afwijkende transactiepatronen.

Artikel 15. Interne organisatie van een trustkantoor

  • 1. De bedrijfsvoering van een trustkantoor bestaat tenminste uit:

    • a. een duidelijke, evenwichtige en adequate organisatiestructuur;

    • b. een duidelijke, evenwichtige en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

    • c. een adequate vastlegging van rechten en verplichtingen;

    • d. eenduidige rapportagelijnen; en

    • e. een adequaat systeem voor communicatie en informatievoorziening.

  • 2. De bedrijfsvoering is afgestemd op de aard, omvang, integriteitrisico’s en complexiteit van de werkzaamheden van het trustkantoor.

  • 3. De bedrijfsvoering wordt op een inzichtelijke wijze vastgelegd.

  • 4. Een trustkantoor beschikt over een actueel organisatieschema en een overzicht van alle medewerkers en hun taken binnen het trustkantoor.

  • 5. Een trustkantoor voorziet erin dat gesignaleerde tekortkomingen worden opgeheven.

Artikel 16. Procedurehandboek

Een trustkantoor beschikt over een actueel procedurehandboek dat voorziet in:

  • a. procedures omtrent de naleving van de bij of krachtens de wet gestelde regels, waaronder in ieder geval:

    • 1°. het vervullen van de compliancefunctie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet;

    • 2°. de uitoefening van de auditfunctie, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet;

    • 3°. procedures met betrekking tot omgang met incidenten, waaronder de wijze van afhandeling en de administratieve vastlegging van incidenten zodanig dat wordt voldaan aan artikel 20 van de wet;

    • 4°. de functiescheiding, bedoeld in artikel 19;

    • 5°. integriteitgevoelige functies als bedoeld in artikel 12;

  • b. procedures omtrent de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme;

  • c. procedures omtrent de naleving van de Sanctiewet 1977.

§ 5. Compliance en auditfunctie

Artikel 17. Eisen compliancefunctie

  • 1. Het organisatieonderdeel dat de compliancefunctie uitoefent beschikt over de nodige autoriteit, middelen, deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie om zijn taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen.

  • 2. Het organisatieonderdeel dat de compliancefunctie uitvoert draagt op permanente en systematische wijze zorg voor het identificeren, analyseren en beoordelen van, het adviseren over, het monitoren van en het rapporteren over het risico van ontoereikende naleving van de wet, het procedurehandboek, het beleid, de procedures en maatregelen door het trustkantoor.

  • 3. De compliancefunctie stelt een jaarlijks, op risico-gebaseerd werkprogramma op dat tenminste voorziet in:

    • 1°. het monitoren van het beheer van de integriteitrisico’s door alle relevante bedrijfsonderdelen van het trustkantoor;

    • 2°. het toezicht op de naleving van het procedurehandboek;

    • 3°. het opstellen van of adviseren over aanbevelingen voor het wegnemen van gesignaleerde tekortkomingen of gebreken;

    • 4°. het adviseren over de wijze hoe het trustkantoor aan bestaande of in het vooruitzicht gestelde wetgeving, interne regels of relevante standaarden kan voldoen;

    • 5°. het beoordelen van de tijdigheid en effectiviteit van de maatregelen gericht op een gepaste bijstelling van gesignaleerde tekortkomingen of gebreken met betrekking tot het beheersen van integriteitrisico’s en het risico op ontoereikende naleving door het trustkantoor;

    • 6°. het op permanente wijze zorg dragen voor de voorziening van informatie aan de overige organisatieonderdelen inzake de beheersing van integriteitrisico’s en de naleving van wetgeving, interne regels en relevante standaarden door het trustkantoor; en

    • 7°. het adviseren van en periodiek rapporteren aan het bestuur, en indien van toepassing het intern toezichthoudende orgaan, over de beheersing van integriteitrisico’s en het risico op ontoereikende naleving door het trustkantoor.

  • 4. Het aantal uren per week dat een natuurlijke persoon of natuurlijke personen de compliancefunctie uitvoert of uitvoeren, is afgestemd op het aantal cliënten van het trustkantoor, de aard van zijn activiteiten en de daaraan verbonden integriteitrisico’s.

  • 5. Een trustkantoor legt de omvang van de compliancefunctie schriftelijk vast en onderbouwt daarbij de omvang aan de hand van de elementen, bedoeld in her vierde lid.

Artikel 18. Eisen auditfunctie

  • 1. De auditfunctie voert ten minste een maal per jaar een controle uit.

  • 2. De auditfunctie beschikt over de nodige deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie om haar taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen.

  • 3. Onze Minister kan bij ministeriele regeling nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van de auditfunctie.

Artikel 19. Functiescheiding

  • 1. Een trustkantoor zorgt voor een adequate functiescheiding, waarmee het de onafhankelijke uitvoering van de compliancefunctie en de auditfunctie waarborgt.

  • 2. Met de functiescheiding zorgt een trustkantoor er in elk geval voor dat:

    • a. natuurlijke personen belast met werkzaamheden ten aanzien van een cliënt niet tevens betrokken zijn bij de uitvoering van de compliancefunctie of de auditfunctie;

    • b. natuurlijke personen betrokken bij de uitvoering van de compliancefunctie niet tevens betrokken zijn bij de uitvoering van de auditfunctie;

    • c. een beleidsbepaler van het trustkantoor niet tevens betrokken is bij de uitvoering van de compliancefunctie of de auditfunctie.

  • 3. De compliancefunctie en de auditfunctie rapporteren hun bevindingen, waaronder de gesignaleerde tekortkomingen of gebreken in de naleving van het bij of krachtens de wet bepaalde, interne regels of de effectiviteit van de compliancefunctie, aan het bestuur.

  • 4. De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de compliancefunctie en de auditfunctie is bij twee verschillende beleidsbepalers belegd.

  • 5. Een trustkantoor houdt de rapportages, bedoeld in het derde lid, gedurende vijf jaar beschikbaar voor De Nederlandsche Bank.

§ 6. Uitbesteding

Artikel 20. Voorschriften bij uitbesteding

  • 1. Indien een trustkantoor werkzaamheden uitbesteedt aan een derde, legt het trustkantoor de overeenkomst met de derde schriftelijk vast.

  • 2. Het trustkantoor draagt er zorg voor dat de derde het bij of krachtens de wet bepaalde en het procedurehandboek naleeft. Daartoe beschikt een trustkantoor over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.

  • 3. Een trustkantoor controleert onder alle omstandigheden zelf de identiteit van betrokkenen aan wie het werk wordt uitbesteed.

§ 7. Periodieke rapportages

Artikel 21. Inhoud rapportage

De rapportage, bedoeld in artikel 18 van de wet, geschiedt op een door de Nederlandsche Bank te bepalen wijze en kan betrekking hebben op kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van het trustkantoor, zijn dienstverlening of zijn cliënten.

Artikel 22. Frequentie rapportage

De Nederlandsche Bank stelt de termijnen vast voor indiening van de rapportage, bedoeld in artikel 18 van de wet, evenals de wijze waarop de indiening geschiedt.

§ 8. Wijziging andere besluiten

Artikel 23. Wijziging Besluit bestuurlijke boetes financiële sector

Het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1a wordt aan het slot voor de punt ingevoegd «en artikel 49, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018».

B

Artikel 16 komt te luiden:

Artikel 16

Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de Wet toezicht trustkantoren 2018, is als volgt beboetbaar:

Artikel

Boetecategorie

3, eerste tot en met derde lid

3

3, vierde lid

2

8, eerste lid

2

8, derde lid

1

8, vierde lid

2

10

2

11

2

12

2

13

2

14

2

15

2

16

2

17

2

18

1

19

2

20

2

21

2

22

3

23

3

24

2

25

3

26, eerste en tweede lid

3

26, derde lid

2

35

2

36

2

37

2

38

2

39

2

40

2

67

2

68

2

5:20 van de Algemene wet bestuursrecht

2

Artikel 24. Wijziging Besluit politiegegevens

In artikel 4:3, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, van het Besluit politiegegevens wordt «van een persoon als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Wet toezicht trustkantoren en ter beoordeling van de integere bedrijfsvoering, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, onderdeel f, en 10, eerste lid, van die wet» vervangen door «van een persoon als bedoeld in artikel 10, tweede of derde lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018 en ter beoordeling van een integere uitoefening van het bedrijf als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van die wet».

§ 9. Slotbepalingen

Artikel 25. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 26. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toezicht trustkantoren 2018

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 3 december 2018

Willem-Alexander

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

Uitgegeven de veertiende december 2018

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

Bijlage behorend bij artikel 5

1. Strafrechtelijke antecedenten

1.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

  • het in of vanuit Nederland, beschikkende over voorwetenschap, verrichten of bewerkstelligen van transacties in bepaalde effecten (artikelen 5:53 en 5:56 van de Wet op het financieel toezicht juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten);

  • het doorgeven van voorwetenschap als bedoeld in de artikelen 5:53 en 5:56 van de Wet op het financieel toezicht of de nadrukkelijke aanbeveling bepaalde transacties te doen zonder daarbij de voorwetenschap door te geven (artikel 5:57 van die wet juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten);

  • handel met voorwetenschap (artikelen 8 en 14 van de verordening marktmisbruik juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten);

  • het iemand aanraden of ertoe aanzetten om te handelen met voorwetenschap (artikelen 8 en 14 van de verordening marktmisbruik juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten);

  • het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap (artikelen 10 en 14 van de verordening marktmisbruik juncto de artikelen 1, onder 1°, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten);

  • overtreding van een andere bepaling uit de financiële toezichtswetgeving, als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 2 juncto 6 van de Wet op de economische delicten en waarvoor betrokkene is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een geldboete van ten minste de vierde categorie;

  • deelneming aan een criminele en of terroristische organisatie (artikelen 140 tot en met 140a van het Wetboek van Strafrecht (WvSr));

