Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2017, 341AMvB

Besluit van 8 september 2017, houdende aanpassing van het Besluit fondsen en spaarregelingen ten einde private financiering van cao-aanvullingen na de WW en op de WGA-uitkering mogelijk te maken in verband met de introductie van het derde WW-jaar en houdende aanpassing van het Besluit SUWI in verband met gegevenslevering aan uitvoerders van cao-regelingen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 mei 2017, nr. 2017-0000081558, gedaan mede namens Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

Gelet op de artikelen 631, derde lid, onderdeel c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en 73, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2017, no. W12.17.0133/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 september 2017, nr. 2017-0000143583, uitgebracht mede namens Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit fondsen en spaarregelingen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

  • 1. Een fonds als bedoeld in artikel 631, derde lid, onder c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid.

  • 2. Indien het een fonds betreft ter behartiging van algemene belangen van werknemers of werkgevers in een bedrijfstak gezamenlijk, voldoen de statuten en reglementen aan de voorschriften gesteld in titel 2.

  • 3. Indien het een overkoepelend fonds betreft ter behartiging van algemene belangen van werknemers of werkgevers in een of meer bedrijfstakken of in een of meer ondernemingen gezamenlijk, voldoen de statuten en reglementen aan de voorschriften gesteld in titel 2, met dien verstande dat in de artikelen 1c tot en met 1g in plaats van «het fonds» telkens wordt gelezen: het overkoepelende fonds.

  • 4. Betreft het een ander fonds dan bedoeld in het tweede of derde lid, dan voldoen de statuten en reglementen aan de voorschriften gesteld in titel 3.

B

Het opschrift van titel 2 komt te luiden: Titel 2. Fondsen ter behartiging van algemene belangen van werknemers of werkgevers.

C

Artikel 1a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «het fonds» vervangen door «een fonds als bedoeld in artikel 1, tweede of derde lid,» en vervalt de zinsnede «hetzij een verordening van een bedrijf of een hoofdbedrijfschap», onder vervanging van de puntkomma achter «(Stb. 1970, 69)» door een punt.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Uit de in het eerste lid bedoelde bepaling blijkt tevens:

    • a. welk bedrag ten behoeve van een fonds als bedoeld in artikel 1, tweede lid, door de werkgever op het loon van de werknemers mag worden ingehouden; of

    • b. welk percentage maximaal ten behoeve van een overkoepelend fonds als bedoeld in artikel 1, derde lid, door de werkgever op het loon van de werknemers mag worden ingehouden.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Het bestuur van een overkoepelend fonds informeert de werkgever telkens vóór 1 november van het lopende jaar over het besluit inzake het voor het daarop volgende jaar vastgestelde percentage, bedoeld in het tweede lid, onder b. De werkgever meldt dit percentage vóór 1 december van het lopende jaar schriftelijk of elektronisch aan de werknemers. Bij die mededeling wordt het besluit van het bestuur gevoegd.

  • 4. Nieuwe werknemers ontvangen de in het derde lid genoemde informatie uiterlijk op de dag van indiensttreding schriftelijk of elektronisch.

D

Artikel 1b komt te luiden:

Artikel 1b

De statuten of reglementen van een fonds als bedoeld in artikel 1, tweede of derde lid, houden de doelstellingen in, met een nauwkeurige aanduiding van de belangen die het fonds behartigt en de deelnemende bedrijfstak of bedrijfstakken dan wel de deelnemende onderneming of ondernemingen.

ARTIKEL II

Artikel 5.12 van het Besluit SUWI wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt «van de Belastingdienst afkomstige gegevens» vervangen door: mede van de Belastingdienst afkomstige gegevens.

2. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «en geslacht» vervangen door: , geslacht en overlijdensdatum.

3. In het eerste lid, onderdeel e, wordt na «statutaire zetel,» ingevoegd: adresgegevens,.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 8 september 2017

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

Uitgegeven de tweeëntwintigste september 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Deze wijziging van het Besluit fondsen en spaarregelingen is, mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie, vormgegeven door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nu de onderhavige wijziging met name tot doel heeft tegemoet te komen aan de wensen van sociale partners met betrekking tot cao-regelingen in aansluiting op de beëindiging van rechten op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW) of in aanvulling op een loongerelateerde uitkering in het kader van de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Een en ander in verband met de introductie van de private financiering van het zogenoemde derde WW-jaar.

