Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2017, 486AMvB

Besluit van 7 december 2017 tot wijziging van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten, het Besluit Wfsv, het Besluit SUWI, het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten en het Boetebesluit socialezekerheidswetten in verband met enkele kleine beleidsmatige en technische wijzigingen (Verzamelbesluit 2018)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 november 2017, nr. 2017-0000181317;

Gelet op de artikelen 28, tweede lid, en 38d, negende lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, 8, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, 8, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 73, zevende lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, 21, zesde lid, 60, vijfde lid, en 61, achtste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 45, zesde lid, en 45a, tiende lid, van de Ziektewet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 november 2017, nr.W12.17.0378/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 december 2017; nr. 2017-0000161197;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2:8, eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 150,– per maand met een maximum van € 1.500,– per jaar.

B

In artikel 3:4, tweede lid, aanhef, wordt «inkomen, bedoeld in artikel 60, eerste lid, aanhef en onder a» vervangen door: inkomen, bedoeld in de artikelen 60, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 61, tweede en vierde lid.

C

In artikel 5:4 wordt «52, vierde lid, 60, vijfde lid, en 61, achtste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen» vervangen door: 21, zesde lid, 52, vierde lid, 60, vijfde lid, en 61, achtste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

ARTIKEL II

Het Besluit SUWI wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3.5, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Het UWV verricht op verzoek van het college van burgemeester en wethouders of op verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel a of e, van de Wfsv een beoordeling of die persoon in staat is het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet, te verdienen.

B

In artikel 5.7, onderdeel b, wordt «het het» vervangen door «het» en wordt «de uitvoering van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg» vervangen door «de uitvoering van de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015».

ARTIKEL III

Artikel 2.4 van het Besluit Wfsv wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het gemiddelde premiepercentage, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wfsv, wordt bepaald op het gewogen gemiddelde van de sectorpremiepercentages van alle sectoren in het nieuwe premiejaar.

2. Het tweede en vierde lid vervallen, onder vernummering van het derde lid tot het tweede lid.

ARTIKEL IV

In artikel 7, onderdeel a, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten wordt «het Algemeen Werkloosheidsfonds, het wachtgeldfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid of het Toeslagenfonds» vervangen door: het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas, de eigenrisicodrager of het Toeslagenfonds.

ARTIKEL V

Het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel u, wordt «de artikelen 38, derde lid, 38a, achtste lid, en 63c van de ZW» vervangen door: de artikelen 38, derde lid, 38a, achtste lid, 38aa, derde lid, en 63c van de ZW.

B

Artikel 2b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

2. In onderdeel b wordt «de laatste werkdag» vervangen door: de laatste dag van de dienstbetrekking.

C

Artikel 2c wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt «de artikelen 38, derde lid, 38a, achtste lid, en 63c van de ZW» vervangen door: de artikelen 38, derde lid, 38a, achtste lid, 38aa, derde lid, en 63c van de ZW.

2. In de onderdelen a tot en met d van het eerste lid wordt «de laatste werkdag « telkens vervangen door: de laatste dag van de dienstbetrekking

ARTIKEL VI

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel II, onderdeel B, werkt terug tot en met 1 januari 2015.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel V in werking met ingang van 1 juli 2018.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 7 december 2017

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

Uitgegeven de vijftiende december 2017

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit verzamelbesluit omvat een aantal wijzigingen op het beleidsterrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het betreft technische en redactionele wijzigingen. Deze dienen ter verduidelijking en nadere invulling van eerder gemaakte beleidskeuzes en het herstellen van omissies. Voor een verdere toelichting wordt gewezen op de artikelsgewijze toelichting.

Er zijn geen gevolgen voor de regeldruk. De financiële effecten zijn verwaarloosbaar. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) heeft een uitvoeringstoets uitgebracht. Het UWV geeft in die toets aan dat de wijzigingen uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. De wijzigingen hebben geen effect op de uitvoeringskosten.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Met ingang van 1 april 2017 is de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ aangepast. De vrijlating van een onkostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk naast een bijstanduitkering is daarmee geüniformeerd tot een vrij te laten bedrag van ten hoogste € 150,– per maand, met een maximum van € 1.500,– per kalenderjaar. Het onderscheid van een vrijlating van een kostenvergoeding voor het doen van vrijwilligerswerk in het kader van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling en om andere redenen, is hiermee vervallen. De regering is daartoe gekomen omdat vrijwilligerswerk waardevol is voor de maatschappij en het een goede manier voor uitkeringsgerechtigden is om ervaringen op te doen voor het verkrijgen van betaald werk. Ook is de uitvoering met de geüniformeerde vrijlating vereenvoudigd.

