Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2017, 400AMvB

Besluit van 12 oktober 2017 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband met de uitvoering van verordening (EU) nr. 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PbEU 2016, L 171) (Besluit uitvoering verordening financiële benchmarks)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 31 augustus 2017, 2017-0000165710, directie Financiële Markten;

Gelet op de artikelen 1:25, derde lid, 1:80, onderdeel b, 1:81, tweede en derde lid, 1:82, tweede lid, 4:22, eerste lid, 4:33, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 september 2017, nr. W06.17.0258/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 4 oktober 2017, 2017-0000192893, directie Financiële Markten;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, een definitie toegevoegd, luidende:

verordening (EU) nr. 2016/1011 (benchmarks):

Verordening (EU) nr. 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PbEU 2016, L 171).

B

Aan artikel 2, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • r. voor verordening (EU) nr. 2016/1011 (benchmarks): de Autoriteit Financiële Markten.

C

Aan het slot van artikel 7 wordt voor de punt een zinsnede ingevoegd, luidende: en verordening (EU) nr. 2016/1011 (benchmarks).

D

Aan bijlage 1 wordt na het onderdeel «Verordening (EU) nr. 2015/751 (afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties)» een onderdeel toegevoegd, luidende:

Verordening (EU) nr. 2016/1011 (benchmarks)

Artikelen 4, 5, 6, 7, 8, eerste lid, 9, 10, eerste en derde lid, 11, 12, 13, 14, 15, eerste, tweede, vierde tot en met zesde lid, 16, 18, 19, eerste lid, 21, eerste en derde lid, 23, tweede, derde, vijfde, zesde en elfde lid, 24, derde lid, 25, tweede, zevende tot en met negende lid, 26, tweede, derde en vijfde lid, 27, 28, 29, 34, eerste en tweede lid.

E

Aan bijlage 2 wordt na het onderdeel «Verordening (EU) nr. 2015/751 (afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties)» een onderdeel toegevoegd, luidende:

Verordening (EU) nr. 2016/1011 (benchmarks)

Boetecategorie 3: artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, eerste en derde lid, 11, 12, 13, 14, 15, eerste, tweede, vierde tot en met zesde lid, 16, 18, 19, eerste lid, 21, eerste en derde lid, 23, tweede, derde, vijfde, zesde en elfde lid, 24, derde lid, 25, tweede, zevende tot en met negende lid, 26, tweede, derde en vijfde lid, 27, 28, 29, 34, eerste en tweede lid.

ARTIKEL II

Het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 51b wordt, onder verlettering van de onderdelen f tot en met n tot g tot en met o, een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • f. indien kredieten worden aangeboden die een debetrentevoet gebruiken die gebaseerd is op een benchmark als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 3, van de verordening financiële benchmarks: de namen van de benchmarks en de beheerders daarvan, alsmede de mogelijke gevolgen voor de consument;.

B

In artikel 112 wordt, onder vernummering van het derde tot en met achtste lid tot vierde tot en met negende lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. De aanbieder of de bemiddelaar, indien de kredietovereenkomst tot stand is gekomen door tussenkomst van een bemiddelaar, anders dan als nevenactiviteit, verstrekt in aanvulling op de informatie, bedoeld in het eerste lid, de naam van de benchmark en de beheerder daarvan, alsmede de mogelijke gevolgen voor de consument, indien de kredietovereenkomst is afgesloten na 30 juni 2018 en een debetrentevoet gebruikt die is gebaseerd op een benchmark als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 3, van de verordening financiële benchmarks.

ARTIKEL III

In artikel 10, eerste lid, van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector vervalt in de tabel «Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft» de rij «51b» met boetecategorie 1 en wordt «artikel 112» vervangen door: 112.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2018, met uitzondering van artikel II, dat in werking treedt met ingang van 1 juli 2018.