Met ingang van 1 januari 2016 worden stapsgewijs enkele versoberingen in de WW doorgevoerd, dit betreft een vertraagde WW-opbouw en een verkorting van de maximale WW-duur.

De vertraagde opbouw houdt in dat medewerkers over de eerste 10 jaar van hun loopbaan per gewerkt kalenderjaar 1 maand WW opbouwen, en daarna per gewerkt kalenderjaar een halve maand WW opbouwen. Voorheen werd over alle gewerkte kalenderjaren 1 maand WW opgebouwd. Alle kalenderjaren vóór 1 januari 2016 blijven tellen voor 1 maand, ook als dat meer is dan 10 jaar.

De maximale duur van de wettelijke WW-uitkering wordt geleidelijk teruggebracht van 38 naar 24 maanden. Dit gebeurt met 1 maand per kwartaal. Vanaf 1 januari 2016 is de maximale duur nog 37 maanden, per 1 april 2016 nog 36 maanden en zo verder. Vanaf april 2019 is de WW-duur daardoor nog maximaal 24 maanden.

In 2013 is in het Sociaal Akkoord afgesproken dat de WW-aanspraken van werknemers per 1 januari 2016 versoberd gaan worden. Er is toen ook afgesproken dat de versoberingen op de WW bij collectieve arbeidsovereenkomst (hierna: cao) kunnen worden «gerepareerd» tot het niveau van voor 1 januari 2016. Dit moet privaat worden gefinancierd. In 2015 heeft de Stichting van de Arbeid (hierna: StvdA) geadviseerd dat werknemers deze reparatie, met een kostendekkende bijdrage, zelf betalen.

Werkgevers betalen de premie voor het 2 jaar durende wettelijk gedeelte van de WW, werknemers het aanvullende (private) gedeelte van maximaal 14 maanden. In door werkgevers(organisaties) en werknemersorganisaties te creëren verzamelcao’s1 kunnen private uitkeringen worden geregeld ten behoeve van de periode na de publieke WW (het zogenoemde derde WW-jaar). Er is, anders dan bij een wettelijke regeling, niet per definitie sprake van landelijke dekking.2 Bepalingen van dergelijke verzamelcao’s kunnen algemeen verbindend worden verklaard als deze voldoen aan de Beleidsregel Toetsingskader Algemeen Verbindend Verklaring CAO-bepalingen (hierna: Toetsingskader AVV). De van de werknemers te innen bijdragen worden gestort in een overkoepelend fonds.

De Stichting Private Aanvullende WW en WGA te Utrecht, aangestuurd door werkgevers en werknemers, wordt verantwoordelijk voor de totstandkoming van het overkoepelende fonds. De feitelijke uitvoering wordt uitbesteed aan Raet b.v. te Amersfoort. Het fonds moet voldoen aan het Besluit fondsen en spaarregelingen, dat is gebaseerd op artikel 631, derde lid, onder c en d, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

Een fonds is thans doorgaans een stichting met een afgescheiden vermogen, dat wordt gebruikt ter financiering van bepaalde activiteiten. Hier worden met name genoemd fondsen die subsidie verlenen voor het opleiden van werknemers, scholing van werknemers die zijn betrokken bij de interne medezeggenschap en het stimuleren van vakbondswerk. Het geld voor deze fondsen wordt doorgaans door werkgevers bijeengebracht uit de loonruimte. Dergelijke fondsen dienen vaak ook het belang van werkgevers. In het geval werknemers via een inhouding op het loon bijdragen aan het fonds is dit niet strijdig met het recht op vrije besteding van het loon van de werknemer, als de inhouding voldoet aan artikel 7:631 van het Burgerlijk Wetboek en in het bijzonder aan het Besluit fondsen en spaarregelingen dat is gebaseerd op de onderdelen c en d van het derde lid van genoemd artikel.