Bovengenoemde regeling voorziet echter alleen in de vrijlating van een kostenvergoeding tot een maximum naast de bijstandsuitkering en niet naast een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) en op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ). De inhoudelijke argumenten zoals hierboven aangegeven en die gelden voor de Participatiewet, gelden in gelijke mate ook voor de IOAW en IOAZ.

Het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (hierna: AIB) wordt daarom met dit besluit aangepast, zodat voor de berekening van het inkomen voor de IOAW en de IOAZ de maximale kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk wordt gelijkgetrokken ongeacht de reden van het doen van vrijwilligerswerk, conform de Participatiewet.

Ook voor de IOAW en IOAZ geldt dat deze uniformering van de vrijlating van de kostenvergoeding voor het doen van vrijwilligerswerk, onverlet laat dat deze regeling een vangnetkarakter heeft en dat de regering er naar streeft dat zo veel mogelijk mensen die nu een uitkering hebben via een reguliere baan aan de slag gaan. Eveneens is het van belang dat gemeenten er alert op blijven dat de activiteiten die belanghebbende doet of wil doen als vrijwilliger, naast een uitkering, in feite geen regulier werk inhouden.

Onderdeel B

Voor het bepalen van het soort uitkering waar een WIA-gerechtigde recht op heeft na de loongerelateerde fase, wordt gekeken naar het inkomen dat iemand verdient. Voldoet de WIA-gerechtigde aan de zogenoemde inkomenseis, dan heeft hij recht op een loonaanvullingsuitkering (hierna: LAU). Zo niet, dan heeft hij recht op een vervolguitkering (hierna: VVU). Welke inkomensbestanddelen hierbij moeten worden meegenomen om te bepalen of iemand voldoet aan de inkomenseis is vastgelegd in artikel 3:4, tweede lid, van het AIB. Als de WIA-gerechtigde recht heeft op een LAU, bepaalt het UWV vervolgens hoeveel van de overblijvende verdiencapaciteit de betrokkene benut (tussen de 50 en 100% van de overblijvende verdiencapaciteit dan wel 100% of meer) om de berekeningsmethodiek voor de hoogte van de uitkering te bepalen. Bij het bepalen van het soort LAU (de LAU, berekend op grond van artikel 61, tweede lid, of de LAU, berekend op grond van artikel 61, vierde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen1) dat iemand krijgt moeten dezelfde inkomensbestanddelen worden meegenomen als bij het bepalen of iemand recht heeft op LAU. Artikel 3:4, tweede lid, van het AIB moet dus bij beide stappen van toepassing zijn. Dat is nu abusievelijk niet goed geregeld; er is alleen geregeld dat artikel 3:4, tweede lid, van toepassing is bij het bepalen of iemand recht heeft op LAU. Met de wijziging is nu geregeld dat artikel 3:4, tweede lid, ook van toepassing is bij het bepalen welk soort LAU iemand moet ontvangen. Het UWV voert dit overigens reeds op deze wijze uit (want het volgt logischerwijs uit de systematiek), het betreft dus geen wijziging van (uitvoerings)beleid.

Onderdeel C

Bij het vaststellen van de hoogte van de WGA-uitkering op grond van de vrijwillige verzekering wordt rekening gehouden met het inkomen van de persoon, indien dat hoger is dan zijn resterende verdiencapaciteit. De hoogte van het inkomen wordt vastgesteld aan de hand van het AIB. Abusievelijk ontbrak hiervoor in artikel 21 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een delegatiegrondslag. Deze delegatiegrondslag is met de Verzamelwet SZW 20182 in artikel 21, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen opgenomen. Met dit onderdeel wordt geregeld dat in artikel 5:4 van het AIB ook een verwijzing naar deze delegatiegrondslag wordt opgenomen.

Artikel II

Onderdeel A

Het is wenselijk dat in artikel 3.5 van het Besluit SUWI wordt geregeld dat de regels die gelden bij een beoordeling of iemand uit de doelgroep Participatiewet in staat is het minimumloon te verdienen, niet alleen gelden als die beoordeling plaatsvindt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, maar ook als iemand uit die doelgroep zelf om een beoordeling door het UWV verzoekt. Deze wijziging vloeit voort uit artikel 38b, eerste lid, onderdeel e, van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) en is gebaseerd op de grondslag van artikel 38d, negende lid, onderdeel c, van de Wfsv.

