Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 3 juli
2018, nr. WJZ/18141082;
Gelet op artikel III van de Wet van 20 december 2017, houdende wijziging van de Aanbestedingswet
2012 en de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied in verband met de implementatie
van richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake
elektronische facturering bij overheidsopdrachten;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Wassenaar, 5 juli 2018
Willem-Alexander
De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,
M.C.G. Keijzer
Uitgegeven de zeventiende juli 2018
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F.B.J. Grapperhaus
NOTA VAN TOELICHTING
Dit besluit regelt de inwerkingtreding van de Wet van 20 december 2017, houdende wijziging
van de Aanbestedingswet 2012 en de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied
in verband met de implementatie van richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement
en de Raad van 16 april 2014 inzake elektronische facturering bij overheidsopdrachten
(hierna: Wet ter implementatie van richtlijn 2014/55/EU). Artikel 11, eerste lid,
van richtlijn 2014/55/EU bepaalt dat de richtlijn uiterlijk 27 november 2018 geïmplementeerd
dient te zijn. Dit is 18 maanden na de uiterste datum voor bekendmaking van het referentienummer
van de norm in het Publicatieblad van de Europese Unie (27 mei 2017). Daarnaast is
voorzien in een tweede implementatiebepaling voor het geval de norm later gepubliceerd
wordt dan de uiterste publicatiedatum van 27 mei 2017. Ook in dat geval dienen aanbestedende
diensten en speciale sector-bedrijven voldoende tijd te hebben om voorbereidingen
te treffen om aan de verplichting te voldoen. Daarom is in het tweede lid van artikel
11 opgenomen dat, in afwijking van het eerste lid, de verplichting uit artikel 7 van
de richtlijn voor aanbestedende diensten en speciale sectorbedrijven om e-facturen
die voldoen aan de Europese norm te ontvangen en te verwerken, uiterlijk 18 maanden
na publicatie van de norm geïmplementeerd moet zijn. Artikel 7 bevat de kernbepaling
van de richtlijn. Naast dit artikel dienen de lidstaten slechts enkele met artikel
7 samenhangende begripsbepalingen te implementeren. Implementatie hiervan op een eerder
tijdstip, los van implementatie van de kernbepaling, is zinloos. Artikel 11, tweede
lid, wordt derhalve zo geïnterpreteerd dat wanneer de norm na 27 mei 2017 gepubliceerd
wordt, de gehele richtlijn (en niet alleen artikel 7) maximaal 18 maanden na publicatie
van de norm geïmplementeerd dient te worden. Deze interpretatie is ook informeel door
de Europese Commissie bevestigd.
Het referentienummer van de norm is na de uiterste publicatiedatum van 27 mei 2017
gepubliceerd, namelijk op 17 oktober 2017 in het Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1870
van de Commissie van 16 oktober 2017 betreffende de bekendmaking van de referentie
van de Europese norm voor elektronisch facturering en de lijst van syntaxen overeenkomstig
Richtlijn 2014/55/EU van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2017, L 266). In
artikel 2 van dit uitvoeringsbesluit is opgenomen dat daarmee 18 april 2019 de uiterste
implementatiedatum is.
Artikel 11, tweede lid, van richtlijn 2014/55/EU geeft lidstaten daarnaast de mogelijkheid
om de verplichting maximaal een jaar later te laten ingaan voor niet-centrale aanbestedende
diensten, zoals gemeenten. Van deze mogelijkheid wordt, zoals reeds toegelicht in
de memorie van toelichting bij de Wet ter implementatie van richtlijn 2014/55/EU (Kamerstukken
II 2016/2017, 34 780, nr. 3), geen gebruik gemaakt.
Gelet op bovenstaande is in onderhavig besluit opgenomen dat de Wet ter implementatie
van richtlijn 2014/55/EU op 18 april 2019 in werking treedt. Hiermee wordt afgeweken
van de vaste verandermomenten zoals opgenomen in aanwijzing 4.17, tweede lid, van
de Aanwijzingen voor de regelgeving. Dit is te rechtvaardigen daar het implementatie
van een Europese richtlijn betreft. Het bedrijfsleven zal hier verder geen negatieve
gevolgen van ondervinden.
De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,
M.C.G. Keijzer