De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen kent twee soorten uitkeringen, de werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (hierna: WGA) en de inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten. De loongerelateerde uitkering van de WGA kent een zelfde duur en opbouw als de WW. Op deze uitkering zijn dezelfde aanpassingen van toepassing als de WW. Sociale partners hebben de intentie om ook deze aanpassingen te «repareren». Dat heeft de vorm van een aanvulling op de WGA-vervolguitkering en de WGA-loonaanvulling. De bijdragen waarmee het overkoepelende fonds wordt gevuld komen ten laste van de werknemers.

Geconstateerd is dat het Besluit fondsen en spaarregelingen op onderdelen enige aanpassing behoeft om de afspraken, die uit het genoemde Sociaal Akkoord voortvloeien, om het komen tot private financiering van het zogenoemde derde WW jaar, mogelijk te maken. De aanpassingen betreffen met name hoofdstuk 1 (Fondsen), titel 1 (Algemeen) en titel 2 (Fondsen ter behartiging van algemene belangen van bedrijfsgenoten in een bedrijfstak gezamenlijk) van genoemd besluit. Naast de bestaande mogelijkheid om een fonds op te richten voor een bedrijfstak, komt er een mogelijkheid om een overkoepelend fonds op te richten voor een of meer bedrijfstakken of een of meer ondernemingen gezamenlijk. Hiertoe kan aansluiting worden gezocht bij een algemeen verbindend te verklaren verzamelcao waarin de private aanvullingen op de WW en WGA worden geregeld. Een verzamelcao bestaat uit (een verzameling van de werkingssferen van) verschillende cao’s. Er kunnen meerdere verzamelcao’s worden gesloten die aansluiten bij de indeling van het Nederlandse bedrijfsleven. De bepalingen van deze verzamelcao’s kunnen algemeen verbindend verklaard worden wanneer zij voldoen aan de eisen van het eerder genoemde Toetsingskader AVV. Aangezien de verzamelcao’s het karakter hebben van fondscao’s, kan algemeenverbindendverklaring worden verleend voor een periode van maximaal vijf jaar.

In het Toetsingskader AVV zijn voor het geval dat een fonds wordt gevormd uit ten laste van werknemers ingehouden middelen, zoals hier het geval is, nadere eisen gesteld aan de accountantsverklaring. Dit met het oog op waarborgen met betrekking tot de soliditeit van het fonds, zoals opgenomen in artikel 1d, tweede lid, van het Besluit fondsen en spaarregelingen. Verder is het Toetsingskader AVV aangevuld zodat de algemeenverbindendverklaring van fondsbepalingen kan worden ingetrokken indien uit de over te leggen accountantsverklaring niet blijkt dat de bestedingen in overeenstemming zijn met het Toetsingskader AVV.3

Na overleg met De Nederlandsche Bank is gebleken dat het beoogde overkoepelende fonds bij uitvoering van louter algemeen verbindend verklaarde regelingen is aan te merken als een verzekeraar in de zin van de in artikel 3 vervatte uitzondering van richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEG 2009, L335). De algemeenverbindendverklaring heeft als gevolg dat deze verzekering daardoor valt binnen een wettelijke regeling van sociale zekerheid. De algemeenverbindendverklaring moet dus in ieder geval de verzekering betreffen om te kunnen stellen dat die verzekering valt binnen een wettelijke regeling van sociale zekerheid. Zodra het fonds ook gelden ontvangt op grond van een regeling die niet algemeen verbindend is verklaard, is het fonds een verzekeraar in de zin van de Wet op het financieel toezicht. Het is aan lidstaten om te bepalen hoe ruim het stelsel van sociale zekerheid moet zijn.

Uit overleg met het Verbond van Verzekeraars is overigens nog gebleken dat het onderhavige werkloosheidsrisico niet op commerciële basis verzekerd kan worden.

Het overkoepelende fonds is aan te merken als een schadeverzekeraar in de zin van titel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek. Dit brengt met zich dat het overkoepelende fonds in beginsel moet voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van deze titel van het Burgerlijk Wetboek, die met name de verhouding tussen verzekeraar (het overkoepelende fonds) en de verzekeringnemer (werkgever) regelen.

