Besluit van 24 oktober 2017 tot wijziging van het Besluit uitvoering EG-richtlijn nationale emissieplafonds ter implementatie van Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PbEU L344)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 12 juni 2017, nr. IenM/BSK-2017/119047, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 8, 9 en 10 van Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PbEU L344) en artikel 59, eerste lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 juli 2017, nr. W14.17.0165/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 16 oktober 2017, nr. IenM/BSK-2017/195279, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit uitvoering EG-richtlijn nationale emissieplafonds wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder nec-richtlijn: richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PbEU L344).

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste en tweede lid komen te luiden:

  • 1. Onze Minister draagt zorg voor de uitvoering van de verplichtingen tot het opstellen en actualiseren van inventarissen en prognoses als bedoeld in artikel 8, eerste tot en met het vierde lid, en de monitoring, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de nec-richtlijn.

  • 2. Het opstellen en actualiseren van de inventarissen en prognoses en de monitoring geschieden overeenkomstig bijlage IV respectievelijk bijlage V bij de nec-richtlijn.

2. In het derde lid wordt «artikel 7, eerste lid, van richtlijn 2001/81» vervangen door: artikel 8, eerste tot en met vierde lid, en artikel 9, eerste lid, van de nec-richtlijn.

3. In het vierde lid wordt «bijlage III bij richtlijn 2001/81» vervangen door: bijlage IV en bijlage V bij de nec-richtlijn.

C

In artikel 3 wordt «artikel 8, eerste lid, van richtlijn 2001/81» vervangen door: artikel 10, eerste, tweede en vierde lid, van de nec-richtlijn.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 24 oktober 2017

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer

Uitgegeven de zeventiende november 2017

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Dit besluit bevat ter implementatie van de artikelen 8, 9 en 10 van Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PbEU L344) (hierna: nec-richtlijn) een wijziging van het Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds.

Het Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds is in 2004 opgesteld ter implementatie van de artikelen 7 en 8 van richtlijn nr. 2001/81/EG inzake nationale emissieplafonds (national emission ceilings – NEC). De artikelen 8, 9 en 10 van de nec-richtlijn vervangen deze artikelen. Zij bevatten bepalingen over monitoring- en rapportageverplichtingen. Aangezien de betrokken artikelen weliswaar inhoudelijk geactualiseerd zijn in de nec-richtlijn, maar de strekking en vormgeving van de artikelen vrijwel gelijk gebleven zijn, is ervoor gekozen om niet een geheel nieuw implementatiebesluit op te stellen, maar het bestaande Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds te wijzigen. Hierbij is tevens meegewogen dat het Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds zal opgaan in het stelsel van de Omgevingswet, waarvan de inwerkingtreding al is voorzien in 2019. Om deze reden is het artikel over de rapportageplicht, een plicht die strikt genomen niet geïmplementeerd hoeft te worden niet verwijderd, maar enkel aangepast aan de nieuwe richtlijn.

2. De nec-richtlijn

De nec-richtlijn vervangt richtlijn nr. 2001/81/EG. Europese en mondiale ontwikkelingen met betrekking tot luchtkwaliteit- en klimaatbeleid maakten aanpassing van richtlijn nr. 2001/81/EG noodzakelijk. Richtlijn nr. 2001/81/EG moest mede worden herzien om te voldoen aan de verplichtingen die op grond van het in 2012 herziene Gotenburg Protocol, behorende bij de UNECE Convention on Long Range Transboundary Air Pollution (LRTAP), voor de Europese Unie en haar lidstaten gelden. Het proces van ratificatie van het Gotenburg Protocol is vrijwel afgerond en het protocol zal op korte termijn in werking treden. Vanaf het jaar 2020 worden in het Gotenburg Protocol voor alle verdragspartijen nieuwe emissiereductiedoelstellingen vastgesteld voor zwaveldioxide, (SO2), stikstofoxide (NOx), vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS), ammoniak (NH3) en fijn stof (PM2,5). Daarnaast wordt in het Gotenburg Protocol de reductie van de emissie van zwarte koolstof bepleit en wordt aangedrongen op het verzamelen en bewaren van informatie over de nadelige effecten van de concentratie en afzetting van luchtverontreinigende stoffen op de menselijke gezondheid en het milieu. Vanaf 2020 gaan de nieuwe emissiereductieverbintenissen gelden, uitgedrukt als reductiepercentages met als referentiejaar 2005. Hierin wijkt het herziene Gotenburg Protocol – en daarmee de verplichtingen uit de nec-richtlijn die hierbij aansluiten – af van het oorspronkelijke protocol: er geen sprake meer van absolute emissieplafonds (in kilotonnen) maar reductieprecentages ten opzichte van 2005. In de Nederlandse en Europese uitvoeringspraktijk wordt nog wel steeds van emissieplafonds, en tevens van de «nec-richtlijn» gesproken. Dit besluit sluit hierbij aan.