Onderdeel B

Artikel 5.7 van het Besluit SUWI regelt de gegevensverstrekking door de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) en het UWV aan bestuursorganen. Onderdeel b betreft de verstrekking van gegevens aan het Zorginstituut, de Nederlandse Zorgautoriteit, de zorgverzekeraars, het CAK en de Wlz-uitvoerders die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. Aan deze twee wetten dient de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) te worden toegevoegd. De reden hiervoor is de broninhouding die de SVB en het UWV uitvoeren voor de inning van de bijdrage in de kosten die cliënten betalen voor de maatwerkvoorziening «beschermd wonen» als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015. Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het leveren van deze voorziening. Het beschermd wonen dat onder de AWBZ viel, valt sinds 1 januari 2015 onder de Wmo 2015. Voor beschermd wonen gold onder de AWBZ een eigen bijdrage van verzekerden die op grond van de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Ouderdomswet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en de Ziektewet, door de SVB dan wel het UWV op de uitkering of inkomensvoorziening (zonder machtiging) ingehouden mocht worden. Dit zorgt voor een vermindering in administratieve lasten voor verzekerden en instellingen. Met ingang van 1 januari 2015 kunnen eigen bijdragen voor ontvangen zorg onder de Wet langdurige zorg op de uitkering of inkomensvoorziening, op basis van de hierboven genoemde wetten, ingehouden worden. Deze inhouding wordt ook wel «broninhouding» genoemd. De grondslag hiervoor ontbrak toentertijd voor de bijdrage voor beschermd wonen op grond van de Wmo 2015. Voor de inhouding van die bijdrage is door middel van de Verzamelwet VWS 2016 voorzien in een wettelijke grondslag en taak met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2015 (zie artikel XXXIX, tweede lid, van die wet). Op deze wijze merkte deze kwetsbare groep niets van de omschakeling van de wettelijke regimes en werden incassoproblemen voorkomen. Feitelijk heeft de broninhouding voor de maatwerkvoorziening «beschermd wonen» reeds sinds 1 januari 2015 doorgang gevonden.

In verband met deze broninhouding verstrekken het UWV en de SVB de noodzakelijke persoonsgegevens aan het CAK. Het CAK is verantwoordelijk voor het innen van de bijdrage voor gemeenten (art. 2.1.4, zesde lid, van de Wmo 2015). Omwille van de consistentie en duidelijkheid wordt in dit onderdeel de bepaling aangepast zodat deze verstrekking in het kader van de wettelijke taak van het CAK, het UWV en de SVB in de SZW-wetgeving op dit punt expliciet in regelgeving is neergelegd (zie art. 8, onderdeel e, van de Wet bescherming persoonsgegevens). Deze wijziging brengt geen administratieve of financiële lasten met zich mee voor de betrokken cliënten en bestuursorganen. Gelet op voorgaande wordt aan deze wijziging terugwerkende kracht toegekend tot en met 1 januari 2015.

Tevens is foutief met het Besluit langdurige zorg3 tweemaal het lidwoord «het» in artikel 5.7, onderdeel b, achter elkaar opgenomen. Dat is met deze wijziging hersteld.

Artikel III

In artikel 2.4 van het Besluit Wfsv wordt de wijze van vaststelling van de gemiddelde premie, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wfsv4 nader uitgewerkt. Op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wfsv wordt het gemiddelde premiepercentage door UWV vastgesteld op het gewogen gemiddelde van de sectorpremiepercentages en de verzekerde loonsommen van alle sectoren in het kalenderjaar (premiebetalingstijdvak, jaar t) waarvoor deze premies worden vastgesteld. Het UWV stelt de premies en het gewogen gemiddelde daarover vast in het kalenderjaar (jaar t-1) voorafgaand aan het premiebetalingstijdvak. Deze vaststelling behoeft goedkeuring van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Voorheen werd de gemiddelde premie voor het premiebetalingstijdvak bepaald over de premies per sector in het kalenderjaar (jaar t-1) voorafgaande aan het premiebetalingstijdvak. Daarbij werd ook rekening gehouden met actualisering van de loonsommen op basis waarvan dat gemiddelde was vastgesteld. Die wijze van vaststelling gaf aanleiding tot misverstanden en was onnodig omslachtig. Door deze wijziging kan het tweede lid vervallen. Het derde lid wordt daarom vernummerd tot het (nieuwe) tweede lid.

Tevens vervalt het vierde lid, daar deze bepaling alleen zag op de vaststelling van het premiepercentage voor het kalenderjaar 2014 en derhalve is uitgewerkt.