  • valsheid in geschrifte (artikel 225 van het WvSr);

  • opzettelijk verstrekken van onware gegevens (artikel 227a van het WvSr);

  • opzettelijk schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b van het WvSr);

  • diefstal onder verzwarende omstandigheden (artikelen 311 en 312 van het WvSr);

  • verduistering (artikelen 321 tot en met 323 van het WvSr);

  • benadeling van schuldeisers of rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348 van het WvSr);

  • opzetheling (artikel 416 van het WvSr);

  • witwassen (artikelen 420bis tot en met 420ter van het WvSr);

  • financieren van terrorisme (artikel 421 van het WvSr); of

  • overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

2.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

  • openbare orde en discriminatie (artikelen 131 tot en met 151a);

  • gemeengevaarlijke misdrijven (artikelen 157 tot en met 175);

  • openbaar gezag (artikelen 177 tot en met 207a);

  • muntmisdrijven (artikelen 208 tot en met 215);

  • andere valsheiddelicten dan muntmisdrijven (artikelen 216 tot en met 235);

  • opzettelijk verstrekken van onware gegevens (artikel 227a);

  • opzettelijk schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 227b);

  • misdrijven tegen de zeden (artikelen 242, 246, 243 tot en met 245, 247 tot en met 250, 250ter);

  • bedreiging met geweld of misdrijf (artikel 285);

  • geweldsmisdrijven tegen het leven (artikelen 287 tot en met 294);

  • mishandeling (artikelen 300 tot en met 306);

  • dood en lichamelijk letsel door schuld (artikelen 307 tot en met 309);

  • eenvoudige diefstal (artikel 310);

  • diefstal onder verzwarende omstandigheden (artikel 311);

  • diefstal met geweld (artikel 312);

  • afpersing (artikel 317);

  • verduistering (artikelen 321 tot en met 323);

  • bedrog (artikelen 326 tot en met 337);

  • benadeling van schuldeisers of rechthebbenden (artikelen 340 tot en met 348);

  • vernieling (artikelen 350 tot en met 354);

  • ambtsmisdrijven (artikelen 355 tot en met 380);

  • heling en schuldheling (artikelen 416 tot en met 417bis);

  • witwassen (artikelen 420bis tot en met 420quinquies);

  • financieren van terrorisme (artikel 421);

  • opgave van valse naam, academische titel etc. (artikel 435);

  • onbevoegd uitoefenen makelaardij (artikel 436a);

  • indruk wekken van officieel gesteund of erkend optreden (artikel 435b);

  • eigenmachtig handelen tijdens surséance (artikel 442);

  • verstrekken van onware gegevens (artikel 447c); of

  • schenden van de verplichting gegevens te verstrekken (artikel 447d).

Algemene wet inzake de rijksbelastingen (AWR):

  • overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Opiumwet:

  • met opzet smokkelen, bereiden, verkopen, afleveren, aanwezig hebben, etc. van harddrugs (artikel 2, eerste lid);

  • met opzet smokkelen, bereiden, verkopen, afleveren, aanwezig hebben en vervaardigen van softdrugs (artikel 3, eerste lid); of

  • voorbereidingshandelingen met betrekking tot bereiden, verkopen, afleveren etc. en smokkelen van harddrugs (artikel 10a, eerste lid).

Wet op de economische delicten (WED):

Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Wet wapens en munitie:

  • zonder erkenning wapen of munitie vervaardigen etc. (artikel 9, eerste lid), vervaardigen, voorhanden hebben etc. bepaalde wapens (artikel 13, eerste lid);

  • zonder consent bepaalde wapens of munitie doen binnenkomen of uitgaan etc. (artikel 14, eerste lid);

  • zonder vergunning of verlof vervoeren bepaalde wapens of munitie (artikel 22, eerste lid);

  • verboden voorhanden hebben van bepaalde wapens of munitie (artikel 26, eerste lid); of

  • verboden overdragen van bepaalde wapens of munitie (artikel 31, eerste lid).

Wegenverkeerswet 1994:

  • dood of letsel door schuld (artikel 6);

  • doorrijden na ongeval (artikel 7);

  • rijden onder invloed (artikel 8);

  • motorvoertuig besturen na ontzegging (artikel 9);

  • joyriding (artikel 11); of

  • medewerking weigeren aan onderzoek (artikel 163).

Algemene Douanewet

  • overtreding douanewetgeving (artikelen 10:5 en 10:6).

Invorderingswet 1990

  • overtreding fiscale wetgeving (artikelen 64 en 65).

Buitenlandse strafbepalingen

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.2. Transacties

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

2.3. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.4. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, zoals blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is (geweest) bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten wordt ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.

3. Financiële antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel b

3.1. Persoonlijk

  • betrokkene heeft belangrijke persoonlijke financiële problemen gehad en deze hebben tot juridische, invorderings- of incassoprocedures geleid;

  • ten aanzien van betrokkene is surséance van betaling, faillissement, schuldsanering of schuldeisersakkoord aangevraagd of uitgesproken;

  • betrokkene is thans in Nederland of elders verwikkeld in één of meer juridische procedures naar aanleiding van persoonlijke financiële problemen, dan wel verwacht daarin betrokken te raken; of

  • de persoonlijke financiële verplichtingen van betrokkene staan naar algemene maatstaven niet in een gezonde verhouding tot diens inkomsten of vermogen.

3.2. Zakelijk

  • de huidige of één van de voormalige werkgever(s) van betrokkene of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap over het beleid uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, heeft belangrijke financiële problemen gehad en deze hebben tot juridische procedures in Nederland of elders geleid;

  • met betrekking tot de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap over het beleid uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is surséance van betaling of faillissement aangevraagd of uitgesproken; of

  • betrokkene is veroordeeld tot voldoen van openstaande schulden wegens aansprakelijkheid voor het faillissement van een vennootschap of rechtspersoon op grond van de toepasselijke bepalingen van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (artikelen 50a, 138, 149, 248, 259 en 300a).

3.3. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

4. Toezichtantecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel c

4.1. Toezichtantecedenten

  • het onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens aan een toezichthouder of toezichthoudende instantie;

  • betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is een toelating, vergunning of ontheffing geweigerd door een toezichthouder of toezichthoudende instantie;

  • een aan betrokkene of een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, verleende toelating, vergunning of ontheffing is ingetrokken door een toezichthouder of toezichthoudende instantie;

  • betrokkene, of zijn huidige of één van zijn voormalige werkgevers of een vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede-) verantwoordelijk is of was voor het beleid, is in conflict geweest met een toezichthouder of toezichthoudende instantie en dit conflict heeft geleid tot enige maatregel jegens betrokkene dan wel jegens de vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijk zeggenschap over het beleid uitoefent of uitoefende of anderszins verantwoordelijk is of was voor het beleid;

  • aan betrokkene of aan een vennootschap of rechtspersoon waarbij betrokkene een functie als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon bekleedt of bekleedde, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, een verklaring door Onze Minister van Justitie en Veiligheid ter zake van de oprichting van dan wel van de wijziging van de statuten van een vennootschap geweigerd op gronden genoemd in de artikelen 68, tweede lid, 179, tweede lid, 125, tweede lid, onderscheidenlijk 235, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

4.2. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtswetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel d

5.1. Persoonlijk

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

  • opzettelijk een onjuiste of onvolledige belastingaangifte doen (artikel 67d);

  • het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten dat een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (artikel 67e); of

  • het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten is dat belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de termijn is betaald (artikel 67f).

5.2. Zakelijk

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als beleidsbepalende of medebeleidsbepalende persoon, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent of uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

  • opzettelijk een onjuiste of onvolledige belastingaangifte doen (artikel 67d);

  • het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten dat een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven (artikel 67e); of

  • het is aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te wijten dat belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de termijn is betaald (artikel 67f).

5.3. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

6. Overige antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel e

  • de inschrijving van betrokkene bij het Dutch Securities Institute is door die instelling beëindigd;

  • betrokkene is onderworpen of onderworpen geweest aan een procedure tot het treffen van tuchtrechtelijke, disciplinaire of andere vergelijkbare maatregelen door of vanwege een organisatie van zijn beroepsgenoten in of buiten Nederland en deze procedure heeft jegens betrokkene tot maatregelen geleid; of

  • betrokkene is betrokken of betrokken geweest bij enig conflict met zijn huidige dan wel een vorige werkgever aangaande de correcte vervulling van zijn functie of naleving van gedragsnormen in verband met die taakvervulling en dit conflict heeft geleid tot het opleggen van een arbeidsrechtelijke sanctie aan betrokkene (zoals bijvoorbeeld in de vorm van een waarschuwing, berisping, schorsing of ontslag).

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

In dit besluit zijn enkele onderwerpen uit de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) uitgewerkt. Het betreft het regelen van een aanvullende trustdienst, een uitwerking van de toetsing van de betrouwbaarheid van bestuurders, nadere regels over een beheerste en integere bedrijfsvoering door trustkantoren, een uitwerking van de compliance- en auditfunctie, nadere regels over de uitbesteding van werkzaamheden, een uitwerking van de periodieke rapportage van trustkantoren aan De Nederlandsche Bank (DNB) en het vaststellen van boetecategorieën voor overtredingen van de wet.

De Wtt 2018 en onderhavig besluit vervangen de Wet toezicht trustkantoren met inbegrip van de onderliggende regelgeving. Een deel van de regels in onderhavig besluit komt overeen met hetgeen was geregeld in de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren 2014 (Rib Wtt 2014). Waar dit aan de orde is, worden de wijzigingen ten opzichte van de Rib Wtt 2014 toegelicht.

In de paragrafen 2 tot en met 8 zijn de belangrijkste onderdelen van het besluit toegelicht. In paragraaf 9 is ingegaan op de financiële gevolgen en regeldrukkosten, in paragraaf 10 zijn de gevolgen voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid beschreven en in paragraaf 11 is ingegaan op de consultatiereacties. Na het algemeen deel volgt een toelichting per artikel.