Verder is geconstateerd dat het ten behoeve van een efficiënte uitvoering van de cao-regelingen wenselijk is dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) reeds beschikbare gegevens levert aan de in de verzamelcao’s aangewezen uitvoerder (Raet in casu) die belast wordt met de uitvoering van de aanvullingsuitkeringen na de WW of in aanvulling op de WGA of een instelling die belast is met de uitvoering van de in een rechtspositieregeling opgenomen collectieve voorziening voor overheidswerknemers. Het leveren van adresgegevens van werkgevers vindt plaats ten behoeve van de op te bouwen werkgeversadministratie. Daarmee wordt dubbele uitvraag van gegevens voorkomen.

Gevolgen voor andere regelingen

In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de gevolgen van de private uitkering op de wettelijke sociale verzekerings- of voorzieningenregelingen, de ondersteuning bij re-integratie, de fiscale behandeling van de heffing en private uitkering en de relatie van de zogenoemde Coördinatieverordening Sociale Verzekeringen en de private uitkering.

Gevolgen private uitkering

De private uitkering zal volledig verrekend worden met uitkeringen op grond van de volgende wetten: de Participatiewet (artikel 31), de Toeslagenwet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (Iow), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), AIO-aanvulling (een private uitkering is niet uitgezonderd van het middelenbegrip bedoeld in artikel 31 Participatiewet), de AOW-toeslag, de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) (artikel 10, tweede lid, AOW, artikel 9, eerste lid juncto artikel 2, eerste lid, onderdeel a, OBR, en artikel 2:4 eerste lid, onderdeel o juncto a,van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten).

Voor de Anw-nabestaandenuitkering wordt de private uitkering aangemerkt als overig inkomen en volledig verrekend met de Anw-uitkering (artikel 18, eerste lid, Anw, artikel 2:4, eerste lid, onderdeel o juncto a, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten).

De private uitkering wordt niet aangemerkt als inkomen voor de werknemersverzekeringen (WIA, WAO, WW, Ziektewet), de Wajong en de Waz (artikel 3:2 eerste lid, onderdeel a, en artikel 3:3, eerste lid, onderdeel b, Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en de artikelen 2 en 2a van de Regeling samenloop). De private uitkering wordt dus niet met deze uitkeringen verrekend.

Ondersteuning bij re-integratie

Voor degene die een private uitkering ontvangt, kan door de uitvoerder van de regeling ondersteuning bij re-integratie worden geboden. Er bestaat voor de persoon die geen uitkering heeft van UWV geen aanspraak jegens UWV op individuele ondersteuning bij re-integratie. Wel kan deze persoon, net als andere werkzoekenden, zich inschrijven als werkzoekende op Werk.nl en gebruik maken van de informatie op deze site over het zoeken naar werk en gebruik maken van online testen en online trainingen.

Degene die een private uitkering ontvangt in aanvulling op een WGA-uitkering kan aanspraak maken op ondersteuning bij arbeidsinschakeling door UWV of de eigenrisicodrager die geboden wordt voor personen met een WGA-uitkering (artikel 34, eerste lid, juncto 39, en artikel 42, eerste lid, Wet WIA).

Degene die een private aanvulling ontvangt, kan bij de gemeente een beroep doen op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling, op grond van artikel 10 van de Participatiewet als «niet-uitkeringsgerechtigde» en overeenkomstig de verordening van de gemeente.

Fiscale behandeling van heffing en private uitkering

De bijdrage voor de financiering van de regeling is verschuldigd door de werknemer en wordt door de werkgever ingehouden en op grond van de huidige fiscale wetgeving bij de bepaling van het loon (loon voor de loonheffingen) in aftrek gebracht op het brutoloon van de werknemer op wie de regeling voor de private aanvulling, gelet op de cao, van toepassing is.

Fiscaal wordt de private aanvulling aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Op de uitkering dient de uitvoerder loonheffing (loonbelasting en premies volksverzekeringen) in te houden en over de uitkering een inkomensafhankelijke bijdrage Zvw te voldoen.

Over de aanvulling zijn geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd omdat de uitkering geen grondslag is voor verzekering voor de werknemersverzekeringen.