ARTIKEL V

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering verordening benchmarks.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 12 oktober 2017

Willem-Alexander

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

Uitgegeven de zevenentwintigste oktober 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

§ 1. Inleiding

Dit besluit geeft, samen met de Wet uitvoering verordening financiële benchmarks, uitvoering aan verordening (EU) nr. 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PbEU 2016, L 171) (hierna: de verordening financiële benchmarks). De verordening vormt, samen met de gewijzigde verordening en richtlijn marktmisbruik (Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (PbEU 2014, L 173) en Richtlijn nr. 2014/57/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik (PbEU 2014, L 173)), de Europese reactie op enkele spraakmakende fraudezaken met betrekking tot benchmarks als LIBOR en EURIBOR. Voor een nadere toelichting op de inhoud van de verordening financiële benchmarks wordt verwezen naar de memorie van toelichting van de Wet uitvoering verordening financiële benchmarks.1

§ 2. Inhoud besluit

Onderhavig besluit wijzigt het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten (BuEU), het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo) en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs). De wijzigingen in het BuEU behelzen het aanwijzen van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) als toezichthouder wat betreft de verordening financiële benchmarks. Daarmee samenhangend maken de wijzigingen van het BuEU het mogelijk dat de AFM een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete op kan leggen bij overtreding van de verordening financiële benchmarks of daarop gebaseerde lagere Europese regelgeving.

De aanpassing van het BGfo ziet op de wijzigingen die de verordening financiële benchmarks aanbrengt in de richtlijn consumentenkrediet2 en de richtlijn hypothecair krediet.3 De verordening financiële benchmarks voegt concreet aan artikel 5, eerste lid, van de richtlijn consumentenkrediet en artikel 13, eerste lid, van de richtlijn hypothecair krediet onderdelen toe die duidelijk maken dat indien een benchmark wordt gebruikt in een krediet er bepaalde informatie over de benchmark aan de consument moet worden verstrekt. Voornoemde bepalingen uit beide richtlijnen zijn geïmplementeerd in de artikelen 51b en 112 van het BGfo. Deze bepalingen uit het BGfo worden in lijn gebracht met de gewijzigde richtlijnartikelen. Voor een nadere toelichting zij verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

§ 3. Gevolgen voor het bedrijfsleven

Het besluit introduceert geen nieuwe informatieplichten ten opzichte van de verordening financiële benchmarks en leidt daarom niet tot additionele administratieve lasten.

Wat betreft de nalevingskosten zijn de wijzigingen van het BGfo relevant. Op basis van deze aanpassingen (zie Artikel II) worden aanbieders van krediet expliciet verplicht om in de precontractuele fase consumenten in voorkomend geval te informeren over de in het krediet gebruikte benchmark. Deze plicht zal naar verwachting tot geringe additionele nalevingskosten leiden. Aanbieders zijn reeds verplicht allerhande informatie over het krediet beschikbaar te stellen in de precontractuele fase. Zo informatie over de gebruikte benchmark niet reeds wordt verschaft, mag verwacht worden dat er geen ingrijpende wijzigingen van interne procedures en systemen nodig zijn om ook informatie over de benchmark mee te nemen in de informatieverstrekking aan de klant. Ook de Europese Commissie geeft in de effectenbeoordeling bij de verordening financiële benchmarks aan dat de verordening wat betreft aanbieders van krediet weinig tot geen effect zal hebben. Deze inschatting was overigens gebaseerd op een verdergaande voorloper van de huidige artikelen 57 en 58 van de verordening waarbij aanbieders van krediet niet alleen moesten informeren over de gebruikte benchmark, maar ook de geschiktheid van de gebruikte benchmark moesten beoordelen voor de consument.

§ 4. Consultatie

Het ontwerpbesluit is van 19 juni 2017 tot en met 16 juli 2017 ter consultatie voorgelegd via www.internetconsultatie.nl. Naar aanleiding van de consultatie is één reactie ontvangen. Het betreft een openbare reactie van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB). In deze paragraaf wordt de reactie toegelicht.

In de consultatiereactie van de NVB wordt een zestal opmerkingen geplaatst bij het besluit. Ten eerste vraagt de NVB om de taakverdeling tussen de AFM en DNB/ECB in de toelichting te verhelderen.