2. Aanvullende trustdienst

De regels in de Wtt 2018 en onderliggende regelgeving zijn van toepassing op trustkantoren. Op grond van de wet is sprake van een trustkantoor als een trustdienst wordt verricht. De Wtt 2018 kent vijf trustdiensten en een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur andere diensten als trustdiensten aan te wijzen. De vijf benoemde trustdiensten in de wet moeten beschouwd worden als de kern van de trustdienstverlening. Eventuele aanvullende diensten die bij algemene maatregel van bestuur worden geregeld, zullen afgeleide diensten of aanpalende diensten zijn.

In dit besluit is geregeld dat naast de vijf diensten in de wet tevens het in opdracht algemene bestuurshandelingen kunnen verrichten voor een rechtspersoon of vennootschap een trustdienst in de zin van de Wtt 2018 is. Deze trustdienst is nieuw in de wetgeving. De trustdienst komt inhoudelijk echter in grote mate overeen met trustdienst a in artikel 1 van de wet: het in opdracht optreden als bestuurder van een rechtspersoon of vennootschap. Die trustdienst (en daarmee de wetgeving om integriteitrisico’s te mitigeren) kan echter omzeild worden door een (rechts)persoon niet formeel als bestuurder te benoemen, maar door middel van een volmacht of anderszins een (rechts)persoon de materiële bevoegdheid te geven bindende bestuurshandelingen te verrichten. Als een (rechts)persoon bindende bestuurshandelingen kan verrichten dan kan deze feitelijk optreden als bestuurder. In de praktijk is gebleken dat deze constructie regelmatig wordt toegepast. Het gaat dan om de situatie waarbij een rechtspersoon of vennootschap in Nederland wordt opgericht met buitenlandse bestuurders of vennoten. Voor het besturen van de rechtspersoon of vennootschap is vervolgens aan een persoon die goed bekend is met het Nederlandse rechtssysteem een volmacht verleend om handelingen namens de rechtspersoon of vennootschap te verrichten die nodig zijn voor het voortbestaan van de rechtspersoon of vennootschap. In wezen verschilt deze situatie niet van het oprichten van een rechtspersoon of vennootschap in Nederland en deze laten besturen door een trustkantoor. De integriteitrisico’s verbonden aan het materieel optreden als bestuurder, zoals deze variant van dienstverlening ook wel wordt genoemd, zijn vergelijkbaar met de integriteitrisico’s verbonden aan het reeds gereguleerde formeel optreden als bestuurder. Het risico voor Nederland dat trustdienstverlening het vertrouwen in de Nederlandse financiële en juridische stelsels kan schaden kan evengoed optreden als de cliënt zelf voorziet in het formele bestuur, maar het feitelijke bestuur overdraagt aan een dienstverlener. Uit dien hoofde is het noodzakelijk de reikwijdte te verbreden om zo de belangen die de wet beoogd te beschermen beter te kunnen waarborgen en te eisen dat alleen een gereguleerd trustkantoor met inachtneming van de poortwachterfunctie deze dienst mag verlenen.

Het gaat hier om alle mogelijke volmacht varianten. Het is mogelijk dat een volmacht zichtbaar is in het handelsregister, maar het kan ook om een onderhandse volmacht gaan of een volmacht met beperkingen. Het doorslaggevend criterium is dat de houder van de volmacht feitelijk in staat is om de rechtspersoon te binden ten aanzien van rechtshandelingen die samenhangen met het in stand houden van de rechtspersoon of vennootschap. Een volmacht voor het verrichten van een individuele afgebakende handeling, zoals het aangaan van een enkele overeenkomst of het verrichten van een aangifte, valt niet onder deze trustdienst. De volmacht moet daadwerkelijk strekken tot het verrichten van algemene bestuurshandelingen of zodanig open zijn dat de gevolmachtigde feitelijk het algemene bestuur over de rechtspersoon of vennootschap kan voeren.

Met de regeling van deze trustdienst is het op grond van de Wtt 2018 verboden om een dergelijke dienst zonder vergunning te verlenen en zijn de eisen op grond van de Wtt 2018 van toepassing op de dienstverlening.

Met betrekking tot het cliëntenonderzoek bij de trustdienst uit dit besluit is geregeld dat dit gelijk is aan het cliëntenonderzoek bij trustdiensten a en b in de wet (het in opdracht zijn van bestuurder of het verlenen van domicilie in combinatie met andere diensten). Zoals hierboven aangegeven komt de trustdienst in dit besluit inhoudelijk overeen met het in opdracht zijn van bestuurder van een rechtspersoon of vennootschap (trustdienst a). Het cliëntenonderzoek kan dan ook gelijkluidend zijn.

3. Toetsing betrouwbaarheid

Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Wtt 2018 moet de betrouwbaarheid van degenen die het beleid van het trustkantoor bepalen of mede bepalen buiten twijfel staan. DNB stelt de betrouwbaarheid van deze personen vast. In dit besluit is uitgewerkt waaraan deze personen worden getoetst door DNB.

De betrouwbaarheidseis was ook al van kracht voor de inwerkingtreding van de Wtt 2018 (deze gold als vergunningeis op grond van artikel 4, onderdeel a, van de Wet toezicht trustkantoren) en de toetsing door DNB was vastgelegd in de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing. In de Wtt 2018 is de wettelijke vormgeving van de betrouwbaarheidstoetsing gelijk getrokken met regelingen hiervoor in de Wet op het financieel toezicht en de Wet toezicht accountantsorganisaties. Dit houdt in dat bij algemene maatregel van bestuur de elementen waaraan getoetst wordt, zijn uitgewerkt. De opgenomen bepalingen komen overeen met die over de betrouwbaarheidstoetsing in het Besluit prudentiële regels Wft. Inhoudelijk verandert er niets in de wijze waarop de toetsing plaats vindt. In het artikelsgewijs deel van deze toelichting is nader ingegaan op de verschillende elementen van de toetsing.

4. Integere en beheerste bedrijfsvoering

In het belang van de naleving van de wettelijke voorschriften en het beheersen van integriteitrisico’s moeten trustkantoren beschikken over een beheerste en integere bedrijfsvoering. De Wtt 2018 schrijft in artikel 14 voor dat trustkantoren adequaat beleid moeten hebben dat een integere en beheerste uitoefening van het bedrijf waarborgt en dat zij hun bedrijfsvoering zodanig inrichten dat die integere en beheerste uitoefening is gewaarborgd. Ten behoeve daarvan moeten trustkantoren periodiek analyses maken over de risico’s voor de integere bedrijfsvoering en moeten zij beschikken over procedures, processen en maatregelen om geïdentificeerde risico’s te mitigeren.

In dit besluit zijn nadere eisen gesteld aan de integere en beheerste bedrijfsvoering. Deze eisen zien op:

  • 1) de systematische analyse van integriteitrisico’s;

  • 2) het voorkomen van belangenverstrengeling;

  • 3) het identificeren van integriteitgevoelige functies en een adequate invulling van die functies;

  • 4) het toepassen van risicoclassificering op cliënten, diensten en producten;

  • 5) de inrichting van de interne organisatie;

  • 6) het beschikken over procedures opgenomen in een procedurehandboek.

Bovenstaande onderwerpen waren deels al geregeld in de Rib Wtt 2014. Ten opzichte van die regeling zijn de regels over belangenverstrengeling, risicoclassificering en eisen aan de interne organisatie nieuw. De regels over voorkoming van belangenverstrengeling en de interne organisatie komen grotendeels overeen met bedrijfsvoeringseisen die op grond van het Besluit prudentiële regels Wft gelden voor financiële ondernemingen waar de Wet op het financieel toezicht op van toepassing is. De regels over risicoclassificering hebben tot doel de analyse van integriteitrisico’s door trustkantoren te bevorderen. Door een risicoprofiel te koppelen aan cliënten, producten en diensten kunnen afwijkende transacties beter worden gedetecteerd en integriteitrisico’s beheerst.

5. Compliance- en auditfunctie

De Wtt 2018 schrijft voor dat trustkantoren zowel een compliance- als een auditfunctie inrichten. Om een doorlopende controle van de naleving van de wetgeving en interne regels te bevorderen en een geïnternaliseerde integriteitcultuur te bewaken moet de compliancefunctie intern worden belegd. Dat volgt uit een verbod in de wet om de compliancefunctie uit te besteden. Om de effectiviteit van de compliancefunctie te beoordelen dient een trustkantoor ook te voorzien in een auditfunctie ten aanzien van haar werkzaamheden en de compliancefunctie. De auditfunctie wordt bij voorkeur uitbesteed aan een externe partij om zo te bewerkstelligen dat er met voldoende kritisch vermogen en enige onbevangenheid naar de compliancefunctie wordt gekeken. Dit is echter niet verplicht, een trustkantoor mag de auditfunctie ook intern beleggen. Hiermee is vooral beoogd om partijen, die de trustdienstverlening laten plaatsvinden binnen een breder kader van financiële dienstverlening, en uit hoofde van andere wetgeving al hebben voorzien in een interne auditfunctie niet onevenredig te benadelen. In de regel is deze auditfunctie toegerust op het uitvoeren van een operationele, financiële of ICT audit. Bij interne vervulling van de auditfunctie moeten waarborgen zijn geregeld voor de onafhankelijkheid en de deskundigheid om een integriteitsaudit te verrichten. In dit besluit zijn de invulling van de compliance- en auditfunctie nader vastgesteld. Verder zijn voor een goede vervulling van beide functies regels opgenomen over functiescheiding.

Compliancefunctie

De compliancefunctie vormt een belangrijke waarborg voor de naleving van wetgeving en interne regels door trustkantoren. De compliancefunctie moet op permanente basis de naleving van wetgeving en interne regels controleren en integriteitrisico’s signaleren en daarop acteren. Gezien dit permanente karakter is in de Wtt 2018 voorgeschreven dat de functie intern vervuld moet worden. De eisen in dit besluit hebben enerzijds tot doel de inhoudelijke vervulling uit te werken en anderzijds te waarborgen dat sprake is van voldoende omvang en kwaliteit van de functie.