De plafonds die voor 2020 zijn vastgesteld gelden tot en met 2029. Vanaf 2030 en verder gelden nieuwe reductiepercentages. Om aantoonbare vorderingen op weg naar de verbintenissen voor 2030 te waarborgen, wordt in 2025 getoetst in hoeverre de emissies zijn beperkt overeenkomstig het vastgestelde reductietraject. De richtlijn heeft tot doel het aantal vroegtijdige sterfgevallen als gevolg van luchtverontreiniging in 2030 te halveren.

De nec-richtlijn stelt per lidstaat bindende nationale emissiereductieverbintenissen vast voor antropogene atmosferische emissies van lidstaten van zwaveldioxide, (SO2), stikstofoxide (NOx), vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS), ammoniak (NH3) en fijn stof (PM2,5). Met uitzondering van fijn stof golden voor deze stoffen onder richtlijn nr. 2001/81/EG plafonds. Gezien de effecten op de menselijke gezondheid is er voor gekozen fijn stof op te nemen in het herziene Gotenburg Protocol en de nec-richtlijn. Lidstaten zijn verplicht maatregelen te treffen om hun antropogene emissies te beheersen en in 2025 te beperken tot niveaus die aan de hand van een lineair reductietraject zijn bepaald, tenzij dit buitensporige kosten met zich meebrengt. Indien de emissiereducties in 2025 niet volgens het lineaire reductietraject verlopen, moet gemotiveerd worden waarom dit traject niet gevolgd is. Overeenkomstig het Gotenburg Protocol voorziet ook de nec-richtlijn onder strikte voorwaarden in een aantal flexibiliteitmechanismen en kunnen in geval van bijzondere klimatologische omstandigheden gemiddelden over enkele jaren worden verspreidt of kan de emissiereductie tussen stoffen gecompenseerd worden.

Daarnaast bevat de richtlijn de verplichting om nationale programma’s ter beheersing van de luchtverontreiniging op te stellen, vast te stellen en uit te voeren. Nederland zal de emissiereductie doelstellingen voor de diverse stoffen in dit programma opnemen. Het nationale programma moet voor het eerst uiterlijk 1 april 2019 gereed zijn en moet worden opgesteld met gebruikmaking van openbare inspraakprocedures overeenkomstig richtlijn nr. 2003/35/EG.1 Het programma moet tenminste om de vier jaar worden geactualiseerd. Ook bepaalt de richtlijn dat de emissies van de verontreinigende stoffen gemonitord moeten worden en daarna aan de Europese Commissie gerapporteerd moeten worden. Richtlijn nr. 2001/81/EG bevatte enkel de verplichting om nationale emissie-inventarissen op te stellen. De verplichtingen die de nec-richtlijn hieraan toevoegt is dat ook de effecten van luchtverontreiniging op ecosystemen moeten worden gemonitord. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de gegevens die zijn verzameld onder andere monitoringprogramma’s, zoals de Kaderrichtlijn Water.

De emissie-inventarissen en de -prognoses moeten overeenkomstig de methoden uit bijlage IV bij de nec-richtlijn worden opgesteld. Net als onder richtlijn nr. 2001/81/EG het geval was, wordt vervolgens bepaald dat de methoden die in het kader van LRTAP (de rapportage richtsnoeren van EMEP) zijn vastgesteld en het EMEP/EEA-richtsnoer voor de inventarisatie van emissies van luchtverontreinigende stoffen (EMEP/EEA-richtsnoer) moeten worden toegepast. Bijlage IV geeft daarnaast een aantal specificaties en aanvullingen op deze methoden en richtsnoeren. Ingevolge deze methoden worden emissies deels gemeten en deels door middel van een collectieve schatting vastgesteld (een berekening van de emissies aan de hand van onder meer type installatie, energieverbruik en aantal draaiuren).

3. Besluit uitvoering EG-richtlijn nationale emissieplafonds

Het merendeel van de bepalingen van de nec-richtlijn betreft bepalingen die niet in nationaal recht omgezet dienen te worden. Net als bij de implementatie van richtlijn nr. 2001/81/EG worden de bepalingen omtrent de monitoring, artikelen 8 en 9, en rapportage, artikel 10, van de nec-richtlijn, wel in de regelgeving opgenomen.