In dit besluit wordt, in navolging van de verplichting die voortvloeit uit artikel 40 van de verordening, de AFM aangewezen als toezichthouder wat betreft de verordening financiële benchmarks. De AFM is derhalve als enige toezichthouder in Nederland belast met het toezicht op de naleving van de verordening, waaronder de bepalingen van de verordening die van toepassing zijn op contribuerende partijen.

De NVB verwijst in haar reactie voorts naar de betrokkenheid van DNB bij het onderzoek naar benchmarkmanipulatie in 2014. In dit onderzoek werd onderzocht of in strijd was gehandeld met de generieke regels inzake de integere en beheerste bedrijfsvoering die voortvloeien uit de artikelen 3:10 en 3:17 van de Wft. Het toezicht op deze regels wordt gehouden door DNB. Artikel 16 van de verordening stelt specifieke regels ten aanzien van het bijdrageproces waarop door de AFM wordt toegezien. Om de expertise wat betreft benchmarks zoveel mogelijk bij één toezichthouder te laten, is ervoor gekozen om de AFM als toezichthouder op dit gebied aan te wijzen. Uiteraard geldt ten aanzien van de algemene regels inzake de integere en beheerste bedrijfsvoering dat DNB de eerste bevoegde toezichthouder blijft. Op grond van Het Samenwerkingsconvenant tussen de Stichting Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank N.V. zullen de AFM en DNB hun optreden op het gebied van integere en beheerste bedrijfsvoering met elkaar afstemmen.

Tot slot vraagt de NVB in dit kader naar de verhouding tussen de toezichtbevoegdheden van de ECB ten aanzien van risicobeheerprocessen en interne controlemechanismen etc. en het toezicht van de AFM op de verordening financiële benchmarks. Het toezicht van de ECB op voornoemd gebied staat op zichzelf en een eventuele nadere taakverdeling tussen nationale en Europese autoriteiten zal op Europees niveau moeten worden uitgewerkt. De Europese wetgever heeft in ieder geval niet voorzien in direct toezicht door de ECB of een andere Europese autoriteit op (delen van) de verordening.

Ten tweede vraagt de NVB om in de toelichting te verduidelijking hoe ver de bevoegdheden van de AFM om toezicht te houden en sancties op te leggen reiken en hoe deze bevoegdheden zich verhouden ten aanzien van de bevoegdheden van toezichthouders uit andere lidstaten en derde landen.

De verordening regelt in artikel 2 het toepassingsgebied. In voornoemd artikel is bepaald dat de verordening van toepassing is op het aanbieden van benchmarks, het inbrengen van inputgegevens voor een benchmark en het gebruik van een benchmark in de Europese Unie. De verordening regelt niet de concrete bevoegdheidsverdeling tussen de Europese toezichthouders. Aangenomen mag worden dat de bevoegdheidsverdeling van de Europese toezichthouders in eerste instantie wordt bepaald door de plaats van de zetel van de desbetreffende onder toezicht staande entiteit. Een beheerder die in België zijn zetel heeft, zal in principe onder toezicht staan van de Belgische toezichthouder, terwijl een contribuant met zetel in Nederland onder toezicht zal staan van de AFM. Dat geldt ook indien voornoemde partijen dochterondernemingen zijn van een moeder met zetel in een ander land. In situaties waarbij de bevoegdheidsverdeling op voorhand wellicht minder duidelijk is, bijvoorbeeld wanneer een contribuant concreet vanuit een bijkantoor bijdraagt aan een benchmark ligt het voor de hand dat de desbetreffende toezichthouders samen afspraken maken. Met het oog op de samenwerking tussen nationale toezichthouder bevat de verordening regels met betrekking tot de samenwerking tussen Europese toezichthouders, zie de artikelen 37 tot en met 39. Bovendien dient voor een cruciale benchmark op grond van artikel 46 van de verordening door de toezichthouder van de beheerder van die benchmark een college van alle relevante toezichthouders ingesteld te worden.