Vergelijkbaar aan de eisen aan de compliancefunctie bij andere sectoren is allereerst geregeld dat de compliancefunctie over voldoende autoriteit, middelen, deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie moet beschikken.1 Deze eisen moeten bewerkstelligen dat de functie op onafhankelijke en effectieve wijze vervult wordt. Gezien de inherent hoge integriteitrisico’s bij het verlenen van trustdiensten, is in dit besluit nog een nadere invulling aan de uitvoering van de functie gegeven. Deze invulling ziet op drie onderdelen. Ten eerste zijn de activiteiten beschreven die verwacht worden van de compliancefunctie om tekortkomingen door het trustkantoor te identificeren. Ten tweede is voorgeschreven dat de compliancefunctie over een jaarlijks werkprogramma beschikt waarin de werkwijze van de compliancefunctie is beschreven. Ten derde zijn elementen opgenomen waarmee een trustkantoor rekening moet houden bij het invullen van de functie in aantal personen en uren dat zij in de week werkzaam zijn voor de compliancefunctie. Voor een adequate invulling is het namelijk van belang dat de functie permanent vervuld wordt en de omvang hiervan afgestemd is op het aantal cliënten, de aard van de activiteiten van het trustkantoor en de daaraan verbonden integriteitrisico’s.

Auditfunctie

De auditfunctie vormt de tweede controle op de naleving van de wetgeving en de interne regels. Deze controle vindt achteraf plaats waarbij onder meer ook het functioneren van de compliancefunctie wordt beoordeeld. In dit besluit is voorgeschreven dat een trustkantoor tenminste eenmaal per jaar een audit uitvoert of laat uitvoeren. Om deze audit adequaat uit te kunnen voeren is voorgeschreven dat het trustkantoor er zorg voor draagt dat de auditfunctie over voldoende deskundigheid moet beschikken en toegang heeft tot alle noodzakelijke informatie voor de vervulling van een effectieve en onafhankelijke uitvoering van de functie.

De auditfunctie heeft op grond van artikel 15, tweede lid, van de wet tot taak de naleving van de bij of krachtens de wet gestelde regels te controleren. Dit betekent dat ook de naleving van de regels in onderhavig besluit onderwerp zijn van de controle van de auditfunctie.

Functiescheiding

Ten behoeve van een goede vervulling van de compliance- en auditfunctie stelt dit besluit eisen aan de functiescheiding binnen een trustkantoor. De functiescheiding moet ervoor zorgen dat de compliance- en auditfunctie volstrekt onafhankelijk van elkaar en van de werkzaamheden in de eerste lijn plaatsvinden. Dit is in lijn met internationale standaarden met betrekking tot het zogenaamde «three lines of defense» model. De werkzaamheden in de eerste lijn en de naleving van wet- en regelgeving aldaar wordt gecontroleerd door de compliancefunctie. De compliancefunctie wordt op haar beurt weer beoordeeld op elementen als onafhankelijkheid en effectiviteit door de auditfunctie. Om de effectiviteit van de compliancefunctie te kunnen beoordelen moet de auditfunctie ook rechtstreeks de werkzaamheden in de eerste lijn kunnen beoordelen. Zodoende is het noodzakelijk dat er geen personele of andere inhoudelijke samenloop plaatsheeft met betrekking tot deze drie functiegroepen. Tot slot is het van belang dat een beleidsbepaler van een trustkantoor niet direct betrokken is bij de werkzaamheden van de compliance- of auditfunctie. In tegenstelling tot wat onder de Rib Wtt 2014 nog was toegestaan is het nu niet mogelijk voor een beleidsbepaler om de compliance- of de auditfunctie te vervullen. Een beleidsbepaler kan nog slechts de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor deze functies dragen, maar mag zelf geen werkzaamheden meer verrichten in de tweede- of derdelijns controlefuncties. Dit past in de gedachte dat zowel de compliance- als de auditfunctie geheel onafhankelijk moeten kunnen functioneren. In aanvulling hierop is geregeld dat de verantwoordelijkheid voor de compliance- en auditfunctie binnen het bestuur niet bij één persoon belegd mag worden. Nu de Wtt 2018 voorschrijft dat het beleid bij een trustkantoor tenminste door twee personen wordt bepaald, kan de verantwoordelijkheid voor de twee controlerende functies ook worden gescheiden.

Daarnaast is in dit besluit geregeld dat de compliance- en auditfunctie hun bevindingen over tekortkomingen of gebreken rechtstreeks aan het bestuur van een trustkantoor rapporteren. Daarmee is gewaarborgd dat het hoogste niveau binnen het trustkantoor op de hoogte is van de gebreken en hierop kan acteren. Deze rapporten met bevindingen dienen beschikbaar te zijn voor DNB.

6. Uitbesteding

Een trustkantoor is en blijft zelf verantwoordelijk voor de naleving van wettelijke voorschriften, ook als het bepaalde werkzaamheden uitbesteedt. Om te zorgen dat ook bij uitbesteding adequate naleving van de wettelijke voorschriften is gewaarborgd, regelt dit besluit dat uitbesteding schriftelijk wordt vastgelegd, het trustkantoor er zorg voor draagt dat zowel de wettelijke bepalingen als het procedurehandboek van het trustkantoor door de derde worden nageleefd en dat het trustkantoor over procedures, deskundigheid en informatie beschikt om de uitbestede werkzaamheden te beoordelen.

7. Periodieke rapportages

Op grond van de Wtt 2018 dienen trustkantoren periodiek danwel op verzoek van DNB rapportages aan te leveren bij DNB. Het kan daarbij gaan om kwantitatieve en kwalitatieve rapportages gericht aan de gehele sector of een geselecteerd deel daarvan. In beginsel vraagt DNB jaarlijks aan trustkantoren één kwantitatieve en één kwalitatieve rapportage. De rapportages kunnen zien op de trustkantoren zelf, hun activiteiten en hun cliënten. Dit staat los van de algemene inlichtingenbevoegdheid in artikel 43 van de wet en van een individuele uitvraag bij een trustkantoor, bijvoorbeeld in de voorbereiding van een onderzoek door DNB bij dat trustkantoor.

DNB stelt formats vast met vragen die trustkantoren moeten invullen en bepaalt de termijn waarbinnen en wijze waarop deze ingediend moeten worden.

8. Indeling overtredingen in boetecategorieën

Met dit besluit zijn de overtredingen van de Wtt 2018 in boetecategorieën ingedeeld. De gekozen indeling komt overeen met de indeling bij overtredingen van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft). Dit betekent dat de kernverplichtingen in de hoogste boetecategorie geplaatst zijn. Op grond van de Wet toezicht trustkantoren waren alleen de verboden om zonder vergunning trustdiensten te verlenen in de hoogste boetecategorie geplaatst.

De kernverplichtingen van de Wtt 2018 bestaan uit 1) de vergunningplicht, 2) het verrichten van het cliëntenonderzoek en 3) het beheersen van integriteitrisico’s. De basis van de Wtt 2018 wordt gevormd door het verbod op het verrichten van trustdiensten zonder vergunning. Trustkantoren met een vergunning mogen vervolgens alleen trustdiensten verrichten als zij cliëntenonderzoek hebben verricht. In de Wtt 2018 zijn de eisen aan het cliëntenonderzoek per trustdienst uitgeschreven. Alleen als voor een betrokken trustdienst alle genoemde zaken zijn onderzocht, kan pas overgegaan worden tot dienstverlening. Daarom zijn alle inhoudelijke eisen aan het cliëntenonderzoek in boetecategorie drie geplaatst. Dit komt overeen met de Wwft. Op grond van de Wwft is alleen het vereenvoudigd cliëntenonderzoek in boetecategorie twee geplaatst. Voor trustkantoren bestaat er echter geen mogelijkheid tot het verrichten van een vereenvoudigd cliëntenonderzoek. De derde centrale verplichting houdt verband met het achterhalen en mitigeren van integriteitrisico’s die aan de dienstverlening zijn verbonden. Deze verplichting geldt specifiek voor trustkantoren in verband met de aard van hun werkzaamheden (artikel 26 van de Wtt 2018). Onder integriteitrisico’s worden niet alleen verstaan witwassen en het financieren van terrorisme, maar ook handelen dat ingaat tegen hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Voor het overige zijn de verplichtingen in de Wtt 2018 in boetecategorie twee geplaatst op een enkele administratieve verplichting na die ondergebracht is in categorie één.

9. Gevolgen voor het bedrijfsleven en regeldrukkosten

Dit besluit heeft verschillende gevolgen voor het bedrijfsleven. Allereerst wordt door het regelen van een aanvullende trustdienst de reikwijdte van de wet uitgebreid. Op personen die deze dienst beroeps- of bedrijfsmatig aanbieden zijn met dit besluit alle regels op grond van de Wtt 2018 van toepassing.

Daarnaast introduceert dit besluit nieuwe (administratieve) eisen. Dit betreft het opstellen van risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, diensten en producten, regels over de interne organisatie van een trustkantoor, nadere eisen aan de compliance- en auditfunctie, en een uitwerking van de periodieke rapportage aan DNB.

Aanvullende trustdienst

De omvang van het verlenen van de geregelde aanvullende trustdienst is niet exact te bepalen, omdat dit plaatsvindt in een niet gereguleerde markt. Ook is niet bekend welk type (rechts)personen deze diensten reeds aanbieden. Uit de praktijk zijn gevallen bekend van zowel trustkantoren als natuurlijke personen die optreden als gevolmachtigde met de bevoegdheid in algemene zin bestuurshandelingen te verrichten en daarmee optreden als bestuurder in materiële zin. Het is mogelijk dat een (rechts)persoon reeds verplicht is om cliëntenonderzoek te doen op basis van een andere wettelijke verplichting, bijvoorbeeld de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme. Daarnaast is onzeker in hoeverre personen die voor de inwerkingtreding van dit besluit de dienst aanboden, dit blijven doen als er een vergunningplicht geldt.