Coördinatieverordening en private aanvulling

De materiële werkingssfeer van de Coördinatieverordening Sociale Verzekeringen (de verordening) is beperkt tot wettelijke regelingen over de in deze verordening limitatief opgesomde takken van sociale zekerheid. De private aanvullingen na de WW en in aanvulling op de WGA zijn contractuele bepalingen overeengekomen door sociale partners tijdens cao-onderhandelingen. In beginsel vallen contractuele bepalingen niet onder de materiële werkingssfeer van de verordening. Dit is pas anders wanneer de contractuele bepalingen een verzekeringsplicht instellen die is afgeleid van de in artikel 1, onderdeel l, van de verordening bedoelde wetten of regelingen en die bij een besluit van het bevoegde overheidsorgaan algemeen verbindend zijn verklaard, dan wel een ruimere werkingssfeer hebben gekregen. Daarnaast geldt ook de voorwaarde dat de betrokken lidstaat een verklaring opstelt waarmee hij de voorzitter van het Europees Parlement en de voorzitter van de Raad van de Europese Unie in kennis stelt van dat besluit. Die verklaring wordt vervolgens gepubliceerd. Nu aan deze voorwaarden niet wordt voldaan valt de private aanvulling na de WW en in aanvulling op de WGA niet onder de werkingssfeer van de verordening.4

Administratieve lasten

Door wijziging van het Besluit fondsen en spaarregelingen wordt het mogelijk een overkoepelend fonds op te richten voor behartiging van algemene belangen van werknemers of werkgevers, waaraan ook individuele ondernemingen kunnen meedoen die, zoals hiervoor beschreven, aansluiting hebben gevonden bij een verzamelcao waarvan bepalingen algemeen verbindend verklaard zijn. Een dergelijk fonds moet na oprichting voldoen aan bestaande regelgeving, waaronder het Besluit fondsen en spaarregelingen, het Toetsingskader AVV en titel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek. De wijziging van het besluit leidt op zichzelf niet tot extra inhoudelijke administratieve lasten of nalevingskosten.

De handelingen, die nodig zijn om uitvoering te geven aan een verzamelcao, zijn het gevolg van afspraken tussen de cao-partijen en afspraken die de StvdA heeft gemaakt over de uitvoering van de regeling. Ook moeten de werkgevers, als verzekeringnemer, de werknemer, als verzekerde, inzicht bieden in de aanspraken op het fonds. De werkgevers zijn verder verantwoordelijk voor het inhouden van de bijdrage op het loon van de werknemers en het direct doorstorten van die inhouding aan het fonds. Bij de start zullen enkele administratieve handelingen uitgevoerd moeten worden, zoals het melden van de loonsom en het aantal werknemers aan de uitvoerder en het bekendmaken van de hoogte van de inhouding aan de werknemers, het inregelen in de salarisadministratie en de instructie bij de financiële administratie. Daarnaast zijn er maandelijks enkele extra handelingen nodig, bestaande uit het ontvangen van de nota, het innen van de bijdragen en het betalen van de afdracht aan de beheerder van het fonds. Deze handelingen zijn niet het gevolg van informatieverplichtingen aan de overheid of naleving van inhoudelijke verplichtingen als gevolg van gewijzigde regelgeving. Het gaat immers om handelingen tussen private partijen die aan een privaat fonds deelnemen. Wanneer echter door algemeenverbindendverklaring van zulke cao-afspraken ongeorganiseerde werkgevers worden verplicht deel te nemen aan een verzamelcao, moeten handelingen die erop gericht zijn deze ongeorganiseerde werkgevers van dit feit op de hoogte te stellen wel worden gezien als het gevolg van overheidsregelgeving, hoewel de basis hiervoor nog steeds wordt gevormd door de private afspraken tussen cao-partijen. Nog onbekend is welke sectoren mee gaan doen met een verzamelcao, zodat op voorhand geen zinnige uitspraak kan worden gedaan over het «aanvullende» aantal werkgevers dat als gevolg van algemeenverbindendverklaring verplicht zal zijn een verzamelcao toe te passen op hun werknemers. Een dergelijke inschatting wordt verder bemoeilijkt doordat algemeenverbindendverklaring in de ene sector meer personen betreft dan in een andere sector.