Om verwerking van gegevens mogelijk te maken is noodzakelijk dat het doel waarvoor de gegevens vergaard worden wettelijk verankerd is. Tevens is het noodzakelijk een grondslag te benoemen op basis waarvan de structurele informatie-uitwisseling tussen verschillende overheidslagen plaatsvindt. De gegevens die noodzakelijk zijn voor het opstellen van de emissie-inventarissen en -prognoses worden hoofdzakelijk verkregen uit de rapportages en verslagen die bedrijven moeten opstellen in het kader van de PRTR-verordening2. Hoofdstuk 12 van de Wet milieubeheer bevat de implementatie van deze verordening en bevat een grondslag voor het opvragen van informatie. Daarnaast worden gegevens gerapporteerd op basis van rapportageverplichtingen die in vergunningen zijn opgenomen. Ten slotte wordt bij het opstellen van de emissie-inventarissen en -prognoses gebruik gemaakt van berekeningen op basis van generieke gegevens. Het Besluit uitvoering EG-richtlijn nationale emissieplafonds voorziet in de deze punten. Artikel I, onderdeel B, van dit besluit wijzigt artikel 2 van het Besluit uitvoering EG-richtlijn nationale emissieplafonds en implementeert de artikelen 8 en 9 van nec-richtlijn.

Ook de rapportageverplichting van artikel 10 van de nec-richtlijn wordt geïmplementeerd in het Besluit uitvoering EG-richtlijn nationale emissieplafonds. De uitvoering van deze verplichting geschiedt door een feitelijke handeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, waardoor implementatie in de regelgeving strikt genomen niet noodzakelijk is. Met name om aan de Europese Commissie duidelijk te maken hoe de rapportageplicht is vormgeven wordt deze bepaling door Artikel I, onderdeel C, van dit besluit wel in het Besluit uitvoering EG-richtlijn nationale emissieplafonds opgenomen. Hiermee wordt aangesloten bij de wijze waarop richtlijn nr. 2001/81/EG geïmplementeerd was.

4. Uitvoering en handhaving

Het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) is belast met het opstellen van de nationale emissie-inventarissen en -prognoses. Het RIVM maakt hierbij gebruik van bijdragen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het RIVM had deze taak ook onder richtlijn nr. 2001/81/EG. Tevens is het RIVM verantwoordelijk voor de monitoring onder het LRTAP-verdrag. De taakopdracht aan het RIVM was ter implementatie van richtlijn 2001/81/EG in de Wet inzake de luchtverontreiniging opgenomen. Op basis van de Wet op het RIVM is een dergelijke wettelijke taakopdracht niet vereist, aangezien het RIVM op basis van artikel 3 van de Wet op het RIVM al tot taak heeft onderzoek verrichten op het terrein van milieu, voor zover dit onderzoek is opgenomen in het meer-jarenactiviteitenprogramma, bedoeld in artikel 4 van de Wet op het RIVM. De taken die het RIVM ter uitvoering van nec-richtlijn uitvoert zijn opgenomen in het meerjaren-activiteitenprogramma.

5. Gevolgen

De wijziging van het Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds brengt geen wijziging in de lasten en kosten van het bedrijfsleven of burgers met zich mee. Er worden geen nieuwe informatieverplichtingen of nalevingeisen gesteld. De registratie van emissiegegevens liggen primair bij het RIVM, met bijdragen van PBL. De prognoses worden primair verzorgd door PBL, met bijdragen van het RIVM. De kosten voor de Rijksoverheid voor het opstellen van de nationale emissie-inventarissen en de -prognoses worden geraamd op gemiddeld EUR 500.000 per jaar.

6. Consultatie en notificatie

Aangezien sprake is van één-op-één implementatie van Europese regelgeving waarbij EU-lidstaten geen beleidsvrijheid hebben, heeft over dit besluit geen publieke of bestuurlijke consultatie plaatsgevonden noch is het gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter voldoening aan artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241).

7. Relatie Omgevingswet

De nec-richtlijn zal uiteindelijk worden opgenomen in het stelsel van de Omgevingswet. De Wet op de luchtverontreiniging en het Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds zullen dan worden ingetrokken. Uitgangspunten bij de stelselherziening zijn onder meer dat Europese regelgeving daar waar mogelijk op uniforme wijze wordt geïmplementeerd en dat de systematiek en transparantie van het stelsel gewaarborgd wordt. Hierdoor worden meer onderdelen van de nec-richtlijn in het stelsel van de Omgevingswet geïmplementeerd dan het geval is in het huidige stelsel.