Wat betreft toezichthouders uit derde landen geldt dat het sluiten van samenwerkingsregelingen onderdeel is van het derdelandenbeleid. Zie bijvoorbeeld artikel 30, vierde lid, van de verordening dat aan ESMA opdraagt om samenwerkingsregelingen te sluiten met bevoegde autoriteiten van derde landen waarvan het rechtskader en de toezichtpraktijk als gelijkwaardig is erkend. Verder geldt dat erkenning van een beheerder uit een derde land niet kan plaatsvinden zonder dat er sprake is van een samenwerkingsregeling tussen de relevante Europese toezichthouder en de toezichthouder van de beheerder uit het derde land, zo de beheerder in het derde land onder toezicht staat in dat land. Zie in dat opzicht artikel 32, vijfde lid, onderdeel a, van de verordening financiële benchmarks.

Ten derde vraagt de NVB nader te motiveren waarom is gekozen voor bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. Zij vraagt om bij die toelichting het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over rechtsbescherming in het punitieve bestuursrecht en het strafrecht te betrekken.

Voor de handhaving van de verordening benchmarks is primair gekozen voor bestuursrechtelijke handhaving door de AFM, die met dit besluit als toezichthouder wordt aangewezen. Om te voldoen aan de voorschiften van de verordening voor wat betreft de boetehoogte (minimaal moet bij bepaalde overtredingen een boete van € 1 miljoen of 10% van de omzet kunnen worden opgelegd), wordt een aantal overtredingen gerangschikt in de derde boetecategorie. Daarnaast is ervoor gekozen om voor overtreding van de kernbepalingen van de verordening ook strafrechtelijke vervolging mogelijk te maken op grond van de WED. Het gaat om de artikelen 29, eerste lid, en 34, eerste lid, van de verordening. In de memorie van toelichting bij de Wet uitvoering verordening financiële benchmarks is deze keuze toegelicht. De keuze om primair bestuursrechtelijk te handhaven en voor bepaalde kernverplichtingen ook strafrechtelijke vervolging mogelijk te maken sluit aan bij de bestaande praktijk op het gebied van financieel recht. Indien de kabinetsreactie op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State waaraan de NVB refereert daar aanleiding toe geeft, zal deze praktijk integraal worden bezien.

Het vierde punt dat door de NVB in haar consultatiereactie wordt aangehaald is om in de toelichting bij het besluit op te nemen dat een renteverlenging binnen een bestaande kredietovereenkomst na 30 juni 2018 niet binnen de scope van de nieuwe regels valt.

De wijzigingen die het besluit aanbrengt in artikel 51b van het BGfo zien op algemene informatie over de door een aanbieder aangeboden hypothecaire kredieten die de aanbieder bijvoorbeeld op zijn website op moet nemen. Relevant is derhalve of de aanbieder op 1 juli 2018 hypothecaire kredieten aanbiedt die gebruik maken van een benchmark, niet of een lopende kredietovereenkomst na 1 juli 2018 wordt aangepast.

Artikel 112 BGfo ziet op informatie die moeten worden verstrekt voorafgaand aan de totstandkoming van een specifieke overeenkomst inzake krediet. Indien er op of na 1 juli 2018 een nieuwe kredietovereenkomst wordt afgesloten, zal de aanbieder van het krediet gehouden zijn bepaalde informatie over de in dat krediet gebruikte benchmark te verstrekken. Of een rentewijziging in een lopend krediet al dan niet kwalificeert als het aangaan van een nieuwe overeenkomst inzake krediet zal afhankelijk zijn van de concrete omstandigheden van het geval.

Ten vijfde vraagt de NVB toe te lichten wat wordt verstaan onder de «mogelijke gevolgen voor de consument», waar de aanbieder van krediet informatie over dient te verschaffen op grond van de gewijzigde artikelen 51b en 112 BGfo.

Ten aanzien van «de mogelijke gevolgen voor de consument» geldt dat de verplichting tot opname van deze informatie voortvloeit uit de artikelen 57 en 58 van de verordening. De verordening specificeert niet welke informatie in dit kader concreet moet worden verstrekt. In ieder geval mag aangenomen worden dat het voor de consument relevante informatie moet zijn. De informatie waar de NVB aan refereert kan inderdaad relevant zijn voor de consument. Het is evenwel aan de Europese wetgever om eventuele nadere duiding te geven aan het begrip «mogelijk gevolgen voor de consument».