Doordat de bij de verzamelcao’s aan te wijzen uitvoerder van de aanvullingen op de publieke uitkeringen gebruik kan maken van bij het UWV beschikbare gegevens ten behoeve van het opbouwen van de werkgeversadministratie, vloeien hier geen administratieve lasten uit voort.

De wijzigingen zijn verder artikelsgewijs toegelicht.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A (artikel 1)

Artikel 1 is opnieuw vormgegeven. Allereerst is de verouderde term bedrijfsgenoten vervangen door werknemers of werkgevers. In principe kunnen fondsen voor werknemers of voor werkgevers en werknemers gezamenlijk worden opgericht.

Naast de bestaande mogelijkheid om een fonds op te richten ter behartiging van algemene belangen van werknemers en werkgevers in een bedrijfstak gezamenlijk (tweede lid) wordt het mogelijk gemaakt een dergelijk fonds op te richten ten behoeve van meer bedrijfstakken en ondernemingen gezamenlijk (derde lid). Er kan dan, conform de wensen van de StvdA, een overkoepelend fonds ontstaan voor de aanvullingsuitkeringen na de WW of in aanvulling op de WGA. Ook ondernemingen kunnen zich bij een dergelijk overkoepelend fonds aansluiten. Bij een individuele onderneming kan dit alleen aan de orde zijn als aansluiting wordt gezocht bij een verzamelcao waarvan bepalingen algemeen verbindend verklaard worden. Het derde lid regelt verder dat in de situatie dat een of meer bedrijfstakken of een of meer ondernemingen met elkaar een overkoepelend fonds oprichten ter behartiging van algemene belangen van werknemers of werkgevers de verplichtingen die in de artikelen 1c tot en met 1g zijn opgenomen gelden voor het overkoepelende fonds. Dat is wenselijk, omdat in dat geval op het niveau van de (algemeen verbindend verklaarde) bepalingen van cao’s geen fondsvorming plaatsvindt. Fondsvorming vindt alleen op overkoepelend niveau plaats. De geïnde bijdragen worden immers door de werkgevers direct in het overkoepelende fonds gestort. Dit betekent dat de verplichtingen die op grond van genoemde artikelen zijn opgenomen voor het bestuur van een fonds gelden voor het bestuur van het overkoepelende fonds. Gevolg daarvan is onder andere dat het bestuur van het overkoepelende fonds jaarlijks een verslag opstelt (artikel 1f). In het Toetsingskader AVV zijn hierover in paragraaf 6.2 nadere eisen gesteld.

Artikel I, onderdeel B (opschrift titel 2)

Het opschrift van titel 2 is algemeen geformuleerd nu ook werknemers van ondernemingen die, zoals in het algemeen deel beschreven, aansluiting hebben gevonden bij een verzamelcao, waarvan bepalingen algemeen verbindend verklaard zijn, deel kunnen nemen aan een gezamenlijk fonds. Verder is ook hier het verouderde begrip bedrijfsgenoten vervangen door werknemers of werkgevers.

Artikel I, onderdeel C (artikel 1a)

In het eerste lid van artikel 1a is bepaald welke documenten de verplichtingen van de werknemers tot het bijdragen aan het fonds kunnen bevatten. Dit lid is, behoudens het vervallen van de verouderde grondslag van de verordening van een bedrijf of een hoofdbedrijfschap, ongewijzigd gebleven.

Het tweede lid, onder a, bevat het huidige tweede lid van artikel 1a. Dit lid bepaalt dat uit de in het eerste lid bedoelde bepaling moet blijken welk bedrag door de werkgever mag worden ingehouden op het loon van de werknemer om af te dragen aan het fonds.

Ter verduidelijking wordt hierbij vermeld dat dit bedrag op dezelfde manier als het werknemersdeel van een pensioenpremie tot een verlaging van zowel het fiscale loon als het loon voor de sociale verzekeringen leidt, zodat er geen gevolgen zijn voor het uniforme loonbegrip zoals dat sinds 2013 geldt.