Zo is het streven om de plicht uit artikel 6 van de richtlijn om een nationaal programma ter beheersing van de luchtverontreiniging toe te voegen aan artikel 3.9 van de Omgevingswet. Dit artikel bevat programma’s voor het Rijk die wettelijk zijn voorgeschreven ter implementatie van EU-richtlijnen zoals het actieplan geluid uit de richtlijn omgevingslawaai, het stroomgebiedsbeheerplan uit de kaderrichtlijn water en het overstromingsrisicobeheerplan uit de richtlijn overstromingsrisico’s. Op basis van afdeling 2.5 van de Omgevingswet kunnen vervolgens in onderliggende besluiten inhoudelijke eisen aan het nationale programma ter beheersing van de luchtverontreiniging worden verbonden. Hierbij zal nauw worden aangesloten bij de toepasselijke bepalingen van de nec-richtlijn. Er zullen geen aanvullende eisen gesteld worden. Voor de procedurele vereisten rondom de vaststelling van het programma bevat afdeling 16.8 van de Omgevingswet bepalingen. Uitgangspunt is deze vereisten zoveel mogelijk te beperken en voor alle programma’s te uniformeren, met name daar waar het inspraakprocedures en toegang tot milieu-informatie betreft. Aangezien veel Europese regelgeving, waaronder ook de nec-richtlijn, hiervoor zelf ook verwijzen naar uniformerende internationale en Europese regels zoals het Verdrag van Aarhus en de richtlijnen nrs. 2003/35/EG en 2003/4/EG3, bewerkstelligt ook dit een uniformering.

Daarnaast is in de memorie van toelichting op de Omgevingswet aangegeven dat de bindende nationale emissiereductieverbintenissen voor antropogene atmosferische emissies van lidstaten van zwaveldioxide, (SO2), stikstofoxide (NOx), vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS), ammoniak (NH3) en fijn stof (PM2,5) kunnen worden vormgegeven als omgevingswaarden. De besluitvorming over de vraag of de NEC-plafonds als omgevingswaarden worden vastgesteld, volgt nog. De implementatie zal in elk geval zo worden vormgegeven dat deze programmaplicht op het Rijk zal rusten en niet op lokale overheden. Deze verplichtingen sluiten aan bij hetgeen de nec-richtlijn hierover bepaalt en bevatten geen verdergaande eisen.

In paragraaf 9 wordt in de transponeringstabel een doorkijkje gegeven naar de wijze waarop nec-richtlijn waarschijnlijk onder de Omgevingswet geïmplementeerd zal worden. Bij het opstellen de betreffende wetgevingshandelingen zal hierover definitief besloten worden en zal een definitieve implementatietabel worden opgenomen.

8. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na de publicatie van het Staatsblad waarin het gepubliceerd wordt. Hiermee wordt ten behoeve van de tijdige implementatie van EU-regelgeving afgeweken van de in aanwijzing 74 van de Aanwijzingen voor de Regelgeving bepaalde vaste verandermomenten. De nec-richtlijn is in werking getreden op 31 december 2016. Richtlijn nr. 2001/81/EG wordt met ingang van 1 juli 2018 ingetrokken met uitzondering van de artikelen 1 en 4 en bijlage I die van kracht blijven tot 31 december 2019 en de artikelen 7 en 8 en bijlage III die zijn ingetrokken per 31 december 2016. De artikelen 1 en 4 en bijlage I bevatten de vigerende nationale emissieplafonds. De uitgestelde intrekking maakt duidelijk dat de nieuwe nationale emissiereductieverbintenissen per 2020 gaan gelden. De artikelen 7 en 8 bevatten de monitorings- en rapportageverplichtingen. Deze zijn per 31 december 2016 ingetrokken. Op dat moment zijn de nieuwe artikelen 8 en 10 inzake monitoring en rapportage in werking getreden. Hiermee wordt voldaan aan de internationale monitoring- en rapportageverplichtingen op basis van LRTAP en het Gotenburg Protocol. De oude artikelen zijn ingetrokken om te voorkomen dat twee monitorings- en rapportageregimes naast elkaar bestaan. Artikel 20 van de richtlijn bepaalt dat lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijk bepalingen 1 juli 2018 in werking doen treden, met uitzondering van de bepalingen die nodig zijn om aan artikel 10, tweede lid, van de richtlijn te voldoen. De bepalingen die artikel 10, tweede lid, uitvoeren, dienen 15 februari 2017 gereed te zijn, het moment waarop ook de eerste rapportage onder het Gotenburg Protocol gedaan moet worden. Zoals hierboven beschreven betreft de uitvoering van artikel 10, tweede lid, een feitelijke handeling die door de Minister van Infrastructuur en Milieu uitgevoerd zal worden, waardoor implementatie in regelgeving niet noodzakelijk is. Hoewel artikel 8 pas per 1 juli 2018 in de Nederlandse regelgeving moet zijn omgezet, moet de monitoring feitelijk al wel voldoen aan de vereisten van de nec-richtlijn. Het Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds wordt dan ook zo snel mogelijk aangepast. Tot de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit zal het Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds richtlijn conform worden uitgevoerd. Nederland voldoet momenteel inhoudelijk aan de nieuwe monitorings- en rapportagevereisten en heeft op 15 februari 2017 de eerste rapportage overeenkomstig de nec-richtlijn ingediend.