Tot slot voert de NVB in haar consultatiereactie aan dat in artikel II, onderdeel A, niet is verwerkt dat deze wijziging van de regels omtrent hypothecair krediet per 1 juli 2018 in werking zou moeten treden.

De artikelen 57 en 58 van de verordening bepalen inderdaad dat de wijzigingen ten aanzien van de regels omtrent (hypothecair) krediet per 1 juli 2018 moeten zijn omgezet in nationaal recht dat ze per die datum moeten worden toegepast. Dit volgde niet duidelijk uit de artikelen II en IV van de consultatieversie van het besluit. Het besluit en de nota van toelichting zijn daarom aangepast.

§ 5. Transponeringstabel

Gebruikte afkortingen:

Bbbfs

Besluit bestuurlijke boetes financiële sector

BGfo

Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft

BuEU

Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten

Sr

Wetboek van Strafrecht

Sv

Wetboek van Strafvordering

WED

Wet op de economische delicten

Wft

Wet op het financieel toezicht

De verordening is rechtstreeks van toepassing en hoeft derhalve in principe niet geïmplementeerd te worden in nationale wet- en regelgeving. In onderstaande tabel zijn daarom alleen de bepalingen vermeldt die tot implementatie in nationale wet- en regelgeving zouden kunnen leiden. Meer concreet gaat het om de bepalingen uit de verordening financiële benchmarks op het gebied van toezicht en handhaving en de wijzigingen die de verordening aanbrengt in de richtlijn consumentenkrediet en de richtlijn hypothecair krediet.

Transponeringstabel behorende bij verordening (EU) nr. 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PbEU 2016, L 171)

Artikel, -lid of -onderdeel verordening

Te implementeren in

Bijzonderheden

Artikel 40, eerste lid

Artikelen 1 en 2 van het BuEU

 

Artikel 41, eerste lid, onderdeel a

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit artikel 1:72 Wft jo. artikel 5:17 Awb

Artikel 41, eerste lid, onderdeel b

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit artikel 1:72 Wft jo. artikel 5:16 Awb en artikel 1:74, eerste lid, Wft

Artikel 41, eerste lid, onderdeel c

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit artikel 1:72 Wft jo. artikel 5:16 Awb en artikel 1:74, eerste lid, Wft

Artikel 41, eerste lid, onderdeel d

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit artikel 1:72 Wft jo. artikel 5:15, eerste lid en artikel 5:17 Awb

Artikel 41, eerste lid, onderdeel e

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit artikel 1:72 Wft jo. artikel 5:15, eerste lid en artikel 5:17 Awb

Artikel 41, eerste lid, onderdeel f

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit artikel 1:72 Wft jo. artikel 5:16 Awb en artikel 5:17 Awb

Artikel 41, eerste lid, onderdeel g

Artikel 1, onder 2°, WED

De wetswijziging betreft de strafbaarstelling. De inzet van de bevoegdheid door het OM volgt verder uit artikel 18 WED en Eerste Boek, titel IV, derde afdeling, Sv

Artikel 41, eerste lid, onderdeel h

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit de artikelen 1:75 en 1:79 Wft

Artikel 41, eerste lid, onderdeel i

Artikel 1:87, eerste lid, Wft

 

Artikel 41, eerste lid, onderdeel j

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit artikel 1:75 Wft

Artikel 41, tweede lid

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit de Hoofdstukken 1.3 en 1.4 Wft

Artikel 41, derde lid

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit de Hoofdstukken 1.3 en 1.4 Wft

Artikel 41, vierde lid

Behoeft geen implementatie

Deze bepaling werkt naar zijn aard rechtstreeks.

Artikel 42, eerste lid

Artikelen 1 en 2 van het BuEU

 

Artikel 42, tweede lid, onderdeel a

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit de artikelen 1:75 en 1:79 Wft.