De StvdA heeft aangegeven dat het overkoepelende fonds voor de cao-aanvulling na de WW of in aanvulling op de WGA niet met een bedrag maar met een percentage werkt. Een percentage bovendien dat een bovengrens kent (maximaal 0,75 procent volgens de StvdA) en dat van jaar tot jaar kan verschillen, zolang het maar onder het maximum percentage blijft. Om dit mogelijk te maken is artikel 1a, tweede lid, aangepast. Naast de bestaande mogelijkheid om een bedrag te hanteren (onder a) is het mogelijk om bij een overkoepelend fonds met een maximum percentage te werken (onder b). Wel moet in dat geval het overkoepelende fonds de betreffende werkgevers meedelen welk percentage voor het komende jaar gaat gelden. Dit regelt het nieuwe derde lid. De werkgevers geven dat vervolgens schriftelijk of elektronisch door aan hun werknemers. Aangezien het overkoepelende fonds niet over de namen van de bij de betreffende werkgevers werkzame werknemers beschikt, loopt dit via de werkgevers die wel over deze informatie beschikken. Ten aanzien van deze procedure zijn termijnen opgenomen in artikel 1a, derde lid, van het onderhavige besluit. De werknemers krijgen daarbij een afschrift van het besluit van het overkoepelende fondsbestuur waarbij het jaarpercentage is vastgesteld. Hiermee wordt voorkomen dat de werkgever mogelijk een hoger percentage aan loon inhoudt dan het fondsbestuur voor dat jaar heeft vastgesteld.

Ten aanzien van nieuwe werknemers geldt dat zij uiterlijk op de dag van indiensttreding schriftelijk of elektronisch in kennis moeten worden gesteld van het percentage dat van hun loon wordt ingehouden ten behoeve van het overkoepelende fonds voor de cao-aanvulling na de WW of in aanvulling op de WGA. Ook in dit geval moet het besluit van het fondsbestuur betreffende het te hanteren percentage aan de werknemer worden overgelegd. Dit is geregeld in het nieuwe vierde lid.

Artikel I, onderdeel D (artikel 1b)

Artikel 1b geldt zowel voor fondsen als voor overkoepelende fondsen. In artikel 1b is «de bedrijfstak» voor de duidelijkheid vervangen door: een of meer bedrijfstakken. Tevens is ook hier, analoog aan artikel 1, een of meer ondernemingen toegevoegd. Opgemerkt wordt nog dat ingevolge punt 6.2 van het Toetsingskader AVV de werkingssfeer van de statuten of reglementen niet ruimer kan zijn dan die van de cao.

Artikel II

In artikel II van dit Besluit is een wijziging opgenomen van het Besluit SUWI om mogelijk te maken dat adresgegevens van de werkgever door UWV verstrekt kunnen worden aan de bij collectieve arbeidsovereenkomsten aangewezen instellingen die belast zijn met de uitvoering van de in de collectieve arbeidsovereenkomst opgenomen collectieve voorzieningen voor werknemers (dan wel instellingen die belast zijn met de uitvoering van in rechtspositieregelingen opgenomen collectieve voorzieningen. Op grond van artikel 73, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) is het UWV bevoegd op verzoek gegevens te verstrekken aan deze instellingen. In artikel 5.12 van het Besluit SUWI is invulling gegeven welke gegevens verstrekt kunnen worden aan deze instellingen. Dit zijn gegevens die UWV op grond van artikel 33 van de Wet SUWI verwerkt in de polisadministratie voor eigen taken ten aanzien van werknemers of als bewerker bij gegevensverwerking voor de Belastingdienst voor de loonheffing. In artikel II, onder 2, is in artikel 5.12, eerste lid, onder a, als persoonsgegeven van werknemers toegevoegd de overlijdensdatum. In artikel II, onder 3, zijn aan artikel 5.12, eerste lid, onder e, de adresgegevens van de werkgever toegevoegd. De adresgegevens van de werkgever zijn veelal bekend bij de Belastingdienst in verband met de loonheffing. De adresgegevens kunnen echter ook afkomstig zijn uit de administraties van het UWV. Het gegeven van de overlijdensdatum is, zoals blijkt uit bijlage I bij het Besluit SUWI, in de polisadministratie opgenomen voor de taken van het UWV en niet voor de taken van de Belastingdienst. Om die reden is, voor beide gegevens, met artikel II, onder 1, op soortgelijke wijze als in de artikelen 5.13 en 5.14 van genoemd besluit, het woord «mede» aan artikel 5.12 toegevoegd. De adresgegevens van de werkgever worden uitgewisseld tussen de Belastingdienst en het UWV op basis van artikel 124 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). De gegevensverstrekking door UWV is noodzakelijk voor de behartiging van het gerechtvaardigd belang, namelijk de uitvoering van deze cao-voorzieningen. Deze cao-voorzieningen moeten naar hun aard gelijk zijn aan de taken die aan het UWV zijn opgedragen. De uitvoering van bij cao geregelde aanvullingsuitkeringen in het kader van werkloosheid en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is een dergelijke taak. De instellingen mogen deze adresgegevens dan ook slechts voor dat doel gebruiken. Aangezien het mede gegevens van de Belastingdienst betreft, dient de doorlevering van deze gegevens uitdrukkelijk op het niveau van een besluit op basis van artikel 73 van de Wet SUWI te worden geregeld. In artikel 124a van de Wet financiering sociale verzekeringen is immers geregeld dat van de Belastingdienst afkomstige gegevens, zoals de adresgegevens van de werkgever, genoemd dienen te worden in het besluit om doorlevering van deze gegevens door het UWV aan derden mogelijk te maken. Bovenstaande geldt ook voor instellingen die belast zijn met de uitvoering van in een rechtspositieregeling opgenomen collectieve voorziening voor overheidswerknemers.