Een (rechts)persoon die reeds de dienst verricht die nu als trustdienst wordt aangemerkt en die besluit om door te gaan met de dienstverlening moet een vergunning aanvragen bij DNB. De kosten van een vergunning bedragen:

  • Aanvraag en behandeling vergunning: EUR 3.200.

  • Jaarlijkse kosten doorlopend toezicht, variërend tussen de EUR 5.000 en EUR 88.000 per jaar (afhankelijk van de omzet).

Het is vervolgens geheel afhankelijk van het aantal en de aard van de cliënten en het feit of de dienstverlener nu ook al cliëntenonderzoek verricht hoeveel nalevingskosten voor de betrokken persoon aan de orde zijn.

Risicoclassificatie

Instellingen zijn verplicht op grond van dit besluit risicoclassificaties te maken en dit aan cliënten en diensten te koppelen. Hoe hoger de risicoclassificatie van een cliënt, hoe vaker een review van de cliëntsituatie plaats zal moeten vinden. In de regel bedraagt de reviewtermijn van een cliëntdossier een half jaar, één jaar of twee jaar (afhankelijk van risicoclassificatie hoog, midden of laag). De geschatte kosten voor het opstellen van de risicoclassificaties bedragen gemiddeld per trustkantoor EUR 1.080 (uitgaande van een uurtarief van EUR 54). De totale nalevingskosten bij een aantal van 212 trustkantoren (stand medio 2018) bedragen daarmee EUR 228.960.

Integere bedrijfsvoering

In de memorie van toelichting bij de Wtt 2018 staat dat de eenmalige kosten voor de totstandkoming van nieuw beleid en nieuwe procedures en maatregelen per trustkantoor EUR 2.160,– zullen bedragen. Het ontwikkelen van nieuw beleid, procedures en maatregelen zal tijdelijk aanvullende werkzaamheden vergen van, met name, de compliancefunctie. Daarbij wordt uitgegaan van een uurtarief van EUR 54,– en een tijdsbesteding van 40 uur voor het opstellen, afstemmen en implementeren van dit beleid en deze procedures en maatregelen. Uitgaande van de 212 vergunninghoudende trustkantoren, zal het totaal van deze eenmalige kosten € 457.920,– bedragen. De kosten van het actueel houden van dit beleid en de daarop gebaseerde procedures en maatregelen zullen niet verschillen van de kosten die trustkantoren maken in het kader van de integere en beheerste bedrijfsvoering waarover zij al moesten beschikken.

Compliancefunctie

Eind 2017 had 65% van de huidige trustkantoren een interne compliance functie, en 16% een interne functie gecombineerd met een externe compliance functie.

Voor een aantal trustkantoren dat alleen of overwegend een externe compliance functie heeft, zullen er nalevingskosten voortvloeien uit het verbod op het uitbesteden van de compliance functie. Dit zal tot gevolg hebben dat deze trustkantoren een interne compliance functie (verder) dienen in te richten.

Gezien de inherent hoge integriteitrisico’s bij het verlenen van trustdiensten, is in dit besluit een nadere invulling aan de functie gegeven. Deze invulling ziet op drie onderdelen. Ten eerste zijn de activiteiten beschreven die verwacht worden van de compliancefunctie om tekortkomingen door het trustkantoor te identificeren. Ten tweede is voorgeschreven dat de compliancefunctie jaarlijks een werkprogramma opstelt waarin de werkwijze van de compliancefunctie is beschreven. Ten derde zijn elementen opgenomen waarmee een trustkantoor rekening moet houden bij het invullen van de functie in aantal personen en uren dat zij in de week werkzaam zijn voor de compliancefunctie. Voor een adequate invulling is het namelijk van belang dat de functie permanent vervuld wordt en de omvang hiervan afgestemd is op het aantal cliënten en de aard van de activiteiten van het trustkantoor.

De geschatte kosten voor het hebben van een fulltime interne (senior) compliance officer bedragen gemiddeld ongeveer EUR 80.000 per jaar, niet meegerekend de aanvullende kosten bijvoorbeeld ten aanzien van scholing. In dit bedrag zijn de werkzaamheden zoals geregeld in dit besluit meegenomen. Voor trustkantoren die nog geen (volwaardige) interne compliancefunctie hebben, betekent dit tegelijkertijd dat geen kosten meer gemaakt worden aan de uitbesteding van de functie.

Periodieke rapportage

In dit besluit is de periodieke rapportage van trustkantoren aan DNB uitgewerkt. In die rapportage zijn vragen opgenomen omtrent de aanwezigheid van beleid, procedures en maatregelen ten aanzien van de beheersing van de integriteitrisico’s. De vragenlijst is toegespitst op de beheersing van de integriteitrisico’s en kan vragen bevatten over de systematische integriteitrisicoanalyse (sira), het procedurehandboek, maatregelen ter beheersing van de gesignaleerde integriteitrisico’s en de inrichting van de compliance- en auditfunctie.

De geschatte kosten voor het invullen van de vragenlijst bedragen tussen de EUR 108 en EUR 216, uitgaande van een uurtarief van EUR 54. Dit betekent een totale last van EUR 22.896 tot EUR 45.792. Overigens wijzigt er op deze aanlevering van gegevens niets. Voor inwerkingtreding van de Wtt 2018 en onderhavig besluit werden deze gegevens al via toezichtinformatieverzoeken uitgevraagd.

Adviescollege Toetsing Regeldruk

Een ontwerp van dit besluit is ter toetsing voorgelegd aan de Autoriteit Toetsing Regeldruk (ATR). Het ATR acht de gevolgen van dit besluit voor de administratieve lasten zo goed als mogelijk in beeld gebracht en acht de noodzaak van de regels voldoende onderbouwd. Het ATR adviseert het besluit aldus vast te stellen en adviseert niet tot het doen van aanpassingen.

10. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Dit besluit is in samenspraak met de uitvoerder en toezichthouder DNB tot stand gekomen. Een deel van de regels komt overeen met het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van dit besluit. De nieuwe regels in dit besluit, zoals de aanvullende trustdienst en aanscherpingen van de interne organisatie en compliancefunctie, komen voort uit constateringen die DNB in haar toezicht heeft gedaan.

DNB heeft een uitvoerbaarheid- en handhaafbaarheidstoets uitgevoerd. In algemene zin acht DNB het besluit uitvoerbaar en handhaafbaar. Zij heeft hierbij enkele kanttekeningen geplaatst. Zo signaleert zij dat in de wet en het besluit wordt gesproken over een beleidsbepaler bij een trustkantoor en niet over een bestuurder. Een beleidsbepaler hoeft niet noodzakelijkerwijs een bestuurder te zijn. In die situaties kan de handhaving complexer zijn. Deze kanttekening heeft niet tot aanpassingen geleid. De term beleidsbepaler is identiek aan die in de Wet op het financieel toezicht en haakt aan bij de personen die materieel het beleid bepalen en niet bij de formele bestuurders.

Daarnaast heeft DNB opgemerkt dat zij graag ziet dat trustkantoren de omvang van hun compliancefunctie schriftelijk onderbouwen en vastleggen, zodat beter getoetst kan worden of trustkantoren de interne compliancefunctie adequaat hebben ingericht. Aan deze opmerking is gevolg gegeven in artikel 17.

Tot slot merkt DNB op dat de werklast en daarmee de financiële gevolgen voor DNB op voorhand niet volledig is in te schatten. Dit houdt verband met het feit dat het besluit deels nieuwe normen kent en hier geen toezichtervaring mee is.

11. Consultatie

Een ontwerp van dit besluit is van 25 juni 2018 tot en met 30 juli 2018 openbaar geconsulteerd. Hierop zijn vier reacties binnengekomen van Holland Quaestor, de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, Develop Your Controls en Pellicaan Advocaten.

Aanvullende trustdienst

In de reacties wordt aandacht gevraagd voor de gevolgen van het regelen van de aanvullende trustdienst in artikel 2 van het besluit. Aan de hand van de opmerkingen is de reikwijdte van de bepaling ingeperkt. De aanvullende trustdienst moet alleen zien op de situatie dat materieel een rechtspersoon bestuurd wordt. Van de aanvullende trustdienst is derhalve alleen sprake als de volmacht strekt tot het verrichten van algemene bestuurshandelingen en dus niet is beperkt tot concrete afgebakende handelingen. Het is dus met nadruk niet de bedoeling dat advocaten, notarissen, belastingadviseurs of anderen die nu op basis van een volmacht een specifieke handeling voor een rechtspersoon verrichten of die rechtspersoon in concrete situaties vertegenwoordigen, onder de reikwijdte van de Wtt 2018 vallen. De tekst van het besluit en de toelichting zijn hierop aangepast.

In het kader van aanvullende trustdiensten is door Holland Quaestor de suggestie gedaan om tevens het handelen als nominee shareholder als trustdienst op te nemen. De figuur van nominee shareholder kent geen zelfstandige betekenis in het Nederlandse recht. In het kader van de evaluatie van Nederland door de FATF in 2020 wordt onderzocht of het handelen als nominee shareholder als trustdienst toegevoegd zou moeten worden. Als een wettelijke regeling nodig blijkt dan zal dit bij een afzonderlijk traject geregeld worden.

Compliancefunctie

In de reacties zijn opmerkingen gemaakt over de vervulling van de compliancefunctie. Deze hebben geleid tot aanscherping van de proportionaliteit van de compliancefunctie in artikel 17, vierde lid.