Artikel 42, tweede lid, onderdeel b

Artikel 1, onder 2°, WED

De wetswijziging betreft de strafbaarstelling. De inzet van de bevoegdheid door het OM volgt verder uit de artikelen 8 WED en artikel 36e Sr.

Artikel 42, tweede lid, onderdeel c

Artikelen 1, 2 en 7 van het BuEU

 

Artikel 42, tweede lid, onderdeel d

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit artikel 35 van de verordening

Artikel 42, tweede lid, onderdeel e

Artikel 1:87, eerste lid, Wft

 

Artikel 42, tweede lid, onderdeel f

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit artikel 1:83 Wft

Artikel 42, tweede lid, onderdeel g

Artikelen 1, 2 5 en bijlage 2 van het BuEU

Hoewel de generieke bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen reeds volgt uit artikel 1:80 Wft, dient deze bevoegdheid ten aanzien van verordeningen middels een algemene maatregel van bestuur geoperationaliseerd te worden.

Artikel 42, tweede lid, onderdeel h

Artikelen 1, 2 en 5 en bijlage 2 van het BuEU

Hoewel de generieke bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen reeds volgt uit artikel 1:80 Wft, dient deze bevoegdheid ten aanzien van verordeningen middels een algemene maatregel van bestuur geoperationaliseerd te worden.

Artikel 43, eerste lid

Artikel 1a Bbbfs

Artikel 43, eerste lid, van de verordening bepaalt met welke omstandigheden toezichthouders in ieder geval rekening moeten houden bij het vaststellen van de boete in een concreet geval. Deze bepaling komt in meerdere Europese richtlijnen en verordeningen voor. Het Besluit uitvoering verordening marktmisbruik voegt een nieuwe artikel 1a in het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in ter implementatie van dit soort bepalingen. Deze bepaling treedt voor 1 juli 2018 in werking, waardoor implementatie van artikel 43, eerste lid, van de verordening niet nodig is.

Artikel 43, tweede lid

Behoeft geen implementatie

Samenwerking tussen toezichthouders uit verschillende lidstaten wordt geregeld door de verordening zelf.

Artikel 45

Behoeft geen implementatie

Volgt reeds uit de artikelen 1:97 tot en met 1:99 Wft

Artikel 57

Artikel 112, vierde lid, BGfo

 

Artikel 58

Artikel 51b, onderdeel f, BGfo

 

Artikelsgewijs

Artikel I

A

Onderdeel A voegt de verordening financiële benchmarks toe aan de opsomming in artikel 1 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten van verordeningen op het terrein van de financiële markten, waarop op basis van de Wet op het financieel toezicht (Wft) door de AFM of de Nederlandsche Bank toezicht wordt gehouden.

B

Onderdeel B voegt een nieuw onderdeel toe aan artikel 2 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Hierdoor wordt de AFM aangewezen als bevoegde autoriteit die belast is met de krachtens de verordening financiële benchmarks gestelde regels. Door de aanwijzing kan de AFM gebruik maken van het toezichts- en handhavingsinstrumentarium zoals dat is opgenomen in hoofdstuk 1.4 van de Wft.

C

Het gewijzigde artikel 7 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten regelt dat de toezichthouders bij overtredingen van voorschriften of verboden uit de verordening financiële benchmarks of bij overtreding van voorschriften of verboden die daarop zijn gebaseerd een waarschuwing of een verklaring kan publiceren.

D

Onderdeel D voegt diverse bepalingen van de verordening toe aan bijlage 1 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Hierdoor kan de AFM bij overtreding van die bepalingen een last onder dwangsom opleggen. Behoudens één uitzondering, zijn alle overtreedbare bepalingen aan de bijlage toegevoegd. Artikel 8, tweede lid, van de verordening financiële benchmarks is niet in de bijlage opgenomen. Dit artikel betreft een verplichting voor beheerders van benchmarks om bepaalde informatie omtrent het totstandkomingsproces tenminste vijf jaar te bewaren. Aangezien overtreding van deze bepaling niet meer onder dreiging van een last onder dwangsom kan worden beëindigd, heeft het enkel nog zin om in dat geval een boete op te leggen.