Artikel III

Dit besluit treedt, met een beroep op het vierde lid, onder a, van aanwijzing 174 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, in werking met ingang van de dag na plaatsing in het Staatsblad. Voor de doelgroep van de regeling, deelnemers aan een overkoepelend fonds ten behoeve van aanvullingsuitkeringen na de WW of in aanvulling op de WGA, is het van belang dat zo snel mogelijk met inning van de bijdragen en de opbouw van het overkoepelende fonds kan worden begonnen.

Deze nota van toelichting is door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondertekend, mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Bedrijfstakken die een algemeen verbindendverklaring hebben (of kunnen krijgen) van hun arbeidsvoorwaardencao kunnen net als subsectorcao’s (cao’s van enkele ondernemers uit een bedrijfstak die niet kan of wil deelnemen aan het overkoepelend fonds; hierbij is dus geen sprake van een «bedrijfstak») en ondernemingscao’s deelnemen. Bedrijfstakcao’s die niet voldoen aan de representativiteitseisen voor algemeen verbindendverklaring kunnen eveneens deelnemen met de bij de werkgeversvereniging aangesloten leden. Technisch gezien spreken zij dan af dat zij zich in de werkingssfeerbepaling van de verzamelcao laten opnemen zodat deze op hen van toepassing zal zijn. Een verzamelcao bestaat zodoende uit een verzameling van verschillende cao’s. Eén nationale verzamelcao is naar de mening van de regering niet mogelijk gelet op de eisen die artikel 2 van de Wet op het verbindend en onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten stelt aan de algemeen verbindendverklaring (hierna: Wet avv). Anders dan bij een nationale verzamel-cao het geval zou zijn, wordt door het gebruik van meerdere verzamel-cao’s het begrip «bedrijfstak» uit de Wet avv gerespecteerd en kunnen de belangen worden gebundeld van bedrijven die gelijke of vergelijkbare producten voortbrengen of diensten aanbieden. Door een stelsel van meerdere verzamel-cao’s is sprake van even zo vele verschillende bedrijfstakken: er kan dan immers onderscheid worden gemaakt tussen de activiteiten in deze bedrijfstakken. Juist dat maakt algemeen verbindendverklaring mogelijk.

X Noot
2

Cao-partijen maken immers zelf de keuze of ze willen meedoen aan de privaatrechtelijke aanvulling na de WW of in aanvulling op de WGA.

X Noot
3

Het Ministerie van SZW geeft geen oordeel over de rechtmatigheid en doelmatigheid van de bestedingen van fondsen.

X Noot
4

De Coördinatieverordening 883 kent een andere doelstelling en een andere materiële werkingssfeer dan de Richtlijn 2009/138/EG. Dit brengt met zich dat de onderhavige private aanvulling niet onder de Coördinatieverordening 883 valt.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbij behorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.