In het besluit is geregeld dat de compliancefunctie van een trustkantoor over voldoende autoriteit, middelen en deskundigheid beschikt en toegang heeft tot alle noodzakelijke informatie. In een reactie is gevraagd dit verder te concretiseren. Deze uitwerking is echter al nieuw ten opzichte van de Wtt en de Rib Wtt 2014. Een verdere concretisering is niet wenselijk, omdat de concrete invulling afhankelijk is van de omvang en aard van de werkzaamheden van het trustkantoor. In de nota van toelichting zijn wel voorbeelden opgenomen hoe aan deze eisen invulling gegeven kan worden.

Verder is gevraagd om alle trustkantoren vooraf te controleren op een goede vervulling van de interne compliancefunctie als ware het partijen zonder vergunning. Dit wordt niet uitvoerbaaar en noodzakelijk geacht. Trustkantoren worden met ingang van deze wetgeving geacht zich aan de wet te houden en DNB houdt hier toezicht op. Bij nieuwe wettelijke eisen ligt het wel in de rede dat DNB hier bij aanvang in het bijzonder op toeziet of een themaonderzoek aan wijdt.

Ten aanzien van de omvang van de compliancefunctie heeft Holland Quaestor verzocht in de toelichting op te nemen dat ook de compliancemedewerkers in de eerste lijn meegerekend kunnen worden bij de omvang van de functie bij een trustkantoor. De compliancefunctie heeft tot taak de naleving van wettelijke en interne regels te controleren. Voor een onafhankelijke uitvoering van die taak zijn in dit besluit onder meer regels over functiescheiding opgenomen. Zo is het verrichten van werkzaamheden ten aanzien van cliënten niet verenigbaar met de compliancecontrole op die werkzaamheden. Vanzelfsprekend is het positief als al in de eerste lijn medewerkers samenwerken en elkaar controleren om goede naleving van de wettelijke voorschriften te borgen. Voor een onafhankelijke vervulling van de compliancefunctie is een adequate scheiding van functies van belang en is het van de concrete verantwoordelijkheden afhankelijk of medewerkers tot de compliancefunctie gerekend kunnen worden.

Daarnaast zijn nog voorstellen gedaan voor aanpassing van de bepalingen over de compliancefunctie in de wet. Deze opmerkingen vallen buiten het bereik van dit besluit. Aangezien ten tijde van het verwerken van deze consultatiereacties het voorstel voor de wet reeds in de Eerste Kamer lag, kan dit ook niet tot wijzigingen in het wetsvoorstel leiden.

Overige opmerkingen

In reactie op een opmerking over verduidelijking van hetgeen onder integere bedrijfsvoering wordt verstaan, is hiervan een definitie opgenomen. Deze komt inhoudelijk overeen met de definitie die hiervoor in de Rib Wtt 2014 werd gehanteerd.

Daarnaast is er een opmerking gemaakt over de reikwijdte van de auditfunctie. Naar aanleiding hiervan is de tekst van het besluit aangepast en de toelichting aangevuld. Verduidelijkt is dat de auditfunctie tot taak heeft de naleving van de wetgeving te controleren waaronder de naleving van de eisen in dit besluit. Hieronder vallen onder meer ook de eisen aan de interne organisatie.

Holland Quaestor heeft opmerkingen gemaakt over de berekening van de gevolgen van dit besluit voor het bedrijfsleven. De gevolgen worden volgens haar te optimistisch ingeschat. De inschatting van de administratieve lasten heeft op basis van gegevens uit het toezicht plaatsgevonden. De inschatting betreft gemiddelden, waarbij er verschillen kunnen zijn tussen grote en kleine kantoren en afhankelijk van de activiteiten die zij verrichten. In paragraaf 9 is zo veel mogelijk ingegaan op de verschillende factoren die een rol kunnen spelen bij de daadwerkelijke lasten voor een individueel trustkantoor. Er is geen aanleiding gezien voor een integrale herberekening van de administratieve lasten.

In antwoord op een vraag wordt daarnaast bevestigd dat de vrijstellingen die onder de Wet toezicht trustkantoren in de Vrijstellingsregeling Wet toezicht trustkantoren waren geregeld, overgenomen worden in een nieuwe ministeriële regeling.

Tot slot hebben opmerkingen in de reacties tot enkele technische of tekstuele aanpassingen in het besluit en de nota van toelichting geleid.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepalingen

De definitie van integere bedrijfsvoering is gelijk aan de definitie die hiervoor werd gehanteerd in de Rib Wtt 2014.

Artikel 2. Aanvullende trustdienst

Dit artikel regelt een aanvullende trustdienst. Het betreft het in opdracht kunnen verrichten van algemene bestuurshandelingen voor een rechtspersoon of vennootschap door middel van een volmacht of op andere wijze. Van belang is dat rechtsgevolgen voor de rechtspersoon of vennootschap in het leven geroepen kunnen worden en dat de volmacht feitelijk strekt tot het kunnen besturen van de rechtspersoon of vennootschap en dus niet beperkt is tot een individuele handeling of samenstel van handelingen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2 van het algemeen deel van deze nota.

Artikel 3. Cliëntenonderzoek

Met dit artikel is het cliëntenonderzoek geregeld dat van toepassing is bij het verrichten van de aanvullende trustdienst in artikel 2. Dit cliëntenonderzoek komt overeen met het onderzoek in artikel 27 van de Wtt 2018. In artikel 27 van de wet is het onderzoek voorgeschreven dat een trustkantoor dient te doen ingeval zij trustdienst a of trustdienst b uit de wet levert. Trustdienst a betreft het zijn van een bestuurder of vennootschap in opdracht van een cliënt, de formele bestuursdienst. De aanvullende trustdienst omvat feitelijk dezelfde dienst, maar dan voor de gevallen waarin de bestuursdienst louter materieel wordt geleverd middels een ingeschreven of onderhandse volmacht. Aangezien de dienst dezelfde strekking heeft als trustdienst a en in vergelijkbare mate integriteitrisico’s kunnen optreden, is het cliëntenonderzoek in artikel 27 van de wet van overeenkomstige toepassing verklaard.

Artikel 4. Vaststelling betrouwbaarheid

De artikelen 4 tot en met 8 zien op de uitvoering van het vaststellen van de betrouwbaarheid van beleidsbepalers en mede-beleidsbepalers van trustkantoren. Deze artikelen komen overeen met de vergelijkbare toetsing ten aanzien van financiële ondernemingen die geregeld is in de artikelen 5 tot en met 9 van het Besluit prudentiële regels Wft. Inhoudelijk vindt met deze regels geen wijziging plaats van de bestaande toetsingspraktijk waarvoor tot dit besluit een beleidsregel gold.

In artikel 4 is bepaald dat het vaststellen of de betrouwbaarheid buiten twijfel staat, plaats vindt op basis van de voornemens, handelingen en antecedenten van de betrokkene. De aan een handeling of antecedent ten grondslag liggende gedraging is bepalend voor het oordeel over de betrouwbaarheid van betrokkene. Onder gedraging wordt zowel een doen als nalaten begrepen. Ook een voorgenomen gedraging kan inzicht geven in de betrouwbaarheid van betrokkene.

Artikel 5. Antecedenten

In de bijlage bij dit besluit zijn de antecedenten opgenomen die voor de betrouwbaarheidsbeoordeling van belang zijn. Onderdeel 1 van de bijlage bevat een limitatieve opsomming van antecedenten; de opsomming in de overige onderdelen is niet limitatief.

Naast de nadrukkelijk omschreven antecedenten kan DNB ook andere feiten en omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn, in haar overwegingen betrekken. Hierbij kan worden gedacht aan feiten en omstandigheden die naar hun aard vergelijkbaar zijn met de in de bijlage genoemde antecedenten.

Artikel 6. Inlichtingen

Om inzicht in de voornemens, handelingen en antecedenten te verkrijgen die van belang zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, kan DNB bij verschillende personen en ondernemingen om informatie verzoeken. Het eerste lid bevat een limitatieve lijst van bronnen die DNB kan raadplegen.

In de eerste plaats betreft het hier informatie die door het trustkantoor wordt verkregen van de betrokkene en die het aan DNB verschaft. Dit is de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. In de tweede plaats betreft het gegevens die afkomstig zijn van derden.

Zo kan DNB op grond van het eerste lid, onderdeel c, de registratie bedoeld in de Wet documentatie vennootschappen raadplegen. Dit is het geautomatiseerde gegevensbestand Vennoot 98 van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Vennoot 98 bevat gegevens op basis waarvan de Minister van Justitie en Veiligheid kan toetsen of de akte van oprichting van vennootschappen in strijd is met de openbare orde of de wet en of er, gelet op de voornemens of antecedenten van de personen die het beleid van de vennootschap zullen bepalen dan wel mede bepalen, het gevaar bestaat dat de vennootschap voor ongeoorloofde doeleinden zal worden gebruikt of dat haar schuldeisers zullen worden benadeeld. Op grond van het Besluit Documentatie Vennootschappen van 21 oktober 2004 kan informatie uit dit systeem aan DNB worden verstrekt in het kader van haar toezichtstaken.

Op grond van het eerste lid, onderdeel d, kan DNB informatie vragen aan de Belastingdienst. De Belastingdienst is ontheven van haar geheimhoudingsverplichting als bedoeld in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Op basis van deze ontheffing zijn DNB, AFM en de Belastingdienst een convenant overeengekomen over informatieverstrekking ten behoeve van betrouwbaarheidstoetsingen van kandidaat (mede-) beleidsbepalers in de financiële sector.