De artikelen 18 en 19 van de verordening, die zien op rentebenchmarks en grondstoffenbenchmarks, bepalen dat voor deze benchmarks specifieke vereisten uit de bijlagen van de verordening van toepassing zijn op het aanbieden en aanleveren van gegevens voor deze twee typen benchmarks. Die vereisten gelden (deels) in plaats van de vereisten uit titel II van de verordening. Het overtreden van de vereisten uit de bijlagen van de verordening is echter niet opgenomen in de opsomming van artikelen waarvan overtreding handhaafbaar moet zijn. Gezien het belang van de betreffende benchmarks is dat echter wel wenselijk. Om deze reden is er in dit besluit voor gekozen om de artikelen 18 en 19 toe te voegen aan bijlage 1 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, waardoor de AFM bij overtreding van die bepalingen een last onder dwangsom kan opleggen.

E

Onderdeel E voegt diverse bepalingen van de verordening financiële benchmarks toe aan bijlage 2 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Het gaat om bepalingen die aan marktpartijen een concrete norm opleggen. Door deze bepalingen in de bijlage op te nemen kan de AFM bij overtreding van die bepalingen een bestuurlijke boete opleggen.

Het merendeel van de beboetbare bepalingen uit de verordening financiële benchmarks betreft bedrijfsvoeringeisen. Vergelijkbare bepalingen in bijvoorbeeld het BGfo zijn in de tweede boetecategorie ingedeeld en kennen dus een maximale boete van € 1 miljoen. De verordening bepaalt in artikel 42 dat de maximale boete voor overtreding van de verordening minimaal € 1 miljoen moet bedragen of, indien dat hoger is, 10% van de omzet. Omzetgerelateerde boetes zijn volgens de systematiek van de artikelen 1:81 en 1:82 van de Wft echter alleen mogelijk bij overtredingen die in de derde categorie zijn geplaatst. Om te voldoen aan de verordening is er daarom geen andere mogelijkheid dan om alle beboetbare voorschriften van de verordening in de derde categorie te plaatsen. Hoewel dit een hogere categorie is dan in de regel wordt aangehouden, betreft het een maximum; de toezichthouder zal in een concreet geval een passende boete bepalen en kan daarmee ook rekening houden met de aard en herkomst van de regels die overtreden worden.

Ten aanzien van twee onderdelen uit artikel 11 voorziet de verordening een lager boetemaximum. Vanwege de samenhang met de rest van artikel 11 is ervoor gekozen om voor heel artikel 11 dezelfde categorie te hanteren.

De artikelen 18 en 19 van de verordening, die zien op rentebenchmarks en grondstoffenbenchmarks, bepalen dat voor deze benchmarks specifieke vereisten uit de bijlagen van de verordening van toepassing zijn op het aanbieden en aanleveren van gegevens voor deze twee typen benchmarks. Die vereisten gelden (deels) in plaats van de vereisten uit titel II van de verordening. Het overtreden van de vereisten uit de bijlagen van de verordening is echter niet opgenomen in de opsomming van artikelen waarvan overtreding handhaafbaar moet zijn. Gezien het belang van de betreffende benchmarks is dat echter wel wenselijk. Om deze reden is er in dit besluit voor gekozen om deze twee bepalingen in toe te voegen aan bijlage 2 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, waardoor de AFM bij overtreding ervan een bestuurlijke boete kan opleggen.

Artikel II

A

Dit onderdeel implementeert artikel 58, eerste lid, van de verordening financiële benchmarks. Artikel 58 van de verordening wijzigt artikel 13, eerste lid, van de richtlijn hypothecair krediet. Aan artikel 13, eerste lid, van voornoemde richtlijn wordt een onderdeel toegevoegd waarmee de aanbieder van krediet verplicht wordt om informatie beschikbaar te stellen over de benchmark indien door hem aangeboden kredietvormen gebruik maken van benchmarks.