Artikel IV

Met de Verzamelwet SZW 20185 is geregeld dat een werknemer waarvan de werkgever eigenrisicodrager voor de Ziektewet is, een maatregel wegens benadelingshandeling kan worden opgelegd indien de werknemer de eigenrisicodrager benadeelt. Dat is in de memorie van toelichting bij de Verzamelwet SZW 2018 als volgt gemotiveerd: «Een werknemer met recht op loondoorbetaling heeft in beginsel geen recht op ziekengeld. Om afwenteling op de Ziektewet te voorkomen is de benadelingshandeling geïntroduceerd. Deze heeft tot doel om te voorkomen dat een werknemer door zijn gedrag geen recht (meer) heeft op loondoorbetaling bij ziekte (bijvoorbeeld door tijdens ziekte ontslag te nemen). In de opsomming in artikel 45, eerste lid, onderdeel j, is abusievelijk niet opgenomen dat ook de eigenrisicodrager wordt of kan worden benadeeld. Er is geen inhoudelijke reden waarom in dat geval geen sanctie moet worden opgelegd aan een ZW-gerechtigde die ziekengeld ontvangt van een eigenrisicodrager.» In artikel 7, onderdeel a, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (hierna: Maatregelenbesluit) is geregeld dat een benadeling van de fondsen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel j, van de Ziektewet wordt ingedeeld als verplichting van de vierde categorie. Dat brengt met zich mee dat in de regel het ziekengeld blijvend geheel wordt geweigerd, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten. Artikel 7, onderdeel a, van het Maatregelenbesluit is zo aangevuld dat ook het benadelen van de eigenrisicodrager een verplichting van de vierde categorie behelst.

In artikel 24, vijfde lid, van de Werkloosheidswet is bepaald dat de werknemer verplicht is zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid niet benadeelt of zou kunnen benadelen. In artikel 7, onderdeel a, van het Maatregelenbesluit werd abusievelijk echter nog gesproken over het wachtgeldfonds. Daarom is in artikel 7, onderdeel a, «wachtgeldfonds» vervangen door «sectorfonds».

In artikel 45, eerste lid, aanhef en onderdeel j, van de Ziektewet is bepaald dat het ziekengeld kan worden geweigerd indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid of de Werkhervattingskas benadeelt of zou kunnen benadelen. In artikel 7, onderdeel a, van het Maatregelenbesluit was abusievelijk de Werkhervattingskas niet genoemd. Dit is thans gecorrigeerd.

Artikel V

In artikel V worden in de artikelen 1, 2b en 2c van het Boetebesluit socialezekerheidswetten enkele verwijzingen aangevuld naar aanleiding van de toevoeging van een nieuw artikel 38aa in de Ziektewet in artikel XXXII, onderdeel Na, van de Verzamelwet SZW 2018. Daarin wordt voorzien in een afwijkende regeling voor werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor de Ziektewet inzake de termijnen voor het doen van ziekte- en hersteldmeldingen bij het UWV.

Daarnaast wordt in de artikelen 2b en 2c van het Boetebesluit socialezekerheidswetten «de laatste werkdag» telkens vervangen door «de laatste dag van de dienstbetrekking. Aanleiding hiervoor is dat in artikel XXXII, onderdeel N, van de Verzamelwet 2018 de termijn voor het doen van een ziekte-aangifte door een werkgever en voor het opstellen van een reïntegratieverslag wordt aangepast. In artikel 38, tweede lid, van de Ziektewet wordt deze termijn niet langer wordt gesteld op de laatste werkdag voordat de dienstbetrekking eindigt, maar op de laatste dag van de dienstbetrekking. Om die reden ligt het voor de hand dat werkgevers niet langer de laatste werkdag voordat de dienstbetrekking eindigt, doorgeven aan UWV, maar in plaats daarvan de laatste dag van de dienstbetrekking.

Omdat de inwerkingtreding van eerdergenoemde bepalingen in de Verzamelwet SZW 2018 is voorzien met ingang van 1 juli 2018, treedt de daaruit voortvloeiende wijziging van het Boetebesluit socialezekerheidswetten eveneens met ingang van die datum in werking.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Zoals het vierde lid met ingang van 1 januari 2018 is komen te luiden door de Verzamelwet SZW 2018 (artikel XXXI, onderdeel I).

X Noot
2

Artikel XXXI, onderdeel C, van die wet.

X Noot
3

Artikel 8.3.3, onderdeel A.

X Noot
4

Zoals dat artikellid luidt na inwerkingtreding van artikel XV, onderdeel B, van de Verzamelwet SZW 2018.

X Noot
5

Artikel XXXII, onderdeel P, onder 1, van die wet.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbij behorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.