Voorts kan DNB op basis van ambtsberichten van het Openbaar Ministerie kennisnemen van het feit dat een kandidaat (mede-) beleidsbepaler als verdachte wordt aangemerkt of – indien het een afgesloten strafzaak betreft – informatie verkrijgen over het achterliggende feitencomplex. Verder kunnen gegevens en inlichtingen worden verkregen uit openbare bronnen, van curatoren of bewindvoerders of organisaties van beroepsgenoten. Voor gegevens uit openbare bronnen moet bijvoorbeeld gedacht worden aan gegevens uit het handelsregister of het Kadaster. De gegevens en inlichtingen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten (zoals het Dutch Securities Institute (DSI)) kunnen van belang zijn vanwege mogelijke tuchtrechtelijke of disciplinaire maatregelen tegen betrokkene. Ook is de mogelijkheid opgenomen om bij ministeriële regeling andere bronnen aan te wijzen die DNB voor de betrouwbaarheidstoetsing kan raadplegen.

Het tweede lid regelt dat wanneer DNB op basis van gegevens of inlichtingen uit de in het eerste lid genoemde bronnen aanleiding heeft tot nader onderzoek, DNB aanvullende bronnen kan betrekken bij de toetsing van de betrouwbaarheid. De betrokkene krijgt hierover voorafgaand aan het nadere onderzoek een met redenen omklede kennisgeving.

Artikel 7. Betrouwbaarheid niet buiten twijfel

Dit artikel bepaalt dat een onherroepelijke rechterlijke veroordeling terzake een antecedent als bedoeld in onderdeel 1 van de bijlage leidt tot de vaststelling dat de betrouwbaarheid van betrokkene niet (langer) buiten twijfel staat. Gelet op de aard en ernst van de misdrijven bedoeld in dit onderdeel, worden de aan het misdrijf ten grondslag liggende gedragingen op voorhand geacht onverenigbaar te zijn met de belangen die de wet beoogt te beschermen.

De dwingende consequentie voor het oordeel over de betrouwbaarheid die verbonden is aan de onherroepelijke veroordeling terzake van strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in onderdeel 1 van de bijlage is begrensd tot een termijn van acht jaar vanaf de datum van het onherroepelijk worden van de rechterlijke uitspraak. Deze begrenzing geldt niet voor andere antecedenten. DNB kan antecedenten die zich hebben voorgedaan voorafgaande aan de termijn van acht jaar, minder zwaar laten meetellen in haar afweging dan antecedenten die zich binnen die termijn hebben voorgedaan.

Artikel 8. Te betrekken belangen

Met uitzondering van de antecedenten bedoeld in onderdeel 1 van de bijlage, geldt dat een enkel antecedent op zichzelf nog niet maatgevend is voor het oordeel van DNB over de betrouwbaarheid van betrokkene. DNB zal zich een eigen oordeel moeten vormen over een antecedent. Bovendien dient het onderlinge verband van voornemens, handelingen en de aan het antecedent ten grondslag liggende gedraging van betrokkene in ogenschouw te worden genomen. Dit betekent bijvoorbeeld dat een vrijspraak door de strafrechter of het anderszins uitblijven van een strafrechtelijke reactie niet op voorhand betekent dat er geen twijfel zou kunnen bestaan over de betrouwbaarheid van betrokkene. Omgekeerd is het in beginsel mogelijk dat DNB tot de conclusie komt dat het bestaan van een antecedent, met uitzondering van de antecedenten genoemd in onderdeel 1, niet leidt tot doorslaggevende twijfel over de betrouwbaarheid van betrokkene.

Artikel 9. Zorgplicht bestuur trustkantoor

Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 2 van de Rib Wtt 2014. Het bestuur heeft een zorgplicht voor onder meer de naleving van wetgeving en een integere bedrijfsvoering van het trustkantoor. DNB kan in haar toezicht de bestuurders van een trustkantoor hierop aanspreken.

De zorgplicht houdt verband met het feit dat het bestuur de risico’s vaststelt die door het trustkantoor worden gelopen. Het betreft hierbij onder meer het risico dat het trustkantoor (al of niet in de hoedanigheid van bestuurder van een doelvennootschap) ongewild en onwetend wordt gebruikt voor activiteiten die de reputatie van het trustkantoor en (daarmee) de integriteit van de gehele financiële sector aantasten, zoals witwassen van geld, financiering van terrorisme, handel met voorwetenschap, handelingen in strijd met het ongeschreven recht (maatschappelijke betamelijkheid) of benadeling van derden. Het bestuur treft maatregelen ter beheersing van deze risico’s. Onderdeel b expliciteert de verantwoordelijkheid van het bestuur voor de naleving van wet- en regelgeving. Dit betekent dat het bestuur een zorgplicht heeft voor het inrichten van een omgeving waarbinnen risico’s adequaat worden beheerst. De compliance- en de auditfuncties geven het bestuur de middelen om tijdig in te grijpen op het moment dat ontoereikende naleving dreigt. Het is in het belang van het bestuur om deze posities zo sterk mogelijk te bezetten. Indien blijkt dat het trustkantoor de regelgeving niet toereikend heeft nageleefd kan dit het bestuur, in bestuursrechtelijke zin, worden aangerekend en kan dat DNB aanleiding geven om te twijfelen over de geschiktheid van de beleidsbepalers. Onderdeel c is een aanvulling op onderdeel b en maakt duidelijk dat het procedurehandboek leidend dient te zijn in de dagelijkse gang van zaken. In het procedurehandboek dienen wettelijke normen te worden omgezet naar werkbare procedures en processen. Medewerkers dienen hiermee bekend te zijn zodat ze door het volgen van de beschreven procedures in ieder geval voorkomen dat normen ontoereikend worden nageleefd. Onderdeel d maakt tot slot duidelijk dat de administratie van het trustkantoor zelf een verantwoordelijkheid van het bestuur is en dat het in het belang van een integere bedrijfsvoering is dat de administratie van cliënten en het trustkantoor ordentelijk, overzichtelijk en actueel wordt gehouden.

Artikel 10. SIRA en beleid

In artikel 10 staan 6 elementen beschreven in het kader van een integere bedrijfsvoering waarvoor een trustkantoor zorg dient te dragen. Onderdeel a verlangt een systematische benadering van risicobeheersing. Dit onderdeel komt overeen met artikel 4 van de Rib Wtt 2014. Systematisch impliceert dat het een cyclisch proces is: dat betekent dat een trustkantoor de inventarisatie, analyse en de (toetsing van de effectiviteit van de) beheersing periodiek moet doorlopen. Risico’s zijn immers niet statisch. Zowel interne als externe factoren kunnen ervoor zorgen dat risico’s voor een trustkantoor veranderen. Zo kunnen de activiteiten van een trustkantoor uitgebreid of veranderd worden, kunnen zich bepaalde trends voordoen binnen het financieel-economische verkeer, of kan wet- en regelgeving aangepast worden. Onderdeel b maakt dat beleid niet vrijblijvend geformuleerd kan worden. Beleid moet worden doorgezet naar procedures en maatregelen teneinde de doelmatigheid van het beleid te waarborgen. Onderdelen c en d voorzien in de verspreiding van in het geformuleerde beleid en de bijstelling daarvan. Dit komt overeen met artikel 3 uit de Rib Wtt 2014. Onderdelen e en f raken aan de taakomschrijving van de compliancefunctionaris en schrijven voor dat geconstateerde gebreken worden gerapporteerd en tot bijstelling leiden.

Artikel 11. Voorkoming belangenverstrengeling

Dit artikel komt overeen met artikel 11, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wft en moet belangenverstrengeling bij trustkantoren voorkomen. Belangenverstrengeling, of de schijn daarvan, kan negatieve gevolgen hebben voor zowel de cliënten van het trustkantoor of het trustkantoor zelf. Ook kan belangenverstrengeling, of de schijn daarvan, het vertrouwen in de financiële markten als geheel schaden. Het is derhalve van belang dat trustkantoren over beleid beschikken om belangenverstrengeling tegen te gaan.

Het beleid van een trustkantoor over belangenverstrengeling moet duidelijk maken hoe er bijvoorbeeld dient te worden omgegaan met persoonlijke, professionele en financiële belangen in relatie tot het omgaan met cliënten en andere relaties, het omgaan met (vertrouwelijke) informatie, het aangaan van cliëntrelaties, het verrichten van transacties in de privé-sfeer en het vervullen van nevenactiviteiten. De procedures van het trustkantoor moeten zien op personen die het beleid bepalen, bestuurders van het trustkantoor of een rechtspersoon of vennootschap van de groep waartoe het behoort, personen die de compliance- of auditfunctie vervullen. Leden van een toezichthoudend orgaan en andere personen die in opdracht van het trustkantoor werkzaamheden verrichten waarin belangenverstrengeling zich redelijkerwijs kan voordoen.

Artikel 12. Aanwijzen integriteitgevoelige functies

Deze bepaling komt overeen met artikel 8, derde lid, van de Rib Wtt 2014. In het belang van een integere bedrijfsvoering maakt een trustkantoor onderscheid tussen integriteitgevoelige en niet-integriteitgevoelige functies. In dit artikel is geregeld dat een trustkantoor objectieve, kenbare criteria hanteert om een functie te kwalificeren als een functie die niet een wezenlijk risico inhoudt voor de integere bedrijfsvoering. Uiteraard zijn de beleidsbepalende functies en de compliance- en de auditfunctie bij uitstek integriteitgevoelige functies.

Artikel 13. Invulling integriteitgevoelige functies

Dit artikel komt overeen met de artikelen 8, eerste en tweede lid, en 9 van de Rib Wtt 2014. Bij het benoemen van personen in een integriteitgevoelige functie controleert het trustkantoor de identiteit, juistheid van gegevens en maakt het een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene. Een trustkantoor verricht dit zowel bij personen die op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn als bij personen die anderszins werkzaamheden in een integriteitgevoelige functie verrichten. Ten opzichte van de Rib Wtt 2014 is het bij personen die niet op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst zijn, niet meer toegestaan om onder voorwaarden de beoordeling over te laten aan de werkgever van die persoon. Een trustkantoor moet zelf ten alle tijden de integriteit van diens bedrijfsvoering waarborgen.