9. Transponeringstabel

Bepaling EU-regeling

Bepaling in implementatie-regeling of in bestaande regelgeving; toelichting indien niet geïmplementeerd of uit zijn aard geen implementatie behoeft

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van beleidsruimte

1. Doelstelling en onderwerp

Behoeft naar aard geen implementatie

   

2. Toepassingsbereik

Behoeft naar aard geen implementatie

   

3. Definities

Niet implementeerd, termen worden niet in de wetgeving gebruikt

   

4. Nationale emissiereductieverbintenissen

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de lidstaat

 

– Worden momenteel opgenomen in het nationaal programma ogv artikel 6

– Afdeling 2. 3 Omgevingswet jo Besluit kwaliteit leefomgeving

5. Vormen van flexibiliteit

– eerste tot en met vijfde lid

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de lidstaat

   

– zesde tot en met achtste lid

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de Commissie

   

6. Nationaal programma

– eerste tot en met vierde lid

Behoeft naar aard geen implementatie, betreft feitelijk handelen van de lidstaat

 

Afdeling 3.2 Omgevingswet jo Besluit kwaliteit leefomgeving

– vijfde lid

Reeds geïmplementeerd artikel 4.1a Wet milieubeheer

 

Afdeling 16.3 Omgevingswet

– zesde tot en met tiende lid

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de Commissie

   

7. Financiële steun

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de Commissie

   

8. Nationale emissie-inventarissen en prognoses

– eerste tot en met vierde lid

Artikel 2, eerste lid, Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds

 

Besluit kwaliteit leefomgeving

– vijfde lid

Artikel 2, tweede lid, Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds

 

Besluit kwaliteit leefomgeving

– zesde en zevende lid

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de Commissie

   

9. Monitoring effecten

– eerste lid

Artikel 2, eerste lid, Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds

   

– tweede lid

Artikel 2, tweede lid, Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds

   

– derde lid

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de Commissie

   

10. Rapportering

– eerste en tweede lid

Behoeft naar aard geen implementatie, betreft feitelijk handelen van de lidstaat, tbv transparantie geïmplementeerd in artikel 3 Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds

   

– derde lid

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de Commissie

   

– vierde lid

Behoeft naar aard geen implementatie, betreft feitelijk handelen van de lidstaat, tbv transparantie geïmplementeerd in artikel 3 Besluit uitvoering EU-richtlijn nationale emissieplafonds

   

11. Verslagen van de Commissie

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de Commissie

   

12. Europees Forum voor schone lucht

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de Commissie

   

13. Evaluatie

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de Commissie

   

14. Toegang tot informatie

– eerste lid

Reeds geïmplementeerd hoofdstuk 19 Wet milieubeheer

 

Afdeling 20.2 Omgevingswet

– tweede en derde lid

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de Commissie

   

15. Samenwerking

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de Unie en voor zover gericht tot lidstaten feitelijke handeling

   

16. Bevoegdheidsdelegatie

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de Commissie

   

17. Comiteprocedure

Behoeft naar aard geen implementatie, gericht tot de Commissie

   

18. Sancties

Niet geïmplementeerd

 

Voor het zover nationaal programma uitvoeringsbepalingen bevat zal de sanctionering via de geldende regelgeving en vergunningverlening verlopen

19. Wijziging ri 2003/35/EG

Behoeft naar aard geen implementatie

   

20. Omzetting

Behoeft naar aard geen implementatie, feitelijke handeling door lidstaat

   

21. Intrekking en overgang

Behoeft naar aard geen implementatie

   

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L156)

X Noot
2

Verordening (EG) nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging va richtlijn 91/698/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEG L33)

X Noot
3

Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PbEU L 41)

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbij behorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Naar boven