Artikel 13, eerste lid, van de richtlijn hypothecair krediet is geïmplementeerd in artikel 51b van het BGfo. Deze wijzigingsopdracht voegt het nieuwe onderdeel met betrekking tot benchmarks toe aan de opsomming van elementen met betrekking tot de informatie die een aanbieder beschikbaar dient te stellen over de door hem aangeboden kredieten.

B

Met dit onderdeel wordt artikel 57, eerste lid, van de verordening financiële benchmarks geïmplementeerd. Voornoemde bepaling wijzigt artikel 5, eerste lid, van de richtlijn consumentenkrediet. Artikel 5, eerste lid, van voornoemde richtlijn bepaalt dat de aanbieder, of indien van toepassing de bemiddelaar, bepaalde informatie omtrent het krediet middels een standaardformulier voor het aangaan van het krediet aan de consument dient te verstrekken. De verordening financiële benchmarks voegt aan artikel 5 toe dat, indien van toepassing, ook informatie omtrent de gebruikte benchmark moet worden verstrekt.

Artikel 5, eerste lid, van de richtlijn is geïmplementeerd in artikel 112 van het BGfo. Daar artikel 57, eerste lid, van de verordening expliciet bepaalt dat de informatie over de benchmark in een apart document dient te worden verstrekt, is ervoor gekozen om niet het standaardformulier dat is opgenomen in bijlage D van het BGfo te wijzigen. In een nieuw derde lid van artikel 112 BGfo wordt daarom bepaald dat informatie over de benchmark in aanvulling op de informatie opgenomen in het voornoemde standaardformulier moet worden verstrekt. Het vierde lid (nieuw) bepaalt dat dergelijke aanvullende informatie in een afzonderlijk document dient te worden verstrekt.

Artikel 58, derde lid, van de verordening bepaalt dat de nieuwe informatieplicht die met dit wijzigingsonderdeel wordt geïmplementeerd niet van toepassing is op overeenkomsten inzake hypothecair krediet die zijn afgesloten voor 1 juli 2018, het moment dat de verordening financiële benchmarks van toepassing wordt. In het nieuwe derde lid van artikel 112 BGfo is daarom eveneens bepaald dat de plicht om informatie over de benchmark te verstrekken alleen van toepassing is op de kredietovereenkomsten die zijn afgesloten na 30 juni 2018.

Artikel III

De wijzigingen van het BGfo waarmee de wijzigingen worden geïmplementeerd die de verordening financiële benchmarks aanbrengt in de richtlijn consumentenkrediet en de richtlijn hypothecair krediet (zie artikel II) dienen beboetbaar te zijn. De relevante bepalingen uit het BGfo dienen derhalve opgenomen te worden in de tabel van artikel 10, eerste lid, van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Beide artikelen, namelijk de artikelen 51b en 112 van het BGfo, zijn reeds opgenomen in de tabel van artikel 10 van het Bbbfs. Wijziging van dat besluit is strikt genomen dan ook niet nodig. De tabel van artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector bleek echter enkele onvolkomenheden te bevatten wat betreft de artikelen 51b en 112 van het BGfo. Zo wordt artikel 51b tweemaal vermeld in de tabel met twee verschillende boetecategorieën. De vermelding met boetecategorie 1 vervalt. De vermelding van artikel 112 was tekstueel niet in lijn met de rest van de tabel. Concreet zal de term «artikel» vervallen met betrekking tot artikel 112.

Artikel IV

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit besluit. De bepalingen van de verordening zijn per 1 januari 2018 van toepassing. De artikelen uit de verordening die de richtlijn consumentenkrediet en de richtlijn hypothecair krediet wijzigen, dienen echter toepassing te vinden per 1 juli 2018. Onderhavig besluit zal daarom per 1 januari 2018 in werking treden, met uitzondering van artikel II. Dit artikel, dat het BGfo wijzigt ter implementatie van de gewijzigde kredietregels, treedt per 1 juli 2018 in werking.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem


X Noot
1

Kamerstukken II 2017/18, 34 789, nr. 3.

X Noot
2

Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PbEU 2008, L 133).

X Noot
3

Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PbEU 2014, L 60).

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.