Artikel 14. Risicoclassificaties

Om de integere bedrijfsvoering te waarborgen en integriteitrisico’s te beheersen beschikt een trustkantoor over procedures om een risicoclassificatie te verbinden aan cliënten, producten of diensten. Verschillende indicatoren kunnen duiden op een hoger risico op integriteitrisico’s zoals witwassen, corruptie of terrorismefinanciering en kunnen voor het trustkantoor aanleiding zijn om een hogere risicoclassificatie toe te kennen. Enkele voorbeelden zijn betrokkenheid van hoog risico landen, PEP’s, doelvennootschappen met actieve branches in het buitenland, dienstverlening die het verhullen van de UBO bevordert, cliënten die actief zijn in risicovolle sectoren en cliënten die in het nieuws komen en worden geassocieerd met financieel economische criminaliteit. In dat verband heeft het trustkantooren procedures voor het analyseren van gegevens van cliënten en van hun transactiepatronen zodat ze transactiepatronen die afwijken van de voor de cliënt gebruikelijke patronen herkennen en zo nodig aanvullende maatregelen treffen om risico’s op betrokkenheid bij witwassen, financieren van terrorisme of andere vormen van financiële economische criminaliteit te voorkomen.

Artikel 15. Interne organisatie van een trustkantoor

Overeenkomstig artikel 17 van het Besluit prudentiële regels Wft zijn in dit artikel eisen aan de organisatie van een trustkantoor gesteld. Een trustkantoor richt de organisatie zodanig in dat deze een beheerste uitoefening van zijn bedrijf waarborgt. De verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden dient alle niveaus en onderdelen van het trustkantoor te omvatten. Ook binnen de raad van bestuur en, indien van toepassing, de raad van commissarissen dient een duidelijke taakverdeling te bestaan. De rapportagelijnen moeten hiermee in overeenstemming zijn. De taakverdeling en de rapportagelijnen dienen op zodanige wijze te zijn vastgelegd en gecommuniceerd dat alle geledingen van het trustkantoor een goed begrip hebben van hun taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, hun rol in de organisatie en het proces van risicobeheersing en de manier waarop zij verantwoording afleggen.

Met betrekking tot een adequaat systeem van communicatie is het van belang dat interne communicatiekanalen zodanig zijn opgezet dat alle relevante informatie tijdig aan de juiste personen en functies ter beschikking wordt gesteld. Verder is het van belang dat het bestuur en het lijnmanagement tijdig betrouwbare informatie ontvangen omtrent de voor hen relevante ondernemingsdoelstellingen en operationele processen.

In het vierde lid is geregeld dat een trustkantoor te allen tijde moet beschikken over een actueel organisatieschema en een overzicht van de medewerkers met hun taken. In het vijfde lid is geregeld dat het trustkantoor er zorg voor draagt dat de organisatie-inrichting en de procedures en maatregelen zodanig worden bijgesteld dat gesignaleerde tekortkomingen en gebreken worden opgeheven.

Artikel 16. Procedurehandboek

Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 6 van de Rib Wtt 2014. Trustkantoren moeten beschikken over een procedurehandboek. Dit handboek beschrijft de procedures die het trustkantoor hanteert om te zorgen dat wetgeving en interne regels worden nageleefd. Wat de wetgeving betreft gaat het om de Wtt 2018, de Wwft en de Sanctiewet 1977. Ten aanzien van de Wtt 2018 zijn in dit artikel elementen genoemd waaraan specifieke aandacht in het handboek moet worden besteed.

Voor een adequate naleving van wetgeving en interne regels is het van belang dat het handboek actueel gehouden wordt. Bij wijziging van wetgeving of interne regels moet derhalve telkens bezien worden of aanpassing van het handboek noodzakelijk is.

Artikel 17. Eisen compliancefunctie

Dit artikel stelt nadere eisen aan de compliancefunctie. Het eerste lid geeft basisvoorwaarden voor een effectieve en onafhankelijke uitvoering van de taak. Dit lid komt overeen met artikel 31c, derde lid, van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen en artikel 21, derde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft. De concrete invulling is afhankelijk van de aard en omvang van de werkzaamheden van het trustkantoor en de organisatie van het trustkantoor zelf. Voldoende autoriteit houdt in dat binnen de organisatie het belang van de functie algemeen erkend wordt en de betrokken medewerkers voldoende gezag hebben om de functie effectief te vervullen. Deskundigheid houdt in dat de betrokken medewerkers voldoende kennis en kunde hebben om de handelingen van het trustkantoor te beoordelen. Hierbij spelen opleiding en ervaring een rol. De deskundigheid kan bijvoorbeeld afhangen van de landen waar de cliënten woonachtig zijn of het type dienstverlening dat een trustkantoor (voornamelijk) verricht.

In het tweede lid is de hoofdtaak van de compliancefunctie weergegeven: het controleren of er risico’s bestaan op ontoereikende naleving van de wet. Daarvoor is het van belang dat het organisatieonderdeel op permanente wijze gegevens analyseert en beoordeelt en dat dit door middel van een doorlopende systematische analyse geschiedt.

In het derde lid is geregeld dat de compliancefunctie jaarlijks een werkprogramma opstelt. Dit programma moet afgestemd zijn op de specifieke risico’s van het betrokken trustkantoor. In het werkprogramma gaat het organisatieonderdeel in op de wijze waarop het diens taken zal vervullen op de genoemde onderdelen.

In het vierde lid is tot uitdrukking gebracht dat de omvang van de compliancefunctie afgestemd is op het aantal cliënten en de aard van de werkzaamheden van het trustkantoor. Concreet betreft dit het aantal uur waarvoor personen in dienst zijn ter vervulling van de compliancefunctie. Het aantal uur moet dus in verhouding staan tot het aantal cliënten van het trustkantoor en de integriteitrisico’s die aan die dienstverlening verbonden zijn. Omdat het een functie betreft die permanent vervuld moet worden, kan het in beginsel niet gaan om nul-urencontracten. In dat geval zal duidelijk uit de administratie van het trustkantoor moeten blijken hoeveel uur feitelijk per week besteed wordt aan de compliancefunctie. Daarnaast moet een trustkantoor op grond van het vijfde lid over een schriftelijke analyse beschikken van de omvang van zijn compliancefunctie. De omvang moet in daarin onderbouwd zijn aan de hand van het aantal cliënten van het trustkantoor, de aard van de werkzaamheden en de integriteitrisico’s die aan de werkzaamheden verbonden zijn.

Artikel 18. Eisen auditfunctie

Dit artikel bepaalt dat de auditfunctie tenminste eenmaal per jaar een audit uitvoert en dat deze functie hiervoor goed toegerust is. De eisen voor een effectieve vervulling komen overeen met de eisen die hieromtrent in artikel 17, eerste lid, aan de compliancefunctie zijn gesteld.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld. Deze worden op dit moment niet voorzien.

Artikel 19. Functiescheiding

De regels over functiescheiding komen grotendeels overeen met artikel 7 van de Rib Wtt 2014. Alleen de scheiding van de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de compliance- en auditfunctie in het vierde lid is nieuw. Dit voorschrift kan gesteld worden nu de wet voorschrijft dat een trustkantoor tenminste over twee beleidsbepalers moet beschikken. De scheiding van de bestuurlijke verantwoordelijkheid is van belang omdat de auditfunctie de effectiviteit van de compliancefunctie beoordeelt. Voor het overige wordt verwezen naar paragraaf 5 van het algemeen deel van deze nota.

Artikel 20. Voorschriften bij uitbesteding

Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 9, vierde lid, van de Rib Wtt 2014. Trustkantoren blijven te allen tijde verantwoordelijk en aanspreekbaar op werkzaamheden die zij uitbesteden. In dat verband is het van belang dat duidelijke afspraken gemaakt worden met de derde aan wie werkzaamheden worden uitbesteed en dat het trustkantoor voldoende in staat is om te beoordelen dat de uitvoering van de werkzaamheden voldoet aan de wettelijke eisen die aan het trustkantoor worden gesteld.

Artikel 21. Inhoud rapportage

DNB vraagt via de periodieke rapportage informatie bij trustkantoren op. In dit artikel is bepaald dat het gegevens van het trustkantoor, zijn dienstverlening en zijn cliënten kan betreffen en dat het daarbij zowel om kwalitatieve als kwantitatieve informatie kan gaan.

Artikel 22. Frequentie rapportage

DNB bepaalt de frequentie van de rapportages. In beginsel wordt er jaarlijks één kwalitatieve en één kwantitatieve rapportage gevraagd. Daarnaast kunnen er in verband met een thema onderzoek of in verband met een onderzoek naar een of meerdere specifieke trustkantoren nog aanvullende rapportages worden gevraagd.

Artikel 23. Wijziging Besluit bestuurlijke boetes financiële sector

In het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector zijn de boetecategorieën vastgesteld voor overtredingen van de bij of krachtens de artikelen van de Wtt 2018 gestelde regels. De kernbepalingen van de wet zijn geplaatst in categorie 3. Dit betreft de vergunningvoorschriften (artikel 3, eerste tot en met derde lid), het cliëntenonderzoek (artikel 22, 23 en 25) en het onderzoek naar integriteitrisico’s (artikel 26). De artikelen die het cliëntenonderzoek voor de verschillende trustdiensten en verschillende omstandigheden uitwerken (artikelen 27 tot en met 34) zijn niet afzonderlijk in boetecategorieën geplaatst, het niet voldoen aan een van die bepalingen is tegelijkertijd een overtreding van de verplichting tot het verrichten van cliëntenonderzoek (artikelen 22, 23 en 25). Het overtreden van de administratieve verplichting tot het doorgeven van wijzigingen van gegevens aan DNB is in categorie 1 geplaatst. De overige verplichtingen zijn in categorie 2 geplaatst.

Artikel 24

Dit betreft een technische wijziging waarmee verwijzingen zijn aangepast.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra


X Noot
1

Zie artikel 31c, derde lid, van het Besluit gedragsregels financiële ondernemingen en artikel 21, derde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.